fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Portret: Willem Elsschot

Achtergrond

“In de kunst mag niet geprobeerd worden. Probeer niet te schelden als gij niet toornig zijt, niet te schreien als uw ziel droog staat, niet te juichen zolang gij niet vol zijt van vreugde. Men kan proberen een brood te bakken, maar men probeert geen schepping. Men probeert ook niet te baren. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren vanzelf, te gepasten tijde.”
Naam Alfons (Alphonsus Josephus) De Ridder
Schrijversnaam Willem Elsschot
Nationaliteit Belgisch
Geboortedatum 7 mei 1882
Sterfdatum 31 mei 1960
Bekendste werken Kaas, Lijmen/Het been, Het dwaallicht, Het huwelijk
Belangrijkste prijzen Constantijn Huygens Prijs, Driejaarlijkse Staatsprijs voor Vlaams verhalend proza, Prijs der Vlaamsche Provinciën, benoemd tot Ridder in de Orde de Kroon en Ridder in de Leopoldsorde
Kaas is nog steeds de meest vertaalde Vlaamse roman aller tijden.

Met woorden spelen, dat is zijn plezier

Een dikke zestig jaar na zijn overlijden lijkt Willem Elsschot nog steeds levend en wel. Zijn werk werd verfilmd, verstript, in meer dan veertig talen vertaald en hoewel het volledige oeuvre in omvang beperkt is, is het aantal boeken en artikels dat over Elsschot geschreven is nauwelijks te tellen. Het werk van Elsschot heeft dan ook tot op de dag van vandaag niet aan relevantie ingeboet. Maar waarin schuilt nu precies de aantrekkingskracht van Elsschots werk? Karakters duikt in het leven en het werk van de schrijver, laat zich op sleeptouw nemen door Het dwaallicht en gaat in gesprek met Jan Maniewski, Elsschots bekendste kleinzoon.

Tekst: Leen Verheyen Illustraties: Maarten Streefland

Tussen schrijver en reclameman: leven en werk van Alfons De Ridder

Er zijn weinig schrijvers waarbij het literaire werk zo vervlochten is met het echte leven als bij Willem Elsschot, het pseudoniem van Alfons De Ridder. De Ridder putte bij het schrijven van zijn verhalen immers in grote mate uit gebeurtenissen uit zijn eigen leven. Zelf stelde De Ridder dan ook dat hij geen fantasie had, maar wie in zijn leven en werk duikt, ziet iets anders. De verhalen die De Ridder schreef zijn immers zonder twijfel fictie. Ook al liet de schrijver zich vaak inspireren door gebeurtenissen uit zijn eigen leven en volgt hij in sommige verhalen vrij getrouw het verloop van de reële gebeurtenissen waarop ze gebaseerd zijn, De Ridder kneedde de realiteit steeds weer tot een nieuwe, fictionele werkelijkheid ontstaan was.

Inspiratie voor zijn verhalen vond De Ridder in zijn eigen familie, in zijn werk als makelaar in reclame en in bijzondere ontmoetingen. Ook zijn eigen schooltijd leverde hem verhaalstof op. In het Vlaanderen van het einde van de negentiende eeuw waarin De Ridder opgroeide, was de Vlaamse ontvoogdingsstrijd namelijk nog volop aan de gang. In het Antwerpen waar De Ridder woonde, werd in de hogere klasse Frans gesproken en ook in het onderwijs was het Frans de dominante taal. Ook De Ridder moest dus, eenmaal hij in het middelbaar onderwijs terechtkwam, zijn hoofdvakken in het Frans volgen. Waar De Ridder in de lagere school, waar hij alle vakken in Vlaams onderwezen kreeg, nog een uitstekende leerling was, maakte zijn achterstand op het Frans dat hij in het Athenée Royale regelmatig leerjaren moest overdoen waardoor hij uiteindelijk op zeventienjarige leeftijd zonder diploma het atheneum verliet. Die ervaring, mede gevoed door het Flamingantisme van de leerkrachten Nederlands van het atheneum, sterken zijn taalchauvinisme. Hoewel De Ridder, in tegenstelling tot veel van zijn Vlaamsgezinde tijdgenoten, later nooit zal pleiten voor Vlaamse onafhankelijkheid of om politieke redenen tijdens de oorlog met de bezetter zal collaboreren, ontwikkelt hij wel een diepe afkeer van iedereen die in Vlaanderen het Frans gebruikte en een grote interesse in de Nederlandstalige literatuur.

Na zijn mislukking op het atheneum gaat De Ridder werken als loopjongen, wat hem, samen met zijn ervaringen aan het atheneum, later de inspiratie zal leveren voor zijn roman Een ontgoocheling. Buiten werktijd om verkeert De Ridder voornamelijk in het bonte gezelschap van Antwerpse bohémiens. Ary Delen, een jeugdvriend sinds zijn passage op het atheneum, introduceert hem in de Kapel, waar elke donderdag schilders, dichters, muzikanten, sociologen en filosofen samenkomen. Uit die groep van de Kapel komt ook het literaire tijdschrift Alvoorder voort, waarin Alfons De Ridder in 1900, dan nog onder eigen naam, debuteert met gedichten. Korte tijd na dat debuut verschijnt ook een gedicht in het Nederlandse tijdschrift Arbeid. Op dat moment schrijft De Ridder nog sterk in de stijl van de poëzie van de Tachtigers, met Willem Kloos als grote voorbeeld. Zijn eigen stem ontbreekt dus nog in die gedichten, wat wellicht ook de reden is waarom De Ridder die eerste gedichten later niet heeft opgenomen in zijn Verzameld werk. Zijn reputatie vestigt De Ridder in deze periode echter met een gedicht dat tijdens zijn leven nooit in zijn geheel gepubliceerd wordt, maar dat hij op een van de avonden in de Kapel voorleest aan zijn kompanen. Het gedicht opent met de regels ‘’K heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen / aan al de passies van een menschenleven; / ik heb den beker huilend hoog geheven / en aangegaapt met lippen gulzig open.’ Het gedicht maakte meteen indruk op zijn kompanen en schrijver Lode Baekelmans, die ook deel uitmaakte van de Kapel, beschrijft het moment van De Ridders voordracht in zijn sleutelroman Marieken van Nijmegen (1901), die gelezen kan worden als een geromantiseerde kroniek van de beweging van de Kapel. Alfons De Ridder stond model voor het personage Van Ee, die in de roman beschreven wordt als iemand ‘die heel mooie verzen schreef, de kwajongen der literaire bent’.

Aan het liederlijke leven dat De Ridder in ‘’K heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen’ beschrijft, komt echter abrupt een einde wanneer De Ridders liefje Fine Scheurwegen onbedoeld zwanger raakt. Wanneer hun zoon Walter op 29 augustus 1901 geboren wordt, zijn de geliefden niet getrouwd en trouwen doen ze ook de daaropvolgende jaren niet. Fine blijft bij haar ouders wonen en Walter draagt de eerste jaren van zijn leven de achternaam van zijn moeder. Een paar maanden voor de geboorte publiceert De Ridder in Alvoorder nog een tweeluik van sonnetten met de beginregels ‘Ik keek u plotseling in uw lieve ogen’ en ‘Ik heb u altoos zoveel leed gedaan’. Die gedichten markeren niet alleen de overgang van kwajongen naar vader in spe, maar zeker het tweede gedicht introduceert ook het thema van spijt en schaamte in De Ridders werk, een thema dat een belangrijke rol zal blijven spelen.

De geboorte van zijn zoon maakt ook dat de De Ridder, op aansporen van zijn oudere broer Karel, toelatingsexamen doet aan het Franstalige Institut Supérieur de Commerce d’Anvers. De Ridder slaagt voor het examen en blijkt aan de handelshogelschool een zeer goed student en neemt zo enigszins revanche voor zijn falen in zijn middelbare schooltijd. Daarnaast wordt De Ridder ook actief lid van de Vlaamsgezinde Nederlandsche Studenten Kring (NSK). Onder het pseudoniem Absolon schrijft hij voor de vereniging enkele liederen, waarvan het meest beruchte wellicht de schunnige ballade van ‘De Schele Vanderlinde’ is, dat tot op de dag van vandaag populair is in studentenkringen en in vele varianten gezongen wordt. Ook publiceert hij nog af en toe gedichten, maar tegen het einde van zijn studentenperiode is De Ridders literaire carrière tot stilstand gekomen.

Nadat hij na zijn afstuderen kort in Antwerpen heeft gewerkt, vertrekt Alfons De Ridder in 1906 naar Parijs, waar hij gaat werken voor Alfredo H. Bustos, inspecteur van het Ministerio de Obras Públicas de la República Argentina. Bustos is een kleurrijke figuur die er talloze schijnpersoneelsleden op na houdt en voor wie De Ridder een ingewikkelde boekhouding moet opzetten om allerhande niet gemaakte kosten te kunnen declareren. De Ridder vat al meteen vanaf de eerste dag een weerzin op tegen zijn baas, maar Bustos’ wandel zou later nog enige inspiratie leveren voor de roman Lijmen. Zijn periode in Parijs zou echter vooral zijn neerslag vinden in De Ridders debuutroman Villa des Roses, een roman die zich afspeelt in een pension in Parijs en waarvoor De Ridder inspiratie haalt bij zijn eigen verblijf in een klein pension in de rue d’Armaillé en de vreemde kostgangers die hij daar ontmoet. Tijdens zijn verblijf in Parijs zelf, schrijft De Ridder echter nauwelijks. Wel schrijft hij in die periode één van zijn bekendste moedergedichten dat opent met de regels: ‘Mijn moederken, ik kan het niet verkroppen / dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten, / zoals een pop waarin een hart zou kloppen, / door ’t volk bij ’t heengaan in een huis vergeten.

Na vijftien maanden houdt De Ridder het in Parijs voor bekeken en vertrekt hij naar Rotterdam, waar hij gaat werken als chef-correspondent bij Werf Gusto in Schiedam. Eenmaal hij in Rotterdam een geschikte woning heeft gevonden, liet hij ook Fine en zijn zoon naar Rotterdam overkomen. In 1908 trouwt hij uiteindelijk ook met Fine en vanaf dan draagt zijn zoon Walter zijn achternaam. Een jaar later wordt De Ridders dochter Adèle geboren en enkele jaren later, in 1911, nog zijn zoon Willem.

In Rotterdam raakt De Ridder goed bevriend met zijn collega Anna van der Tak. Zij stimuleert hem om de verhalen die hij haar vertelt over zijn periode in het Parijse pension op te schrijven. In enkele weken tijd schrijft De Ridder dan in 1910 de eerste versie van Villa des Roses uit. In die roman volgen we de gebeurtenissen in een Parijs pension dat bewoond wordt door verschillende kleurrijke figuren. Eén van die figuren is de Duitser Grünewald, die het dienstmeisje Louise, een jonge weduwe, verleidt en zwanger maakt, maar vervolgens na haar abortus met de noorderzon vertrekt. De Ridder heeft later beweerd dat hijzelf model stond voor Grünewald, maar het is moeilijk te achterhalen welke verhaalelementen uit Villa des Roses waarheid zijn of fictie.

In hetzelfde jaar waarin De Ridder de eerste versie van Villa des Roses neerschrijft, schrijft hij ook zijn bekendste gedicht, ‘Het Huwelijk’. In dat gedicht overschouwt een man zijn huwelijk en overweegt hij even zijn vrouw dood te slaan en weg te lopen van zijn ongeluk. Wanneer hij besluit dat niet te doen, leidt dat tot enkele van de meest beroemde regels uit de Nederlandstalige poëzie: ‘maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad / staan wetten in den weg en praktische bewaren, / en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, / en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.’ De Ridder schrijft het gedicht op in een schrijfboek waarin hij negentien vormvaste gedichten uit die periode opschrijft in een verzorgd handschrift en dat hij de titel Gedichten geeft. Hoewel hij dus wellicht in die periode al de publicatie van die gedichten voor ogen heeft, zal het toch nog ruim twintig jaar duren voor tien van die gedichten gepubliceerd zullen worden in de bundel Verzen van vroeger.

Willem Elsschot

Wanneer De Ridder enigszins tevreden is met Villa des Roses, leest hij zijn roman voor aan zijn vrienden Ary Delen en Jan van Nijlen. Jan van Nijlen doet nog suggesties en aanpassingen aan de tekst en Delen neemt het op zich om De Ridders literair agent te worden. Delen weet vervolgens Cyriel Buysse te interesseren voor het boek, die op dat moment de leiding heeft over het literair tijdschrift Groot Nederland. In 1913 wordt de roman vervolgens in feuilletonvorm in Groot Nederland geplaatst en Buysse brengt De Ridder ook in contact met zijn uitgever C.A.J. van Dishoeck, die de roman vervolgens in boekvorm laat verschijnen.

Wanneer Villa des Roses gepubliceerd wordt, verschijnt ook De Ridders pseudoniem Willem Elsschot op het toneel. De Ridder wilde immers verwarring voorkomen met de essayist André De Ridder en ontleent zijn pseudoniem deels aan Willem die Madocke maecte, de schrijver van een zijn van favoriete verhalen, Van den vos Reynaerde. Voor het tweede deel van zijn pseudoniem haalt De Ridder dan weer inspiratie bij zijn oom en tante die in het Kempense Blauberg wonen en waar De Ridder in zijn jeugd vaak de vakanties doorbracht. Een van zijn geliefde plekken daar in de buurt was een stuk moerasachtig bosgebied, het Helschot, wat in de volksmond ‘Elschot’ werd genoemd.

Wat opvalt aan De Ridders debuut, is dat hij er, in tegenstelling tot zijn Vlaamse tijdgenoten, voor kiest om niet in het Vlaams te schrijven. Hij vindt het immers belangrijk niet enkel voor zijn streekgenoten te schrijven, maar in het hele Nederlandse taalgebied gelezen te worden. De Ridder is door die keuze ook een van de weinige Vlaamse auteurs die er effectief in slaagt succes te oogsten in Nederland. Dat De Ridder die keuze maakt, heeft in grote mate te maken met zijn verblijf in Rotterdam, waar hij een ander Nederlands hoort dan datgene wat in Antwerpen wordt gesproken. Zijn vriendin Anna van der Tak, waaraan De Ridder Villa des Roses opdraagt, speelt ook hier een belangrijke rol in: de eerste romans van Elsschot worden telkens door haar geredigeerd, waarbij zijn taal ‘gezuiverd’ wordt van al te Vlaamse uitdrukkingen. Maar waar De Ridders keuze voor een zuivere taal maakt dat hij in Nederland gelezen wordt, levert het hem in Vlaanderen ook kritiek op. Zeker bij de latere romans die zich in Vlaanderen afspelen, vinden critici het ongepast dat de personages ‘Hollands’ praatten. Eén keer maken de critici van het Nederlandse taalgebruik van Elsschot het wel al te bont wanneer ze bij de publicatie van Een ontgoocheling in het Vlaamse tijdschrift Het Tooneel, wellicht tegen de zin van de auteur, een vervlaamste versie van de novelle als feuilleton afdrukken.

Wanneer Villa des Roses gepubliceerd wordt, heeft Alfons De Ridder Rotterdam echter al achter zich gelaten. De Ridder gaat in Brussel wonen en wordt, na eerst als boekhouder te hebben gewerkt, vaste medewerker en later ook uitgever van het advertentietijdschrift La Revue Générale Illustrée, wat later herdoopt wordt tot La Revue Continentale Illustrée. Dit tijdschrift zal later model staan voor het Algemeen Wereldtijdschrift dat een centrale rol speelt in Lijmen/Het been: La Revue Continentale Illustrée maakte nummers vol met verhalen over bedrijven en instellingen en verkocht deze in grote aantallen aan deze bedrijven en instellingen zelf. Aan de avonturen van La Revue Continentale Illustrée komt echter abrupt een einde wanneer in 1914 de Duitsers België binnenvallen.

Maar voor het zover is, vinden er zowel in De Ridders gezinsleven als in zijn prille schrijverscarrière nog enkele belangrijke gebeurtenissen plaats. In 1912 wordt zijn dochter Anna geboren in Brussel, wat de teller op vier kinderen brengt. Daarnaast trekt de publicatie van Villa des Roses enige aandacht en wordt het boek welwillend besproken in zowel Vlaanderen als Nederland. Het boek wordt bovendien bekroond met een Letterkundige Premie ter waarde van vijfhonderd Belgisch frank van de Provincie Brabant. De Ridder begint in 1913 ook te schrijven aan zijn tweede novelle, Een ontgoocheling, die in 1914 in Groot Nederland gepubliceerd wordt en in eerste instantie niet in boekvorm verschijnt. Die novelle vertelt het tragikomische verhaal van Kareltje de Keizer, de zoon van een sigarenfabrikant die, zoals de openingszinnen van het het verhaal ons vertellen, niet veel geld verdiende ‘want hij werkte slechts met enkele mensen, had te weinig kapitaal en maakte geen reclame zodat hij niet vooruit kwam in de wereld.’ Meneer de Keizer heeft echter hoge verwachtingen van zijn zoon voor wie hij een carrière als advocaat in gedachten heeft, maar Kareltjes schoolresultaten laten zozeer te wensen over dat hij uiteindelijk van school verwijderd wordt. Inspiratie voor zijn novelle haalt De Ridder niet enkel uit zijn eigen ervaringen aan het atheneum en zijn eerste werkervaringen nadien, maar ook bij zijn zoon Walter, die het op dat moment moeilijk heeft in het Franstalig onderwijs in Brussel en waarin De Ridder zijn eigen problemen uit zijn jeugd herkent.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verlaat het gezin De Ridder Brussel en keert Alfons De Ridder met vrouw en kinderen terug naar Antwerpen, waar hij gaat werken als secretaris bij het Provinciaal Oogstbureel. Hij begint ook te werken aan weer een nieuw verhaal, De verlossing. Deze roman speelt zich in tegenstelling tot Elsschots andere werk af op het platteland en vertelt het verhaal van de strijd tussen de vrijzinnige Pol van Domburg en de katholieke pastoor Kips. Het verhaal is gesitueerd in Groendal, een verwijzing naar het Kempense Blauberg waar De Ridder vele vakanties doorbracht en enkele familieleden van De Ridder staan model voor de personages in het verhaal. Het hoofdpersonage van de roman is gemodelleerd naar De Ridders oom van moederskant, Filip Van Elst, die mogelijk ook al model stond voor Elsschots gedicht ‘Het Huwelijk’. De handeling die in het boek centraal staat is echter grotendeels verzonnen. Filip Van Elst lag dan wel in de clinch met de plaatselijke geestelijke, tot de moord waar dat in de roman toe leidt is het in het echt nooit gekomen. De Ridder baseerde zich voor deze plotwending echter wel op een moord op een pastoor in Nijlen die in 1842 had plaatsgevonden.

De verlossing is klaar in 1915 en verschijnt in 1916, net als Elsschots eerdere verhalen, in Groot Nederland. Net als Een ontgoocheling verschijnt ook dit verhaal in eerste instantie niet in boekvorm. Hoewel De Ridder vrijwel meteen daarna aan zijn roman Lijmen begint te werken, zal het toch nog enkele jaren duren voor er weer nieuw literair werk van hem verschijnt. Na de oorlog schrijft De Ridder wel een paar maanden journalistieke stukjes over het naoorlogse leven in Antwerpen voor de Nieuw Rotterdamse Courant, maar aangezien veel van die stukken niet ondertekend werden, is vandaag niet precies te achterhalen welke van de in die tijd verschenen stukken wel en niet door De Ridder werden geschreven.

Hoewel hij na het verschijnen van De verlossing lange tijd geen nieuw literair werk publiceert en Villa des Roses op dat moment de enige roman van Elsschot is die ook als boek is verschenen, wacht De Ridder in 1920 toch een bijzondere bekroning. Op voordracht van de Belgische minister van Wetenschappen en Kunsten wordt De Ridder door koning Albert benoemd tot Ridder in de Orde der Kroon. Later dat jaar is het overlijden van zijn vader wellicht een aanleiding om Een ontgoocheling nog eens onder handen te nemen. De Ridder breidt het verhaal uit, zodat het in boekvorm kan verschijnen. Het boek verschijnt uiteindelijk bij een kleine, beginnende Antwerpse uitgever, wat wellicht verklaart waarom het boek zo goed als niet gerecenseerd wordt en geen succes heeft.

Ondanks deze tegenslag volgt even later opnieuw een erkenning voor zijn literaire werk wanneer Elsschot in 1921 genomineerd wordt voor de Staatsprijs voor de Nederlandse Letterkunde. Elsschot wint de prijs niet, maar de nominatie brengt hem wel opnieuw onder de aandacht van zijn Nederlandse uitgever Van Dishoeck. De Ridder tekent met hem een contract voor een herdruk van Villa des Roses en de boekuitgave van De verlossing. Die laatste roman wordt echter niet enthousiast ontvangen door de kritiek en wordt bovendien door het Algemeen Secretariaat voor Katholieke Boekerijen op de lijst van verboden literatuur geplaatst, waardoor het geboycot wordt door katholieke boekhandels en bibliotheken, wat uiteraard een grote impact heeft op de verkoop.

Op zakelijk vlak gaat het Alfons De Ridder dan weer voor de wind. Samen met Léonce Leclercq start hij met een advertentiebureau, La Propagande Commerciale, en wat later start hij ook nog met de Societé Anonyme d’Editions Commerciales et Industrielles, een onderneming die zich richt op het uitgeven van gelegenheidsboeken. Als pionier op het vlak van reclame maken en adverteren is hij bovendien ook betrokken bij de oprichting van een beroepsvereniging voor publiciteitsmedewerkers. Het genie dat De Ridder aan de dag legt bij het ontginnen van nieuwe vormen van publiciteit, vindt ook zijn weg naar het literaire werk wanneer hij, enkele jaren na de eerste versie, Lijmen weer oppikt. In een eerste versie van de roman is er een centrale rol weggelegd voor Mies, een nichtje dat door de familie Bohrmann (die pas bij de herdruk van Lijmen ‘Boorman’ zal worden) in huis wordt gehaald en door Bohrmann wordt ingewijd in de geheimen van het zakenleven en waar Bohrman geleidelijk aan verliefd op wordt. Bij het herwerken van de roman wordt Mies vervangen door Frans Laarmans, die sindsdien in alle volgende romans van Elsschot zal opduiken en wordt de roman herschreven vanuit de eerste persoon. Doordat Mies in de roman vervangen wordt door Laarmans, verdwijnt ook de erotiek uit het verhaal, waardoor de focus veel duidelijker op het lijmen komt te liggen. Die herwerking is een mooie illustratie van de bondigheid die Elsschots romans kenmerkt en waar hij zelf ooit over schreef:

Wie het slot niet uit het oog verliest zal vanzelf alle langdradigheid vermijden omdat hij zich telkens afvragen zal of ieder van zijn details wel bijdraagt tot het bereiken van zijn doel. En komt hij spoedig tot de ontdekking dat iedere bladzijde, iedere zin, ieder woord, iedere punt, iedere komma het doel nader brengt of op afstand houdt. Want neutraliteit bestaat niet in kunst. Wat niet nodig is dient geweerd en waar het met één personage kan, is een menigte overbodig.

In 1923 verschijnt Lijmen in De Vlaamsche Gids en een jaar later publiceert de Antwerpse uitgever L.J. Janssens het verhaal in boekvorm. Hoewel de roman redelijk ontvangen wordt, is het toch niet meteen het succes dat de schrijver ervan verwacht heeft. Misschien uit teleurstelling over dit beperkte succes, duurt het opnieuw enige tijd voor Elsschot opnieuw de pen opneemt. Het is pas wanneer Lijmen in 1931 bij de Wereldbibliotheek in herdruk verschijnt en er een hernieuwde belangstelling ontstaat voor Elsschot dat De Ridder zich aangemoedigd voelt nieuw werk te doen verschijnen. Zijn vrienden Jan Van Nijlen en Ary Deelen stellen De Ridder voor om een aantal van de gedichten die hij rond 1910 schreef, zoals ‘Het Huwelijk’, te publiceren in het tijdschrift Forum. Daarnaast begint De Ridder, aangemoedigd door de belangstelling van de invloedrijke criticus en schrijver Jan Greshoff te schrijven aan Kaas. Wellicht was de aanmoediging van Greshoff vooral het duwtje dat De Ridder nodig had om het boek effectief te schrijven en zat het verhaal in zekere zin al lang klaar. Kaas kan namelijk in zekere zin gezien worden als een manier om de dood van zijn moeder, die in 1926 overleden was, te verwerken en gaat net als Lijmen over het businessleven. Kaas vertelt het verhaal van Frans Laarmans, een klerk die op zeker moment denkt hogerop te kunnen geraken door groothandelaar in Nederlandse kaas te worden. Laarmans vult zijn dagen als beginnend groothandelaar echter voornamelijk met het inrichten van zijn kantoor, het ontwerpen van zijn briefpapier, de naamgeving van zijn bedrijf en het werven van agenten waardoor het verkopen van de kaas zelf niet echt van de grond komt. Laarmans geeft zijn bestaan als ondernemer uiteindelijk op na maar een paar bollen kaas aan de man te hebben gebracht.

Kaas zou uiteindelijk de roman worden waar De Ridder zelf het meest tevreden over was. Hoewel het verhaal allesbehalve autobiografisch is, put De Ridder ook hier uitgebreid uit zijn eigen ervaringen om het verhaal kleur te geven. Kaas verschijnt, na gepubliceerd te zijn in Forum, in 1933 als boek bij uitgever P.N. van Kampen en wordt enthousiast onthaald in de pers. Het boek wordt bovendien bekroond met de Letterkundige Premie van de Provincie Antwerpen 1931-1933, wat alweer een mooie erkenning is.

Een jaar na de publicatie van Kaas verschijnt ook een eerste bundeling gedichten van Elsschot, onder de titel Verzen van vroeger en ziet ook de roman Tsjip het levenslicht. Tsjip is wellicht het meest autobiografische boek van Elsschot en vertelt de familiegeschiedenis van het huwelijk van De Ridders oudste dochter Adèle met haar Poolse vriend Bennek Maniewski en de geboorte van hun zoon Jan, die door zijn grootvader bij hun eerste ontmoeting ‘Tsjip’ gedoopt wordt. Slechts in enkele kleine details, die De Ridder wijzigt om het verhaal sterker te maken, wijkt de roman af van de realiteit. Ook Tsjip verschijnt eerst in Forum, maar de publicatie komt er dit keer niet zonder slag of stoot, want enkele katholieke redacteuren van Forum blijken aanstoot te nemen aan bepaalde passages in de roman. Zo onderwijst Laarmans zijn dochter in een snel tempo de belangrijke katholieke leerstellingen, zodat ze gedoopt kan worden en voor de kerk kan trouwen, en die razende vaart en het daarmee gepaarde onbegrip van Adèle leggen de absurditeit van die katholieke dogma’s bloot. Na veel discussie verschijnt het verhaal uiteindelijk toch in Forum en meteen daarna ook in boekvorm.

Een dikke zestig jaar na zijn overlijden lijkt Willem Elsschot nog steeds levend en wel. Zijn werk werd verfilmd, verstript, in meer dan veertig talen vertaald en hoewel het volledige oeuvre in omvang beperkt is, is het aantal boeken en artikels dat over Elsschot geschreven is nauwelijks te tellen. Het werk van Elsschot heeft dan ook tot op de dag van vandaag niet aan relevantie ingeboet. Maar waarin schuilt nu precies de aantrekkingskracht van Elsschots werk? Karakters duikt in het leven en het werk van de schrijver, laat zich op sleeptouw nemen door Het dwaallicht en gaat in gesprek met Jan Maniewski, Elsschots bekendste kleinzoon.

Een paar jaar later haalt De Ridder opnieuw inspiratie uit een familiegeschiedenis voor zijn novelle Pensioen. De Ridders schoonmoeder was immers betrapt op pensioenfraude: ze had zich jaren onterecht het oorlogspensioen toegeëigend van haar zoon die in de Eerste Wereldoorlog overleden was, ten nadele van diens zoon. Ook hier komt het verhaal zoals het door Elsschot wordt verteld in grote mate overeen met de reële feiten, maar zijn bepaalde details aangepast. Pensioen verschijnt in 1937 in een editie van Groot Nederland die speciaal aan Elsschot is gewijd. Naast Pensioen bevat die editie ook teksten over het werk van Elsschot. Wat later verschijnt het verhaal ook in boekvorm en wordt het bekroond met de Prijs der Vlaamsche Provinciën.

In dezelfde periode stimuleren Jan Greshoff en Menno ter Braak De Ridder om een vervolg te schrijven op Lijmen, aangezien ze het beiden jammer vinden dat hij het personage van Boorman niet meer ten tonele heeft gevoerd na Lijmen. Het vervolgverhaal, Het been, is het enige verhaal van Elsschot dat volledig aan de fantasie ontsproten is en ook dit verhaal verschijnt eerst in Groot Nederland alvorens in boekvorm te verschijnen. Wanneer het verhaal verschijnt, is dat voor De Ridder meteen ook een goede gelegenheid om ervoor te zorgen dat al zijn werk bij één uitgever terechtkomt. Uitgever Van Kampen neemt daarom de voorraden van Elsschots eerdere romans bij andere uitgeverijen over en steekt ze in een nieuwe band. Hoewel De Ridder Het been eerder ziet als een nieuw deel van Lijmen en het verhaal dus niet als een zelfstandige uitgave wil laten verschijnen, stemt hij toe met een eenmalige uitgave van Het been, omdat Van Kampen nog een groot aantal exemplaren van Lijmen heeft die hij van Wereldbibliotheek heeft overgenomen. In latere uitgaven zullen Lijmen en Het been wel steeds samen in één boek verschijnen.

In het familieleven van Alfons De Ridder vindt ondertussen een dramatische gebeurtenis plaats. Het huwelijk van De Ridders oudste dochter Adèle met Bennek Maniewski, waarover Elsschot in Tsjip geschreven had, loopt uit op een scheiding. Na die scheiding verblijft De Ridders kleinzoon Jan bij zijn moeder in België en gaat hij een aantal keer per jaar op vakantie naar zijn vader in Polen. In de zomervakantie van 1938 laat Bennek weten dat hij Jan niet meer naar Antwerpen zal laten terugkeren. Adèle onderneemt vervolgens, met steun van haar vader, een reis om haar zoon terug te halen, maar dit mislukt. Een tweede poging lukt wel en levert de verhaalstof op voor De leeuwentemmer. Voor dat boek vermengt De Ridder het verhaal van de ontvoering van zijn oudste kleinzoon met observaties die hij jaren eerder schreef over zijn jongste zoon, die ook Jan heet. Deze ingreep maakt weer maar eens duidelijk dat het Elsschot bij het schrijven niet om het weergeven van reële feiten te doen is, maar dat hij de realiteit eerder gebruikt en kneedt tot deze interessante literatuur oplevert. Ook De leeuwentemmer verschijnt eerst in Groot Nederland en vervolgens als boek, maar wanneer De Ridder de bewijsexemplaren van De leeuwentemmer ontvangt, is zijn ongenoegen groot wanneer blijkt dat de uitgever een aantal woorden heeft geschrapt vanwege Duitse censuur die na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog aanwezig is. De Ridder eist dat de woorden in een tweede druk opnieuw worden opgenomen, wat geen verrassing is wanneer je bedenkt hoe weloverwogen Elsschot de woorden in zijn romans kiest en hoe veelvuldig hij zijn werk voor publicatie herschrijft.

Vrij snel na de publicatie van De leeuwentemmer, ziet ook het oorlogsverhaal Het tankschip het levenslicht. Het geld dat hij ontvangt voor de publicatie in het tijdschrift Criterium is op dat moment wellicht zeer welkom, omdat De Ridder door de Duitse bezetting in de oorlog een groot deel van zijn inkomsten in de reclamewereld verliest. Het verhaal verschijnt in 1942 ook nog als boek bij Van Kampen, maar De Ridder ziet het verhaal uiteindelijk eerder als het begin van een groter verhaal over de oorlog dat hij nog plant te schrijven, maar dat er uiteindelijk nooit zal komen.

Hoewel De Ridder door de oorlog met dalende inkomsten uit zijn reclamewerk te maken krijgt, blijft hij ook op dat vlak allesbehalve bij de pakken zitten. Hij verwerft de concessie voor Snoeck’s Almanakken, de populaire jaarboeken met kalenders, tips en wetenswaardigheden voor een algemeen publiek, en zorgt ook voor een ‘literaire verheffing’ van de almanakken door er verhalen in te plaatsen. Onder het pseudoniem Nicodemus schrijft hij ook zelf twee didactische verhalen voor de almanakken, ‘De bekeering van Viane’ en ‘Drama in vier bedrijven’ waarin hij de boeren oproept hun producten aan de Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie te leveren. In feite zijn de verhalen dus eerder verkapte advertenties voor de corporatie dan literatuur.

Tijdens de oorlog neemt Alfons De Ridder ook voor het eerst in zijn leven deel aan een literaire jury, namelijk die voor de Leo J. Krynprijs. Een van de manuscripten die voor de prijs worden ingezonden is De voorstad groeit van Louis Paul Boon. De Ridder is net als de overige juryleden enthousiast over het werk en Boon wint de prijs. In 1942 ontmoet De Ridder Boon op de prijsuitreiking, wat het begin wordt van wat Boon later een ‘harde vriendschap’ zou noemen, waarbij meester en leerling beurtelings op elkaars ziel zouden trappen.

Door zijn deelname aan de jury van de Leo J. Krynprijs ontmoet De Ridder ook uitgeefster Angèle Manteau. Omdat Elsschots boeken door de oorlog nog moeilijk naar België geëxporteerd kunnen worden, regelt zij een overeenkomst met Van Kampen en verzorgt ze voor België een uitgave van zijn verzen, Lijmen/Het been en Tsjip gevolgd door De leeuwentemmer. Ook verschijnt bij Manteau in 1942 het eerste boek over Elsschot, geschreven door De Ridders achterneef en vriend Frans Smits. In datzelfde jaar volgt nog meer erkenning wanneer Elsschot voor zijn gehele oeuvre de Letterkundige Premie van de Provincie Antwerpen ontvangt.

Tijdens de oorlog begint De Ridder ook te schrijven aan Het dwaallicht, het verhaal dat vandaag deel uitmaakt van de canon van de Nederlandse literatuur die opgesteld werd door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren (KANTL). Het verhaal zelf zit echter al langer in zijn hoofd en is gebaseerd op een wandeling die jaren eerder heeft plaatsgevonden. In Het dwaallicht ontmoet Frans Laarmans op een ellendige novemberavond drie Afghaanse zeemannen die hem de weg vragen naar het adres van een zekere Maria Van Dam, die ze eerder die dag op hun schip ontmoet hebben en die haar adres heeft opgeschreven op het karton van een sigarettendoosje. Laarmans, die voorziet dat de drie heren er nooit in zullen slagen op eigen houtje hun bestemming te bereiken in de voor hen onbekende stad, besluit met hen mee te gaan, maar hun zoektocht blijkt uiteindelijk vruchteloos. In 1944 is een eerste versie van het verhaal klaar en laat De Ridder deze door een aantal vrienden, onder wie Louis Paul Boon, nalezen. Boon spaart daarbij zijn kritiek niet: hoewel hij de eerste bladzijden erg mooi vindt, is de rest van het boek haastwerk. De Ridder neemt die kritiek serieus en blijft nog anderhalf jaar aan de roman sleutelen, waarbij hij vooral het laatste hoofdstuk verder uitbreidt.

Het dwaallicht verschijnt uiteindelijk in 1946 als openingsverhaal in het eerste nummer van het Nieuw Vlaams Tijdschrift en daarna ook als boek bij Van Kampen. Zoals steeds blijft De Ridder ook na de publicatie in het tijdschrift schaven aan het verhaal tot hij het klaar vindt voor de boekpublicatie. In 1948 wordt het boek onderscheiden met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza, de belangrijkste literaire prijs in Vlaanderen.

Elsschot is op dat moment duidelijk al een gevestigde waarde in het literaire landschap. Twee jaar eerder, in 1946, is hij benoemd tot Ridder in de Leopoldsorde en in 1951 zal hij als hij eerste Vlaming de Constantijn Huygens Prijs voor zijn gehele oeuvre ontvangen. Zijn literaire carrière is dan echter al ten einde. Hoewel hij na Het dwaallicht nog aan zijn geplande roman over de oorlog begint te schrijven, het vervolg op Het tankschip, zal hij die roman nooit afwerken. De reden daarvoor is wellicht te vinden bij de commotie die ontstaat naar aanleiding van ‘Borms’, een gedicht dat De Ridder na de oorlog schrijft en waarin hij zijn verontwaardiging uitdrukt over de executie van August Borms, een collaborateur die op het moment waarop de doodstraf wordt uitgesproken een achtenzestigjarige invalide is. De Ridder stuurt het gedicht naar tijdschriften en vrienden en hoewel niemand het wil publiceren, blijft De Ridder er obsessief aan werken en schrijft hij talloze versies. Wanneer Ridder het gedicht tenslotte al enige tijd heeft losgelaten, publiceert het satirische Vlaams-nationalistische weekblad Rommelpot in april 1949 echter plots een vroege versie van het gedicht, ondertekend met ‘Willem’. Drie weken later wordt het gedicht, zonder medeweten van De Ridder, gepubliceerd in het ‘nationaal strijdblad’ De Voorpost. Het gedicht wordt hier wel volledig ondertekend met ‘Willem Elsschot’ en gekaderd met een instemmende redactionele commentaar. De Ridder is hier zeer ontevreden over: niet alleen komt zijn gedicht in een mismaakte vorm naar buiten, ook wordt zijn werk politiek misbruikt. De Ridder gaat door deze onverwachte publicatie bovendien ook op persoonlijk vlak door zwaar weer: vrienden laten hem vallen en een geplande huldiging door de stad Antwerpen wordt afgelast. Na deze gebeurtenissen stopt De Ridder zo goed als met schrijven en zijn roman over de oorlog wordt in een lade opgeborgen. De Ridder blijft zich wel het lot aantrekken van veroordeelde collaborateurs, ook al deelt hij hun politieke overtuiging niet. Hij vindt het weerzinwekkend dat mensen vanwege hun politieke overtuiging, hoe abject ook, in de gevangenis belanden. Hij zelf is zeer tolerant tegenover alle verschillende overtuigingen en zijn vriendenkring bevat mensen van zeer uiteenlopende ideologische strekkingen. In die context schrijft De Ridder nog wel een aantal gelegenheidsgedichten, maar nieuw literair werk zal er niet meer komen.

Wanneer De Ridder in 1951 de Constantijn Huygens Prijs in ontvangst mag nemen, komt er uiteindelijk toch nog een huldiging door de stad Antwerpen, waarbij meteen ook De Ridders zeventigste verjaardag gevierd wordt. Vijf jaar later vindt uitgever Van Kampen De Ridders vijfenzeventigste verjaardag dan weer een goede gelegenheid om werk te maken van een uitgave van het Verzameld werk. Ook de finale versie van ‘Borms’ wordt in dit werk opgenomen. De uitgave wordt een groot succes.

Op dat moment sukkelt De Ridder echter al enige tijd met zijn gezondheid en zijn gezondheidstoestand zal de daaropvolgende jaren enkel verslechteren. Wanneer hij op 31 mei 1960 samen met zijn vrouw Fine een avondwandeling maakt in de buurt, valt hij plots neer. Omstanders dragen hem naar huis en leggen hem op de sofa. ‘Dank u, heren’, mompelt De Ridder nog en kort daarna sterft hij. Een dag later overlijdt ook zijn vrouw Fine. Op 4 juni wordt De Ridder gecremeerd en samen met zijn vrouw begraven op het Erepark van de Antwerpse begraafplaats het Schoonselhof.

Op zoek naar Maria Van Dam: over Elsschots novelle Het dwaallicht

Wie op de website van de KANTL op zoek gaat naar de redenen waarom Willem Elsschots Het dwaallicht een plaats in de literaire canon verdient, krijgt daar al snel te lezen dat deze novelle, hoe kort deze ook is, alle eigenschappen bevat die Elsschots werk typeren. Het dwaallicht wordt er beschreven als droog en zakelijk, maar ook als gevoelig en poëtisch. Het is een novelle die onlosmakelijk met Elsschots eigen stad Antwerpen verbonden is, maar tegelijkertijd ook universeel is. Het is een verhaal vol treurnis en melancholie, schrijven ze verder, maar het is ook komisch en vol ironie. Elsschot, zo concluderen ze bij de KANTL, blonk uit in het verenigen van het onverenigbare.

Het is dan ook geen toeval dat het verenigen van het onverenigbare niet alleen de vorm of de stijl van het verhaal karakteriseert, maar ook in het verhaal van Het dwaallicht zelf een centrale rol speelt. In dat verhaal ontmoet Frans Laarmans, net wanneer hij op een avond beslist heeft om naar huis te gaan in plaats van zijn stamkroeg te bezoeken, drie Afghaanse matrozen die op zoek zijn naar een zekere Maria Van Dam. Deze Maria Van Dam blijkt het hele verhaal lang onbereikbaar en blijft daardoor ook voor de lezer een groot mysterie waarover die nauwelijks iets te weten komt. Het adres dat Maria Van Dam voor de Afghanen heeft opgeschreven, blijkt een dwaalspoor: in de Kloosterstraat 15, waar Maria Van Dam zou moeten wonen, blijkt van haar geen spoor. Laarmans neemt de Afghanen vervolgens mee op sleeptouw richting het politiebureau, in de hoop daar het correcte adres te pakken te krijgen. Daar blijkt uit de kiezerslijsten dat er een Maria Van Dam zou wonen op het Zand 15 en nog een in de Lange Ridderstraat. Op het Zand 15 blijkt echter een louche hotel gevestigd en ook daar is van Maria Van Dam geen spoor. De Afghanen besluiten hun zoektocht te staken en ronden hun dooltocht met Laarmans af in het café van het hotel. Daar voert Laarmans met de woordvoerder van de Afghanen een lang gesprek over de islam, het christendom en het communisme, waarbij de verschillen en het onbegrip tegenover andere visies blijven, maar er wel respect groeit ten opzichte van elkaars visie en cultuur. Wanneer Laarmans afscheid heeft genomen van de Afghanen, loopt hij nog even langs het adres in de Lange Ridderstraat dat hij op het politiebureau heeft meegekregen. Hoewel hij er zeker van is dat dit het adres is waar Maria Van Dam te vinden zal zijn, beslist hij uiteindelijk toch haar in vrede te laten en naar huis terug te keren.

Net zoals een dwaallicht, een blauwachtig, beweeglijk lichtverschijnsel boven moerassen, wandelaars kan misleiden en lokken, is Maria Van Dam in Elsschots novelle dus een soort van dwaallicht voor Laarmans en de drie Afghanen. Ze blijkt even mysterieus en ongrijpbaar als een dwaallicht in het moeras. Tegelijkertijd kan ook Laarmans als een dwaallicht worden beschouwd: waar de Afghanen er een geïdealiseerd, verheven beeld van Maria Van Dam op na houden, blijkt Laarmans een stuk minder zuiver op de graat en blijkt zijn behulpzaamheid niet enkel voort te komen uit empathie met de Afghanen, maar ook mee gestuurd te worden door erotische fantasieën. Net zoals dwaallichtjes in oude volksverhalen soms werden beschouwd als lichtjes van de duivel die reizigers zouden afleiden van het rechte pad, blijkt de dooltocht die Laarmans met de Afghanen onderneemt niet te eindigen bij de geïdealiseerde Maria Van Dam, maar in een louche kroeg.

De vruchteloze zoektocht naar Maria Van Dam is dan ook niet louter anekdotisch, maar raakt aan verschillende universele thema’s. Elsschot doorspekt het verhaal bijvoorbeeld met verwijzingen naar het geloof en de Bijbel. De onvindbare ideale vrouw heet dan ook niet voor niets Maria en het opgegeven adres is niet de toevallig de Kloosterstraat. Elsschot trekt meermaals in het verhaal, expliciet en minder expliciet, de parallel tussen de drie Afghanen op zoek naar Maria Van Dam en de drie koningen op weg naar Bethlehem. Zo kopen de Afghanen bijvoorbeeld bij aanvang van hun dooltocht een boeket bloemen om Maria Van Dam cadeau te geven en wanneer de Afghanen hun zoektocht uiteindelijk staken, blijft een van de Afghanen ‘als een nieuwe Melchior’ voor een vrouw staan die in het café haar kind zit te zogen en schenkt hij haar de bloemen. Hoewel de zoektocht naar Maria dus feitelijk op niets is uitgedraaid, eindigt de tocht dus in zekere zin toch nog bij een Mariafiguur.

De vele verwijzingen naar de Bijbel en het geloof zijn in zekere zin opmerkelijk, omdat De Ridder zelf te boek staat als vrijzinnig. Sommige commentatoren zien de vele verwijzingen naar het geloof en de inhoud van het verhaal zelf dan ook als een uitdrukking van De Ridders eigen worsteling met het geloof. Maar de religieuze verwijzingen kunnen uiteraard ook breder worden opgevat als een verwijzing naar idealen en naar de zoektocht naar wat het leven zinvol maakt. Maria Van Dam is in het verhaal een onbereikbaar ideaal. Ze wordt door de Afghanen geïdealiseerd en ook Laarmans, die oorspronkelijk de zoektocht mede onderneemt vanuit seksuele lustgevoelens, beslist uiteindelijk dat het beter is het ideaal in stand te houden. Hij keert terug naar huis in het besef dat hij wel even kan opgaan in een droombeeld en kan fantaseren over een korte ontsnapping aan zijn burgerlijke bestaan, maar dat echt ontsnappen uit het leven dat hij leidt niet mogelijk is. Op een bepaalde manier is het slot van Het dwaallicht daarom een echo van de beroemde zinnen die Elsschot decennia eerder al schreef en die de kern uitmaken van zijn gedicht ‘Het huwelijk’, namelijk dat tussen droom en daad niet alleen wetten en praktische bezwaren in de weg staan, maar net zo goed ‘weemoedigheid, die niemand kan verklaren, / en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Het leven, zo lijkt het verhaal te suggereren, is in zekere zin voor ons allemaal een dooltocht waarin we zonder succes een ideaal najagen. Het geluk ligt daarbij niet in het bereiken van dat ideaal, maar net in de aanvaarding van het leven zoals het komt. Dat zowel Laarmans als de drie Afghanen de tocht vruchteloos hebben afgelegd, maakt dat ze, ondanks alle verschillen die er tussen hen zijn, toch gelijk zijn. Eigenlijk zijn we allemaal dwalende mensen op zoek naar een onbereikbaar geluk.

Dat de gelijkheid en het respect voor elkaar op het einde verhaal zo sterk uit de verf komt, kan echter maar doordat Elsschot in het verhaal eerst de verschillen op scherp zet. Het is duidelijk dat de drie Afghanen in het verhaal als ‘vreemd’ worden beschouwd en ook herhaaldelijk in het verhaal met racisme geconfronteerd worden. Andere personages noemen de Afghanen ‘rijstkakkers’, ‘bloody nigger’ en ‘zwarte piet’ en de Afghanen worden meermaals vijandig behandeld. Het is duidelijk dat Laarmans door zijn stadsgenoten heel anders behandeld wordt en dat hij meermaals het woord moet voeren omdat hij als autochtoon veel meer gedaan krijgt dan de Afghanen (hoewel ook Laarmans’ succes beperkt blijft). Hoewel er respectvol met elkaar wordt omgegaan, blijkt er dus een zekere machtsrelatie of afhankelijkheidsrelatie te bestaan tussen Laarmans en de drie Afghanen, die bovendien anoniem blijven. Hoewel Laarmans en de drie Afghanen een hele avond met elkaar doorbrengen, vraagt hij nooit hun namen en doopt hij de leider van de drie ‘Ali Kahn’. Maar tegelijkertijd worden de Afghanen ook geportretteerd als ‘verhevener’ of ‘nobeler’ dan Laarmans. De Afghanen koesteren een ideaal en kijken, zo zou je kunnen zeggen, op een veel respectvollere manier naar de vrouw waar ze naar op zoek zijn. De mannen lijken niet geïnteresseerd in het stillen van hun seksuele honger en wijzen bijvoorbeeld onderweg een aanbod af om naar de meisjes van plezier te gaan: zij zijn enkel geïnteresseerd in die ene vrouw die ze ontmoet hebben en waar ze met bewondering en respect over spreken. Zo denkt de lezer wellicht dat Maria Van Dam de Afghanen een vals adres heeft opgegeven, omdat ze niet werkelijk de bedoeling had hen terug te zien, maar deze gedachte lijkt bij de Afghanen nooit op te komen: Maria Van Dam wordt geïdealiseerd als een perfecte vrouw en de gedachte dat ze hen misleid heeft, past niet in dat plaatje. De motieven en gedachten van Laarmans zijn veel minder zuiver, maar op het einde lijkt hij van de Afghanen geleerd te hebben en lijkt ook hij genoegen te nemen met het koesteren van een ideaal en het aanvaarden van het leven zoals het is.

De echte ‘Tsjip’: een interview met Jan Maniewski over zijn grootvader Willem Elsschot

Jan Maniewski is wellicht de bekendste kleinzoon uit de literatuurgeschiedenis. Als ‘Tsjip’ speelt hij een hoofdrol in Willem Elsschots tweeluik Tsjip/De leeuwentemmer. Diezelfde Tsjip spreken we ruim tachtig jaar na het verschijnen van dit tweeluik. Zelf las hij Tsjip in zijn tienerjaren, maar een gesprek daarover heeft hij nooit met zijn grootvader gevoerd.

Jan Maniewski: ‘Ik heb nooit met mijn grootvader over zijn boeken gepraat. Niemand van zijn zestien kleinkinderen heeft dat ooit gedaan. De schrijver stond helemaal naast het gezin. Hij was ook geen beroepsschrijver: hij had wel contact met een paar collega’s, maar stond eigenlijk buiten het literaire milieu. Hij schreef ook alleen wanneer hij daar een zekere noodzaak toe voelde. Daarnaast waren er de zaken. Hij was makelaar in publiciteit, wat in die tijd iets nieuws was en waar hij zeer goed in was. De schrijver, de familieman en de zakenman waren drie domeinen die los van elkaar stonden. Hij heeft voor zijn boeken wel inspiratie gezocht in die andere twee domeinen, dat zal ik niet betwisten. Ik ben daar een voorbeeld van. Maar verder gaat het niet.’

‘Zelfs toen ik Tsjip las, heb ik hem niets gevraagd. Ik heb wel aan mijn moeder gevraagd of het allemaal waar was wat er stond. Ik heb er natuurlijk wel spijt van dat ik daar nooit met hem over gepraat heb. Hij was er wellicht van overtuigd dat wij allemaal analfabeten waren en geen boeken lazen. Maar het leende zich er ook niet toe, ook al was het contact tussen ons warm. Het is moeilijk uit te leggen. Al mijn nichten en kozijnen hebben zijn boeken gelezen, maar er nooit over gepraat. Misschien is dat een ontgoocheling voor hem geweest.’

Karakters: Uw grootvader putte voor het schrijven wel in grote mate uit zijn eigen ervaringen. Herkent u uw grootvader in zijn werk? Herkent u hem bijvoorbeeld in de beschrijvingen van Laarmans?

Hij is waarschijnlijk een mengeling van Boorman en Laarmans. Zijn zaken waren zeer briljant. Hij is heel vroeg met publiciteit begonnen. Nu is dat overal, maar in die tijd niet. Hij had een basis gekregen aan het Hoger Handelsinstituut en heeft dat toegepast en zijn eigen zaak opgebouwd. Hij was intelligent, had een zekere humor en was ook een hele goede psycholoog. Ik herinner me dat er een familielid was dat te veel dronk en daardoor regelmatig in geldnood zat. Hij kwam mijn grootvader vragen of die hem geen honderd frank kon lenen. Mijn grootvader zou zoiets nooit weigeren. Iemand die in nood is en om hulp vraagt, krijgt automatisch hulp. Zo sociaal was hij. Dus hij gaf die honderd frank. Maar na een tijd stond die man daar opnieuw en vroeg hij opnieuw honderd frank. Na de derde of de vierde keer keek mijn grootvader hem recht in zijn ogen en gaf hem vijfhonderd frank. Meteen schaakmat. Hij is nooit meer om geld komen vragen. Iemand anders zou kwaad worden, maar hij niet. Ik heb hem nooit weten roepen of uit zijn vel springen. Hij was wel emotioneel, tot tranen toe zelfs, maar op dat vlak was hij altijd heel beheerst.

Hij neeg ook steeds naar degenen die achtervolgd of onderdrukt werden. Tijdens de oorlog heeft hij Joden beschermd en geholpen, nu zou hij wellicht de Palestijnen helpen. Hij was ook sterk gekant tegen de grootmacht van Amerika. Het ging er bij hem bijvoorbeeld niet in dat al die Duitse steden tijdens de Tweede Wereldoorlog voor tachtig tot negentig procent verwoest werden. Dat was tenslotte helemaal niet nodig. Hetzelfde gold voor de atoombom: het was helemaal niet nodig om een tweede bom te gooien, dus dat zoiets gebeurde was voor hem onbegrijpelijk. Daar was hij heel categoriek in. Hij was ook absoluut tegen de doodstraf. Niemand beschikt over het leven van iemand anders. En als je dan kijkt naar zijn gedichten, dan is dat heel duidelijk. ‘Borms’, het gedicht dat hem zo veel problemen heeft opgeleverd, kan je ook niet geïsoleerd zien. In veel van zijn gedichten zie je die neiging om op te komen voor anderen. Er zijn ‘Tot den arme’, ‘De bedelaar’, ‘De klacht van den oude’, ‘De bult spreekt’, ‘Brief’, ‘Van der Lubbe’, ‘Aan Willem Gijssels’, ‘De banneling’ en dan pas komt ‘Borms’. Je moet ‘Borms’ dus zien in heel die reeks.

Wat in ‘Borms’ ook nog meespeelt, is dat hij in feite heel breeddenkend was. Je raakt nooit iemand in zijn liefde of zijn geloof, dat was één van zijn gezegden. Zijn vriendenkring bestond uit mensen van allerlei strekking. Als iets goed was voor u, dan had hij respect voor uw liefde of uw gedacht.

Die openheid voor andersdenkenden spreekt op een bepaalde manier ook heel erg uit Het dwaallicht. Misschien is dat ook wel één van de redenen waarom mensen ook vandaag dat verhaal nog steeds zouden moeten lezen. Die breeddenkendheid lijkt in veel debatten vandaag afwezig.

Het dwaallicht is nog steeds actueel en dat gesprek over de verschillen in godsdiensten op het einde van het verhaal is ook typerend. Als je met hem in een discussie zat, dan liet hij je altijd uitspreken en onderbrak hij je niet. Maar op het einde van het gesprek, zei hij dan: ‘Denkt u dat werkelijk?’, en daarmee was wel duidelijk hoe hij daarover dacht. Maar soms zei hij ook ‘tiens tiens’ en dan had je hem aan het denken gezet. Dan zag hij dat er misschien wel iets inzat in wat je gezegd had. Hij relativeerde ook altijd standpunten en verplichtte je om standpunten anders te beargumenteren. En als die argumentatie op iets steunde, ook al was het niet zijn mening, dan had hij daar respect voor.

Maar daarnaast is er ook nog zijn taal. Een zin van Elsschot schijnt heel simpel te zijn. Maar daar is aan gewerkt. Hij komt daar niet zomaar. Zijn teksten lezen heel vlot, maar je mag Elsschot niet diagonaal lezen. Dan blijft er niets van over. Ook zijn gedichten moet je traag lezen. Er zit een zeker ritme in. Hij speelde graag met taal. Hij kende ook veel talen. Mijn stiefvader gaf bijvoorbeeld op zekere dag een kleine receptie thuis en had een Spaanse collega uitgenodigd. Mijn grootvader heeft daar toen een half uur met die man in het Spaans gepraat. Wij vielen achterover van verbazing, want wij wisten niet eens dat hij Spaans kón. Na die receptie vroeg die collega aan mijn stiefvader hoe lang zijn schoonvader in Spanje geweest was. Maar mijn grootvader wás nooit in Spanje geweest. Die Spaanse collega kon dat niet geloven, want mijn grootvader sprak blijkbaar zuiver Catalaans. En daarnaast sprak hij ook vlot Frans, Engels en Duits. Dus met Nederlands erbij zijn dat vijf talen waarvan we weten dat hij ze beheerste. Hij had ook nog graag Chinees geleerd, maar dat was te moeilijk, dat is er dus niet van gekomen.

Met woorden spelen, dat was zijn plezier. Mijn stiefvader was bijvoorbeeld verbonden aan de Belgische ambassade in Bonn en mijn ouders hebben gewacht tot mijn middelbaar ten einde was om te verhuizen. Ik heb geneeskunde gestudeerd in Duitsland, maar ik had voordien nooit Duits geleerd. Dus die eerste weken aan de universiteit in Duitsland had ik geen enkel idee waarover de professor gesproken had. Maar het was verdrinken of leren zwemmen wat dat betreft, dus heb ik leren zwemmen. Om de zoveel tijd gingen we dan op bezoek naar Antwerpen, want mijn moeder was gehecht aan haar ouders, en dan werd ik getest. Dan vroeg mijn grootvader hoe een Duitser dit of dat zou zeggen. Als ik dan aarzelend een antwoord had gegeven, zei hij: ‘Denk jij dat?’ Een uur later kwam hij dan met een andere oplossing en, inderdaad, die zin zat juist. De opties die we dan eerder besproken hadden waren ook goed, maar in die ene zin viel dan alles echt op de juiste plaats. Daar was hij dan een uur mee bezig geweest.

Hij vond het ook belangrijk om Nederlands te schrijven: geen Vlaams, geen Hollands, maar Nederlands. Hij schreef in een klassieke vorm, die niet aan mode gebonden was. Dat was ook hoe hij was: niet opvallen. Hij had geen baard of lang haar. Hij droeg altijd een wit hemd, een donkere das, een grijs kostuum en zwarte schoenen. Zelfs in de vakantie, maar dan zonder das. Ik heb hem nooit iets anders weten dragen. Niet opvallen. Hij zou zo langs de muren verdwijnen. De boeken moesten het doen. Dat heeft hij natuurlijk niet gezegd, maar ik zie dat nu wel zo, nu ik erop terugkijk. Ook in zijn werk liet hij zich niet door de heersende mode leiden, in de hoop dat er dan iets van zou overblijven. En als je je dan bedenkt dat zijn boeken nog altijd gepubliceerd, verkocht en gelezen worden, dan blijft er blijkbaar inderdaad toch iets van over.

Meer weten en lezen over Willem Elsschot?

Het werk van Willem Elsschot is vlot verkrijgbaar en wordt regelmatig heruitgegeven. In 2021 zorgde uitgeverij Athenaeum voor een heruitgave van zowel het Verzameld werk als van bekende verhalen als Kaas en Het dwaallicht, die vallen onder de opnieuw in het leven geroepen Salamander-serie.

Wie meer wil lezen over het leven en werk van Willem Elsschot, kan gaan snuisteren in de talloze boeken en artikels die er over Elsschot verschenen zijn. Voor dit artikel baseerden we ons voornamelijk op de uitgebreide biografie Elsschot. Leven en werken van Alfons De Ridder van Vic van de Reijt, Dicht bij Elsschot van Wieneke ’t Hoen, Ontmoetingen met Willem Elsschot van Simon Carmiggelt en Over Willem Elsschot, de schrijver en Alfons De Ridder, mijn vriend van Albert Westerlinck. Bij onze lezing van Het dwaallicht lieten we ons daarnaast ook nog leiden door enkele bijdragen uit de bundel Over Willem Elsschot. Beschouwingen en interviews, samengesteld door Annemarie Kets-Vree en het themanummer van het literair tijdschrift De Parelduiker uit 2001 dat aan het werk van Willem Elsschot gewijd is. Daarnaast vind je ook op de website die de KANTL maakte rond de literaire canon allerhande informatie over Het dwaallicht.

Radiomaker Pat Donnez maakte tien jaar geleden voor radiozender Klara de reeks Zot van Elsschot, waarin onder andere schrijvers Bart Van Loo en Arnon Grunberg en filosoof Jean-Paul van Bendegem hun liefde voor het werk van Elsschot komen bezingen. De reeks is inmiddels ook te beluisteren als podcast.

Wie na het lezen van Willem Elsschot zelf ook helemaal zot van Elsschot is, kan bovendien lid worden van het Willem Elsschot Genootschap (WEG) dat ook eigen publicaties rond het werk van Elsschot verzorgt.

Wie het werk van Willem Elsschot graag nog op een andere manier dan op papier beleeft, kan in Antwerpen ook aansluiten bij een Willem Elsschot wandeling en op die manier zowel Elsschots stad als zijn werk op een nieuwe manier ontdekken. Zo organiseert de stad Antwerpen zelf bijvoorbeeld een Dwaallichtwandeling.

Van het werk van Elsschot zijn ook talloze adaptaties gemaakt. Zo maakte striptekenaar Dick Matena stripversies van Kaas en Het dwaallicht en is zijn werk ook veelvuldig verfilmd. De bekendste verfilmingen zijn wellicht Robbe De Herts filmversie van Lijmen/Het been en de internationale verfilming van Villa des Roses van Frank Van Passel met onder andere Julie Delpy in een van de hoofdrollen.