fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Portret: Italo Calvino

Achtergrond

“Wie de aarde van dichtbij wilt bekijken, moet de nodige afstand bewaren.”
Naam Italo Calvino
Nationaliteit Italiaans
Geboorteplaats Santiago de Las Vegas, Cuba
Geboortedag 15 oktober 1923
Sterfdatum 19 september 1985
Bekendste romans Onzichtbare steden, Als op een winternacht een reiziger
Bekendste trilogie Onze voorouders bestaande uit De gespleten burggraaf, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond
Italo Calvino werkte aan het begin van zijn schrijverscarrière ook een tijdje als redacteur bij de prestigieuze uitgeverij Einaudi, waar ook zijn eigen werk verschijnt. In deze periode werkte hij als redacteur nauw samen met onder anderen Cesare Pavese en Elio Vittorini.

Speelbord van schuivende betekenissen

Italo Calvino verzette zich actief tegen zijn biografie. In brieven geeft hij toe dingen over zichzelf te verzinnen of telkens andere informatie over zijn geschiedenis te verschaffen om niet te worden beklemd door een kader. Liever hield hij zich op de achtergrond om zijn werk aan het woord te laten. Naast zijn bekendste werken Onzichtbare steden en Als op een winternacht een reiziger, biedt zijn oeuvre een schatkamer aan invalshoeken om hem door te bekijken: van journalistiek werk, tot neorealistische sprookjes, tot literatuurwetenschappelijke essays. Welke lijn loopt er door dit weelderige oeuvre, en waarom biedt zijn werk juist nu zo’n troost? Karakters gaat op zoek.

Tekst: Bouke Schut Illustraties: Maarten Streefland

De gespleten schrijver: het leven van Italo Calvino

Italo Calvino wordt in 1923 geboren in Cuba, waar zijn vader tijdelijk werkt als landbouwkundig ingenieur. Twee jaar na zijn geboorte, keert het gezin terug naar de Italiaanse kuststad San Remo. In datzelfde jaar verschijnt Hitlers Mein Kampf en verschijnt Mussolini met veel bravoure in de media als Il Duce. Calvino en zijn ouders — reizende botanisten — brengen hun dagen door tussen het voorouderlijk land in San Giovanni Battista en Villa Meridiana, een experimenteel bloementeelstation waar Calvino’s vader tevens zijn studenten ontvangt. Hoewel de sprookjesachtige, bloemrijke omgeving Calvino uitnodigt om te dromen over vrijheid, romantiek en kunst, benaderen zijn ouders de natuur juist met exactheid en cijfers. In zijn brieven schrijft Calvino dan ook dat het geschreven woord hem bewegingsruimte en creatieve vrijheid gaf om niet te worden verpletterd door zijn ouders. Een met taal gebouwde parallelle werkelijkheid waarin alternatieve regels en wetten gelden, zie je in zijn hele oeuvre terugkomen.

Op het gymnasium leert Calvino de magie van literatuur door het lezen van De jungleboeken van Rudyard Kipling, dat hem aanspoort om op onderzoek uit te gaan om de leeservaring te evenaren. Ook raakt hij gefascineerd door film. Gedurende zijn puberteit, vlak voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog, gaat Calvino soms meermaals per dag naar de bioscoop. Daar komt hij in aanraking met cartoons, die hij ziet als een leerzame kunstvorm voor schrijvers, omdat het demonstreert hoe je met trefzekere lijnen en details een heel personage tot leven kan wekken. Ondertussen woekert het fascisme als onkruid om de jonge Calvino heen. Mussolini begint naar Hitlers voorbeeld antisemitische wetten in te voeren, zoals het verbieden van gemengde huwelijken, en de maatschappij splijt meer en meer.

De op dat moment puberende Calvino wilt intussen een groot toneelschrijver worden, maar zijn ouders hebben een toekomst in de wetenschap voor hem uitgestippeld. Na de middelbare school begint hij aan de landbouwfaculteit in Turijn, waar zijn vader doceert. Calvino maakt zijn examens maar houdt zich buiten het broeiende stads- en studentenleven en leest ondertussen anti-fascistische werken. Telkens als hij opkijkt van zijn boeken en door het raam naar buiten kijkt, groeien de fascistische studentenverenigingen die de straten domineren in omvang. Een jaar later stapt Calvino over naar de land- en bosbouwfaculteit in Florence, maar om militaire dienstplicht voor de Republiek van Salò te ontlopen moet hij algauw onderduiken. Deze periode van eenzaamheid en stilstand blijkt een cruciaal moment in de vorming van Calvino’s literaire carrière. Hij vult de tijd en stilte met het lezen van stapels boeken.

In het voorjaar van 1944 sluiten Calvino en zijn broer zich aan bij het communistische verzet. Ze strijden maandenlang als partizanen tegen de nazi’s in de Maritieme Alpen, een strijd die duurt tot de bevrijding. In diezelfde periode worden zijn ouders, die evengoed lijnrecht tegenover de heersende Nationale Fascistische Partij staan met hun anarchistische en marxistische opvattingen, door de nazi’s gegijzeld in Villa Meridiana. Ze overleven. Over deze turbulente periode schrijft Calvino in een brief aan zijn vriend Eugenio Scalfari: ‘Ik heb een onuitsprekelijke reeks gevaren en ongemakken doorstaan; heb in de gevangenis gezeten en ben op de vlucht geslagen, heb me meer dan eens op de rand van de dood bevonden. Maar ik ben tevreden over alles wat ik heb meegemaakt, over de enorme hoeveelheid ervaring die ik heb opgedaan. Sterker nog: ik had nog wel meer gewild.

Enerzijds wilt hij met zijn strijd het onrecht dat zwakken en onderdrukten is aangedaan wreken, anderzijds rechtvaardigt hij daarmee de onderdrukking en tirannie die binnen het stalinistische communisme voorkomt. Hij blijft politiek betrokken, al gebruikt hij nu zijn middelen en connecties om evengoed zijn onvrede over de keuzes van de communistische top en dan vooral hun neigingen tot waarheidsvervalsing publiekelijk aan de kaak te stellen. Na de bevrijding schrijft Calvino zich in voor het derde jaar van de Letterenfaculteit in Turijn, het centrale punt van de Italiaanse literaire, politiek geëngageerde wereld. Op persoonlijk niveau schippert hij tussen communistische en anarchistische ideeën, die volgens hem tegenkrachten bieden tegen de toenemende institutionalisering en industrialisering van het culturele landschap. In een brief schrijft hij: ‘Het is duidelijk dat we tegenwoordig leven in een wereld van niet-excentriekelingen, van mensen wie zelfs de meest simpele individualiteit ontnomen wordt, zozeer zijn ze gereduceerd tot een abstracte optelsom van voorgeprogrammeerde gedragingen.’ Calvino creëert regelmatig personages die zich bewust verzetten tegen socio-culturele bepalingen en zo tot excentriekelingen verworden. Calvino publiceert met hulp van een vriend zijn eerste verhalen en journalistieke artikelen in linkse dagbladen en tijdschriften als L’Unità en Il Politecnico. Zijn werk wordt goed ontvangen, de verhalen worden later gebundeld in En dan komt de raaf en Calvino wint een literaire prijs die L’Unità uitlooft. Aangespoord door zijn vrienden, schrijft hij in slechts twintig dagen zijn debuutroman.

Zijn jong begonnen schrijfcarrière slokt de drieëntwintigjarige Calvino onmiddellijk op. Naast het schrijven van bijdragen voor verschillende tijdschriften, schrijft hij zijn doctoraalscriptie over Joseph Conrad, behaalt zijn diploma en wordt zijn debuut Het pad van de spinnennesten gepubliceerd bij de op dat moment al prestigieuze uitgeverij Einaudi. Het pad van de spinnennesten vestigt Calvino dan ook meteen als veelbelovend nieuwe schrijver. Zijn werk wordt gecategoriseerd binnen het neorealisme; de nieuwe, literaire stroming die geldt als een reactie op abstracte kunst en het surrealisme en waarin de werkelijkheid wonderlijker wordt gevonden dan fictie. In het neorealisme is niet de fantasie of het persoonlijke gevoelsleven de belangrijkste inspiratiebron, maar de dagelijkse realiteit met haar triviale details die dan ook vaak leidmotieven vormen. Enkele maanden na de publicatie van Het pad van de spinnennesten, wordt Calvino door zijn uitgeverij gevraagd om binnnen Einaudi aan de slag te gaan als publicist en draagt hij aan verschillende tijdschriften bij met verhalen en aantekeningen over literatuur. Kort daarna maakt Calvino, die steeds meer aanzien geniet, promotie en wordt hij aangesteld als vaste redacteur.

Ondertussen loopt het stalinisme ten einde. Dit is voor zowel Calvino als zijn politiek betrokken vrienden en collega’s een opluchting. Hij schrijft: ‘Ons morele gezicht, onze gespleten persoonlijkheid, kon eindelijk weer één worden, eindelijk vielen revolutie en werkelijkheid weer samen.’ Deze gespletenheid en uiteindelijke eenwording zien we gefictionaliseerd in De gespleten burggraaf, het eerste deel van zijn intussen klassieke trilogie Onze voorouders, die Calvino op zijn achtentwintigste in één zomer schrijft. In dit werk wordt een man door een kanonschot in tweeën verdeelt en leven zijn afzonderlijke delen verder, één deel de drager van al zijn slechte kanten, één drager van al zijn goede kanten. Het werk is, naast een sprookjesachtig verhaal vol prachtige natuurlandschappen, te lezen als een allegorie op een maatschappij in crisis. De gespleten burggraaf oogst veel succes en polariseert linkse critici. Calvino’s naam zingt steeds luider rond.

Nu Calvino zich heeft bekwaamd in kortverhalen, novellen en journalistieke artikelen, wil hij zich graag toeleggen op een wat omvangrijker project, maar het boek dat hij schrijft, een realistische roman in de stijl van Nikolaj Gogol, wordt niet uitgegeven. Calvino richt zich daarom op een project dat in zijn totaliteit dan wel een grote eenheid vormt, maar bestaat uit kleine deeltjes: zijn Italiaanse volkssprookjes zal bestaan uit tweehonderd herschreven volksverhalen, verzameld uit heel Italië. De sprookjes verschijnen in 1956 en worden zeer goed ontvangen. Ze vestigen Calvino als sprookjesverteller, hoewel deze naam voor hem ook als een korset aanvoelt, want het laat weinig ruimte voor zijn intellectuele en theoretische kanten. In later werk, zoals De ridder die niet bestond en Marcovaldo, is te zien hoe hij het sprookjes-genre thematiseert en met behulp van postmoderne technieken een eigen draai geeft aan het eeuwenoud genre, zoals nadruk op intertekstualiteit, vertelinstanties en fragmentatie.

‘Italo Calvino diagnosticeert zichzelf met dromomanie: een overheersend verlangen te zwerven.’

Naarmate zijn jeugd ten einde loopt, alsook zijn activistische politieke betrokkenheid, kent Calvino’s carrière pieken en dalen. Hoewel zijn bekendheid mede door zijn Onze voorouders toeneemt en hij van de filantropische stichting Ford Foundation een beurs ontvangt, waarmee hij voor zes maanden naar de Verenigde Staten vertrekt, stuit hij op een klassiek dilemma dat vaak volgt op roem: keuzestress. Hoewel Calvino wil reageren op elk verzoek tot medewerking van dagbladen, bioscopen, radio en televisie, wil hij zich hier tegelijkertijd juist van afsluiten om geconcentreerd en in eenzaamheid te werken. Hij schrijft aan Emilio Cecchi: ‘Enerzijds verlang ik ernaar me te concentreren en te denken aan mijn boek, maar tegelijkertijd heb ik sterk het vermoeden dat je alleen kunt komen tot het schrijven van blijvende zaken als je schrijft over alle mogelijke, ook zuiver ‘actuele’ dingen; kortom, het komt er op neer dat ik helemaal niets meer schrijf, noch voor kranten, noch voor externe gelegenheden, noch voor mezelf.

Ondertussen wortelt hij nergens. Hij diagnosticeert zichzelf met dromomanie: een overheersend verlangen te zwerven. Dit zwerven kan zowel letterlijk als figuurlijk worden opgevat, want zijn werk vertakt zich evengoed in verschillende richtingen. Calvino reist op en neer tussen Rome, Turijn, Parijs en San Remo en ontmoet Esther Judith Singer, ook wel ‘Chichita’, met wie hij enkele jaren later trouwt. Ze vestigen zich met de zestienjarige zoon van Chichita in Rome en Calvino reist tweewekelijks naar Turijn om te vergaderen met zijn collega’s bij Einaudi. In Rome wordt Calvino’s dochter Giovanna geboren. Hij is dan 42 jaar.

De geboorte van zijn dochter en de dood van vriend en collega-schrijver Elio Vittorini, die tevens zijn politiek activistisch handlanger was, zorgt voor een kentering in Calvino’s levenshouding. Hij voelt zich geroepen teruggetrokken te leven om zich uitsluitend aan de literatuur te wijden, deels door zijn leeftijd: ‘Ik ben lang jong geweest, misschien wel te lang, en opeens voelde ik dat de ouderdom moest beginnen, misschien in de hoop de ouderdom te rekken door er eerder aan te beginnen.’ Op zijn vierenveertigste verhuist Calvino met zijn gezin naar Parijs, waar hij bijna vijftien jaar zal blijven.

In deze periode rijpt zijn oeuvre en schrijft hij een groot deel van zijn literatuurwetenschappelijke essays, te lezen in De literatuurmachine. Zijn interesse in semiotiek en verhaalleer leidt hem in de richting van Oulipo (Ouvroir de Litérature Potentielle), een groep schrijvers en kunstenaars die vrolijk experimenteert met wiskunde en literatuur en waartoe onder anderen Georges Perec en Raymond Queneau behoren. De leden van Oulipo leggen zichzelf strikte regels op, waar de nadruk ligt op de kwaliteit en elegantie van de regels zelf. De tekstuele resultaten die het oplevert zijn ondergeschikt, omdat het enkel ‘potentiële literaturen’ zijn. Voorbeelden van zulke regels zijn het mogen gebruiken van enkel één klinker, of woorden met een evenredig aantal letters. Naast Oulipo houdt Calvino zich afzijdig van het bruisende socio-culturele leven in Parijs en blijft gefocust op zijn schrijftafel. Nu hij ouder is, heeft hij het idee dat belangrijke dingen enkel worden bereikt door zeer langzame processen. Het is een groot verschil in werkwijze vergeleken met zijn vroegere werken, die hij soms in slechts enkele weken schreef. In 1972 verschijnt Onzichtbare steden, zijn bekendste en qua opzet meest uitzonderlijke werk.

In het laatste decennium van zijn leven schrijft Calvino kranig door, van kortverhalen en romans tot reisverslagen en herinneringen. Naast het maken van nieuw werk en bijdragen voor musea, beeldende kunst en film, zoals het jureren op filmfestivals in Venetië, geeft hij tevens lezingen aan verscheidene universiteiten in de Verenigde Staten en Frankrijk. Tegen het einde van zijn leven, in 1979, publiceert hij de (anti)roman Als op een winternacht een reiziger, een ongeëvenaard meesterwerk waarin de lezer de protagonist is en zoekt naar het origineel van een boek dat hij in misdruk kocht, maar in deze zoektocht telkens in verschillende verhalen verzeilt raakt. Niet veel later verhuist Calvino naar Rome, van waaruit hij zich richt op het publiceren van essayistisch werk dat hij de voorgaande vijfentwintig jaar schreef. In de laatste zomer voor zijn dood werkt Calvino aan een zestal lezingen over literatuur, die hij zou houden aan Harvard. Hij rondt vijf van de zes essays af (in boekvorm verschenen als Zes Memos voor het volgende Millennium) voor een hersenbloeding hem op tweeënzestigjarige leeftijd fataal wordt. Calvino sterft in het zonovergoten Siena.

Teksten als speelborden: Calvino’s kijk op de romankust

In zijn literatuurwetenschappelijke essays benadert Italo Calvino (literaire) teksten niet in hun socio-culturele context, maar bestudeert hij hen als speelborden die door de tijd heen dezelfde vorm behouden, maar door elke lezer op nieuwe manieren worden bespeeld. Woorden, thema’s, personages en plots worden in Calvino’s handen speelstukken die in verhouding tot elkaar functioneren en nooit vaststaande betekenissen hebben. Ook in zijn eigen werk is dit spelelement terug te vinden: zo ontwikkelen vooral zijn eerdere werken organisch, precies zoals dat bij een schaakspel gaat, en schuift Calvino met literaire teksten, maatschappelijke waarden, geschiedenissen en herinneringen om nieuwe verhoudingen te vinden en tot nieuwe betekenissen te komen. Door allerhande teksten naast elkaar te plaatsen, zo laat hij zien, ontstaan er tussen de teksten ruimtes die uitnodigen tot invulling en creatie. Zijn teksten gaan met elkaar in gesprek, stellen elkaar vragen, spreken elkaar tegen, persifleren of verzachten elkaar. Calvino is een behendig speler van dit schuifspel en vindt verhalen in de nieuwe verbanden tussen geschiedenis en fantasie, historie en fictie; verhalen die tevens niet enkel als experiment boeiend zijn, maar de lezer evengoed meeslepen.

Deze deels door wetenschap gestuurde benadering en uitvoering van literatuur, die bij veel schrijvers leidt tot afstandelijkheid, over-rationalisering en zelfs cynisme – want als literatuur niets meer is dan een set verhoudingen, wat onderscheidt een schrijver dan nog van een machine, die op basis van formules hetzelfde effect kan sorteren? – is in Calvino’s handen veilig. Hij bestudeert het literatuurmechaniek zonder het voor lief te nemen. In Cybernetics and Ghosts suggereert hij: ‘Probeert de literatuur niet voortdurend iets te zeggen dat ze niet kan zeggen, iets dat ze niet weet en dat niemand ooit zou kunnen weten?’ Literatuur duwt, zogezegd, altijd tegen zijn eigen grenzen, verbreedt zo haar speelveld, en is nooit in een formule te vangen die enkel bestaande regels reproduceert.

‘Geen boek wordt door verschillende mensen hetzelfde gelezen, zoals geen spel door verschillende mensen hetzelfde wordt gespeeld.’

In Calvino’s werk is er geen voor- of tegenstander. Hij gelooft immers dat literatuur zich niet laat lenen voor partijdigheid of didactiek, want de strijdlijn van een conflict moet volgens hem dwars door het werk lopen. Enkel dan kan er eerlijk spel worden gespeeld. Hij zegt dan ook: ‘Er zijn geen veilige gebieden [in literatuur, red.] Het werk zelf is en moet een slagveld zijn.’ Deze poëtica, die waarschijnlijk samenhangt met zijn vroegere politieke betrokkenheid en oorlogservaringen, suggereert dat een boek meerdere niveaus van werkelijkheid in zich draagt, afhankelijk van lezer, tijd en context. De schrijver zelf heeft dus geen volmacht over de realiteit van zijn werk, zoals het romantische ideaalbeeld van ‘de schrijver als schepper’ ons nog deed geloven. Geen boek wordt door verschillende mensen hetzelfde gelezen, zoals geen spel door verschillende mensen hetzelfde wordt gespeeld.

Zoals uit het eerste hoofdstuk van dit portret blijkt hoe Calvino’s persoonlijke leven uit grote contrasten en veranderingen bestaat, zo is ook zijn oeuvre aan grote gedaanteverwisselingen onderhevig. Aan het begin van zijn zeer vroeg begonnen carrière is zijn werk traditioneler qua opzet. Hij voelt een sterke behoefte zijn oorlogservaringen als partizaan uit te drukken en moet nog leren omgaan met critici, die hem direct na zijn debuut als ‘veelbelovend neorealist’ bestempelen en hem zo onmiddellijk categoriseren, met alle daarmee gepaarde verwachtingen. Terugkijkend op deze periode, schrijft Calvino: ‘De literatuur ontpopte zich in mijn geval niet als een natuurlijk, ongedwongen leerproces, maar als een weg waarvan ik niet wist welke richting ik het eerst moest uitgaan. Al liep ik over van de jeugdige wilskracht en spanning, de spontane gratie van de jeugd werd mij ontzegd.’ In latere stadia van zijn carrière worden Calvino’s teksten intellectueler, complexer en vormelijker, met als hoogtepunten Onzichtbare steden en Als op een winternacht een reiziger, werken die in hun oorspronkelijkheid moeilijk met andere boeken te vergelijken zijn.

In Onzichtbare steden verkent hij bijvoorbeeld op ingenieuze wijze de grenzen van literatuur en fictie. Als startpunt neemt hij de stad Venetië als symbool, waarna hij aan de hand van vijfenvijftig prozagedichten/stadsschetsen onderzoekt wat de stad betekent en welke vormen zij kan aannemen. En ook al is het werk eerder een magisch realistische encylopedie dan een verhaal, toch krijgt Calvino het voor elkaar om de lezer geboeid te houden. Dit onder andere door niet alleen met de vorm te spelen (de vijfenvijftig prozagedichten vormen een wiskundige eenheid) maar ook door de steden te gebruiken als personages en de inwoners van de steden als decorstukken. Zo zijn de twee historisch beladen hoofdpersonages, de ontdekkingsreiziger Marco Polo en de keizer Koeblai Khan, altijd ondergeschikt aan de vorm zelf, ook al dragen ze zoveel geschiedenis met zich mee. Bovenal laat Calvino telkens zien hoe hij fictie schrijft en hoe hij verschillende steden optrekt uit hetzelfde symbool. Hij toont de constructie van zijn tekst als een bouwtekening van een architect. In een interview met The Paris Review zegt hij: ‘Pas als ik voel dat ik een rigoreuze structuur heb bereikt, geloof ik dat ik iets heb dat op eigen benen staat, een compleet werk.

Om een indruk te krijgen van de boeken die Calvino inspireerden, biedt zijn verzameling essays Waarom zou ik de klassieken lezen een overzicht. Zo wordt zijn brede oeuvre stukken inzichtelijker na het lezen van zijn essays over Galileo Galilei’s astrologie, Ovidius’ vormspel en de fictionalisering van geschiedenis zoals we zien in het werk van zijn tijdgenoot Jorge Luis Borges. Calvino’s werk biedt een schatkamer aan verwijzingen naar ander werk. Bovendien blijkt uit zijn essays hoe Calvino in de loop van zijn carrière steeds meer betekenis uit vorm haalt, uit de zwart-witte vlakken op een speelbord, de regels die het spel bepalen, ook als deze enkel dienen om ze te breken.

Metamorfose-literatuur: over zijn invloedbronnen en uiteenlopende stijlen

Italo Calvino laat zich in zijn werk inspireren door onder anderen Ovidius en diens Metamorfosen, waarin eenheid niet zozeer te vinden is in de logische opeenvolging van scènes, maar eerder in een principe: niets blijft en niets vergaat. Ook Calvino zag zichzelf niet als een romanschrijver volgens de traditionele stempel, waarin een roman een samenhangend prozaverhaal is over personages die zich ontwikkelen in verhouding tot hun milieu. Liever zocht Calvino korte teksten bij elkaar die een reeks vormden en creëerde daar eenheid in door er een rigoreuze structuur omheen te bouwen. Zo lezen zijn werken als grote avonturen, waarin hij je door een landschap vol exotische flora en fauna gidst, bevolkt door personages van mythische allure, en waarin elk verhaal vanzelfsprekend aanzet vormt voor nieuwe verhalen. In zo’n landschap is nauwelijks tijd om te rouwen om dingen die vergaan, want er ontstaat tenslotte tegelijkertijd zoveel nieuws. En, zoals dat met elk ecosysteem gaat, heeft de intrede van elke nieuwe lezer weer effect op haar innerlijke dynamieken.

In een noot die Calvino schrijft over zijn trilogie Onze voorouders, zegt hij van verhalen te houden die zich afspelen in de open lucht en in openbare gelegenheid, zoals stations, dorpspleinen en markten. Kortom, ruimtes waar mensen elkaar vluchtig treffen en waar de focus meer ligt op het geheel der dingen dan op het individuele, innerlijke en psychologische. Ook hiermee verzet hij zich tegen de romantraditie, waarin de mens – en het individu – juist centraal staat. Hoewel Calvino geen complexe karakterstudies maakt, is zijn werk allerminst verstoken van menselijkheid. Hij ziet antropomorfisme (het toekennen van menselijke eigenschappen aan dieren en objecten) als een fundamentele literaire techniek, die zelfs door de primitiefste mens werd gebruikt om de wereld om hem heen te begrijpen. Personages veranderen langzaamaan in dieren, dieren vertonen menselijke trekken, de wind speelt met geluid en een lommerrijk bos vergroeit zodanig met de binnenwereld van een personage dat hij in zijn hoofd verstrikt raakt in de struiken. Maar ook de tekst zelf is een metamorfose van al bestaande teksten. Zo wandelen personages van geschiedenisboeken zijn fictie in, geeft hij historische figuren een stem, vergroot hen karikaturaal uit, of speelt hij met mythes uit de klassieke literatuur om zijn plot een onvoorziene wending te geven. Hiermee houdt Calvino zowel de literatuur als de geschiedenis altijd in beweging, zoals ook Ovidius geschiedenissen ononderbroken in elkaar liet overgaan.

Het is een troostrijk wereldbeeld dat Calvino met Ovidius deelt. Calvino neemt vergankelijkheid licht op, met zinnen als bijvoorbeeld ‘van vele dappere mannen zijn de uitwerpselen van gisteren nog op aarde, terwijl zij zelf al in de hemel zijn.’ In Calvino’s universum is alles in beweging: de natuur, de mensen, de taal, opvattingen. Ook in een later stadium van zijn carrière, wanneer Calvino zich meer toelegt op vormelijkheid en essayistiek, komt de metamorfose terug. Zo ziet Calvino de bibliotheek bijvoorbeeld als een altijd veranderend organisme. Zodra er in een bibliotheek één boek bij wordt gezet, aldus Calvino, beïnvloedt dit alle andere boeken – ze stapelen niet op als papieren, maar reageren op elkaar als nieuwsgierige diertjes, nemen nieuwe houdingen aan, maken plaats, of worden juist prominenter in het geheel. Tegelijkertijd is elk afzonderlijk boek een bibliotheek; een resultaat van een verzameling teksten die haar samenstelt. Maar ook op woord-niveau is een boek altijd in beweging. Woorden zijn volgens Calvino kristallen, die evengoed verschillende facetten, rotatieassen en eigenschappen hebben; ze hebben hun eigen manier om licht te breken, afhankelijk van de manier waarop ze worden geslepen, geplaatst en bekeken.

Calvino houdt zijn leven en literatuur in beweging door veel rond te reizen en zich open te stellen voor nieuwe culturen en verschillende talen. Zo bekwaamt hij zich in het Frans en kan zo lid worden van Oulipo, woont hij een lange tijd in de Verenigde Staten en houdt ondertussen sterke banden met zijn in Turijn gevestigde uitgeverij Einaudi, die zijn schrijverscarrière in het zadel heeft geholpen. Zelfs naarmate hij ouder wordt, boet Calvino niet aan kinderlijk enthousiasme in, al is zijn latere werk vakkundiger in opzet en uitvoering. Hoe dan ook, zijn werk wordt tot op de dag van vandaag zowel binnen als buiten academische kringen gelezen, gevierd en besproken. De laatste zin van Ovidius’ Metamorfosen, ‘Vivam!’ [‘Ik blijf leven!’], geldt dan ook voor Calvino zelf, die ook na zijn dood doorleeft in lichamen van papier.

De hedendaagse lezer: waarom moet je Calvino ook vandaag nog lezen?

Stel je je meest avontuurlijke jeugdvriend voor. Samen verken je met zaklampen de achtertuin, of wandel je om jullie schoolgebouw dat er onder maanlicht plotseling zoveel spannender uit ziet. Je vriend vertelt ondertussen de meest wilde verhalen, durft overal in te klimmen en droomt hardop over alle plannen die hij later, als hij groot is, zal najagen. Je gelooft niet altijd elk woord dat hij zegt, maar zijn jubelende enthousiasme werkt aanstekelijk, hij tilt je op met zijn energie. Door zijn ogen ziet de wereld er uit als een plek vol kansen en avonturen, en is de weg naar de eindbestemming even vermakelijk als het bereiken van het doel. Het lezen van het werk van Calvino is een soortgelijke ervaring. In zijn werk staat het avontuur, de verbeelding en de creativiteit centraler dan het demonstreren van een moraal of het leren van een les. Door Calvino’s woorden verandert de wereld aan de hand van de plek van waaruit je haar bekijkt en is er altijd ruimte voor verbinding en nieuwe kansen. Hierom is zijn oeuvre een effectief medicijn tegen doemdenken, cynisme en zwartkijkerij; hij maakt zijn lezers opnieuw bevlogen.

‘Italo Calvino slaagt er telkens in het menselijke en lichtvoetige te benadrukken in situaties die soms gevaarlijk, droevig of uitzichtloos lijken.’

Calvino’s stijl en personages hebben iets zachts en ontroerends over zich, hoe gewelddadig ze ook mogen zijn. Zo beschrijft hij bijvoorbeeld liever de blote voeten van de soldaten die over hun bedframe uitsteken dan zich te verliezen in uitgebreide beschrijvingen van hun slachtpartijen, individuele trauma’s of angsten. Hij slaagt er telkens in het menselijke en lichtvoetige te benadrukken in situaties die soms gevaarlijk, droevig of uitzichtloos lijken. Hij schetst zonder enig spoor van sentiment veldslagen, moorden en misère en laat deze even vlug weer opvolgen door uit hun knoppen springende bloemen, of een vrolijk, excentriek personage dat de toekomst met tomeloze energie tegemoet treedt. In Calvino’s oeuvre raast het leven in talloze kleuren en geuren aan de lezer voorbij.

Calvino kent de klassieken, maar gelooft dat literatuur pas interessant wordt als het zich ook verhoudt tot de wereld buiten de literaire canon. Zo richt hij zich nooit uitsluitend tot de ‘belezen lezer’, maar maakt hij literatuur en haar grenzeloze speelveld voor iedereen toegankelijk. Hij is een speelse intellectueel, geen intellectualist. In zijn essay Waarom zou je de klassieken lezen stelt hij dat het voor lezers van klassiekers belangrijk is vast te stellen van waaruit ze lezen, oftewel: de actualiteit tot op zekere hoogte te volgen. Het lezen van literatuur verdiept zich volgens Calvino door het lezen van lectuur, en vice versa. Hij vindt bovendien dat een schrijver zijn lezer hoger in moet schatten dan zichzelf: enkel op die manier kan literatuur zich vernieuwen en ontwikkelen, in plaats van te vervallen in educatieve, pedagogische teksten die met het verstrijken van de tijd aan zeggingskracht inleveren.

Moderne lezers van Calvino zullen op vlak van diversiteit soms op hun honger blijven zitten. Zijn werk is fantasierijk, maar valt in de kern nog steeds terug op machtsverhoudingen die tegenwoordig niet meer zo vanzelfsprekend zijn. Zijn personages en plots veranderen dan wel in alle mogelijke vormen, maar blijven draaien rond dezelfde heteronormatieve, patriarchale, witte as, gegoten en gestold in de canon-werken waar hij zich door liet inspireren. Doordat Calvino de romantraditie volgt waarin de rivaliteit tussen twee mannen een vrouw veronderstelt, zijn soevereine, vrouwelijke personages dun gezaaid. Bovendien spreekt hij in de torenhoge stapel boeken die hij ons naliet, en waarin de liefde vaak een bindend thema is, niet één keer over homoseksualiteit. De fantastische wereld van Calvino, waarin doormidden gekliefde mannen fluitend doorleven, bomen praten en rotsblokken zweven, komt de hedendaagse lezer hierom soms juist begrensder voor dan de doodgewone realiteit. Dit is echter geen reden Calvino links te laten liggen. Zoals hij ons leerde, kan literatuur pas tot zijn volste recht komen als de lezer een concrete, plaats- en tijdgebonden lens heeft om het werk te duiden. Enkel zo kan het werk van nieuwe betekenissen worden voorzien, meebewegend met de wereld van vandaag.

Meer lezen over Italo Calvino?

De hoofdwerken die Italo Calvino in zijn latere leven schreef zijn nog in Nederlandse druk bij LJ Veen Klassiek; Waarom zou je de klassieken lezen, Onzichtbare steden en Als op een winternacht een reiziger kan je vinden in vrijwel alle boekhandels. Wie meer van zijn omvangrijke oeuvre wilt ontdekken, zoals zijn bekende trilogie Onze voorouders, zal op ontdekkingstocht moeten in antiquariaten.

Hoe bekend Italo Calvino ook vandaag nog is, toch is er geen enkele biografie over zijn leven verschenen. Achterin Waarom zou je de klassieken lezen vind je een jaar-tot-jaar chronologie van zijn leven.

Wie meer wilt lezen over Italo Calvino’s idee van literatuur als combinatiespel, en hoe literatuur en wetenschap op elkaar reageren of zich van elkaar onderscheiden, vindt in The Literature Machine een schatkamer aan ideeën.

Omdat Italo Calvino liever niet over zijn eigen leven sprak, en zijn boeken ook graag voor zich liet spreken, heeft hij nooit veel interviews gegeven. De interviews die nog terug te vinden zijn, zijn daarentegen wel de moeite. Wij raden zijn gesprek met The Paris Review aan evenals een interview met The New York Times.

In 1969 maakte de Italiaanse illustrator, animator en cartoonist Pino Zac (1930-1985) een animatie-film van De ridder die niet bestond, die de Italiaans-sprekenden onder ons hier integraal kunnen bekijken.

Naast literaire fictie en essays, onderhield Italo Calvino intieme brievencorrespondenties met een leger aan vooraanstaande schrijvers en kunstenaars, zoals Umberto Eco, Michelangelo Antonioni en Primo Levi. Deze brieven geven naast zijn artistieke praktijk een gedetailleerd beeld van de socio-politieke omstandigheden waarin hij zijn boeken heeft geschreven. Calvino’s brieven zijn naar het Engels vertaald en uitgegeven door zowel Penguin Books als Princeton University Press.