fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Van Lampje tot Adriaan Mole: een overzicht met jeugd- en kinderboeken waar je ook als volwassene nog iets aan hebt

Je hebt echt geen kinderen nodig om eens een goed jeugdboek op te pakken. Boeken voor kleine lezers kunnen ook grote lezers van hun sokken blazen. Bovendien zijn kinder- en jeugdboeken een stuk sneller uit, zit je niet te worstelen met dikke kleppers in onooglijk kleine lettertypes en krijg je af en toe een leuke illustratie voorgeschoteld.

Maar waar begin je? Het lijkt haast onmogelijk om uit de veelheid van jeugdboeken een lijstje te puren: zoveel verschillende leeftijdscategorieën, zoveel verschillende genres. En wat doe je als volwassene met young adult, een genre dat in zwang raakte lang nadat ondergetekende nog ‘jong’ kon genoemd worden? Young adult wil tieners, die het vaak laten afweten op boekenvlak, weer aan het lezen krijgen. Het biedt ze een spannende leeservaring vanuit hun eigen leefwereld, die de overstap naar literatuur voor volwassenen moet vergemakkelijken. Dat is een nobel doel, maar tieners of jongere recensenten die wél met dit genre zijn opgegroeid, zijn beter uitgerust om daar een oordeel over te vellen. Daarom komt het hier niet aan bod. De kans is ook groot dat je – tevergeefs – zit te zoeken naar grote namen als Kuijer, Schmidt, Terlouw, Beckman, Preussler of Walliams. Zij ontbreken enkel en alleen omdat dit lijstje anders veel te lang zou worden. Een vervolg dringt zich nu al op.

Dit lijstje is een begin, een aanzet om toch nog eens een kinder- of jeugdboek uit de kast te halen. Het is een subjectief amalgaam van recente en minder recente boeken die zowel jonge als minder jonge lezers kunnen bekoren. Nostalgie is een verraderlijke vriend. Daarom werden boeken die doorheen de jaren een epische status kregen aangemeten herlezen om na te gaan of ze de tand des tijds konden doorstaan. Daarnaast is dit lijstje evengoed het bewijs dat er ook nu nog veel moois geschreven wordt voor kinderen en jongeren.

Annet Schaap, Lampje (Verscheen in 2017 bij Querido)

Als je niet weet waar te beginnen, begin dan met Lampje. Lampje is de dochter van de norse vuurtorenwachter Augustus. Elke dag moet ze het licht van de vuurtoren aansteken, want haar vader kan de 61 treden van de toren niet meer op met zijn houten been. Haar moeder leeft niet meer, ook daarom is haar vader zo nors. Op een stormachtige avond zijn de lucifers op en gaat alles mis. Een boot vaart te pletter tegen de rotsen en Lampje wordt verbannen naar het Zwarte Huis. Daar ontspint zich een buitengewoon verhaal vol vreemde wezens die tegelijkertijd heel herkenbaar zijn: Julie-met-de-baard, dubbele Olga, een vogelvrouw, een Admiraal en een jongen die half vis half mens is. Het verhaal is best verdrietig en soms griezelig, maar één ding blijkt alvast duidelijk uit dit lijstje: kinderen moeten niets hebben van zeemzoeterige verhaaltjes waarin alles rozengeur en maneschijn is. Ze kunnen meer aan dan je denkt.

Schaap is van oorsprong illustratrice, maar in haar debuut verschijnen bewust maar enkele tekeningen. Je moet de personages zelf in je hoofd vormgeven, vertelt ze op haar website (waar wél extra illustraties te vinden zijn!). Dankzij haar krachtige, gebalde bewoordingen en dialogen slaat je fantasie meteen op hol. Haar vlotte, speelse stijl is een lust om te lezen. De levenslessen, die in elk jeugdboek toch een beetje verplichte kost zijn, zijn zo subtiel en wondermooi verpakt dat je er nooit over struikelt. Meer nog, je steekt er ook als volwassene nog iets van op. Lampje viel uitgebreid in de prijzen en werd ondertussen vertaald naar tig andere talen.

Kathleen Vereecken, Alles komt goed, altijd (Verscheen in 2018 bij Lannoo)

Nog een bewijs dat kinderen veel meer aankunnen dan wat K3 pleegt te zingen: een verhaal over de Eerste Wereldoorlog, over bombardementen, gasaanvallen, vluchten en heel veel doden. Hoe kun je dat in hemelsnaam in een kinderboek gieten? Kathleen Vereecken demonstreert het op meesterlijke wijze in Alles komt goed, altijd. Ze won er zelfs de Woutertje Pieterse Prijs mee. Het boek is losjes gebaseerd op waargebeurde verhalen, maar het informatieve gehalte is eigenlijk niet zo belangrijk. Vereecken wil vooral aantonen dat ook tijdens de oorlog het leven gewoon voortging: kinderen speelden, fantaseerden, ruzieden. Haar poëtische woordgebruik staat in schril contrast met de gruwelijke oorlogswerkelijkheid. Ook de sobere illustraties, van de hand van Charlotte Peys, laten veel over aan de verbeelding.

De jonge Alice groeit op in Ieper aan het begin van de twintigste eeuw. Vol ongeloof ziet ze hoe de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. Hun gezin valt uiteen, ze moet meerdere keren vluchten en belandt uiteindelijk in een klooster in Noord-Frankrijk. Daar wordt ze na vier zware jaren weer herenigd met haar familie. Of beter: met wie er daarvan nog overblijft. Dit zou een spoiler kunnen zijn, maar na zo’n oorlog verwacht niemand een happy end, al beweert de titel het tegenovergestelde.

Alles komt goed. Het is een zin die je liever niet hoort als je onherstelbare wonden moet likken. Ook Alice heeft het moeilijk met dit motto van haar moeder, al is het “de liefste leugen” die ze kent. Maar geleidelijk aan komt ze tot het besef dat haar mama misschien toch gelijk had. Het is een titel met hoopvolle weerhaakjes.

Roald Dahl, Boy (Verscheen voor het eerst in 1984 en werd vertaald door Huberte Vriesendorp)

Uiteraard is élk boek van Roald Dahl geschikt voor élke leeftijd – om zelf te lezen of om heerlijk uit voor te lezen – maar Boy, over de eerste twintig jaar van Dahls leven (1916-1936), geeft een inkijk in een boeiend verleden en toont bovendien waar Dahl zijn inspiratie opdeed. Roald Dahls Noorse vader emigreerde naar Wales om er een nieuw leven uit te bouwen. Toen Roald drie jaar oud was, stierf zijn zevenjarige zusje Astri aan een blindedarmontsteking. Kort daarna stierf zijn vader aan een longontsteking. Roald werd naar Engelse kostscholen gestuurd en haalde daar ettelijke kwajongensstreken uit. De zomervakantie bracht het gezin steevast door in het idyllische Noorwegen.

Vooral uit de kostschooljaren herken je zaken uit Dahls latere oeuvre: kikkers in snoepkistjes, dode muizen in snoepbokalen, een matron die ’s nachts zeepschilfers in de mond van een slapende jongen strooit om de “walgelijke gewoonte” van het snurken te verhelpen. Het is een pijnlijke vaststelling dat de lijfstraffen, die ook in Matilda schering en inslag zijn, niet ontsproten zijn uit zijn fantasie maar gewoon de harde werkelijkheid waren. Boy is dan ook een vurig pleidooi tegen alle vormen van terreur jegens kinderen. Dahl doet zelfs een boekje open over een van zijn directeurs met losse handjes, die het later desalniettemin tot bisschop van Canterbury schopte. Zo haalt hij een volledige geloofstraditie onderuit bij zijn jeugdige publiek: “Als deze man, zo hield ik mezelf voor, een van Gods uitverkoren vertegenwoordigers op aarde is, dan zit er iets goed fout met dat hele zaakje.”

Het boek is rijkelijk geïllustreerd met zwart-witfoto’s en brieven uit zijn jeugd, die hij ondertekent met “Boy”. De brieven werden weliswaar niet vertaald in de Nederlandstalige editie. De typische tekeningen van Quentin Blake zorgen voor de onvervalste Dahl-look. Het vervolg Solo, over Dahls werk- en oorlogsjaren, is minder toegankelijk voor jeugdige lezers, maar even verhelderend.

Tonke Dragt, De torens van februari (Verscheen voor het eerst in 1973)

De torens van februari is een van de vele meeslepende klassiekers van Tonke Dragt, maar met een extra dimensie, letterlijk en figuurlijk. De vijftienjarige Tom is zijn geheugen kwijt en begint een dagboek, op 30 februari. Hij kent zijn naam niet, noch zijn leeftijd, en heeft al helemaal geen weet van het geijkte aantal dagen per maand. Geleidelijk aan begint het hem te dagen: hij is in een parallelle wereld beland. Enkel de twee reusachtige torenflats op het strand herkent hij nog van vroeger.

Om terug te keren naar zijn eigen wereld moet Tom zich een spreuk weten te herinneren. Een spreuk die, zo leren we, ergens in het dagboek vervat zit. Je weet dat het niet kan, dat het onmogelijk is, en toch wil je het boek binnenstebuiten keren om de spreuk te vinden. Als een godslasteraar die in hachelijke omstandigheden toch een gebedje prevelt. Dragt blijft ook beweren dat het verhaal waargebeurd is. Ze beschrijft gedetailleerd hoe het originele opschrijfboekje eruitzag en hoe ze slechts hier en daar enkele aantekeningen toevoegde.

De torens van februari stelt de prangende maar nog steeds actuele vraag in wat voor wereld we eigenlijk willen leven. Toms nieuwe wereld lijkt op het eerste gezicht perfect, maar ook daar is er geen plaats voor ‘vluchtelingen’, voor mensen uit een andere dimensie die hun eigen gewoonten zouden kunnen meebrengen. Het feit dat je je geheugen kwijt bent, verberg je er dus maar beter. Het mooiste thema uit dit jeugdboek is en blijft echter de kracht van taal: hoe één woord een heel nieuwe wereld kan oproepen. Dragt is ondertussen de negentig voorbij. Hopelijk neemt ze dat woord niet mee in haar graf…

Frances Burnett, De geheime tuin (Verscheen voor het eerst in 1911 en is uitgegeven door Leopold)

De geheime tuin van Frances Burnett is een klassieker uit de Engelse jeugdliteratuur die nog niets van zijn charmes heeft ingeboet.

Mary Lennox is een bleek en verwend meisje uit India. Na de dood van haar ouders verhuist ze naar het landhuis van haar oom in Engeland. Het is er saai en eenzaam, het weer is er belabberd en ze wordt er niet op haar wenken bediend. Het kamermeisje Martha vertelt haar over een ommuurde tuin die tien jaar geleden op slot ging. Met de hulp van een roodborstje vindt Mary de sleutel van de ‘geheime’ tuin en begint ze er samen met Martha’s broer Dickon in te werken. Geleidelijk aan verdwijnt de wildernis, letterlijk en figuurlijk, want ook Mary’s humeur klaart zienderogen op. Op een avond hoort Mary iemand huilen in het grote huis. Het is Colin, haar ziekelijke neef, die zo mogelijk nog verwender is dan zij.

De geheime tuin is een boek met een wijze les, die er misschien iets dikker op ligt dan tegenwoordig in het gemiddelde jeugdboek aanvaard wordt. Honderd jaar geleden was dat nu eenmaal de norm. De heilzame invloed van de natuur zuivert Mary’s afstotelijke karakter. De natuur maakt haar gezond op alle vlakken, fysiek én mentaal. Toch is het geen boek voor boomknuffelaars, integendeel. Elke anglofiel zal zich moeten bedwingen om niet meteen een reis richting Groot-Brittannië te boeken vanwege de knappe beschrijvingen van de heide en de ontluikende tuin.

Bij een herlezing van de Nederlandse vertaling uit 1982 (door E. Veegens-Latorf) valt het op dat het taalgebruik wat ouderwetser overkomt, wellicht om het Engelse origineel uit 1911 beter te benaderen. Jonge lezers zijn gebaat bij de vorig jaar uitgekomen nieuwe vertaling van Imme Dros, die vlotter en hedendaagser klinkt. In het Engels werd het boek eveneens vele malen herwerkt om het toegankelijker te maken voor een breed publiek. Toch blijft ook de vertaling uit 1982 het lezen waard.

Benno Barnard en Geert Van Istendael, Een geschiedenis van België – voor nieuwsgierige kinderen (en hun ouders) (Verscheen in 2012 bij Atlas Contact)

Niet alle kinderen houden van draken en prinsessen, soms overtreft de waarheid de grootste fantasieën. Een geschiedenis van België vertelt het spannende verhaal van België, van de ‘Oeroude Belgen’ tot de ‘Hippies, kwade studenten, nieuwe Belgen en nieuwe problemen’, en alles daartussen. Al heet het boek bewust niet dé geschiedenis, want “er zijn vele andere geschiedenissen van België mogelijk,” aldus de auteurs.

De lichtvoetige toon richt zich tot alle kinderen en jongeren met een gezonde dosis nieuwsgierigheid, en niet alleen tot de bollebozen. Zo speelden Frankrijk en Duitsland “landjepik” met elkaar, en heet de verdeling van het rijk onder de drie kleinzonen van Keizer Karel een “malle vorm van meetkunde”. Geen saai geschiedenisjargon dus, maar een vlotte taal, waarbij moeilijke woorden niet geschuwd maar wel helder uitgelegd worden. Ook ouders zullen de Belgische geschiedenis misschien beter te verteren vinden in deze hapklare brokjes, grappig geïllustreerd door Judith Van Istendael. Want hoe zat het nu weer met die gewesten en gemeenschappen? En met de koningskwestie?

Dankzij het chronologische verloop raak je de draad nooit kwijt, al wordt er wel eens vooruitgeblikt, of worden er prangende vragen opgeworpen als: Wat is een democratie eigenlijk? Of een volksaard? Er moeten echter veel koningen, keizers en veldslagen de revue passeren, met evenveel wetenschappers, kunstenaars en schrijvers in hun kielzog. Grote diepgang krijg je daar niet meer bij in 300 pagina’s, maar dat hoeft ook niet.

Joke van Leeuwen, Toen ik (Verscheen in 2017 bij Querido)

Joke van Leeuwen heeft een prachtig palmares bij elkaar geschreven maar blijft zichzelf bewijzen. Toen ik is een verzameling korte verhaaltjes, bekroond met de Zilveren Griffel 2018 (de prijs voor het best geschreven kinderboek van het jaar, red.). De eenvoudige zwart-witillustraties (van Van Leeuwen zelf), de speelse lettertypes en vele tekstballonnen zorgen ervoor dat ook beginnende lezers dit boek zelf kunnen lezen. Al is het zoveel leuker om samen te filosoferen over de vreemde gedachtekronkels van Deef, het hoofdpersonage.

“Toen ik” zijn de eerste twee woorden van de titel van elk verhaaltje. Dat kunnen banale voorvallen zijn – ‘Toen ik een tekening maakte’ – maar ook minder voor de hand liggende zaken – ‘Toen ik iets moest worden’. Realiteit en fantasie lopen kriskras door elkaar. De buschauffeur kan plots de andere kant op rijden, zodat ze niet op school maar wel in het oerwoud belanden: “Je weet nu eenmaal niet hoe dingen waren gegaan als ze anders waren gegaan dan ze gingen” en de Javaanse tijger uit Deefs spreekbeurt bedankt hem om ook eens een uitgestorven diersoort aan bod te laten komen: “Ik ben er misschien niet meer maar als je over me praat en aan me denkt, ben ik er eigenlijk wel”, waardoor het verhaal onverwacht een hele andere lading krijgt. Want ook moeilijkere onderwerpen komen – vaak ongemerkt – aan bod, zoals de scheiding van Deefs ouders. En wie herkent zich niet in het verhaal ‘Toen ik een woord niet wist’ waar Deef op zoek gaat naar het woord “voor als je iets zei dat niet om te lachen was en de grote mensen lachten toch”. Samen lezend verzin je misschien nog meer knotsgekke verhalen of licht je een tipje van de sluier op van wat er zich allemaal in dat kleine hoofdje afspeelt.

Sue Townsend, Het geheime dagboek van Adriaan Mole, 13 ¾ jaar (Verscheen voor het eerst in 1982)

Het geheime dagboek van Adriaan Mole, 13 ¾ jaar is precies wat de titel zegt: het dagboek van een onopvallende tiener die opgroeit in het Engeland van de jaren tachtig. Alleen besef je pas tijdens het lezen hoe hilarisch een dergelijk saai gegeven kan zijn. Dat is de grote verdienste van Sue Townsend. Haar Britse droge humor spat van de bladzijden, al bedoelt Adriaan het allemaal heel serieus.

Adriaans dagboeknotities brengen schrijnend maar grappig zijn eigen beperkingen aan het licht. Hij is dat ‘intellectuele’ ettertje dat gepest wordt op school maar zich toch stukken beter voelt dan de rest. Zo ambieert hij een grote schrijverscarrière, al worden zijn puberale gedichten steeds teruggestuurd door de BBC. Eigenlijk is hij gewoon een typische puber die worstelt met typische puberzaken: puistjes, zijn liefde voor Pandora, het stukgelopen huwelijk van zijn ouders en de lengte van zijn penis. Op de achtergrond spelen Thatcher, armoede, werkloosheid en drankproblemen een glansrijke bijrol.

Townsend ging zelf van school af toen ze vijftien was, had al drie kinderen toen ze 23 was, en moest als alleenstaande ouder rond zien te komen. Ze is pas na haar dertigste beginnen schrijven. Adriaan Mole kwam tot stand toen ze bijna 40 was. Ze schreef over de klasse en de problemen die ze het best kende. Die authenticiteit én haar gevatte pen zorgden ervoor dat het dagboek een regelrechte bestseller werd. Townsend heeft nog acht vervolgdagboeken geschreven, tot Adriaan een flinke dertiger is. Voor lezers die er maar niet genoeg van kunnen krijgen.

De dagboeken werden in meer dan 48 talen vertaald. Het boek werd aanvankelijk naar het Nederlands vertaald door Huberte Vriesendorp. Op 3 juni van dit jaar verscheen er echter een nieuwe vertaling door Sylvia Witteman bij uitgeverij Condor.

Jonathan Auxier, De Veger – het verhaal van een meisje en haar monster (Verscheen in 2019 bij Billy Bones en werd vertaald door Esther Ottens)

“Door anderen te redden, redden we onszelf.” Dat is het motto van De Veger van de Canadese jeugdboekenauteur Jonathan Auxier. Nan Mus, een arm meisje uit het Victoriaanse Londen, wordt grootgebracht door de Veger. Als die plots verdwijnt, moet ze noodgedwongen gaan werken voor de meedogenloze Wilkie Crudd. Op een dag komt ze vast te zitten in een schoorsteen, waarbij ze op wonderlijke wijze gered wordt door een monstertje van roet en as: Charlie. Nan voedt Charlie op als haar eigen kind en er ontstaat een hechte vriendschap. Samen kunnen ze misschien een einde maken aan het verschrikkelijke lot van de schoorsteenvegertjes.

Dat verschrikkelijke lot is niet verzonnen door Auxier, maar is een pijnlijk stukje Britse geschiedenis. Jonge jongens in het Victoriaanse Engeland van de achttiende en negentiende eeuw werden, vaak uit pure noodzaak, ‘verkocht’ om het vuile werk van de schoorsteenvegers op te knappen. De kleine jongens werden de grote schoorstenen in gestuurd om van binnenuit het roet te verwijderen. In De Veger beleef je het hectische Londen van toen, met al zijn klasseverschillen, wantoestanden maar ook met zijn grote schrijvers, zoals William Blake. Blake kloeg in zijn Songs of Innocence en Songs of Experience het lot van de vegertjes aan, wat weerspiegeld wordt in de twee delen van dit boek. Het eerste deel heet ‘Onschuld’, het tweede deel ‘Ervaring’. Ook het jodendom en het antisemitisme komen aan bod, waarbij Nan leert over Pesach en over de golems. Al die geschiedkundige, culturele en literaire weetjes zijn mooi meegenomen, maar bovenal blijft De Veger een spannend verhaal over vriendschap en zelfopoffering, over verhalensoep en het geloof in het onmogelijke, beschreven vol humor en spitsvondigheid. Op het einde wordt de lezer getrakteerd op een nawoord van de schrijver waarin hij helder uitlegt wat feit en wat fantasie is in dit boek, en hoe zijn verhaal een sprookjesachtige mengeling van de twee werd.

Meer van lijstjes en overzichten bekijken zoals dit artikel over jeugd- en kinderboeken?

We publiceerden ook een overzicht met de leukste katten uit de literatuur. Als er één dier is dat de literaire pagina’s niet schuwt, maar zich er arrogant bovenop neervlijt en er parmantig doorheen wandelt, is het wel de kat. Japanse verhalen en katten zijn uiteraard onafscheidelijk, maar ook de Nederlandse literatuur zit er vol mee. In het overzicht onder andere aandacht voor de kat uit Kafka op het strand van Haruki Murakami en de duivelse kater uit De Meester en Margharita van Michail Boelgakov.

Naar aanleiding van het boekenweekthema ‘De moeder, de vrouw’ in 2019 maakten we een overzicht met interessante moederpersonages. In het overzicht onder andere het personage Marie uit Ik kom terug van Adriaan van Dis.

Drie keer per jaar maken we een overzicht met de tien boeken waar we op dat moment het meest naar uitkijken. En ook al zijn de boeken intussen misschien al verschenen, het blijven uiteraard boekentips. In dit overzicht vertellen we je bijvoorbeeld waarom je De poort van Soseki Natsume moet lezen en Kleine handen van Andrés Barba.

Ook maakten we een overzicht van de meest opmerkelijke avonturenromans die ooit verschenen zijn. In het artikel hebben we onder andere aandacht voor Jules Verne en Daniel Defoe – van wie ook aangepaste en herwerkte verhalen verschenen voor kinderen – maar eveneens voor klassiekers als Moby Dick en Gullivers reizen