Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: Jeroen Brouwers

Achtergrond

'Een schrijver dient niet vriendelijk te zijn. Een schrijver dient aan de lopende band te kankeren en te schelden. Een schrijver dient een kwaad persoon te zijn. Van zijn geschriften moeten de vonken afspatten, men moet er zijn tengels aan branden.'
Nationaliteit Nederlands
Debuut Het mes op de keel (1964)
Eerste roman Joris Ockeloen en het wachten (1967)
Bekendste werken Bezonken rood (1981), Geheime kamers (2000), Het hout (2014)
In 2007 won Jeroen Brouwers de Tzumprijs voor de beste literaire zin: 'Al stond in het centrum van het huis een kachel als uit de machinekamer van een stoomschip en stortte ik deze vol kolen en hout uit het bos, ze verspreidde geen warmte, – zoals er ook van mij, volgestort met het witte water van de firma Bols, niet echt meer iets constructiefs uitging.'

Jeroen Brouwers staat bekend als de enfant terrible van de Nederlandse literatuur, maar bovenal is hij een buitengewoon stilist. Gedurende zijn schrijfcarrière, die al meer dan een halve eeuw beslaat, heeft hij een omvangrijk oeuvre bij elkaar geschreven dat zowat ieder literair genre bevat. Hoog tijd dus voor een portret van een van de belangrijkste naoorlogse schrijvers uit het Nederlandse taalgebied.

Tekst: Marie-Lynn Herpoel Illustraties: Marc De Vos

Over het leven van Jeroen Brouwers

 

Hoewel een literaire tekst per definitie niet mag worden beschouwd als een uitspraak van de auteur van die tekst, is het bij Jeroen Brouwers moeilijk om tekst en schrijver helemaal los van elkaar te zien. Zijn werk vertoont namelijk sterk autobiografische trekken, aangezien zijn eigen leven als een rode draad door zijn oeuvre loopt. Hij schrijft niet alleen onverhuld over zijn passies, angsten, ergernissen, trauma’s en obsessies, maar grijpt in zijn werk ook vaak terug naar gebeurtenissen uit zijn eigen verleden. Zijn Indiëtrilogie is hier het beste voorbeeld van. Voor wie geen kennis heeft van Brouwers’ levensloop: hierbij een schets aan de hand van deze Indiëromans.

Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië. Gedurende zijn eerste levensjaren woonde hij met zijn ouders, zijn twee oudere broers en zus op Java, waarover hij schrijft in Het verzonkene (1980), de eerste roman uit het drieluik. Hij beschouwt deze periode als de gelukkigste jaren van zijn leven: ‘Echt gelukkig ben ik geweest toen ik niet wist dat ik het was: vóór mijn derde jaar. De jaren tussen de geboorte en het leren begrijpen en spreken van taal.’ Naar de onschuldige en onbewuste staat waarin een kind van die leeftijd nog verkeert, zal hij in verschillende romans verwijzen als een periode waarnaar hij terugverlangt. Nochtans bleek hij als kind niet zo onschuldig noch aardig te zijn, maar ‘buitensporig driftig’, zoals hij zelf schrijft.

Toen Rudy Kousbroek Brouwers’ beschrijvingen van het Jappenkamp afdeed als ‘leugens en overdrijvingen’, reageerde Brouwers hierop door te stellen: ‘Ik heb niet gelogen, ik heb een roman geschreven.’Wanneer Japan in 1943 Nederlands-Indië binnenvalt, worden alle Nederlanders opgesloten in interneringskampen. Vanwege zijn jonge leeftijd werd de driejarige Jeroen samen met zijn grootmoeder, moeder en zus in het vrouwenkamp Tjideng opgesloten. Zijn grootvader, vader en broers kwamen terecht in het jappenkamp te Semarang. Zijn beide grootouders zullen het leven laten in deze kampen. In Bezonken rood (1981), waarin hij naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder terugdenkt aan de Japanse invasie, schrijft hij over de wantoestanden in Tjideng en de onherstelbare kerven die deze periode op hem heeft nagelaten. Toen dit boek verscheen, reageerde de pers hier bijzonder snel en positief op, al duurde het niet lang eer tegengeluid zich liet horen. Schrijver en journalist Rudy Kousbroek, die als tiener zelf werd opgesloten in een Japans kamp op Sumatra, deed Brouwers’ beschrijvingen van het Jappenkamp af als ‘leugens en overdrijvingen’. Brouwers reageerde hierop door te stellen: ‘Ik heb niet gelogen, ik heb een roman geschreven.’

In 1947 keerde Brouwers’ moeder met de kinderen terug naar Nederland en een jaar later keerde ook zijn vader weer. Van zijn tiende tot zijn zeventiende verbleef de schrijver op drie katholieke jongenspensionaten, waaronder Sint Maria ter Engelen in het Zuid-Limburgse Blijerheide, vlakbij de Duitse grens. In De zondvloed (1988), de derde roman uit de trilogie dat eveneens zijn magnum opus wordt genoemd, vertelt hij onder meer over zijn jaren in deze kostscholen. Ook in zijn laatste roman Het hout (2014) keert hij terug naar die periode, waarbij het pensionaat in Bleijerheide fungeerde als decor voor de roman. Ditmaal is de fictionalisering duidelijker: hij beschrijft het verhaal niet vanuit zijn eigen perspectief als kind, maar kruipt in de huid van de fictieve broeder Bonaventura. Over de jaren die hij in de kostscholen doorbracht, zei hij meermaals dat ze harder waren dan zijn tijd in het jappenkamp. Brouwers heeft zijn ouders dan ook nooit vergeven dat ze hem hebben weggestuurd naar een pensionaat. Vooral zijn moeder beschuldigde hij van dit – volgens hem – ultieme verraad, want ze hadden samen nochtans Tjideng overleefd. De verontwaardiging hierover is in verschillende romans terug te zien.

De gebeurtenissen die hij in deze romans beschrijft, zijn zodoende stuk voor stuk verhalen die overlappen met Brouwers’ jeugd. Hoewel er heel wat autobiografische elementen in zijn werk tot uiting komen, zoals het overlijden van zijn zoon in Datumloze dagen (2007), stelt Brouwers het volgende:

Ik ben geen autobiografisch schrijver […] tegelijk kun je alleen iets schrijven waarvan de emotionele waarde uit jezelf komt. […] Alles in mijn leven vormt materie voor de literatuur […] Autobiografische elementen zetten mij aan om fictie te schrijven. Zo is dat en niet anders. Een oeuvre staat nooit los van een schrijver. Ik ben zoals men mij leest. Maar ik ben niet alle ik-personen die men leest.

Toch voelde hij zich niet thuis in de journalistiek, voornamelijk om karakterologische redenen: ‘Slapeloze nachten van tobberigheid als ik er op uit werd gestuurd om iemand te interviewen.’ Om Brouwers’ poëtica en oeuvre als autobiografisch geïnspireerd te kunnen begrijpen, is de volgende zin uit De Zondvloed (1988) essentieel: ‘Kunst is de leugen die de werkelijkheid openbaart.’ De ‘werkelijkheid’ die hij bedoelt in dit citaat moet niet moet worden opgevat als de reële werkelijkheid, maar als ‘een aannemelijk gemaakte werkelijkheid’. Met dit citaat geeft Brouwers aan dat we door kunst toegang krijgen tot het innerlijke leven van de kunstenaar. Brouwers schrijft zodoende fictie aan de hand van zijn autobiografie. Een essentieel aspect in die overgang van werkelijkheid naar fictie is ‘het opsplitsen van het ik in verschillende ikken’.

Terug naar het verdere verloop van Brouwers’ leven – al is voornamelijk zijn beklemmende jeugd bepalend geweest voor zijn werk. Na zijn kostschoolperiode werkte de schrijver gedurende korte tijd bij een bank op de afdeling effecten, tot hij op zijn negentiende werd opgeroepen om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Toen hij eenmaal zijn legerdienst had afgerond, kwam hij in de journalistiek terecht: hij schreef onder andere voor De Gelderlander en voor De Geïllustreerde Pers, meer bepaald voor Romance, de voorloper van Avenue. Toch voelde hij zich niet thuis in de journalistiek, voornamelijk om karakterologische redenen: ‘Slapeloze nachten van tobberigheid als ik er op uit werd gestuurd om iemand te interviewen.’

In die periode begon hij zijn schrijfwerk ook op te sturen naar uitgeverijen. Brouwers ontving verschillende afwijzingsbrieven, maar de Vlaamse uitgeverij Manteau bleek wel geïnteresseerd in het manuscript van zijn verhalenbundel Het mes op de keel (1964). De lector van de uitgeverij had zijn manuscript gelezen en zag er wel wat in. Hij vond de verhalen niet briljant, maar desondanks adviseerde hij Angèle Manteau om het toch uit te geven.Toen Brouwers in 2007 de Prijs der Nederlandse Letteren werd toegekend voor zijn gehele oeuvre, weigerde hij die.In diezelfde periode leerde Brouwers via Hans Roest, die ook werkzaam was bij De Geïllustreerde Pers, Jos Vandeloo kennen, die de adjunct-uitgever was van Manteau. De twee raakten in gesprek. Aangezien Brouwers ongelukkig was in de journalistiek, maakte Vandeloo Brouwers attent op een vacature bij Manteau te Brussel. Begin 1964 verhuisde de schrijver naar Brussel, waar hij tot 1976 als redactiesecretaris en later als hoofdredacteur in dienst trad van Manteau. Het eerste dat hij er leerde, was het persklaarmaken van een manuscript en het eerste manuscript dat hij mocht persklaarmaken, was het zijne. Gedurende zijn tijd bij Manteau verschijnen er eveneens zijn debuutroman Joris Ockeloen en het wachten (1967) en de prachtige novelle Zonder trommels en trompetten (1973).

In 1976 verliet hij de uitgeverij na onenigheden met uitgever Julien Weverbergh. De goede raad van uitgever Geert van Oorschot opvolgend, besloot Brouwers zich geheel op het schrijven te concentreren: de beste beslissing die hij kon maken. Het is nog wachten tot 1981 eer zijn werk, dankzij Bezonken rood, bekend raakte bij het grote publiek. Zijn schrijfcarrière zal vanaf dan een hoge vlucht nemen: de literaire prijzen volgen elkaar op, waaronder de Constantijn Huyghensprijs, Gouden Uil, AKO Literatuurprijs en de Prix Femina Étranger. Maar wanneer Brouwers in 2007 de Prijs der Nederlandse Letteren werd toegekend, die driejaarlijks wordt uitgereikt aan een auteur uit het Nederlandse taalgebied voor zijn gehele oeuvre, weigerde hij die. De reden hiervoor was het geldbedrag dat aan deze prijs was verbonden – namelijk 16.000 euro, wat hij vernederend laag vond. Hij wilde hiermee een statement maken, en met succes: het prijzengeld werd door zijn protest meer dan verdubbeld, al ging dat helaas pas in met de volgende laureaat.

Vol klanken- en stemmengeruis: over de motieven en de muzikaliteit in het oeuvre van Jeroen Brouwers

 

‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’, een kernzin uit een werk van Brouwers, meer specifiek uit Bezonken rood, vat het sturende principe achter zijn oeuvre mooi samen. Tal van motieven uit zijn literair werk hangen onderling samen en vertonen inhoudelijk verwantschap doordat de romans op een bepaalde manier gestructureerd zijn. Hierdoor ontstaat er een web van rode draden in iedere roman en passen de romans als puzzelstukjes in elkaar, wat Brouwers terecht de naam ‘oeuvrebouwer’ heeft opgeleverd. Zo zien we onder andere de problematische relatie met vrouwen en de moederfiguur herhaaldelijk opduiken in zijn romans, net als het motief van de geboorte, de vlieg, de telefoonlijn en de spiegel. Een van de vele motieven dat ook steeds opnieuw in zijn oeuvre voorkomt, is muziek. Sinds Brouwers’ debuutroman Joris Ockeloen en het wachten zien we muziek en/of muzikale aspecten her en der in zijn romans opduiken, zowel thematisch als structureel. Zo wordt in Zomervlucht (1990) de fuga niet enkel gehanteerd als thema, maar werkt die ook als een structurerend principe. Hij gebruikt operabegrippen en -uitdrukkingen in zijn werk: hij hoort mensen ‘melodisch hoesten’ en als Daphne hem en zijn vrouw wil komen bezoeken, noemt hij dat ‘een schijnheilige opera komen opvoeren’. Ook zijn meesterwerk De zondvloed is structureel gezien deels op het principe van de fuga gebaseerd, zij het minder consequent, al spelen spiegeling en herneming ook een belangrijke rol in de romanstructuur. Daarnaast is Zonsopgangen boven zee (1977) opgebouwd volgens het stramien van de sonate, De zondvloed noemt Brouwers zelf een symfoniecyclus, en zijn novelle Zonder trommels en trompetten klinkt volgens zijn biograaf Johan Vandenbroucke ‘als een lied à la Schubert’. Ondanks dat muziek al vanaf het begin een cruciale rol speelt in zijn proza, valt er in Brouwers’ schrijverschap een toenemende muzikaliteit te bespeuren. Waar men in zijn vroege werk al heel wat muzikale aspecten kan bemerken, baden Brouwers’ latere romans nog meer in een algemeen-muzikale sfeer, waarbij muziek ook deel uitmaakt van de thematiek.

Een goede illustratie hiervan is Geheime kamers (2000), de roman waarmee hij verschillende literaire prijzen won. Al opent het boek structureel gezien als een ouverture, toch speelt muziek hier vooral een thematische rol. In deze roman heerst namelijk een uiterst muzikale sfeer, die niet enkel tot stand wordt gebracht door de thematiek (de geliefde van de ik-verteller is een operazangeres) maar ook door de talloze referenties naar muziekstukken en componisten, als Haydns Die Schöpfung en Bachs Matthäus-Passion. Wat zeker ook bijdraagt aan de muzikaliteit van het boek is de manier waarop de ik-verteller de omgeving portretteert en weergeeft. Hij beschrijft zijn hoofd als ‘vol klanken- en stemmengeruis’, wat we ook merken aan de manier waarop hij de wereld aanschouwt, namelijk op een erg muzikale en auditieve wijze. Zo gebruikt hij tal van operatermen, of alleszins termen die hieraan gerelateerd zijn, om zijn omgeving te omschrijven: ‘bosdecor’, ‘coulissen van regen’, ‘de wind zong als Aeolus-harpsnaren’, ‘de uurslagen klonken als maattekens’, ‘de schijnwerpers van het autoverkeer’. Ook de handelingen en gelaatsuitdrukkingen van mensen uit zijn sociale omgeving beschrijft hij aan de hand van zulke begrippen en uitdrukkingen: zo hoort hij mensen ‘melodisch hoesten’ en als Daphne hem en zijn vrouw wil komen bezoeken, noemt hij dat ‘een schijnheilige opera komen opvoeren’. Het is slechts een beperkte selectie – de roman staat namelijk bol van zulke muzikale begrippen en verwijzingen – maar hieruit blijkt al hoe de opera voor de ik-figuur een mentaal kader biedt om naar de wereld te kijken. Daarnaast zien we ook talloze mythes in de roman opduiken – iets wat veelvuldig in het prozawerk van Brouwers voorkomt, maar hier toch een extra betekenis krijgt. Verschillende opera’s zijn namelijk gebaseerd op mythes. In die optiek kunnen ook de mythologische verwijzingen bijdragen aan de muzikaliteit van het boek.

Dat muziek een onvermijdelijke en belangrijke component is in Brouwers’ proza is dus duidelijk. Meer zelfs: ‘Muziek is het kenmerk van al mijn proza,’ stelde Jeroen Brouwers in verschillende interviews. Hoewel muzikaliteit in zijn werk een opvallende en cruciale rol krijgt toebedeeld, is over dat aspect – raar maar waar – erg weinig geschreven. In een interview uit 1981 antwoordde Brouwers het volgende op de vraag naar de muzikaliteit in zijn proza: ‘Dat thema is zelden aangeraakt. Ik wil daar graag over praten, maar men interesseert zich daar blijkbaar niet voor.’ Reden genoeg dus om het in dit portret te hebben over Jeroen Brouwers en muziek.

Jeroen Brouwers: ‘Het liefst zou ik componist worden, want muziek was natuurlijk de eerste en verhevenste van alle kunsten’

 

Om te achterhalen waar Brouwers’ fascinatie voor en relatie met muziek vandaan komt, moeten we opnieuw een kijkje nemen in zijn persoonlijke leven, meer specifiek in zijn jeugd – de periode die, zoals eerder gezegd, erg bepalend is geweest voor zijn oeuvre. Al vrij snel wist Brouwers dat hij geboren was om kunst te beoefenen, al ging zijn voorkeur vooral uit naar de muziekkunst:

Eén ding in al die duisternis wist ik zeker: er zat een kunstenaar in mij […] Het liefst zou ik componist worden, want muziek was natuurlijk de eerste en verhevenste van alle kunsten […] of anders schrijver, waar mijn ambities echter het minst naar uitgingen, want literatuur achtte ik de mus onder de kunsten, schrijven kan iedereen.

Brouwers hield er duidelijk een romantische kunstopvatting op na: hij beschouwde muziek als de hoogste en na te streven kunstvorm. Dat muziek voor hem ‘de keizerin der kunsten’ is, expliciteert hij dan ook veelvuldig in interviews.

Waar die liefde voor muziek juist vandaan komt, weet hij zelf niet exact. ‘Muziek en ik hebben iets met elkaar te maken, maar ik weet niet wat,’ vertelde Brouwers in het tv-programma Reiziger in muziek in 1990. Zelf ziet Brouwers zijn kindertijd in Nederlands-Indië als fundamenteel: ‘De basis voor de muzikaliteit van mijn literaire stijl is ongetwijfeld in die jaren gelegd. Nog altijd klinkt de Javaanse muziek door mijn hoofd.’ Een belangrijk figuur die hem zijn fascinatie voor de muziek heeft bezorgd en hem tevens op jonge leeftijd in aanraking bracht met muziek is zijn grootvader Leo van Maaren. Van Maaren was een musicus, componist en dirigent van een kerkkoor in Nederlands-Indië. De schrijver werd vaak met hem vergeleken, zowel qua uiterlijk als karakter. Zo bleek zijn grootvader ‘een opvliegend, moeilijk benaderbare man, maar snel ontroerd en sentimenteel’. Brouwers keek duidelijk op naar zijn muzikale grootvader, en hij heeft van hem dan ook die muzikale gevoeligheid geërfd. ‘Ben ik voor een vierde mijn grootvader, besta ik voor een vierde uit muziek,’ stelt het hoofdpersonage in De Zondvloed. Hoewel Brouwers zijn grootvader niet lang gekend heeft – zoals eerder gezegd stierf hij in 1945 in het Japans mannenkamp te Semarang – zijn de herinneringen aan zijn grootvader net als diens impact op de schrijver wel diepgaand en blijvend:

Ik moet hem gekend hebben tussen mijn eerste en derde levensjaar. In 1943 ging hij het kamp in en daarna heb ik hem nooit meer gezien. Toch herinner ik me hoe ik aan zijn hand loop en hij me dingen uitlegt […] Hij was bezield door een artistieke roeping. Hij maakte composities, waarvan ik er nog enkele bezit. Zij stellen weliswaar niets voor, maar hij was de enige in de familie die iets artistieks deed […] Ik vind hem de interessantste figuur die ik uit mijn voorgeslacht ken.

Neerlandicus Jaap Goedegebuure verklaart Brouwers’ fascinatie voor zijn grootvader als volgt: ‘De latere schrijver die het kind in het heden geworden is voelt zich aan zijn grootvader het naast verwant, omdat hij in hem achteraf de eenling en uitgeworpene, de kunstenaar herkent. Meer nog dan de moeder belichaamt deze componist-musicus het oude Indië.’

Een tweede verklaring voor de relatie tussen Brouwers en muziek, die hij ook zelf als reden aanhaalde in een interview, zijn de jaren die hij als tiener heeft gespendeerd in katholieke jongenspensionaten. Ondanks de afkeer en het daarmee gepaard gaande ‘kostschoolsyndroom’ dat hij aan deze periode heeft overgehouden, heeft ze wel sterk bijgedragen aan de muzikaliteit van zijn literaire werk. Dat hoeft niet te verbazen, aangezien de kerkdienst met zijn hymnen, litanieën en religieuze beurtzangen sterk muzikaal is. Die invloed van zijn katholieke jeugd zien we in zijn literaire werk niet enkel terugkeren op het stilistische niveau, maar ook op het thematische niveau, daar Brouwers veelvuldig gebruik maakt van gregoriaanse gezangen, fragmenten uit de bijbel, elegieën, en repetitieve structuren.

Muziek lijkt ook een significant effect te hebben op zijn gemoed, wat ook zijn schrijfstijl blijkt te beïnvloeden. Toen hij zijn meesterwerk De Zondvloed bijna had voltooid, begon hij iedere dag met Mahler omdat hij zo moe werd van ‘dat kreng’. De zwaarmoedige toon van Mahler sloop op die manier ook het boek in. Bovendien beschouwt Brouwers het schrijven van een roman als het maken van een muziekstuk, wat blijkt uit volgend citaat uit een interview: ‘Vele boeken die ik heb geschreven, blijken uiteindelijk niet de symfonie te bevatten die ik hoorde toen ik ermee bezig was.’ Brouwers verbindt literatuur en muziek dus metaforisch met elkaar, wat te maken heeft met de achting die Brouwers voor de muziekkunst heeft. De metaforische verbinding tussen beide kunsten komt niet alleen tot stand door het hanteren van literatuur en muziek als synoniemen, maar ook door de overvloed aan muzikale terminologie en beeldspraak in zijn literaire werk. Ook het Orpheusmotief, dat veelvuldig opduikt in zijn proza, zorgt ervoor dat muziek en literatuur met elkaar geassocieerd worden. Hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Bart Vervaeck stelt dat Brouwers Orpheus, zanger uit de Griekse mythologie, beschouwt als de personificatie van de liefde, literatuur en de dood. Het zijn precies deze drie thema’s die de gronddrieklank vormen in het oeuvre van Brouwers, en deze gronddrieklank, dit fundament, associeert hij met muziek. Het toont nog maar eens aan dat muziek in zijn oeuvre een gegeven is waar we absoluut niet omheen kunnen.
Zoals ik al eerder schreef, droomde Brouwers ervan om componist te worden. Mijns inziens is die droom in vervulling gegaan: hij weet als geen ander zulke mooie literaire muziek te componeren. Lees het werk van Brouwers, en vooral: luister.

Alles heeft een moeder, zegt baboe Itih, en wat moeder is heeft vanzelf een kindje. Het kindje van het slot in de deur is de sleutel. Slot: iboe koentji. Sleutel: anak koentji. In de hoed, waarin ik mezelf verstopt houd, zit ik dromerig te knikken: deze Maleise woorden klinken in mij als sprookjeswoorden. De klanken ervan zijn omruist door het geklingel en het gebons van oosterse muziekinstrumenten, daardoorheen speelt de fluit een lome en steeds zich herhalende melodie.

Gesprek door Floortje Grooten met hoogleraar boekwetenschap Lisa Kuitert over haar correspondentie met Jeroen Brouwers: ‘Het waren echt kleine cadeautjes om te krijgen.’

 

Lisa Kuitert is naar eigen zeggen geen Jeroen Brouwers-kenner in literaire zin: ‘Ik lees voor mijn plezier.’ Maar in biografische zin misschien wel: ze kent Brouwers persoonlijk en onderhield jarenlang een briefwisseling met de auteur. Bovendien was de hoogleraar boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam medesamensteller van Brouwers’ oerboek, In het midden van de reis door mijn leven. Ze ontvangt me op haar werkkamer op de UvA. Haar bureau is verstopt achter een grote boekenkast, net als de muren. Ik heb nog geen vraag gesteld, of ze staat al op om op de planken te zoeken naar een specifiek boek. ‘In een speciale brieveneditie van tijdschrift Armada heb ik geschreven over de correspondentie met Jeroen Brouwers. Nou, ik vind het nu niet. Dan moet je maar even naar de bibliotheek.’

Kuitert vertelt dat Jeroen Brouwers een echte brievenschrijver was, zij was zeker niet de enige met wie de auteur correspondeerde. Maar haar collectie is niet de minste: twee schoenendozen vol met brieven. ‘Het is dus niet even uit te zoeken of hij me ooit over een specifiek onderwerp heeft geschreven. Ik heb er wel een paar herlezen voor dit interview en dat was heel leuk.’
Aangezien ons portret op het motief muziek ingaat, vroeg ik me af of ze zich kan herinneren dat Brouwers hierover schreef.
‘Hij kon ontzettend genieten van het kneden van woorden. De brieven zijn fantastisch mooi geschreven.’‘Ik kan me nog één gesprekslijn herinneren, omdat het een grappige spraakverwarring betrof. Over Glucks Orfeo ed Euridice, een fantastische opera. Ik vertelde hem dat ik ernaar luisterde in die tijd. Hij schreef terug dat hij de opera ook wel zou willen hebben. Ik schreef: “mijn vader heeft het voor je opgenomen.” Hij wist niet meer waar het over ging, en dacht dat mijn vader hem had verdedigd in een discussie. Dus hij antwoordde: “Hoezo? Wie viel me aan en wat heeft je vader gezegd?” Ik dacht, waar hééft hij het over, en daarom herinner ik me dat nog.’ Verder kan ze zich geen specifieke uitspraken herinneren over muziek in Brouwers’ boeken.
‘Als ik er nu op terugkijk, dan was het een heel persoonlijke briefwisseling. Het ging voortdurend over de liefde, over relaties – ook wel over de literaire wereld: wie heeft wat gezegd en wie deugt er en wie deugt er niet? Dat soort dingen. Het was een gezellige, persoonlijke briefwisseling.’

Ze vertelt hoe ze Brouwers heeft ontmoet, tijdens de samenstelling van De gevoelige plaat. ‘Mirjam Rotenstreich, een oud-studiegenoot van me en de echtgenoot van A.F.Th. van der Heijden, inmiddels ook schrijfster trouwens, en ik vroegen aan schrijvers of we in hun fotoalbum mochten kijken. We kozen dan een foto waar zij een goed verhaal bij hadden. Het is een heel bijzonder boek geworden…’

Kuitert staat weer op om te zien of ze het nog ergens heeft staan. ‘Het is ongelooflijk geestig. En zo kwamen we ook bij Jeroen Brouwers thuis, in België. Een hele rit, dus hij nodigde ons uit voor een kopje thee. Intussen was ik gepromoveerd op een boek over de negentiende eeuw.’ Ditmaal hoeft ze de planken niet af te speuren en heeft het chic vormgegeven proefschrift (Het ene boek in vele delen. De uitgave van literaire series 1850-1900) direct te pakken.

‘Brouwers had zelf ook behoorlijk wat over de negentiende eeuw geschreven. Zijn antwoord op ons bedankbriefje ging over dit boek. Er ontspon zich een briefwisseling over de negentiende eeuw, waarbij natuurlijk wat complimentjes over en weer gingen, tot de brieven op een gegeven moment over hele andere dingen gingen. Dat was ontzettend leuk.’

Het was toen 1994, en de laatste brief die Kuitert kreeg – hij lag nog bovenop – komt uit 2007. ‘Sindsdien hebben we wel wat e-mailcontact gehad, maar daar is het eigenlijk op stukgelopen. Hij zei: “Als je gaat e-mailen dan krijg je niks meer terug hoor”, dus zo is het langzaam leeg gedruppeld. Ik had het als net-moeder en net-hoogleraar veel te druk om lange brieven te schrijven.’

‘Hij had geen keurige schriftjes. Zijn brieven waren soms ook op de achterkant van folders geschreven of zo’Ik vraag naar Geheime kamers, de eerste roman die Brouwers publiceerde na de start van de briefwisseling, en zijn eerste roman in tien jaar.
‘Ik haalde voor dit interview toevallig een brief eruit waarin hij zegt: “Vandaag ben ik begonnen aan mijn nieuwe roman.” Enorm leuk natuurlijk. Maar we hadden geen literaire correspondentie, hij vertelde niet over wat hem bezighield bij het schrijven. Achteraf herkende ik bij het lezen van Geheime kamers wel dingen uit de brieven. Hij had toen een relatie met een zekere Karin, die wij ook hebben ontmoet, en die op een dag gewoon haar koffers heeft gepakt en is verdwenen. Haar personage zit er duidelijk in. Maar merendeels gaat het volgens mij over Josefien, zijn grote liefde.
Hij schreef ook wel over het schrijfproces. Dat het niet lukte, of dat hij weer met iets anders bezig was, want hij deed altijd drie, vier dingen tegelijk. “Ik heb het schrijven aan mijn roman maar even weggelegd.” Het was wel duidelijk dat dit zijn grote roman aan het worden was.’

Als we het motto van Brouwers moeten geloven, ‘niets bestaat dat niet iets aanraakt’, dan zou alles wat hij geschreven heeft met elkaar moeten samenhangen. Hoe passen zijn brieven daarbinnen?
‘Hij gebruikte de brieven – dat doen wel meer schrijvers, Van der Heijden is er ook zo een – om soepel te blijven in taal, om bepaalde formuleringen of beelden uit te proberen. Waarschijnlijk niet eens zo bewust. Soms ging hij wat uitleggen en dacht je tijdens het lezen: o ja, we zitten nu in een literatuurstukje. Het persoonlijke was er dan uit. En halverwege nam hij het zelf weer over.
Jeroen Brouwers is eigenlijk helemaal verliteratuurd. Alles wat hij doet en zegt is dus ook onderdeel van zijn boeken. In die tijd was hij veel bezig met zijn Feuilletons, eenmanstijdschriften, een soort schotschriften. Extra Edietzie bijvoorbeeld, een woordspeling op een uitgever die Dietz heette en in dat boek helemaal met de grond gelijk gemaakt werd. In die brieven schreef hij ook zo. Je kon merken dat hij zich vaak tijdens het schrijven enorm ging opwinden over iets. Dan begon hij: “Nou, ik had vandaag bezoek van mijn uitgever…” en dan werd hij al schrijvend steeds woester. Je zag dat hij door het papier heen had gekrast. “Ik ga nu slapen want ik ben woest!” Soms maakte ik me dan gewoon zorgen.’
Kuitert vertelt dat Brouwers vaak over dezelfde onderwerpen schreef in de briefwisseling als in de Feuilletons. Ze herkende de kritische reflectie op het literaire bedrijf.
Ik vraag hoe het er verder aan toe ging in de correspondentie.
‘Hij kon ontzettend genieten van het kneden van woorden. De brieven zijn fantastisch mooi geschreven. Heel plechtstatig af en toe: “Geachte mevrouw”, en de afsluiting: “Kus op je koon”, of zoiets. Heel gekunsteld maar grappig en warm. Ik was natuurlijk niet de enige met wie hij correspondeerde, dat zegt hij ook: “Nou, ik moet nog meer mensen schrijven”, dus hij bracht zijn dag echt schrijvend door. Ook zijn romans schreef hij op papier, of op de achterkant van allerlei andere dingen. Hij had geen keurige schriftjes. Zijn brieven waren soms ook op de achterkant van folders geschreven of zo.’ Ze laat een envelop zien, die gevouwen is van de achterkant van een kalender. ‘Hij maakte zelf enveloppen, of deed er wat grappigs mee. Kijk, hier had ik iets over Cees Nooteboom geschreven.’ Op een blauwe envelop zijn duidelijk de uitgeknipte ogen van Nooteboom geplakt. ‘Hij dacht erover na en maakte er iets grappigs van. Het waren echt kleine cadeautjes om te krijgen.’

Ten slotte wil ik uiteraard graag weten welk werk iemand volgens Lisa Kuitert moet lezen om de echte Jeroen Brouwers te leren kennen.
‘Nou, ik vind zelf zijn essays heel goed en ook zijn polemische werk, de Feuilletons en de negentiende-eeuw is uiteraard heel mooi. Geheime kamers is een fantastische roman. Dus ja, Geheime kamers zou iemand moeten lezen, of zijn Feuilletons.’
Dan schiet het Kuitert te binnen dat Brouwers haar heeft gevraagd om de brieven van de eerste periode weer terug te ontvangen. ‘Die wilde ik natuurlijk helemaal niet kwijt, bovendien stonden er voor mij ook privézaken in. Maar hij had ze nodig voor zijn roman – dus toch wel! Gelukkig heeft hij de originelen allemaal weer geretourneerd. En ik kreeg later al zijn boeken toegestuurd met lieve opdrachten erin. Die koester ik natuurlijk.’