fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Portret: Honoré de Balzac

Achtergrond

“Ik ben niet diep, maar ik ben erg breed.”
Naam: Honoré Balssa
Schrijversnaam Honoré de Balzac
Nationaliteit Frans
Geboortedatum 20 mei 1799
Geboorteplaats Tours
Sterfdatum 18 augustus 1850
Sterfplaats Parijs
Bekendste werken Eugénie Grandet, Vader Goriot en Verloren illusies
Honoré de Balzac is een van de meest productieve schrijvers uit de literatuurgeschiedenis. Alleen zijn befaamde project 'La Comédie humaine', waarmee de schrijver een volledig beeld wilde geven van de Franse maatschappij na de val van Napoleon, bestaat alleen al uit een goede negentig romans, essays, novellen en verhalen.

De schrijver die maar bleef schrijven

Iedereen kent de naam Honoré de Balzac, maar verder lijkt zijn uitbundige bestaan aan elkaar te hangen van mythes. Of het nu die doorgeslagen koffieverslaving is, de schuldeisers waarvoor hij continu op de vlucht is of een van de grootste projecten uit de wereldliteratuur: La comédie humaine, een collectie van ruim negentig boeken en 2.400 personages. Rond alles hangt een sluier van mysterie. Dat maakt het leven en werk van een van Frankrijks grootste schrijvers des te interessanter. Maar hoe kan het toch dat er in de Lage Landen vrijwel geen romans van Honoré de Balzac in druk zijn. En waarom duurde het meer dan anderhalve eeuw voordat een van zijn bekendste werken in het Nederlands werd vertaald? Karakters plaatst zich midden in deze Romantische oerknal en zoekt uit wie Honoré de Balzac was.

Tekst: Ricardo Jupijn Illustraties: Maarten Streefland

Een ouwe boef; schattenjager van beroep: het leven van Honoré de Balzac

Als Oscar Wilde vindt dat je ‘de uitvinder van de negentiende eeuw bent’, dan heb je het toch wel wat van het leven gemaakt. Zoals de meeste, begint het leven van Honoré de Balzac vrij doorsnee: met de verschijning vanuit een vrouw. Zo zet Anne-Charlotte-Laure Sallambier hem op 20 mei in Tours op aarde als Honoré Balssa. Later omgevormd tot ‘Balzac’, met een ‘Z die afgaat als een raket’ en het adellijke ‘de’ ertussen voor een toefje aristocratie. Van bijzondere komaf is hij niet. Henry James is zelfs nogal verbaasd na het zien van Balzacs geboortehuis. Dat daar ‘de man woonde die meer leven in zich opnam dan wie dan ook sinds Shakespeare’, kon hij niet geloven.

Rijkdom of niet: hard werken en ergens voor staan, dat is ten huize Balssa veel belangrijker. Zo bevalt vader Bernard-François het werk op het veld niet, waarop hij zichzelf leert lezen en schrijven om zich op te werken van advocatenklerk tot secretaris van de koningsraad. Ondertussen is hij lid van de vrijmetselaars, een overtuigd revolutionair en komt hij voor in een merkwaardig politieverslag: Bernard-François wordt met een sabel gesignaleerd, vermoedelijk op weg om het koningspaar te onthoofden. Balzac groeit op in dat onstuimige en revolutionaire Frankrijk. Een ventje met een sprankelende uitstraling, een goed gevormde, glimlachende mond, grote bruine ogen, een hoog voorhoofd en dik zwart haar.

Deze glanzende en beminnelijke jongeman blijft hij de rest van zijn leven. Met van binnen een rusteloos en onverwoestbaar karakter, dat hem niet alleen al zijn problemen oplevert, maar ook zijn grote werken. Het is duidelijk dat zo’n jongen naar de hoofdstad moet en het altijd hongerige Parijs heeft het al snel op zijn ziel gemunt. Wanneer hij een tijdje met zijn familie in de hoofdstad woont, is de vijftienjarige Balzac vastbesloten om daar beroemd te worden. Niet veel later spoelt hij weer aan in de stad en al rijmt zijn rechtenstudie niet met zijn ambities, in de vrije en leergierige omgeving van de Sorbonne gaat zijn bloed sneller stromen en komt zijn geest tot leven. Van de collegezalen spoedt hij zich naar de bibliotheek om daar de boekenkasten plank voor plank te verslinden. Langzaam bouwt zijn creatieve brein een kathedraal van ideeën en in 1819 besluit hij zich aan het schrijverschap te wagen. Zijn familie vindt het allemaal nogal wat, dat hij ineens zijn kennis wil bundelen in een ‘verklaring van Alles’. Nadat hij een goed contract afslaat bij een advocatenkantoor waar hij als klerk werkt, terwijl hij als schrijver nog niets laten zien heeft, slaan zijn ouders een diepe zucht. Maar ze merken dat het hun zoons grote wens is en geven hem twee jaar de kans om die na te jagen. Eenzaamheid en armoede zouden hem wel verstandig maken, zo dachten ze.

De bron van zijn moed

Wanneer de jonge schrijver niet veel later op een heuvel aan de rand van de stad staat, kijkt hij neer over dat machtige Parijs en denkt: het is jij of ik. Hij wil vrijheid en geluk, toetreden tot de hoogste klassen, beroemd worden, geld verdienen, vrouwen aan zijn deur. In een ‘naar armoe stinkende kamer’ in de wijk Marais zit hij erbij als een figuur uit zijn latere boeken. Balzac sluit zichzelf op met al zijn ideeën en vindt een soort magie in die paar vierkante meters. Nu moet het gebeuren. Gelukkig komt volgens Balzac alles in het leven neer op wilskracht, want een aangeboren talent heeft hij niet. Het grootste deel van zijn geld gaat op aan stookhout om ’s nachts te kunnen blijven ploeteren. Zijn verhalen in de stijl van de razend populaire Walter Scott leveren de debuterende schrijver echter weinig succes op. De kranten maken zijn werk, dat hij onder een pseudoniem schrijft, met de grond gelijk. Een tijdje zoekt hij zijn heil in diezelfde journalistiek, tot hij op een rusteloze avond de eerste schep in zijn financiële graf steekt. Balzac bedenkt zich dat er altijd iemand is die verdient aan het maken van boeken: de drukker. Niet eens een gek idee. Vol ondernemersvuur begint hij in 1826 een inkt- en papierpaleis met maar liefst dertig medewerkers. Het gevolg? De eerste berg schulden die om zijn nek bungelen. Jarenlang verhuist hij binnen Parijs onder valse namen om zijn crediteuren te slim af te zijn en ontloopt hij een gevangenisstraf voor ernstige schuldenaars door regelmatig naar het platteland of het buitenland te vluchten.

Op een of andere manier heeft Balzac nooit geld, maar altijd krediet. Zo volgen er avonturen als tijdschriften- en krantenuitgever, kunstverzamelaar en schatgraver op Sardinië. Vrijwel allemaal lopen ze slecht af, al zegt het iets over zijn energie en wispelturigheid. Onder al die charme gaat ondertussen flink wat zelfverachting schuil en de schulden ontnemen hem zijn gevoel van vrijheid. Tegelijkertijd is het een gigantische drijfveer. Schulden zijn ‘de bron van zijn moed’ en een van de redenen dat hij zo maniakaal werkt. Er is altijd wel iets om terug te betalen. Soms lijkt het een beetje alsof Balzac de schulden opzoekt en het kapitalisme te lijf gaat alsof het iets van vlees en bloed is. Hij is een gokker die boven zijn stand leeft. Zijn moeder vraagt zich niet voor niets af op welke plaats zij staat: komt ze na zijn ringen, snuisterijen, de hoornen wandelstok, chique meubels of toch zijn dure tassen? Toch, het zijn stuk voor stuk vruchtbare jaren. Balzac oogst levenservaringen waar hij wel vier schrijverslevens mee vooruit kan. Hij leeft erop los en belandt ondertussen in een aantal onstuimige liefdes die hem verder wegwijs maken. Een paar modebewuste en aristocratische vrouwen leren deze provincie-jongen de fijne kneepjes van het elegante leven. Hij hangt aan de lippen van de opium rokende Laure d’Abrantès, die sinds haar jeugd met Napoleon bevriend is en Balzac introduceert in de Parijse balzalen. Met een nieuwe dosis levenservaring klimt hij weer achter de schrijftafel.

Het is menens, want vanaf het einde van de jaren twintig versiert hij de omslagen van zijn boeken met zijn eigen naam: Honoré de Balzac. Met elk boek wordt hij meer opgemerkt. Hij heeft ambities te over. Te veel ideeën, te weinig tijd. Hij sluit zichzelf op, vraagt de nacht om ideeën en de stilte om woorden. Als een stier werkt hij veertien tot zestien uur per dag, drinkt dagelijks naar verluidt vijftig koppen koffie en schrijft meer dan twintig boeken tussen 1832 en 1835. In zijn befaamde monnikengewaad werkt hij zo hard, dat zelfs zijn stoel sneuvelt omdat hij zo driftig zit te schrijven. Haast masochistisch vraagt hij zichzelf af: ‘Je kunt jezelf doodwerken of ergens anders aan overlijden: wat is het verschil?’ Beetje bij beetje vormen allerlei draden een spinnenweb en beseft Balzac dat hij zonder te beseffen een historicus van het moderne leven is. De secretaris van de Franse samenleving. La comédie humaine bloeit en zijn boeken maken hem steeds verder buiten Parijs bekend. Tot in Rusland, waar Fjodor Dostojevski zijn roman Eugénie Grandet vertaalt en Alexandr Poesjkin voorspelt dat hij een van de grootste schrijvers van Frankrijk zal worden. Tijdens een bezoek aan het land wordt hij zelfs nauwlettend in de gaten gehouden door de veiligheidsdiensten. In Italië is er zelfs een groep mensen die leven alsof de wereld een Balzac-roman is, inclusief een rolverdeling aan de hand van zijn personages. In Berlijn wordt de schrijver op straat nagekeken, in het midden gelaten of dat nu komt door zijn bekendheid of zijn verschijning als über-dandy, met zijn gigantische jas, grote buik, aardbeikleurige sjaal en een vreemde, eendachtige pas.

Het hart, van een vrouw

Na vele reizen door Europa komt hij terug in een uiterst gespannen Parijs. Er hangt een nieuwe revolutie in de lucht, eentje die de maatschappij van de aardbodem zal vegen die hij in al zijn boeken zo zorgvuldig beschrijft. In 1848 wordt de Tweede Franse Republiek geboren, wordt Lodewijk Napoleon Bonaparte tot president gekozen en pakt Balzac als de bliksem zijn koffers. Hij gaat richting het Poolse Wierzchownia, waar zijn geliefde Eveline Hańska woont. Sinds 1832 heeft hij innig contact met deze adellijke vrouw, die hem een anonieme brief stuurt waarin ze haar bewondering uit voor zijn romans. Na het overlijden van haar man in 1841 ziet Balzac zijn kans schoon en doet hij er alles aan om haar te veroveren. Met nog een paar van zijn beste werken als La cousine Bette en La rabouilleuse tot gevolg. Ondanks het feit dat de superster-pianist Franz Liszt een van zijn concurrenten is, trouwen Balzac en Hańska na veel getouwtrek op 14 maart 1850. Iets dat nog steeds behoorlijk onverklaarbaar is. Balzac is dan al vrij ziek en het gevolg is dat Hańska haar hoge connecties binnen het Russische rijk verliest en achterblijft met zijn schulden.

Twee maanden na de trouwerij arriveert het echtpaar in Parijs, een reis die Balzac nauwelijks overleeft. De laatste weken en maanden zijn voor de schrijver een lijdensweg van uitputting, pijn, ontstekingen, zwellingen en hartfalen. Eveline schrijft later dat ze in vier maanden huwelijk meer zijn verpleegster is geweest dan zijn vrouw. Niet lang na de bruiloft krijgt ze zelf last van jicht, waarop ze op doktersadvies ‘dagelijks haar voeten in een pas opengesneden speenvarken steekt waarvan de ingewanden nog beven’. Zij herstelt, maar hij niet meer. Volgens de overlevering roept de schrijver nog om Bianchon, de bekende dokter uit La comédie humaine en in het bijzijn van zijn moeder verlaat Balzac de stoffelijke wereld in de avond van 18 augustus 1850. De schrijver wordt begraven op de begraafplaats Père-Lachaise, in het bijzijn van iedere Franse schrijver die ertoe doet. Waaronder zijn vriend Victor Hugo, waarmee hij een wispelturige verhouding had. Hugo bezoekt Balzac nog in zijn laatste dagen en geeft een laatste voordracht tijdens zijn begrafenis.

Hańska overlijdt in 1882, waarna alle crediteuren zich op het stadspaleis storten dat Balzac met ongelooflijk veel zorg (en haar geld) heeft ingericht aan de rue Fortunée, de straat die tegenwoordig trouwens de naam van Balzac draagt. In de gekte vliegen brieven en onafgewerkte manuscripten door de Parijse buurt, waarvan een deel wordt gered door verzamelaar Charles-Victor Spoelberch de Lovenjoul. Zo weet hij nog net op tijd een kruidenier tegen te houden die op het punt staat om manuscripten en studies in papieren tasjes te veranderen.

Nadat Balzac een tijdje vergeten was, begint de halo van deze Romantische held rondom de fin-de-siècle weer zachtjes te knipperen. Schrijvers als Charles Baudelaire, Marcel Proust, Emile Zola, James Baldwin, Gustave Flaubert, Fjodor Dostojevski en Oscar Wilde dragen zijn verhalen in het hart en inspireren vele generaties na hen. En toch is Balzac ergens blijven hangen in de tijd. Alleen met veel geluk loop je zijn boeken nog tegen het lijf. Meestal onder het stof in een tweedehandswinkeltje of in het schuurtje van een internetverkoper. Dof van buiten, stralend van binnen. Meesterwerken die wachten om ontdekt te worden.

De secretaris van de Franse samenleving: over La comédie humaine, het levenswerk van Honoré de Balzac

Het is goed voor te stellen dat het koud zweet je uitbreekt als je alleen al aan La comédie humaine denkt. Met de ruim negentig romans en novelles kun je toch een aardig boekenkasteel op een gemiddelde keukentafel bouwen. Inclusief slotbrug, met de leeslintjes als ketting. Stel je voor dat je ze allemaal zou lezen, moet je nagaan dat er iemand is geweest die ze allemaal heeft geschreven. Niet voor niets haalt econoom Thomas Piketty Balzac regelmatig aan en noemen Karl Marx en Friedrich Engels hem iemand waar ze meer van leren dan ‘alle professionele historici, economen en statistici bij elkaar’.

Ondergetekende moet toegeven dat hij dit stuk over Balzac een tijdje voor zich uitschoof. ‘Ik doe hem hierna wel…’ Het is nogal een overweldigend figuur, met die metershoge muur aan werk. Je moet een flinke ladder hebben om te zien wat daarachter schuilgaat. Waar begin je? Misschien is dat een van de praktische redenen waarom er slechts een paar boeken van Balzac naar het Nederlands zijn vertaald. Uitgevers zullen net zo goed denken: voor welk verhaal ga je dan en is het uitgeven van één roman uit de volledige La comédie humaine niet een beetje willekeurig? Anderzijds is het slechts keuzestress, want de losse werken zijn prima op zichzelf te lezen. Een van die boeken is Verloren illusies: het verhaal van Lucien, een jonge dichter van het platteland die het in Parijs wil gaan maken. Volgens Balzac is dit ‘het hoofdwerk binnen het werk’. Waarover snel meer.

Dat vuur in zijn ogen

In La comédie humaine vat Balzac alle tragikomische kanten van ons merkwaardige bestaan. In het voorwoord bij ‘zijn komedie’ schrijft hij dat het idee in hem opkomt ‘als een soort droom, als een onmogelijk project dat even je gevoelens streelt om vervolgens te vervliegen. Een hersenschim die ons een glimp geeft van zijn glimlachende vrouwengezicht en onmiddellijk zijn vleugels spreidt om terug te keren naar een hemels rijk van fantasieën. Alleen verandert de schim in een werkelijkheid, hij heeft zijn bevelen en zijn tirannie waaraan gehoorzaamd moet worden.’ Die streling verandert in een innige omhelzing, die te zien is op die beroemde daguerreotype uit 1842, waarop Balzac met zijn hand op de borst er als een schrijvende Napoleon bij staat. Hij wilt naar eigen zeggen met zijn pen afmaken wat de zelfgekroonde keizer met zijn zwaard niet is gelukt. Balzac ziet er monomaan uit, er spuwt vuur uit zijn ogen. Geobsedeerd met die complete maatschappij die hij in zijn hoofd heeft en strijdend tegen de tijd die hem gegeven is.

Al die ideeën, al dat leven en al die personages komen voor de eerste keer samen in Études de moeurs au XIXe siècle, een bundeling van zijn werken die hij onderverdeeld in het private, landelijke, Parijse en dorpse leven. Elk boek draagt bij aan een groter geheel en het is niet meer dat ‘ene boek’ dat zijn meesterwerk moet worden, maar die hele verzameling. Later komt het politieke en militaire leven daar nog bij en ontstaat La comédie humaine in 1842. Hierin probeert Balzac de hele Franse samenleving te vangen, die ergens klemzit tussen de ‘oude wereld’, de nasleep van de Franse Revolutie en de snelle veranderingen die de industrialisatie met zich meebrengt. Politiek, maatschappelijk en economisch: alles is in beweging. Voor dit titanenwerk bestudeert de schrijver de geschreven en de levende wereld, het denken en het doen. Zo observeert hij dagenlang mensen op straat, terwijl hij door de bevuilde en armoedige wijken van de stad struint, zijn soortgenoten vanuit gure steegjes bekijkt en echtparen afluistert tijdens hun avondwandeling. ‘Optische gastronomie’ noemt Balzac dat. In een brief schrijft hij: ‘Door het luisteren naar deze mensen kan ik hun leven omarmen. Ik voel hun versleten kleding op mijn rug, ik loop met mijn voeten in hun gescheurde schoenen; hun verlangens, hun wensen, alles gaat over in mijn ziel, of mijn ziel gaat over in de hunne. Het is de droom van een wakende man.’ Tel daar al zijn ondernemers-avonturen bij op, de jaren die hij op het platteland woonde, zijn reizen, het journalistieke werk, ambities in de politiek en de stralende balzalen in stadspaleizen vol bloemen, champagne, parfum en dure kleding. Balzac kent de mens, kijkt er dwars doorheen en smijt hem in al zijn kleuren en schaduwen op het papier.

Een gouden pennetje

Bij ieder van die levens horen verloren illusies. Wie kan er niet over meepraten? Hoofdpersonage van het gelijknamige boek Lucien Chardon spant de kroon en het is dat verhaal waar Balzac maar niet aan uitgeschreven raakt. Van 1836 tot 1843 werkt hij eraan, wat voor zijn doen zo’n beetje een totaal schrijversleven is. Bestaande uit drie delen: Twee dichters, Een groot man uit de provincie in Parijs en Wel en wee van een uitvinder. Onderwerpen waar hij graag over schrijft: dichters, dorpjes en mensen van het platteland die het willen maken in de grote stad. Terwijl Lucien met horten en stoten zijn weg vindt in het Parijse levenstheater, proberen zijn achtergebleven zus Eve en haar vriend David Séchard de jonge dichter financieel te ondersteunen. Ze runnen een armoedige drukkerij terwijl ze alles op alles zetten om rijk te worden van een revolutionaire uitvinding waarmee papier stukken goedkoper geproduceerd kan worden.

De mooie Lucien, voor wie Balzac ruim de tijd neemt om zijn adembenemende Griekse standbeeldschoonheid te omschrijven, wil zich graag laten zien onder de adellijk klinkende naam van zijn moeder, aangezien zijn vader slechts een apotheker was en dat al snel voor scheve ogen zorgt tijdens de soupers. De jongen is daarentegen uitzonderlijk knap en intelligent, heeft een gouden pennetje en rommelt zichzelf het literaire leven in. Met een hoop talent en weinig geld, brengt hij de meeste tijd op een vochtig zolderkamertje door, tot de dromerige dichter een aantal lotgenoten treft in het Quartier Latin. Een groep kunstenaars die hun leven volledig aan de kunsten wijdt en Lucien meeslepen in het romantische en armoedige kunstenaarsbestaan. Toch duurt het niet lang voordat Lucien wordt overgehaald naar de dark side, als hij aan de praat raakt met een journalist. Waarom zou hij het zichzelf aandoen om als een arme sloeber door het leven te gaan en maar te hopen op dat sprankje succes? In Parijs geldt het recht van de rijkste en de journalistiek is (in die tijd) een snelweg richting macht, geld en roem. Je kunt reputaties maken of breken, de mensen liggen aan je voeten voor een goede recensie en je wordt overladen met geld en geschenken. Het is echter een slangenkuil vol roddels, achterbaksheid en verraad. Een wespennest vol gewiekste uitgevers en geniepige schrijvers. Op dit aristocratische wilde westen blijkt de jonge Lucien totaal niet voorbereid.

De chroniqueur

Ondanks het relatief langzame tempo waarin het verhaal zich afspeelt, is Verloren illusies een stemmingswisseling van jewelste. Balzac sluit je helemaal op in zijn verhaal en heeft een stijl die de grenzen tussen het boek en het dagelijkse leven doen vervagen. En dan te bedenken dat dit slechts een fractie van de hele Comédie is. Met verhalen die in elkaar grijpen, karakters die in meerdere verhalen opduiken en met elkaar in aanraking komen. Balzac zweeft met zijn pen en papier haast als een soort godachtig figuur door die zelfgeschapen samenleving, waarin hij zich heerlijk thuis voelt. Al heeft hij nooit alle boeken geschreven die hij voor ogen had, er zijn weinig romanciers die zo’n uitgebreid universum hebben gecreëerd. De wereld in die bijna honderd boeken zou je een heel leven bij je kunnen dragen als je die rustig verteert. Langzaam leer je alle verschillende klassen en sociale achtergronden kennen en de vele personages die er in rondwandelen. Allemaal met hun eigen emoties, passies, beroepen, relaties, zwakheden en allemaal op zoek naar hun weg binnen de maatschappij. Eentje waar Balzac volgens de mythe zelfs een soort burgerlijke stand voor ontwikkelde.

Wanneer je die verhalen leest, begrijp je direct waarom hij een realistische schrijver wordt genoemd. Hij heeft een manier van schrijven die nu niet meer zo in zwang is en juist daarom zo verfrissend is. Balzac is een chroniqueur die het gevoelsleven en het sociale, wetenschappelijke en economische verkeer haarfijn beschrijft. Tot in de puntjes gaat hij in op specifieke kosten, inkomens, rendementen, spulletjes, kleding, eten, drinken, bedrijven, de werking van alledaagse zaken en de normen en waarden van die tijd. Als Balzac de inrichting van een huis beschrijft, dan worden zelfs de trapleuningen niet overgeslagen. Of hij trekt rustig zeven heerlijke pagina’s uit om een winkelstraatje uit te lichten. Met de gebouwen, de inrichting, de lichtval, de teksten op de uithangborden, de koopwaren, de ondernemers, hun taal, hun omgang en wat er ’s nachts wordt uitgespookt… Fascinerende beschrijvingen. Alsof je midden in een Parijs staat dat er al zolang niet meer is. Balzac neemt je mee, door al die oude levens die ergens nog altijd voortbestaan.

Een overzicht van de Nederlandse vertalingen van het werk van Honoré de Balzac

Wanneer je oeuvre bestaat uit meer dan honderd werken bestaat, is het eigenlijk niet meer dan logisch dat niet je volledige oeuvre naar het Nederlands is vertaald. Ook al is je naam Honoré de Balzac en ben je een van de bekendste schrijvers uit de literatuurgeschiedenis. Doorheen de jaren hebben natuurlijk wel een aantal vertalers zich gewaagd aan een klein deel van zijn oeuvre.

Zo verscheen bij Van Oorschot in 2006 de eerste druk van Verloren illusies, de roman uit drie delen die we in dit portret ter sprake brachten. Verloren illusies werd vertaald door J.A. Versteeg en verscheen later ook nog in de Perpetua-reeks van Athenaeum.

Daarnaast is vooral Hans van Pinxteren de grootste pleitbezorger geweest Honoré de Balzac in de Lage Landen. Van Pinxteren zorgde voor vertalingen van Vader Goriot (1992), Eugénie Grandet (1996), Kolonel Chabert (1996) en Nicht Bette (1999) nadat hij zich eerder toelegde op vertalingen van het werk van onder anderen Gustave Flaubert en Molière.

De eerste vertalingen van Honoré de Balzac dateren al van luttele decennia geleden. Zo vertaalde A.M. de Jong in 1943 De baldadige vertelsels en legde Anna van Gogh-Kaulbach zich in 1952 toe op Grootheid en Val van César Birtteau

Andere vertalen die hier en daar nog te vinden zijn in antiquariaten, zijn De huid van chagrijn (1982) van Jean Schalekamp – wiens vertaling van H.P. Lovecraft we overigens hebben uitgegeven –, Een vrouw van dertig (1983) van Ernst van Altena, die drie jaar later ook Het huis ‘De kaatsende Kat’ vertaalde.

Meer recente vertalingen van het werk van Honoré de Balzac zijn Sarrasine uit 2006 door Jan Pieter van der Sterre en Rokus Hofstede en Fysiologie van de ambtenaar (2006) en De journalisten (2008) van Mechtild Claessens.