fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: Hugo Raes

Achtergrond

"Iedereen staat alleen, en toch hebben we vrienden om de illusie te hebben dat we niet alleen staan."
Naam Hugo Raes
Nationaliteit Belgisch
Geboorteplaats Antwerpen
Geboortedatum 26 mei 1929
Sterfdatum 23 september 2013
Belangrijkste werken De vadsige koningen, Het smarán en De lotgevallen
Belangrijkste onderscheiding Driejaarlijkse Staatsprijs voor het proza
Hugo Raes is een van de belangrijkste schrijvers uit de Nederlandstalige letteren. Als pionier introduceerde Raes onder andere literaire sciencefiction en erotica in Vlaanderen en Nederland.

De vergeten grote schrijver uit de Nederlandstalige letteren

Gerard Reve, Willem Frederik Hermans, Harry Mulisch, Hugo Claus en Louis Paul Boon. De Grote Drie Nederlandse schrijvers en de Grote Twee Vlaamse zijn een certitude als er gesproken wordt over de belangrijkste schrijvers uit de Lage Landen. Maar sla een zichzelf respecterende literatuurgeschiedenis open, en er staat steevast nog een naam in dat rijtje: Hugo Raes.

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was Hugo Raes een belangrijke literaire stem, die met zijn vernieuwende romans en fantastische verhalen een frisse wind door de Nederlandstalige letteren liet waaien. In plaats van de platgetreden paden te betreden, begaf Hugo zich graag op onbekend terrein: hij schreef fragmentarische, door herinneringen en gedachtespinsels vertroebelde teksten die door lezers en critici gesmaakt werden. In zijn literatuur zocht hij graag de grenzen op, altijd naar iets nieuw en baldadig. Hij introduceerde literaire sciencefiction in Vlaanderen en schreef graag erotisch. Tot zijn vriendenkring behoorden internationale auteurs als Jerzy Kosinski en Anaïs Nin en in zijn woonkamer stond een beeldhouwwerkje van Günter Grass.

Toch klinken De vadsige koningen, Bankroet van een charmeur en Het smarán niet zo bekend in de oren als Het verdriet van België, De Kapellekensbaan en De aanslag. En dat is jammer, want Hugo Raes’ literatuur is nog altijd steengoed en relevant. Laat dit portret een pleidooi zijn om zijn werk ter hand te nemen, te beginnen met De vadsige koningen (1961), dat door onze uitgeverij in een nieuw jasje werd gestoken.

Tekst: Stijn Demarbaix Illustraties: Anne Hulskemper

Een astmatische verzamelaar: over de beginjaren van Hugo Raes en hoe hij schrijver werd

De schrijver Hugo Raes ziet het levenslicht in 1929 als de oudste zoon van Camiel Raes en Jeanne Camerlynck. Het gezin woont in Antwerpen, waar ze in 1932 Hugo’s broer Wilfried verwelkomen. In datzelfde jaar krijgt Hugo last van hevige astma-aanvallen. Omdat de vervuilde stadslucht allesbehalve bevorderlijk is voor Hugo’s longen, verblijft het gezin Raes drie tot vier maanden per jaar in het rurale Sint-Antonius-Brecht. De rest van het jaar wonen ze in Hoboken. Pas op zijn veertiende zou de astma verdwijnen.

Gestimuleerd door zijn vader, die als onderwijzer de literatuur hoog in het vaandel draagt, duurt het niet lang voor de kleine Hugo met zijn neus in de boeken zit. Daarnaast is hij ook een fervent verzamelaar van vruchten en bessen. De jonge Hugo wil maar al te graag fruitkweker of tuinier worden. Ook speelgoed, fossielen en plakboeken met oorlogsprenten en knipsels verzamelt Hugo met een passie.

Toch zou het de literatuur zijn die Hugo’s toekomst gaat bepalen. Hij is zestien wanneer de Tweede Wereldoorlog zijn einde nadert en Amerikaanse, Canadese en Britse troepen door België marcheren. Met enkele van die soldaten raakt hij bevriend. Ze brengen hem in contact met de Engelstalige literatuur, en dan vooral met de bekende pocketboekjes die ze in hun uniform konden wegstoppen. Hugo leert op die manier het werk van Jack London, Edgar Allan Poe, F. Scott Fitzgerald en John Steinbeck kennen.

Vader Camiel Raes zou maar al te graag gezien hebben hoe zijn zoon van schrijven zijn beroep maakte. Het lot beslist daar anders over. In maart van 1944, net voor de bevrijding van Antwerpen in september van dat jaar, overlijdt Camiel aan een slecht verzorgde longinfectie. Penicilline zou hem er weer bovenop geholpen hebben, maar is alleen voor soldaten voorbehouden. Zijn dood heeft een enorme impact op Hugo, die geweldig naar zijn vader opkijkt. De schrijver is er nooit helemaal overheen gekomen. Thema’s in zijn romans en verhalen als de zoektocht naar de zin van het leven, de dood en de samenleving, alsook de depressies waarmee hij te kampen zal krijgen, hangen nauw samen met de dood van zijn vader.

Na de Tweede Wereldoorlog is Hugo Raes – zoals zovelen – zoekende. Hij is een tiener in een Europa dat uit haar as moet herrijzen. Hij wordt getriggerd door de drang naar avontuur. Al liftend gaat hij reizen. Ondertussen leest hij veel Amerikaanse en Engelse literatuur, van beatgeneration auteur Jack Kerouac en hardboiled schrijvers als Dashiell Hamett en Raymond Chandler, over Ernest Hemingway, Walt Whitman en William Faulkner tot Henry Miller, George Orwell en Aldous Huxley. Hij ziet zichzelf fotograaf, drummer, journalist of balletdanser worden.

Maar zijn grootste passie is tekenen. Tijdens zijn middelbare schooltijd schetst hij pin-ups, die hij op de speelplaats verkoopt aan geïnteresseerde medestudenten. Na zijn humaniora wil hij graag naar de tekenacademie, maar zijn moeder en toenmalige tekenleraar zijn daar niet voor te vinden. Van (schilder)kunst en literatuur is Hugo evenwel niet weg te slaan. Hij verzamelt zich in 1950, samen met vrienden Fernand Auwera en Jan Christiaens, rond De Nevelvlek, een vereniging die het culturele vacuüm dat door de oorlog was ontstaan, wil opvullen met het werk van jonge, vooruitstrevende artiesten van verschillende slag. Hugo is verbonden aan het literaire tijdschrift van de vereniging Het Cahier, waarvan hij in 1951 voorzitter wordt. In 1954 debuteert hij met Jagen en gejaagd worden, een dichtbundel. Drie jaar later volgt de bundel Afro-Europees, waarna de prozaschrijver amper tot nooit nog een gedicht zal publiceren.

Ondertussen doceert Hugo Raes Nederlands, Engels en Duits in het middelbare onderwijs. Althans, dat probeert hij, want de omstandigheden zijn allesbehalve optimaal. Vijftien jaar zal het duren voor Hugo een vaste benoeming krijgt, wat tot grote frustratie leidt. En dat omdat hij eens een gepeperde les had gegeven over de invloedrijke Italiaanse familie De’ Medici, die bij enkele ouders in het verkeerde keelgat was geschoten en tot een dossier had geleid dat een vaste benoeming belemmerde. De vrijgevochten artiest, die door zijn leerlingen nochtans graag wordt gezien, kan zich dan ook maar moeilijk verzoenen met de vaak bekrompen sfeer in het onderwijs, dat door dictatoriale directeurs, vervelende collega’s en een vastgeroest systeem als beklemmend aanvoelt.

Toch zal Hugo in de persoon van Marie-Thérèse Vandebotermet uitgerekend in het onderwijs zijn grote liefde ontmoeten. De kleuterleerkracht werkt in een school in Merksem, waar Hugo een zoveelste tijdelijke post krijgt. Eerst zijn ze collega’s, maar al snel groeit er iets meer. Hun relatie blijft voor een tijd een goed bewaard geheim, want Hugo is reeds getrouwd en heeft twee kinderen. Het huwelijk zat evenwel al scheef en wordt in 1963 ontbonden. Twee jaar later huwt Hugo met Marie-Thérèse.

Een wervelwind door de letteren: De vadsige koningen en de stap naar vernieuwing

Na de publicaties bij De Nevelvlek, richt Hugo zijn vizier op Nederland. Uitgeven bij de noorderburen zorgt niet alleen voor een grotere afzetmarkt, de literatuur leeft er gewoonweg ook meer. Amsterdam is het mekka van het Nederlandstalige boek, met De Bezige Bij van Geert Lubberhuizen als absolute exponent. Dat Hugo Raes er in 1957 zijn eerste verhalenbundel Links van de helikopterlijn mag publiceren, zegt alles over het potentieel van de schrijver. Met een titel die tot de verbeelding spreekt en de fantastische, vernieuwende, soms macabere elementen die de verhalen typeren, manoeuvreert Hugo zich met deze bundel meteen in een unieke positie in de Nederlandstalige letteren.

Een idee voor een eerste roman dient zich aan. Voor vertelstof kijkt Hugo om zich heen: de gesprekken, gedachten, gebeurtenissen en frustraties uit zijn eigen leven giet hij in een stroom van anekdotes, die hij door een jonge, piekerende onderwijzer tijdens een slapeloze nacht tegen zichzelf laat vertellen. Het resultaat is een uitdagend stuk proza dat een middelvinger opsteekt naar een lineaire vertelstijl en zich presenteert als een smeltkroes van werkelijkheid en verbeelding, realisme en poëzie, grof cynisme en dichterlijke tederheid. Wanneer zijn tekst klaar is, trekt Hugo met Marie-Thérèse in een deux chevaux naar De Bezige Bij en legt hij het manuscript van De vadsige koningen (1961) op het bureau van Geert Lubberhuizen.

‘Vernieuwend’, ‘experimenteel’, ‘verrassend’ zijn trefwoorden in de artikels en recensies die De vadsige koningen bespreken. De anekdotische en cirkelvormige opzet van Hugo’s debuut is nieuw in het Vlaamse literaire landschap. Parallellen worden getrokken met De avonden (1947) van Gerard Reve, waarin eveneens een jong hoofdpersonage door de verveling van de naoorlogse periode tot reflectie en repetitiviteit wordt genoodzaakt. Hugo zelf wordt vergeleken met Louis Paul Boon: een groot talent dat een Vlaamse toets brengt in het door Nederlanders gedomineerde literaire landschap. De schrijver wordt in één adem genoemd met Jan Wolkers, Jan Cremer, Hugo Claus en Remco Campert. Met die laatste is Hugo heel goed bevriend, zelfs in die mate dat ze getuigen waren op elkaars huwelijk.

Een nieuwe literaire generatie is opgestaan, en daar maakt Hugo Raes zonder meer deel van uit. Dat het tijd is voor vernieuwing, steekt de schrijver zelf niet onder stoelen of banken. Dynamiet geven aan het Vlaamse culturele leven, dat is wat de literator wil. De koeien van Stijn Streuvels, Felix Timmermans en het Davidsfonds worden de wei uitgestuurd en ruimen plaats voor getormenteerde hoofdfiguren, die – al of niet in een alcoholische roes – de zin van het leven trachten te kristalliseren.

De vadsige koningen heeft zo’n hoofdfiguur. Herman, de piekerende onderwijzer, wordt in een slapeloze nacht bestormd door duizenden gedachten. Hij contempleert over hoe hij in het leven staat, over hoe hij zich verhoudt tot zijn vrouw Deborah en kinderen Erik en Brigitte – fictionele versies van Hugo’s toenmalige vrouw, en zoon en dochter –, over een vriend die in een concentratiekamp heeft gezeten, over een andere vriend die vaak Russische romans leest, en zo gaat het door. Het resultaat is een – uiterst actuele – schets van een jonge generatie die zich verloren voelt, geen nut vindt in haar bezigheden en maar al te graag aan de werkelijkheid ontsnapt.

Met De vadsige koningen klopt Hugo aan de deur van de grote naoorlogse schrijvers, met Het smarán (1973) cementeert hij zijn verblijf. De roman over een schrijver die aan een roman werkt, is een caleidoscopische vertelling die de geschiedenis van de mens in een notendop vat. Bekroond met de prestigieuze Driejaarlijkse Belgische Staatsprijs voor het proza in 1975, schittert Hugo aan de top van het literaire sterrendom. Maar ook naast die twee romans oogst de schrijver succes, meer bepaald met zijn fantastische verhalen.

Varende auto’s en planeten die ontploffen: Hugo Raes als pionier van literaire sciencefiction in de Lage Landen

Voor auteur en criticus Paul De Wispelaere staat het buiten kijf: Hugo Raes’ talent uit zich het meest in zijn korte verhalen. Daar De Wispelaere een vriend van de auteur is, kan zijn opmerking met een korreltje zout genomen worden, maar ver van de waarheid zal hij niet zitten. Hugo Raes schrijft na Links van de helikopterlijn nog drie verhalenbundels die met groot succes onthaald worden: Een tijdelijk monument (1962), Bankroet van een charmeur (1967) en De Vlaamse reus (1974).

Wat deze vier bundels met elkaar verbindt, is het fantastische. Of het nu gaat over auto’s die kunnen varen, een trektocht door de Amazone of de wiskundige rechtlijnigheid van God, in alle verhalen van Hugo Raes speelt verrassing een grote rol en is de enige realiteit vaak die van de droom.

Sciencefiction. Als we in hokjes gaan denken, is dat het genre waarin Hugo’s kortverhalen geplaatst kunnen worden. Het maakt van hem één van de eerste bedrijvers van het genre in Vlaanderen en misschien wel in de Lage Landen. En dat voor een schrijver die eigenlijk helemaal geen sciencefiction leest. De drang naar het avontuur en het ontdekken van het onbekende manifesteert zich in zo’n hoedanigheid, dat Hugo haast niet anders kan dan – wat neigt naar – het groteske op te zoeken in zijn literatuur. Ook het macabere heeft daarin zijn plaats. Verminkte kinderen en mensen die op absurde wijze om het leven komen bevolken meer dan eens Hugo’s verhalen, en wijzen op de zwartgallige thematiek die de schrijver aanhangt. Een thematiek die niet zo ver ligt van zijn persoonlijkheid, want een zekere neerslachtigheid en weemoed zijn Hugo niet onbekend. Dat maakt dat hij aangrijpend schrijven kan, maar ook dat hij misschien wel zijn hele leven kampt met psychologische problemen.

Op den duur beperkt het fantastische zich niet meer tot Hugo’s kortverhalen, maar sluipt het ook meer en meer in zijn romans. Het tweeluik De lotgevallen (1968) en Reizigers in de anti-tijd (1970), waarin een gezin een absurde reis maakt door ruimte en tijd, zijn daar goede voorbeelden van. Beide romans vallen in de prijzen en Louis Paul Boon noemt Reizigers in de anti-tijd het beste wat er begin jaren 1970 in Vlaanderen te lezen is.

De verwoesting van Hyperion (1978) is het sluitstuk van Hugo’s fantastische literatuur. De roman gaat over een kleine groep mensen die zich tot een technisch-wetenschappelijke hyperbeschaving heeft ontwikkeld, nadat ze de verwoesting van de aarde overleefd hebben. Met een blits geïllustreerde cover in de stijl van de cultfilm La planète sauvage (1973), is deze roman een unicum in het Vlaamse literaire landschap. En zoals de meeste fantastische verhalen, draagt De verwoesting van Hyperion een diepere laag in zich. Het boek is een allegorie op het verblijf van Hugo en zijn gezin in Roemenië, waar ze met de uitwassen van het communistische beleid van de toenmalige leider Nicolae Ceaușescu geconfronteerd worden (waarover later meer in dit portret).

Niet iedereen was te spreken over Hugo’s zin voor fantasie en toekomstvisioenen. Vooral naaste vrienden en collega’s, die de zogenoemde ‘serieuze’ literatuur hoog in het vaandel dragen, vinden Hugo’s experimenten met sciencefiction maar niks. Zo zou Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij aan Hugo gevraagd hebben of hij niet weer ‘normaal’ zou beginnen schrijven. En dan was er Remco Campert, Hugo’s boezemvriend. Bij de publicatie van De verwoesting van Hyperion zou die Hugo woedend opgebeld hebben om zijn ongenoegen te uiten. De overtuigde, vooruitstrevende dichter las het boek als een kritiek op het linkse systeem en kon dat niet verkroppen. Het leidde tot een definitieve breuk tussen de vrienden, die elkaar nooit meer terugvonden.

Sexy sexy time: Hugo Raes als voorloper van Jan Wolkers en consorten

Naast sciencefiction is Hugo Raes ook uitermate geboeid door erotiek. Het vrouwelijke lichaam zet hij al sinds zijn jeugdjaren op canvas, en ook op papier manifesteert hij de seksuele aantrekkingskracht tussen een man en een vrouw. Bij uitstek de roman Hemel en dier (1964) loopt over van Hugo’s hang naar erotiek.

Hemel en dier valt uiteen in twee delen. Het eerste vertelt de liefdesgeschiedenis tussen een getrouwde fotograaf Willem en het veel jongere meisje Patricia. Vaak fysiek in dezelfde ruimte zijn ze niet, maar als ze elkaar treffen, genieten ze met volle teugen van elkaar. Fragmentarisch en in de vorm van herinneringen die Willem te binnenschieten, wikkelt het verhaal zich af. Vintage Hugo Raes, met andere woorden. In het tweede deel verstoort de oorlog de relatie van de protagonisten. De verliefde herinneringen maken plaats voor gruwelijke beelden en ziektesymptomen.

Seksualiteit, lust, jaloezie, de manier waarop mannen zich tegenover vrouwen gedragen en of die houding wel altijd even gezond is, zijn de zeer vooruitstrevende, nog steeds actuele thema’s die Hemel en dier uitdraagt. Opzienbarend, zou je het kunnen noemen, maar ook niet helemaal. Zeker niet als je nagaat hoever Hugo Raes op zijn tijd vooruit is, en van welk belang progressiviteit en vrijheid voor hem zijn. Hemel en dier is dan ook de tijdsgenoot van Ik, Jan Cremer (1964), en was mee een wegbereider voor Turks fruit, dat pas een kleine tien jaar later uitkwam.

Hugo’s literatuur wordt zelfs gecensureerd. Alfons Vranckx, minister van Justitie aan het einde van de jaren zestig, is niet te spreken over de losbandigheid in het werk van een aantal Vlaamse auteurs, waaronder dat van Hugo Raes en Jef Geeraerts. Dus laat hij censuurmaatregelen uitvaardigen. Hugo en zijn collega’s protesteren vurig en komen samen tijdens zogenaamde anticensuur read-ins, waar ze teksten voorlezen die gericht zijn tegen de maatregelen van de minister. In Nederland passen ze de hetze toe als een verkooptruc: op Hemel en dier komt een sticker waarop ‘verboden in België’ staat te lezen.

Hugo’s erotische (en fantastische) literatuur doet Amerikaans aan. Op het Europese toneel is de schrijver dan ook van geen kleintje vervaardigd. Hij wordt vertaald over heel het continent en houdt er enkele opmerkelijke contacten op na. Een van die contacten is niemand minder dan Anaïs Nin. De Frans-Cubaanse schrijfster van erotische literatuur, die vooral bekend is om haar dagboeken waarin ze vertelt over haar affaire en vriendschap met Henry Miller en diens vrouw, en daarnaast bevriend was met onder anderen Gore Vidal en samenwerkte met D.H. Lawrence, correspondeerde voor enige tijd met Raes. In de brieven die ze elkaar schreven hield Anaïs Nin Hugo op de hoogte van wat er allemaal in Amerika aan literatuur verscheen. Toen ze op de Amerikaanse ambassade werd uitgenodigd, was Hugo aanwezig. Er was iemand aangeduid om een woordje te spreken over Anaïs Nin, maar nog voor de persoon van wal kon steken, zei Nin: ‘Er is maar één iemand in deze ruimte die mijn werk van A tot Z kent, en dat is Hugo Raes. Ik wil hem vragen voor mij iets te zeggen.’ En zo geschiedde.

De laatste groet

In de jaren tachtig publiceert Hugo nog drie werken: de vertelling De goudwaterbron (1986), het kinderboek De gektewind (1988) en de roman De strik (1988). Daarna blijft het een hele tijd stil rond de auteur, waardoor hij een beetje in de vergetelheid raakt. Met Een aquarel van de tijd (2001), een verzameling biografische verhalen over zijn eigen leven, publiceert Hugo voor het laatst.

‘Mijn geheugen wil niet meer. En ik moet oppassen voor stress en aanwezige drank’, laat Hugo optekenen in 2008 in een interview met journaliste en schrijfster Margot Vanderstraeten. Met de gezondheid van de grote schrijver gaat het dan al een tijd niet goed. Hugo wordt meerdere keren opgenomen in een ‘neurologische kliniek’ zoals hij dat zelf noemt, terwijl zijn schrijverschap op een heel laag pitje staat. Een lijdensweg volgt, die Hugo en zijn familie zwaar treffen.

Omdat de situatie niet meer houdbaar is, Hugo aanvoelt dat hij de grip op het leven aan het verliezen is en dat schrijven, alsook tekenen en schilderen niet meer zullen lukken, kiest hij ervoor om in 2013 op 84-jarige leeftijd zich te laten euthanaseren. In de pers wordt Hugo’s dood eerder in de marge opgemerkt, maar op zijn begrafenis staat heel literair Vlaanderen en Nederland, om een laatste groet te brengen aan een van de belangrijkste schrijvers uit de Lage Landen.

Anekdotes ophalen over Hugo Raes met zijn vrouw Marie-Thérèse en kinderen Siegfried en Carina

In haar appartement in Hoboken houdt Marie-Thérèse Vandebotermet de herinnering aan Hugo levende. Met boeken: drie wandkasten zijn tot de nok gevuld, met werk van hemzelf en de auteurs die hij graag las. Met kunst: de muren hangen vol met etsen en schilderijen, die Hugo kreeg van bevriende kunstenaars. En met Hugo zelf: in de hoek van de woonkamer, onder een mooie foto, staat de witte urne van de grote Vlaamse schrijver.

Geflankeerd door Siegfried en Carina, Hugo’s kinderen uit zijn eerste huwelijk, rakelt Marie-Thérèse de ene na de andere anekdote op over haar teerbeminde man. Samen schetsen ze hem als een avontuurlijke en progressieve familieman.

Avontuurlijk, in die zin dat Hugo in de jaren zestig en zeventig samen met zijn collega’s de boel op stelten durfde zetten. Feestjes waren schering en inslag, maar ook op minder conventionele locaties wilde het wel eens uit de hand lopen.

Bijvoorbeeld tijdens de Frankfurter Buchmesse, herinnert Marie-Thérèse zich. ‘Er was een read-in van Nederlandstalige auteurs georganiseerd, waar auteurs als Jeroen Brouwers, Jan Gerhard Toonder en ook Hugo zouden komen voorlezen. Een klein zaaltje, ingericht met een podium dat op ladders stond.’ De zaal bleek te klein te zijn, want de read-in trok zoveel publiek dat niemand meer in of uit de ruimte kon. ‘Dat werd gevaarlijk. Dus vonden enkelen er niet beter op om dan maar de ateliers van de kunstschilders, die de ruimte aan een kant afsloten, open te breken. Die Nederlanders zijn frankaarden hè. Toen die Duitse kunstschilders te horen kregen wat er met hun ateliers gebeurd was, kwamen ze woedend binnengestormd en riepen: Raus!’

Een uitroep die werkte als olie op vuur, want hij werd – zeker in die tijd – sterk geassocieerd met de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting. ‘Dat hebben wij vier jaar lang moeten horen!, riepen die Nederlanders, en het spel zat op de wagen. Een ongelooflijk tumult brak uit. Er werd gevochten. En die kunstenaars begonnen met verfpotten te smijten. Binnen de kortste keren zat iedereen onder de verf. Geert Lubberhuizen klom op het podium om iedereen tot rust aan te manen, maar iemand schopte de ladder waarop hij stond, onderuit. Geert viel en lag plat op zijn rug, waarop enkelen er niet beters op vonden dan bloemen op hem te leggen, alsof hij gestorven was.’

Hugo en Marie-Thérèse werden onder politie-escorte uit de Buchmesse geleid en tot aan hun hotel gebracht. ‘We stapten binnen in dat luxueus hotel, helemaal onder de verf, dat droop op het tapijt.’ Achteraf zou er zelfs een brandje zijn geweest op de Buchmesse. ‘Wat wil je, met al die aceton en mensen die daar binnen rookten. Dat had een bom kunnen zijn. Stel je voor, heel de Nederlandstalige literatuur naar de knoppen.’ (lacht)

Roemenië

Ook verder van huis maakten Hugo en Marie-Thérèse vanalles mee. Zoals in Roemenië, waar het koppel aan de Zwarte Zee was uitgenodigd omdat Hugo’s boeken vertaald werden in het Roemeens. Door de toenmalige minister van Cultuur werden ze ontvangen in de plaatselijke schrijversresidentie. ‘Geen moment heeft die man ons uit het oog verloren. En alle schrijvers die in de residentie verbleven, waren ook min of meer Ceaușescu-gezind, anders had je geen job.’ Met de uitwassen van het communistische Roemenië komen Hugo en Marie-Thérèse al snel in aanraking. ‘Toen we in ons hotel aankwamen, zagen we een Roemeens koppel uit onze kamer komen met koffers in hun handen. Ik zei meteen tegen Hugo: die zijn moeten weggaan voor ons. Later op het strand kwamen we hen tegen. Ik ging naar hen toe en vroeg hoe het zat. We zijn aan de deur gezet, zei die vrouw. Dat was mijn eerste nekslag.’

Er zouden er in Roemenië nog volgen. Op een gegeven moment wordt de minister van Cultuur weggeroepen en is het Belgische schrijverskoppel bevrijdt van hun oppas. ‘Onmiddellijk kwamen er Roemeense schrijvers naar ons die tegen Hugo zeiden: Vannacht, om 2 uur in het park. Wij ’s nachts daarnaartoe. Zaten ze daar in het park, met een transitoradio aan, zodat ze onze gesprekken niet konden afluisteren. En toen begonnen die mensen te vertellen over wat voor schrijnend leven ze leidden.’

Hugo zou zijn ervaringen in Roemenië verwerken in de roman De verwoesting van Hyperion, die naast een sciencefictionroman dus ook een verdoken politieke aanklacht is tegen het communistische systeem. De roman leverde hem veel kritiek op in de progressieve kringen waarin hij vertoefde.

Progressief

En of Hugo progressief was. Vrijheid droeg de schrijver hoog in het vaandel. Daar kunnen Siegfried en Carina van getuigen. ‘Ik werd eens van school naar huis gestuurd omdat ik een minirok aanhad,’ vertelt Carina, ‘Het was proclamatie en had me voor de gelegenheid zo gekleed. De directie vond het maar niks en stuurde me naar huis. Thuis moest ik rechtsomkeer maken: pa moest er niet van weten dat ik me omkleedde.’

Als kinderen van een bekende schrijver, maakten ze wel meer dan eens gekke dingen mee. ‘Op een keer was alle melk opgedronken door een Nederlandse interviewer’, vertelt Siegfried. ‘Die was naar België gereisd om met pa te spreken en was blijven plakken.’ Marie-Thérèse pikt in: ‘Ik zei tegen Hugo: Die man moet hier ’s avonds buiten zijn. Dus stuurde Hugo hem naar Jan Christiaens, onder het voorwendsel van een interview. Kregen we enkele dagen later telefoon van Jan: Die Nederlander zit hier nog steeds, hoe krijg ik die buiten?

Ook Jerzy Kosinski, de Amerikaanse schrijver van de vermaarde roman De geverfde vogel (1965), bracht Hugo een bezoek. Hij liet zelfs een kunstwerk achter. Siegfried: ‘Een prachtige tekening van een geverfde vogel, op het schoolbord dat toen in de living hing. Pa wilde die bewaren, alleen was de vraag hoe. Het bord eraf halen en plastificeren? Dat ging natuurlijk moeilijk.’ Voor Hugo een manier had gevonden, was Carina er met de spons over gegaan. ‘Omdat ik inspiratie had en gedichtjes wilde schrijven. Daar ging die mooie tekening van die beroemde schrijver.’ (lacht)

Jerzy Kosinksi was zeker niet de enige schrijver met internationale faam die Hugo kende. Marie-Thérèse wijst een beeldhouwwerkje aan. ‘Dat is van Günter Grass, de Nobelprijswinnaar.’ Hugo kocht het beeldje aan het einde van de jaren vijftig, toen hij zelf een kleine kunstgalerij uitbaatte, omdat er in het onderwijs weer maar eens geen positie voor hem was. Hij schuimde de buurlanden af en ging in winkeltjes kunst opkopen die hij vervolgens zelf verkocht. ‘In Parijs kwam hij terecht in het winkeltje van Günter Grass, die toen nog helemaal niet bekend was. Ze spraken even met elkaar en Hugo vertelde dat hij aan een roman bezig was, De vadsige koningen. Grass antwoordde dat ook hij aan iets aan het werken was. Dat bleek later De blikken trommel (1959) te zijn.’

Naast vooraanstaande schrijver, herinneren Marie-Thérèse, Siegfried en Carina Hugo vooral als een familieman, die feuilletonverhaaltjes verzon voor het slapengaan en hen meenam naar literaire lezingen en nachten van de poëzie wanneer dat kon. Alleen als hij aan het schrijven was, moest je hem met rust laten. ‘Hoe vaak wij gehoord hebben: shhht, pa is aan het schrijven,’ vertelt Siegfried. Maar dat zijn vader anders was dan andere vaders, vond hij vooral heel erg fijn. ‘Ik ging met maten in De Muze een pint pakken en pa zat aan de toog. Dag pa, zei ik, want voor mij was dat de normaalste zaak van de wereld. Mijn vrienden verklaarden me gek. Hun vader zou hen buitengestampt hebben. Maar die van mij trakteerde op pinten. Zo ging dat.’

Meer weten en lezen over het werk van Hugo Raes?

De laatste jaren van zijn leven geraakt Hugo Raes in de vergetelheid en zijn werk was meer dan zeventien jaar niet meer te vinden in de boekhandel. Daar brengen we met Karakters verandering in door systematisch zijn oeuvre opnieuw uit te geven. Het eerste werk dat opnieuw wordt uitgegeven is De vadsige koningen nadat het een kwarteeuw ondergesneeuwd was geraakt.

Hugo Raes heeft een omvangrijk oeuvre bij elkaar geschreven. In totaal publiceerde Raes twee dichtbundels, een kinderboekboek en maar liefst eenentwintig romans of verhalenbundels. Naast De vadsige koningen behoren daartoe onder andere Een faun met kille horentjes, Reizigers in de anti-tijd en Het smarán, waarvoor hij de Driejaarlijkse Staatsprijs voor het proza ontving.

Na zijn overlijden wordt in 2007 De Literaire Kring Hugo Raes opgericht. Met twee jaarlijkse activiteiten wil de stichting het oeuvre van Hugo Raes opnieuw onder de aandacht brengen. Ook overhandigt de Kring het omvangrijke literaire archief van de schrijver aan het Antwerpse Letterenhuis. Het archief bevat manuscripten van uitgegeven werk, duizenden brieven – waaronder een correspondentie met de Amerikaanse schrijfster Anaïs Nin – en vierhonderd foto’s.

Hugo Raes was als Vlaamse schrijver ook ontzettend populair in Nederland. Bewijs daarvan zijn de vele televisieoptredens die hij er maakte. In 1963 was Raes te gast bij de VPRO en werd hij uitvoerig geïnterviewd over De vadsige koningen. Heel wat jaren later, in 1985, was Raes dan weer te gast in het programma Büch’s boeken met presentator Boudewijn Büch. Die passage is hier terug te kijken.