fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Portret: Stefan Zweig

Achtergrond

‘Maar elke schaduw is in diepste wezen toch ook een kind van het licht.’
Naam Stefan Zweig
Nationaliteit Oostenrijks
Geboortedatum 28 november 1881
Geboorteplaats Wenen
Sterfdatum 22 februari 1942
Sterfplaats Petrópolis
Bekendste werk De wereld van gisteren
Bekendste romans en verhalen Schaaknovelle, Ongeduld
Bekendste biografieën Marie Antoinette, Maria Stuart en Erasmus
Het leven van deze schrijver en humanist lijkt van een afstandje enkel uit extremen te bestaan. Hij is enerzijds een spin in het web van de Europese cultuur, zit goed in de slappe was, leidt een heerlijk intellectueel leven en is een van de populairste schrijvers van zijn tijd. Door alleen Albert Einstein en Sigmund Freud te noemen, doe je al zijn andere fans tekort. Anderzijds slaat de verwoestende Eerste Wereldoorlog een gat in de ziel van deze pacifist en eindigt zijn jarenlange vlucht voor de nazi’s in een tragisch einde. Stefan Zweig, een zacht mens omringd door vuur.

De wereld van Stefan Zweig

Het is 1941 en op een boot richting Rio de Janeiro laat Stefan Zweig opnieuw een leven achter zich. Zal hij daar eindelijk vrede vinden? In zijn kajuit denkt de joodse balling ongetwijfeld aan zijn Weense jaren, zijn vele reizen over de hele wereld en zijn oude jachthuis op de Kapuzinerberg in Salzburg. De plek waar hij de spannendste doeners en denkers van zijn tijd ontvangt en waar hij zo graag in zijn adembenemende bibliotheek zit te werken. Omringd door boekenkasten tot aan het plafond, waarin ook zijn eigen uitgaves in ontelbaar veel vertalingen staan te pronken. Daartussen de stevige archiefkasten waarin zijn monumentale verzameling manuscripten veilig opgeslagen ligt.

In die lades zitten originele werken van Johan Wolfgang von Goethe, Rembrandt van Rijn, Johann Sebastian Bach, Rainer Maria Rilke, Charles Baudelaire, Franz Schubert, Napoleon, Louis XVI, Friedrich Nietzsche, Martin Luther, Fjodor Dostojevski, Hermann Hesse, Henrik Ibsen, Lord Byron, Mary Shelley, John Keats, Adolf Hitler, Charles Darwin en op een speciale plek in het huis staat het pronkstuk van zijn collectie: het bureau van Ludwig van Beethoven. Waar na de aankoop zelfs nog een lok van de muzikale meester in blijkt te zitten. De zielen van deze grote geesten zweven om zijn bureau tijdens het schrijven van zijn razend populaire boeken. Maar die tijd is geweest. Op het schip richting Brazilië heeft hij alleen nog kleding, losse papieren en wat originelen van Wolfgang Amadeus Mozart en Honoré de Balzac bij zich. Wat is er allemaal gebeurd en waar gaat deze man nog heen? Die wereldberoemde schrijver, die alles en iedereen achter zich heeft gelaten.

Tekst: Ricardo Jupijn Illustraties: Maarten Streefland

De Weense student: het leven van Stefan Zweig

Je ziet hem zo zitten in zijn Weense kamertje, opgevouwen tussen stapels boeken en manuscripten, overal asbakken, leeggedronken kopjes koffie en volgeschreven vellen papier. Zelfs de keuken is niet veilig en wordt gebruikt als opslag. In deze papieren grot baant de filosofiestudent zich een weg door talloze verhalen en dagdroomt hij over het leven als schrijver. Dat hij niet de opvolger van zijn vaders textielfabriek wordt, is dan al een tijdje duidelijk. Niets is groter dan zijn liefde voor literatuur. Het scheelt dat Stefan Zweig door de florerende familiezaken geen dag in zijn leven hoeft te werken, het fortuin geeft hem de ruimte om tot in de lengte der dagen te schrijven. Waar hij ook nog eens een groot talent voor blijkt te hebben, want in 1901 wordt zijn eerste gedichtenbundel Silberne Saiten al gepubliceerd. Meer dan veertig recensies verschijnen er, die hij allemaal netjes uitknipt en categoriseert. De critici zijn het er over eens: dit is een getalenteerde jongeman. Maar ja: en dan? Zweig weet niet welke richting hij op wil. De wereld van de keurige jongeman lijkt pas een beetje op gang te komen als hij een tijdje in Berlijn studeert en in aanraking komt met een stelletje vrije vogels. Met open mond schrijft hij over een bont gezelschap tijdens een wilde kroegavond: ‘Ik zat aan dezelfde tafel als alcoholisten en homoseksuelen en morfineverslaafden. Ik schudde de hand – zeer trots – van een beruchte en veroordeelde fraudeur. Het soort figuren die ik moeilijk te geloven vond in realistische romans, zaten allemaal op elkaar gepakt in de kleine cafés waar ik mee naartoe werd genomen en hoe kwalijker de naam was die iemand had, hoe enthousiaster ik was om de eigenaar daarvan in eigen persoon te ontmoeten.’

Terug in Wenen worstelt hij nog altijd met de vraag: is hij ondertussen al schrijver of wil hij er eentje zijn? Hij doet in ieder geval zijn best om oud en verstandig over te komen, met een bril die hij niet nodig heeft en een snor waar allerlei wijze woorden onder vandaan schieten. Leeftijdsgenoten zijn altijd onder de indruk van hem, hij is dikwijls een stuk verder in zijn ontwikkeling. Het is tegelijkertijd de reden dat hij weinig vrienden op school heeft en gewend is geraakt om het leven zelf uit te zoeken. Wat hij nodig denkt te hebben, is veel zien en veel leren, om vervolgens echt te beginnen. Daarnaast heeft hij een mentor nodig, een gids. Die vindt hij in de Belgische schrijver Emile Verhaeren. Ze schrijven elkaar en Zweig zoekt de 25-jarige oudere Verhaeren zoveel mogelijk op in Brussel. Verhaeren wordt gegrepen door het haast kinderlijke enthousiasme en de naïviteit van Zweig, al ziet hij eveneens hoe serieus hij met zijn werk bezig is. Zo boekt hij met zijn eerste verhalenbundel Die Liebe der Erika Ewald opnieuw een succesje, wat hem het nodige vertrouwen geeft. Misschien is hij toch wel een schrijver. Met verdampende twijfels stuurt hij zijn werk op naar auteurs als Rainer Maria Rilke, Hermann Bahr, Arthur Schnitzler en na wat briefwisselingen volgen er vaak afspraken. Wanneer hij in 1907 eindelijk zijn eigen appartementje huurt, organiseert hij daar literaire avondjes voor zijn nieuwe vrienden en kan hij in alle rust de grenzen van zijn talent als schrijver opzoeken. Hij blijkt er zo eentje te zijn die altijd alles door elkaar doet: essays, vertalingen, biografieën, poëzie, proza, er kon altijd nog iets bij op het stapeltje.

Hij ziet en hoort ook nogal wat tijdens zijn leven. De kosmopolitische Zweig leeft in een onophoudelijke cyclus van werken en reizen. Vanaf een jonge leeftijd bezoekt hij Spanje, Frankrijk, België, Nederland, Italië, Engeland en trekt hij richting India, de Sovjet-Unie en Zuid- en Noord-Amerika. Hij houdt vooral van de snelheid van New York en dompelt zich er helemaal in onder. Zo ondergaat hij een bijzonder ritueel in de stad: hij doet alsof hij een werkzoekende immigrant is. Zweig schrijft zich in bij een uitzendbureau en heeft al snel allerlei baantjes voor het uitkiezen. Niet dat hij deze aanneemt, maar het gaat erom dat Amerika inderdaad het land van de onbegrensde mogelijkheden blijkt te zijn. Tegelijkertijd is hij iemand die zich ook dicht bij huis heerlijk verwondert, bijvoorbeeld over zijn bovenbuurvrouw Ottilie Demelius. Als de grote Goethe-aanbidder die Zweig is, komt hij er in 1910 achter dat Demelius de dochter is van Goethes lijfarts. En niet alleen dat: Goethe is haar peetvader. Dat laatste wordt Zweig bijna te veel. ‘Een ademend, levend wezen dat nog liefdevol was aangekeken door Goethes donkere, ronde ogen – een laatste, dunne draad, die elk ogenblik kon breken, verbond door dit kwetsbare aardse wezen de Olympische wereld van Weimar met dit toevallige huis in een buitenwijk, Kochgasse 8.’ Niet toevallig klopt hij regelmatig aan voor een kopje thee.

De Heldenfabriek

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog is Stefan Zweig zo druk met al zijn reisjes, dat hij in de zomer van 1914 bijna vast komt te zitten in België. Halsoverkop pakt hij nog net de laatste trein richting het oosten. Liefde maakt blind, want als gepassioneerd Europa-liefhebber ziet hij de oorlog totaal niet aankomen. Het raakt hem diep, aangezien Zweig een echte Europeaan is, die zich actief inzet voor onderlinge samenwerking en het gezamenlijke lot. Alhoewel hij bij de perstroepen belandt, doet hij dat vooral om het front te ontlopen. Het zijn een paar verschrikkelijke jaren in deze ‘heldenfabriek’. De vooraanstaande schrijvers van het land worden pers genoemd, maar het is in feite een PR-afdeling waar ronkende verhalen geschreven moeten worden over de ‘heroïsche daden’ van de soldaten. De oorlog ontspoort volledig en collega’s worden één-voor-één achter hun bureaus weggetrokken om mee te vechten. Zeker na het brute oorlogstheater van dichtbij te hebben gezien aan het Russische front, is Zweig continu bang opgeroepen te worden. Hij zet zich dan maar extra in onmisbaar te worden.

Op de een of andere manier weet Zweig het voor elkaar te krijgen dat hij een correspondent wordt in het neutrale Zwitserland. Tussen de bergen is er vrede en ontmoet hij niet de minsten: de kersverse Nobelprijswinnaar Romain Rolland, latere winnaar Hermann Hesse en ook James Joyce, in de tijd dat hij aan Ulysses werkt. Je zou het niet zeggen aan zijn indrukwekkende gastenboek, maar hij is het liefst alleen en totaal uit zijn doen als er onverwacht iemand langskomt. De Spaanse Griep pakt hij dan ook met beide handen aan om eens lekker in zijn eigen tempo te werken en zich af te zonderen. Inclusief van zijn vrouw Friderike Maria Burger en vooral van haar twee kinderen, waar hij toch al niet zoveel mee heeft. Hetzelfde gezelschap waarmee hij na de oorlog in het voormalige jachtslot in Salzburg gaat wonen. Waar ze een nieuw leven beginnen en de helse oorlogsjaren achter zich proberen te laten. Zweig brengt zijn tijd vooral door in zijn kantoor, waar hij eindelijk de ideeën kan ventileren die al jaren in zijn hoofd spoken. En niet onbelangrijk: hij is druk met het categoriseren van zijn collectie boeken en manuscripten, een verzameling die een serieuze omvang begint aan te nemen. Schrijvers beginnen zelfs hun werk aan te dragen: na het horen over de verzameling stuurt Thomas Mann het manuscript op van zijn novelle Die Hungernden.

Die collectie is zijn lust en zijn leven, al van jongs af aan is hij ermee bezig. Zweig heeft iets met bekende kunstenaars. Zo is hij als jongen dagenlang ondersteboven van een schouderklopje van Brahms en als tiener gaat hij op handtekeningenjacht bij lokale theaters en opera’s. Hij schrijft talloze brieven naar beroemde schrijvers, die hij vraagt om handgeschreven aandenken. Dat loopt niet direct storm en hij snapt al snel waarom. Julius Stettenheim stuurt hem een handgeschreven gedicht waarin hij de jonge Zweig duidelijk maakt dat het misschien slim is om in het vervolg een retourpostzegel toe te voegen. Zo sprokkelt hij vanaf zijn jeugd van alles bij elkaar. Waar hij ook is: altijd snuffelt hij even in lokale antiquariaten. Zweig is een zielenjager, met die originele stukken – de ‘aardse schaduwen van geniale figuren’ – wil hij hun geheimen ontdekken. Bijvoorbeeld van de mensen waar hij over schrijft. Zo houdt hij zich begin jaren twintig veel bezig met het schrijven van biografieën. Van Rolland tot Friedrich Hölderlin, Heinrich von Kleist, Friedrich Nietzsche en vooral zijn Drei Meister, met daarin essays over Honoré de Balzac, Charles Dickens en Fjodor Dostojewski. Razend populaire boeken, onder meer omdat ze dieper ingaan op de emoties en het binnenleven van deze figuren. Een manier van schrijven die honderd jaar geleden nieuw en verfrissend is. Net als zijn novelles, gedichten, artikelen en het libretto dat hij in 1935 voor Richard Strauss schrijft, en dat na twee voorstellingen alweer wordt verboden wegens de joodse librettist… Al is Zweig op het gebied van al deze vormen geen literaire vernieuwer, het zit hem vooral in de inhoud. De invalshoek van zijn verhalen, de haarscherpe situaties en de hoofden van de personages waar hij zo levensecht in kruipt.

Stemmingswisselingen en fascisten

Zijn schrijfdagen deelt hij strak in met allerlei to-dolijstjes, net als zijn jaarkalender. In de winter graaft hij zich door bergen research heen, in de lente begint hij te schrijven en de eerste versies gaan in de zomer richting de uitgever. De correcties verwerkt hij in het najaar, om zo op tijd klaar te zijn voor de volgende ronde. Het schrijven lijkt Zweig eenvoudig af te gaan; er zijn altijd ideeën, de verkoopcijfers breken record na record en regelmatig gaat hij op tour om voor volle zalen te spreken. Hij ziet zichzelf graag als een niet te stoppen machine. Toch is hij moe en ook niet altijd zo goedgehumeurd. Hij heeft een laaiende onrust in zich, de oorlog zit nog altijd in zijn zenuwen. Met vlagen verliest hij het vertrouwen in de mensheid, is hij pessimistisch, somber en heeft hij geen verwachtingen van het leven. Het vreet aan hem, al neemt het vooral de vorm aan van stemmingswisselingen. Zweig is namelijk net zo goed productief, gastvrij en bijvoorbeeld geïnteresseerd in de jongere generatie. Hij leest manuscripten en ondersteunt schrijvers als Joachim Maass, Walter Bauer en Erich Ebermayer zelfs financieel. Omdat hij weet hoeveel een aanmoediging betekent van een oudere en gerespecteerde auteur. Dat is hij inmiddels, aangezien zelfs Benito Mussolini in 1932 naar hem luistert. De vrouw van de socialistische sympathisant en ter dood veroordeelde Giuseppe Germani smeekt Zweig om een brief te schrijven aan de dictator zelf. Wonderbaarlijk genoeg wordt hij vrijgelaten en de jubelende schrijver bedankt Il Duce nog uitgebreid in een brief. Een gebaar richting de fascistische grondlegger dat niet al zijn vrienden hem in dank afnemen…

Zelf ziet hij de donkere wolken van dat fascisme namelijk ook al jaren hangen. Al verkoopt zijn nieuwe boek over Marie Antoinette binnen korte tijd ruim vijftigduizend exemplaren, de openlijke antisemitische aanvallen worden harder. Hij voelt zich niet meer prettig in Oostenrijk, durft niet meer naar Duitsland te reizen na de beruchte boekverbrandingen in 1933 en krijgt in 1934 een huiszoeking te verduren. De pacifistische Zweig zou zogenaamd wapens verstoppen voor de Republikanischer Schutzbund. Een belachelijk excuus om hem te provoceren, want hij heeft in de verste verte niets te doen met deze sociaaldemocratische en paramilitaire organisatie. Hij besluit direct richting Londen te vertrekken. Zijn geliefde huis in de Salzburgse heuvels verkoopt hij, zijn huwelijk met Friderike loopt op de klippen, zijn belangrijkste spullen verscheept hij naar de Engelse hoofdstad en een deel van zijn correspondentie doneert hij aan een Joods instituut in Jeruzalem. Wanneer Oostenrijk in 1938 met de ‘Anschluss’ bij Nazi-Duitsland gevoegd wordt, weet hij zeker: zijn oude leven is voorbij. Ondanks alle zorgen gaat deze nieuwe start hem niet slecht af. Zijn nieuwe roman Ongeduld is een overdonderend succes in Engeland, een tour door de Verenigde Staten is een ware triomftocht en hij gaat in Bath wonen met zijn kersverse vrouw Lotte Altmann. In het kleine huis laat ‘boer Zweig’ in een brief aan Viktor Fleischer weten dat hij trots is op het eerste ei dat door een van zijn kippen is gelegd. Genieten van dit alles is logischerwijs lastig, vooral als het Verenigd Koninkrijk zich in die dreigende oorlog mengt, is hij met zijn Oostenrijkse – dus Duitse – nationaliteit officieel een enemy of the state.

Al krijgt hij een Brits paspoort, het echtpaar verlaat al snel het continent en gaat richting New York met een koffer vol kleding plus een koffer vol manuscripten en intellectueel materiaal. Alles wat je volgens Zweig nodig hebt om je overal thuis te voelen. Diezelfde zomer gaan ze richting Zuid-Amerika en in Brazilië, waar Zweig al eerder een succesvolle tour deed, wordt hem zelfs een permanent visum aangeboden. Een fijn idee, aangezien zijn Duitse nationaliteit hem eind 1940 is afgenomen en het nog maar de vraag is of ze in Amerika voor langere tijd een visum krijgen. Terug in New York wordt het de schrijver echter te veel. Door allerlei bezoekjes, de continue ring van de telefoon en de deprimerende verhalen van vluchtelingen die wekelijks in de havens van de stad arriveren, raakt Zweig zwaar depressief. Door de oorlog, de staat van de wereld, vrienden die hij het oog verliest of zelfmoord plegen, de onzekerheid, gedoe met visa, het leven als balling en het gemis van het oude continent. Het liefst zou hij in zijn huisje in Bath werken aan zijn boek over Honoré de Balzac, maar in plaats daarvan stelt hij een testament op, schrijft hij De wereld van gisteren en laat hij fotograaf Kurt Severin foto’s maken van hem en Lotte in New York.

Te oud voor een nieuw leven

Het echtpaar moet richting Brazilië aangezien hun doorreisvisa verlopen en in de heuvels buiten Rio de Janeiro vinden ze in de ‘keizerlijke stad’ Petrópolis een plekje onder de zon. Met alleen nog wat originelen van Mozart en Balzac op zak, is dat oude en zo geliefde leven erg ver weg. Dat bestaan vol schoonheid in het oude continent waarover hij zo mooi vertelt in De wereld van gisteren. Alhoewel Petrópolis een zwoele plek is, leunt het gewicht van de wereld te zwaar op de zestigjarige schrijver. Ondertussen is het een wereldoorlog geworden en naast het obsessief luisteren naar de radio om de ontwikkelingen te volgen, beginnen Lotte en Stefan alles klaar te maken. Zijn autobiografie en Schaaknovelle worden afgerond, hun laatste spullen verdelen ze onder de armen, ze zorgen dat de huishoudster nog een paar maanden wordt doorbetaald, schrijven afscheidsbrieven aan hun vrienden en vergiftigen zichzelf. Netjes aangekleed worden ze naast elkaar op bed gevonden op 23 februari 1942. In een afscheidsbrief bedankt Zweig de Brazilianen voor hun gastvrijheid en omschrijft hij zijn gevoelens van hulpeloosheid en moedeloosheid. Hij is te oud om nogmaals een nieuw leven te beginnen. Dat vergt speciale krachten en die heeft hij niet meer. Zweig hoopt dat al zijn vrienden het aanbreken van de dag mee zouden maken, na die lange en donkere nacht die de oorlog is. Zijn geduld om op een betere toekomst te wachten is vervlogen.

Telkens van de hemel naar de hel: welkom in De wereld van gisteren

‘Ze hebben drie keer mijn huis en mijn bestaan verwoest, mij beroofd van alles wat te maken had met toekomst en verleden’, schrijft Stefan Zweig in het voorwoord van De wereld van gisteren. De toon is gezet. In de autobiografie die hij vlak voor zijn zelfmoord afrondt, kleurt hij de gebieden rondom die puinhopen op een onvergetelijke manier in. Met anekdotes waarin hij misschien nog meer zijn ‘unieke generatie’ dan zichzelf in inkt probeert te vangen. Een stevig ‘opa-vertelt’-gehalte, maar wát voor een. Zweig vangt de tijdsgeest en het is zeker niet alleen maar kommer en kwel. Verre van zelfs. Met een kolkend enthousiasme trekt hij samen met de lezer kriskras door Europa, en steekt hij ook over naar onder meer India, de Verenigde Staten, de Sovjetrepubliek, Zuid-Amerika en het Verenigd Koninkrijk. Zweig komt overal, is bevriend met ontelbaar veel grote denkers en is altijd op het juiste moment op de juiste plaats. Een betere reisgids van deze bizarre tijden kun je je niet wensen. We genieten van de levenskunst in het fin de siècle, huiveren van de Eerste Wereldoorlog, zweven tussen hemel en hel tijdens het interbellum en lezen met tranen in de ogen over de Tweede Wereldoorlog.

Toegegeven: sommige passages moeten misschien met een korreltje zout genomen worden. Zweig is en blijft een romanticus. Hannah Arendt vindt bijvoorbeeld dat Stefan Zweig het vooroorlogse leven te veel ophemelt. Hij doet volgens haar net alsof er geen armoede en leed bestaan, maar hij ziet dat simpelweg niet met al zijn privileges. Het is een illusie, een utopie of een sprookje misschien wel. Aan de andere kant: wat voor dekentje hij nu wel of niet over zijn verhalen legt, niemand vertelt ze mooier. Intens en energiek beschrijft hij de vrije en harmonieuze maatschappij van zijn Weense jeugd in het toenmalige keizerrijk. Een historische omgeving vol cultuur en idyllische Bildung, waarin de jonge Zweig dagelijks met slaaptekort naar school gaat door zijn onstilbare honger naar theater, kunst, wetenschap, muziek, actualiteiten, poëzie, filosofie en alles wat nieuw, anders en spannend is. Het is een wereld die gloeit en tot de randen gevuld is met goede smaak en opwindende cultuur. Met dikke klodders druipt de nostalgie van de pagina’s, de liefde die Zweig voor cultuur heeft is domweg verrukkelijk. Je voelt de passie voor de stad, voor de cultuur, voor de mensen en dat leven in de Weense koffiehuizen waar hij alle internationale kranten verslindt en discussieert met zijn vrienden. Als lezer groeit de liefde voor deze wereld met elke pagina, die kleurrijke cultuur die je binnen een paar honderd bladzijden met veel verdriet ziet verdwijnen in een duister ravijn vol nazi’s en xenofobie.

Kunstkoorts

Wat vooral bijblijft uit het eerste gedeelte, is die gigantische liefde voor de kunst en zijn makers. Zelden wordt dit gulziger of met meer verwondering verteld: ‘Dagelijks vonden wij nieuwe technieken uit om de vervelende schooluren te gebruiken voor onze lectuur; terwijl de leraar zijn stoffige routineverhaal afdraaide over ‘het naïeve en sentimentele in Schillers werk’, lazen wij onder de bank Nietzsche en Strindberg, van wie de brave oude man zelfs nog nooit gehoord had. Als een koorts had de drang bezit van ons genomen alles te weten, alles te kennen wat er gebeurde op het gebied van kunst en wetenschap; we bemachtigden ’s middags een plaats tussen de studenten van de universiteit om colleges te kunnen horen, we bezochten alle tentoonstellingen, we gingen naar de anatomie-colleges om naar secties te kijken. Aan alles en iedereen snoven wij met onze nieuwsgierige neus. We slopen naar binnen de bij de repetities van de Philharmoniker, we scharrelden bij antiquaren rond, dagelijks controleerden we de aanbieding van de boekhandelaren, om meteen te weten wat er sinds gisteren aan nieuws verschenen was. En vooral lazen we, alles lazen we wat ons in handen viel. We haalden boeken uit openbare bibliotheken, wat we te pakken kregen leenden we elkaar.‘

Och, wat is het heerlijk, zo’n leven dat volledig in het teken staat van de kunsten. Het fanatisme en de obsessieve nieuwsgierigheid springt uit het boek. Wat op zich bijzonder is gezien het duistere dal waarin Zweig zich bevindt tijdens het schrijven. Je merkt aan alles dat hij nog één keer alles wil geven. Zo zijn de beschrijvingen van Parijs en zijn omgang met boeiende figuren schitterend. Met een paar penstreken weet hij een ruimte, een gebeurtenis of een figuur in geuren en kleuren neer te zetten. Al doet hij daar soms ook lekker een paar alinea’s of pagina’s over als hij je echt iets wil vertellen. Zoals de ontroerende verhalen over figuren als Rainer Maria Rilke en Auguste Rodin. Om natte ogen van te krijgen, zoveel liefde voor de kunsten schuilt er in deze passages. Het mooie is: niets is gesneden koek – been there done that – voor Zweig. De zestigjarige schrijft het alsof hij iets voor het eerst beleeft, als een jonge hond die voor het eerst proeft van de geheimen van de wereld.

Geen schaduw zonder licht

Los van allerlei hoogtepunten in de kunstgeschiedenis waar Stefan Zweig bovenop staat, gaat De wereld van gisteren net zo goed over opvoeding, opleiding, seksualiteit, de maatschappij, moraal en de leefwereld van de jeugd. Er verandert nogal wat in Zweigs tijd en dat komt vooral door die allesvernietigende oorlogen. Zweig omschrijft in heldere beelden hoe Europa zichzelf tussen 1914 en 1918 kapotmaakt en hoe niet veel later het fascisme zijn gruwelijke kop om de hoek steekt. Met secure stapjes laat hij zien op welke manier zoiets naar de oppervlakte kruipt en hoe je daar als jood in het dagelijkse leven mee geconfronteerd wordt. Voor iemand die zichzelf ‘jood door toeval’ noemt en niet belijdend is. In zijn geval is het extra wrang dat alle haat parallel loopt aan zijn stijgende bekendheid en hoe wreed de pieken zich met dieptepunten afwisselen. De jaren waarin hij op de top van zijn roem zweeft en alleen al tienduizenden exemplaren van een nieuw boek verkoopt in Duitsland, stromen over in jaren dat zijn boeken daar worden verbannen, verbrand en letterlijk aan een schandpaal worden genageld. De reden waarom dit boek zo’n indruk maakt, is vanwege dit bizarre spectrum van Zweigs leven. Dit komt vooral naar boven als hij zijn vijftigste verjaardag beschrijft in 1931. Daar staat hij, in zijn schitterende huis in Salzburg, te kijken naar al die boeken die in oneindig veel vertalingen gepubliceerd zijn, denkend aan de stoutste dromen die hij overtroffen heeft, aan al die mooie reizen en de vele bijzondere vriendschappen: ‘Maar ik had niet het vaagste beeld van wat ik nog zou moeten beleven, dat ik dakloos, verketterd, als balling opgejaagd nog eens van land naar land, over de ene zee na de andere zou moeten zwerven. […] Dat alles wat door hard werken in dertig of veertig jaar was opgebouwd zonder spoor zou kunnen worden uitgewist.’

Vanaf deze jaren kantelt alles en wordt het boek grimmiger. Je voelt dat er iets gebroken is. Wanneer hij in 1934 naar Londen vlucht en zijn appartement binnenwandelt, overvalt hem een vervreemdend déjà vu dat hem herinnert aan zijn eerste kamer in Wenen: ‘Alles wat ik in de tussentijd had ondernomen, gedaan, geleerd, genoten, leek weggewaaid, ik stond met mijn meer dan vijftig jaar weer aan een begin, was weer een student die aan zijn schrijftafel zat en ’s morgens naar de bibliotheek draafde – alleen niet meer zo vol vertrouwen, zo enthousiast, een waas van grijs over mijn haar en een zacht waas van vrees over mijn vermoeide ziel.’ Alles in de wereld gaat de verkeerde kant op, van de oorlog die dreigt, de xenofobie en het antisemitisme dat gruwelijkere vormen aanneemt. Inmiddels zit Zweig in Brazilië, waar hij De wereld van gisteren afrondt. Daar, ver weg van alles, verdwijnt de hoop. Het is genoeg geweest, maar het is ook mooi geweest: ‘De zon scheen krachtig en helder. Toen ik naar huis terugliep, zag ik ineens mijn eigen schaduw voor mij, zoals ik de schaduw van de andere oorlog achter de huidige zag. Hij is sinds die tijd niet meer van mij geweken, deze schaduw, hij hing bij dag en nacht over al mijn gedachten; misschien ligt zijn donkere vorm ook wel op veel bladzijden van dit boek. Maar elke schaduw is in diepste wezen toch ook een kind van het licht, en alleen wie licht en donker, oorlog en vrede, hoogtepunten en dieptepunten heeft meegemaakt, alleen die heeft waarachtig geleefd.’

De verliefde Europeaan en zijn strijd voor het continent: een interview met kenner Thomas Huttinga over Stefan Zweig

Als enthousiast Europeaan strijdt Stefan Zweig in de jaren dertig actief voor het gemeenschappelijke lot van ons continent. Het gaat hem daarbij niet zozeer over die vergaderzalen in Brussel die we nu hebben, maar over de rijke cultuur en geschiedenis die we met elkaar delen. Over bruggen bouwen, creatieve kruisbestuivingen en het besef dat we samen zoveel beter zijn. Sterker nog: we kunnen niet zonder elkaar.

In tijden waar we vooral van de ene in de andere crisis lijken te vallen, kan het geen kwaad om Stefan Zweig erbij te pakken en te beseffen dat Europa zoveel meer is dan we soms denken. Zo ziet hij het continent als één geestelijk organisme met een ongelooflijk creatieve en aanstekelijke kracht. De humanist beschouwt heel Europa als zijn thuis, die heerlijke en tegelijkertijd kwetsbare wereld die hij zo liefdevol beschrijft in zijn autobiografie. Tekenend hiervoor is bijvoorbeeld Zweigs lezing in Rome, waarvoor hij in 1932 wordt uitgenodigd door zijn Italiaanse vriend Guglielmo Marconi, de uitvinder van de radio. Hetzelfde congres waar nazi-ideologen Hermann Göring en Alfred Rosenberg hun visie met de wereld delen.

Stefan Zweigs sterke sentiment van culturele verbondenheid wordt in deze tijd gedeeld door Thomas Huttinga (1994), die Europees Recht aan de Universiteit Leiden studeerde, lezingen over Europa geeft en voorzitter is van het Stefan Zweig Genootschap Nederland. Dat is nog niet alles, want hij is eveneens de samensteller en vertaler van het boek Aan de Europeanen van vandaag en morgen, waarin drie lezingen van Zweig over Europa voor de eerste keer in het Nederlands te lezen zijn. Voordrachten waarin de schrijver de schoonheid van onze Europese cultuur benadrukt en pleit voor uitwisselingsprogramma’s voor jongeren, een Europees mediakanaal en een fake news agency. Huttinga wordt door de redes geraakt omdat ze laten zien op welke mooie manieren we met elkaar verbonden zijn, maar ook welke gruwelijke waarschuwingen erin verscholen zitten. Vanaf het moment dat hij die toespraken tegenkomt, zet hij zich in om deze boodschap levend te houden. Iets dat nodig is, want we zijn als Europese burgers op elkaar aangewezen. Met Huttinga duiken we dieper in de rol die Europa in Zweigs leven speelt en fantaseren we over wat hij van het huidige Europa zou vinden.

Om te beginnen bij het begin: waar komt de fascinatie voor Stefan Zweig vandaan?

Thomas Huttinga: Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in geschiedenis en tijdens mijn studie stuitte ik op Zweigs autobiografie De wereld van gisteren. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar na het lezen wilde ik direct meer over hem weten. Naast zijn stijl en het feit dat hij een van de bekendste schrijvers van zijn tijd was, vroeg ik mij af waarom hij zo’n fanatieke Europeaan was. Iets als een politiek Europa bestond in die tijd nog niet. Ik begreep hem op het moment dat ik die lezingen tegenkwam en geraakt werd door zijn boodschap.

Wat trekt je daar zo in aan?

Zijn zoektocht naar verbondenheid en hoe hij als een Europeaan leefde. Van zijn reizen tot zijn manuscriptencollectie waarin hij Europese cultuurstukken bij elkaar bracht en zijn gigantische vriendenkring vol invloedrijke mensen. Hij ademde de Europese cultuur en los van het feit hij die mooi vond, heeft hij zijn best gedaan om dat gevoel over te brengen. Hij wilde mensen ervan overtuigen dat er zoiets bestaat als een Europese identiteit, hij voelde echt een liefde voor het continent. Wij missen dat, ook al is Europa belangrijk in ons dagelijks leven. Wij zijn meer nationaal georiënteerd en zijn Europa meer als eilandjes van Nederlanders, Fransen, Italianen, Polen en Tsjechen gaan zien… Voor Zweig is Europa een mozaïek.

Hoe staat het er volgens jou voor met Europa?

Zweigs boodschap van verbondenheid is nog steeds actueel. Al zijn we nu op zoveel manieren dichter met elkaar verbonden, het lijkt er soms op dat het doorrijden van de vrachtwagens het fundament van Europa is. Maar als je zo met elkaar verenigd bent, zul je op zoek moeten gaan naar een verhaal dat verder gaat. Iets dat bindt. Ik denk dat je daarvoor beter onze cultuur en geschiedenis kunt gebruiken. We leven al zoveel eeuwen met elkaar samen en het is nu van belang om dat te laten zien.

Wat zijn de lessen die we kunnen leren van Zweigs lezingen?

Het bijzondere vind ik zijn geloof in Europees broederschap, dat we elkaar moeten leren kennen. Want we delen veel gemeenschappelijke interesses, maar toch leven we nogal langs elkaar heen. Daarom stelt hij onder meer een gemeenschappelijk mediakanaal voor en uitwisselingen die we nu kennen als Erasmus-beurzen. Aan de andere kant: een waarschuwing in Zweigs lezingen, maar net zo goed in zijn leven, is de opkomst van het nationalisme. In zijn autobiografie noemt hij het nationalisme ‘de oerpest van de Europese cultuur’. Het is een actueel thema dat steeds urgenter wordt. Nationalisme gaat doorgaans gepaard met radicalisering, wat we nu overal in Europa zien gebeuren. Niet per se in dezelfde vorm als voor de Tweede Wereldoorlog, maar die radicalisering is iets waar we huiverig voor moeten zijn.

Ik ben zo nieuwsgierig wat Stefan Zweig over ons huidige Europa zou zeggen, stel dat hij hier ineens weer rond zou lopen.

Ik denk dat hij in eerste instantie ontroering zou voelen. Als hij ziet dat er zoveel Erasmus-uitwisselingen zijn, het bestaan van de politieke unie en dat emotionele afscheid tussen Merkel en Macron. Aan de andere kant, er is op veel gebieden onenigheid en je ziet steeds meer extreemrechtse clubs opduiken. Ik denk dat hij daarom de pen weer op zou pakken. Om het besef in te laten dalen dat we op elkaar aangewezen zijn. Nu is dat vooral iets tussen de regeringsleiders en die lijken door te hebben dat we in hetzelfde schuitje zitten. Maar het is belangrijk dat Europese burgers zich realiseren dat we elkaar nodig hebben. Dat Europa in de harten van de mensen gaat leven.

Jouw vertalingen van Zweigs lezingen hebben behoorlijk wat aandacht gekregen. Op welke manier merk jij dat dit onderwerp leeft?

De laatste jaren wordt er vooral geroepen dat het niet goed gaat en is de Europese Unie tientallen keren doodverklaard. Alleen merk ik dat er net zo goed behoefte is aan mensen met een visie op Europa en die een positief verhaal uitdragen. Het verhaal van Zweig inspireert in dat geval en ik vind het mooi om zijn maatschappelijke boodschap op een eigentijdse manier levend te houden. Om door een humanistische bril naar ons continent te kijken.

Een andere manier waarop je hem levend houdt, is het Stefan Zweig Genootschap. Wat moeten we ons daar zo ongeveer bij voorstellen?

Het genootschap is in 2007 opgericht door Dirk Jansen en daarmee organiseren we fysieke bijeenkomsten en versturen we nieuwsbrieven als er bijvoorbeeld een nieuwe tentoonstelling, film of vertaling is. Momenteel leid ik het platform met Viggo ’t Hart en zijn we vooral bezig met de organisatie van een studiedag in Gent op 10 februari. Met een filmvertoning en lezingen van onder meer Geert Mak.

En voordat we die in onze agenda zetten: wat zijn jouw favoriete verhalen van Zweig?

Als verhaal vind ik Schaaknovelle ontzettend goed, dat is een spannend boek waar je als een trein doorheen gaat. Een novelle die iets minder bekend is, maar waarmee Zweig echt zijn literaire kracht laat zien, is Reis naar het verleden. Aan de hand van iemand die door de Eerste Wereldoorlog jarenlang van een geliefde wordt gescheiden en zijn leven daarna probeert op te pakken. Qua biografie vind ik die over Erasmus bijzonder, deels ook vanwege het verhaal dat erachter schuilt. Zweig schreef dat in de jaren dertig en als intellectueel en humanist wilde hij daarmee laten zien dat hij boven de partijen stond. Zonder vingers te wijzen, maar door met een figuur als Erasmus aan te tonen hoe je mensen bij elkaar brengt. Dat vind ik nog altijd bijzonder aan Zweig, hoe hij die idealen in zijn leven en zijn werk met elkaar vervlecht.

Meer weten en lezen over het werk en leven van Stefan Zweig?

Wie zich wil verdiepen in het leven van Stefan Zweig, raden we ten zeerste aan om de biografie Three Lives van Oliver Matuschek en The Impossible Exile: Stefan Zweig at the End of the World van George Prochnik te lezen.

Een deel van Stefan Zweig zijn manuscriptencollectie wordt beheerd door The British Museum. Alle stukken van deze collectie zijn intussen ook online te bekijken. Een heuse schatkamer.

De korte verhalen en romans zijn nog goed te vinden en worden uitgebracht door uitgevers als LJ Veen Klassiek, Van Oorschot, De Arbeiderspers en Athenaeum – Polak & van Gennep. Als je geïnteresseerd bent in de biografische werken van Stefan Zweig, dan moet je bij Uitgeverij IJzer zijn, die onder meer zijn boeken over Marie Antoinette, Erasmus, Maria Stuart en Joseph Fouché publiceren. Alle beschikbare werken van Stefan Zweig in het Nederlands zijn te bestellen via onze boekhandel en koffiebar Buchbar, waar een groot portret van Zweig hangt.

In 2016 verscheen de film Farewell To Europe, over Zweigs zoektocht naar een nieuw huis terwijl het oude continent uit elkaar scheurt door weer een nieuwe oorlog. Je kan de trailer van de film hier bekijken.

Over de laatste dagen van Stefan Zweig is in 2014 de graphic novel The Last Days of Stefan Zweig verschenen, gemaakt door Laurent Seksik en Guillaume Sorel.

De bekende cineast Wes Anderson liet zich naar eigen zeggen inspireren door de verhalen van Stefan Zweig voor zijn film The Grand Budapest Hotel. Boeken als Ongeduld, De wereld van gisteren en Rausch der Verwandlung maakten grote indruk op de filmmaker. Met name door het fatalistische en tegelijkertijd mythologisch portret dat Zweig schept van Wenen in de vroege twintigste eeuw.

De vriendschap tussen Stefan Zweig en Joseph Roth is een historische. Een relatie tussen twee karakters die alles met elkaar bespreken en waartussen het meer dan eens knettert. Het is een frappante relatie, zeker als je weet dat de talentvolle en getroebleerde Roth het op de een of andere manier voor elkaar krijgt dat hij de laatste tien jaar van zijn leven financieel wordt onderhouden door Stefan Zweig. Deze ingewikkelde en intense vriendschap is prachtig vastgelegd in Elke vriendschap met mij is verderfelijk. Het boek werd uitgegeven in het Privédomein van De Arbeiderspers en is te bestellen via Buchbar.

Mocht je nieuwsgierig zijn naar de opera die Stefan Zweig maakte met Richard Strauss, deze is intussen te beluisteren op Spotify. Opgenomen in 1977 door de Staatskapelle Dresden onder leiding van dirigent Marek Janowski.