fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: Gustave Flaubert

Achtergrond

"Flaubert kan zágen, maar op een schitterende manier! Flaubert is de heerlijkste mopperaar uit de wereldliteratuur." – Bart Van Loo
Naam Gustave Flaubert
Nationaliteit Frans
Geboortedag 12 december 1821

Sterfdatum 8 mei 1880
Bekendste werken Madame Bovary, Salammbô en De leerschool der liefde
"De schrijver moet in zijn werk zijn als God in de schepping: onzichtbaar en almachtig; men moet hem overal voelen en nergens zien."

‘Madame Bovary, c’est moi.’

‘Madame Bovary, c’est moi’ is ongetwijfeld Gustave Flauberts beroemdste citaat. Toch zou hij deze woorden nooit geschreven hebben. Ze komen alleszins nergens voor in zijn manuscripten, noch in zijn correspondentie. Misschien heeft hij deze zin wel uitgesproken, maar verba volant scripta manent: van het gesproken woord kan je geen bewijs leveren. Sommigen beweren dat Flaubert met deze woorden de speculaties over zijn hoofdpersonage in Madame Bovary wilde weerleggen. Na de publicatie van zijn roman werd hij immers overspoeld met brieven van lezeressen die zichzelf beweerden te herkennen in de onbegrepen Emma Bovary. Een verklaring die dichter bij de waarheid aanleunt, is dat Flaubert deze zin zou hebben geuit in het bijzijn van zijn correspondente Amélie Bosquet. Vals of niet, het citaat schept hoe dan ook geen helder beeld van de auteur achter Madame Bovary. Als deze woorden ons iets kunnen bijbrengen, is het misschien wel de vraag: wie was Gustave Flaubert dan wél?

Eerst onbekend, dan omstreden, vervolgens geprezen: Gustave Flaubert legde een behoorlijk parcours af voor hij de auteursfaam verwierf die we vandaag evident vinden. Flaubert le précurseur, zoals Nathalie Sarraute hem noemde, was een voorbeeld voor talloze auteurs, van Franz Kafka en Samuel Beckett tot Claude Simon en Roland Barthes. Vladimir Nabokov was ervan overtuigd dat het oeuvre van Marcel Proust of James Joyce zonder de invloed van Flaubert niet tot stand had kunnen komen. Ook beeldende kunstenaars zoals Auguste Rodin en Vincent Van Gogh waren grote bewonderaars van Flauberts werk. Zelf vertoefde de romanschrijver graag in het gezelschap van gerenommeerde auteurs, waaronder George Sand, Émile Zola en Ivan Toergenjev. Na de publicatie van Madame Bovary merkte de ene lezer na de andere stilaan de grootsheid van Flauberts werk op. Een van die aandachtige lezers was de realistische schrijver Henry James, die Flaubert the novelist’s novelist noemde. Hij voorspelde dat Madame Bovary een glorieuze toekomst te wachten stond – en bleek gelijk te hebben.

Tekst: Camille Bortier Illustraties: Maarten Streefland

Een heerlijke mopperaar: over het leven van Gustave Flaubert

Op zesentwintigjarige leeftijd schreef Gustave Flaubert aan zijn minnares Louise Colet: ‘Ik kan het niet helpen dat ik een eeuwige wrok koester tegen degenen die mij ter wereld gebracht hebben, en die mij hier houden, wat nog erger is.’ Hij bedoelde hiermee zijn ouders, Justine-Caroline Fleuriot en Achille Flaubert, hoofdchirurg aan het ziekenhuis Hôtel-Dieu in Rouen, waar Gustave Flaubert op 12 december 1821 geboren werd. De tuin van de familie Flaubert keek uit op de dissectieruimte van het Hôtel-Dieu. Nieuwsgierig klauterden de jonge Gustave en zijn zus Caroline soms op het hekwerk van de tuin om een glimp op te vangen van de uitgestalde kadavers. In zijn correspondentie beschrijft de auteur ludiek hoe dezelfde vliegen die eerder nog boven zijn hoofd zoemden, rond de lijken gonsden en hoe zijn vader, gebogen over de menselijke lichamen, zijn kinderen beval om op te donderen. Het doktersmilieu waarin Flaubert opgroeide heeft een opmerkelijke invloed uitgeoefend op zijn oeuvre. In een recensie van Madame Bovary suggereerde de literatuurcriticus Sainte-Beuve zelfs dat Flaubert zijn pen hanteerde zoals een scalpel.

‘Ik ben opgegroeid te midden van alle menselijke miserie’, schreef Gustave Flaubert. Dat verklaarde volgens hem zijn veelbesproken cynisme. De bewaarde correspondentie van de auteur getuigt inderdaad van een verrukkelijk pessimisme dat je af en toe doet gniffelen. Bart Van Loo riep Flaubert niet zonder reden uit tot de heerlijkste mopperaar uit de wereldliteratuur. Aan Louise Colet schreef Flaubert bijvoorbeeld dat hij de menselijke voortplanting verafschuwde: ‘Dat ik de ergernis en de schande van het leven aan niemand doorgeef!’ Zelfs de kathedraaltoren van Rouen moest eraan geloven. Hij noemde de constructie ‘een langwerpige kooi’ en ‘het merkwaardige product van een dolgedraaide koperslager’. ‘Bijna alle mensen hebben de gave om me te ergeren’, klaagde Flaubert. Zijn weerzin tegen idiotie zette hem aan het boek te schrijven dat hij zelf de encyclopedie van de menselijke domheid noemde: Woordenboek van pasklare ideeën (Dictionnaire des idées reçues). Het werk is een postuum gepubliceerde opsomming van alle idiote cliché-uitspraken van zijn tijd. Je vindt er allerhande banaliteiten in, waaronder: ‘warmte: altijd onuitstaanbaar, om te stikken’, ‘geneeskunde: belachelijk maken als je in goede gezondheid verkeert’ en, als kers op de taart, ‘literatuur: bezigheid voor nietsnutten’.

Literatuur luidop: de martelaar van de stijl

In 1841 verliet Gustave Flaubert zijn geboortestad Rouen om op aandringen van zijn ouders in Parijs rechten te gaan studeren. Een gemotiveerde jurist in wording was de jonge Gustave niet, integendeel: hij kon zijn schrijversambities niet uit zijn hoofd zetten. Zijn leven veranderde voorgoed toen hij in 1844 het bewustzijn verloor achter het stuur van een cabriolet, op weg naar Pont-l’Évêque. Voor de rest van zijn leven zou hij met zijn gezondheid sukkelen. Zelf praatte hij over zijn ‘zenuwziekte’, of zijn ‘zenuwaanvallen’. Noch de patiënt, noch zijn ouders hebben ooit erkend dat Flaubert aan epilepsie leed. De schrijvers eerste epilepsieaanval was een keerpunt in zijn leven. Zijn medische klachten bepaalden zijn verdere levensloop: hij zou nooit jurist worden. Hij verliet Parijs en vestigde zich uiteindelijk in Croisset. ‘Mijn actieve, gepassioneerde, gevoelvolle leven, vol tegenstrijdige schokken en meervoudige sensaties, eindigde op tweeëntwintigjarige leeftijd’, schreef hij aan Louise Colet. Toch was het niet allemaal kommer en kwel. Ondanks zijn ziekte was Flaubert een ware globetrotter die onder andere een reis van twee jaar door het Midden-Oosten ondernam. Bovendien besefte hij maar al te goed dat hij ‘dankzij’ zijn ziekte zich eindelijk in alle rust op zijn schrijverschap kon toeleggen.

Madame Bovary | Karakters

Gustave Flaubert, ‘de martelaar van de stijl’, zoals hij weleens genoemd wordt, streefde naar stilistische volmaaktheid. Soms las hij voor zijn plezier het werk van andere auteurs voor en uitte genadeloze kritiek op hun zwakke gevoel voor ritme, klungelige klanken en zouteloze clichés. Flaubert kon het wellicht beter. Het bewijs daarvan is een willekeurige zin uit Madame Bovary: ‘L’idée d’avoir engendré le délectait’, vrij vertaald ‘de gedachte dat hij een kind verwekt had, verrukte hem.’ De heerlijke assonantie van e-klanken is de aandachtige lezer vast niet ontgaan. Als geen ander hechtte Flaubert waarde aan de poëzie van zijn zinnen. Om het ritme van zijn teksten te verifiëren, toetste hij zijn werk aan zijn befaamde gueuloir, een substantief dat is afgeleid van het Franse werkwoord gueuler, ‘brullen’. Hij had de neiging om zich schor te schreeuwen door zijn manuscripten met luide stem voor te lezen. In zijn brieven klaagde hij daar nadien over. Zijn extreme aandacht voor de esthetiek van zijn zinnen wordt overigens gereflecteerd in het aantal boeken dat hij in totaal publiceerde. Dat zijn er relatief weinig vergeleken met zijn voorganger Honoré de Balzac en zijn vriend en tijdsgenoot Émile Zola.

Giftige literatuur

Flaubert oogstte zijn eerste literaire succes met Madame Bovary, een roman die hij in 1856 voltooide na een redactieperiode van vierenhalf jaar. Hierbij krabbelde hij in totaal 3.831 vellen papier vol, aan een gemiddelde van vier tot vijf dagen per geprinte bladzijde. Het werk verscheen in zes episoden in het tijdschrift Revue de Paris. Madame Bovary was niet Flauberts eerste boek. Zo schreef hij enkele jaren eerder De verzoeking van de heilige Antonius (La Tentation de saint Antoine), een werk dat hij voorlas aan zijn vrienden Maxime Du Camp en Louis Bouilhet. Tot de schrijvers grote frustratie was het verdict, na een lectuur van 32 uur, allesbehalve positief. ‘We raden je aan om je manuscript in het vuur te gooien en er nooit meer over te praten’, zou Bouilhet gezegd hebben. Du Camp en Bouilhet adviseerden hun vriend om fantasievolle verhalen op te geven en in de plaats over het alledaagse leven te schrijven. Dat was dan ook precies wat Flaubert deed met Madame Bovary.

De dromerige Emma Bovary is voor veel literatuurliefhebbers geen onbekende. De jonge vrouw heeft door een overdosis aan romantische literatuur een bijzonder rooskleurige kijk op de liefde, wat haar tot overspel en uiteindelijk tot zelfdoding drijft. Madame Bovary veroorzaakte wat Guy de Maupassant een revolutie in de letteren noemde. De personages, allen zeer realistisch en complex, zijn met uitzonderlijk oog voor detail uitgewerkt, terwijl Flauberts waardeoordeel doorheen de roman afwezig blijft. Voor geen enkel personage toont hij sympathie. Neem nu Emma Bovary: een naïeve en overspelige vrouw, maar toch zo gevoelig! Charles Bovary, haar echtgenoot, is de belichaming van de imbeciliteit waartegen Flaubert zich zo hevig verzette. Hij is de sufste echtgenoot uit de wereldliteratuur – je zou voor minder een dosis arsenicum innemen. Toch kunnen we hem zijn idiotie niet kwalijk nemen – hij wekt meer medelijden op dan minachting. Flaubert wordt beschouwd als de eerste romanschrijver die de spot dreef met zijn hoofdpersonages. Toch ondermijnt dat het pathetische karakter van het boek niet. ‘Bij het derde gedeelte, dat vol humor zit, wil ik dat de lezer huilt’, schreef hij in een brief aan Louise Colet.

Een scherpzinnige lezer, Émile Cailteaux, merkte op dat te veel vrouwen op het Franse platteland net zoals Emma Bovary een heftig karakter hebben. Hij noemde hen les incomprises: de onbegrepen vrouwen. Verder voorspelde hij dat het substantief bovaryste misschien wel opgenomen zou worden door de Franse taal om une incomprise te benoemen, net zoals er in die tijd al gesproken werd van een tartuffe, naar de titelheld van Molières komedie. Vandaag verwijst de term bovarysme naar een gevoel van onbehagen waarbij de lezer ernaar verlangt om zelf een personage in een roman te worden. Zo noemde T.S. Eliot Othello’s laatste monoloog in Shakespeares tragedie het schoolvoorbeeld van bovarysme. Veel literatuurfanaten zijn vast wel vertrouwd met opwellingen van bovarysme. Hoe vaak laten we ons niet meeslepen door een verhaal, hopend dat we ooit een gelijkaardig avontuur zullen beleven? Misschien lijd je zelf wel aan bovarysme, beste lezer. Zouden we af en toe allemaal niet eens kunnen zeggen: ‘Madame Bovary, c’est moi’?

Gustave Flaubert | Karakters | Maarten Streefland

De publicatie van Madame Bovary veroorzaakte een publiek schandaal. In 1857 spande de Franse overheid een rechtszaak aan tegen de auteur en zijn uitgever voor aantasting van de goede zeden. Met name de zelfdoding van de protagonist en de naar toenmalige normen zeer erotische scènes schoten de procureur Ernest Pinard in het verkeerde keelgat. Met de steun van onder anderen de prinses van Beauvau, zelf een bovaryste enragée, werd Flaubert vrijgesproken. Charles Baudelaire, die in hetzelfde jaar voor zijn dichtbundel De bloemen van het kwaad (Les Fleurs du mal) een proces aan zijn broek kreeg, had minder geluk: hij werd veroordeeld tot een boete van 300 frank en zes gedichten uit zijn bundel werden gecensureerd. Voordat Flauberts rechtszaak plaatsvond, had Revue de Paris al geopperd om bepaalde passages van het werk te censureren, tot grote ergernis van de schrijver. Die laatste stond erop dat er in dat geval een voetnoot werd toegevoegd waarbij de lezer verzocht werd om het verhaal te beschouwen als een samenraapsel van fragmenten, en niet als een geheel. ‘Qu’on me laisse exercer tranquillement ma petite littérature’, mopperde Flaubert in een brief aan Edmond Pagnerre. Nee, van censuur moest de schrijver niets weten.

Gustave Flaubert stierf op 8 mei 1880 aan een hersenberoerte. Hij liet een onafgewerkt manuscript van Bouvard et Pécuchet achter, dat postuum gepubliceerd werd, met Woordenboek van pasklare ideeën als bijlage. Zijn begrafenis werd bijgewoond door onder meer zijn leerling Guy de Maupassant, Émile Zola en Edmond de Goncourt. De auteur van Madame Bovary leefde 21.337 dagen. Die bracht hij al schrijvend en schrappend door, mopperend allicht, zijn manuscripten toetsend aan zijn gueuloir. Hij liet ongeveer evenveel beschreven vellen papieren achter.

Over koetjes en kalfjes: een uiteenzetting van zijn bekendste roman Madame Bovary

Enkele maanden na Flauberts overlijden schreef Émile Zola een artikel voor de literatuurbijlage van Le Figaro waarin hij zijn herinneringen aan Gustave Flaubert ophaalde. Zijn anekdote over hoe hij Flaubert inspireerde bij het bedenken van zijn personagenamen is in het bijzonder hartverwarmend. Zola overwoog de naam ‘Bouvard’ voor een personage in zijn roman Son Excellence Eugène Rougon. Toen dat Flaubert ter ore kwam, smeekte hij zijn vriend om hem die naam af te staan voor zijn boek Bouvard et Pécuchet. Zola ging al lachend akkoord. Flaubert daarentegen was bloedserieus en herhaalde ontroerd dat hij zijn boek zonder de naam ‘Bouvard’ niet had kunnen schrijven. De ‘juiste’ personagenaam was voor hem van buitengewoon belang. Voor hem geen shakespeareaanse what’s in a name dus, maar namen met een veelzeggende betekenis. Dat is bijvoorbeeld het geval in Madame Bovary, waar Flaubert de spot drijft met zijn personages door ze namen te geven die doen denken aan Franse diernamen.

Laten we dus de ‘koe bij de hoorns vatten’ en analyseren hoe Gustave Flaubert zijn personages in Madame Bovary aan dieren linkt. Vooral runderen zijn rijk vertegenwoordigd. Met een speelse en zeer flaubertiaanse woordspeling noemde de literatuurcriticus Jonathan Culler de roman daarom een vealist novel in de plaats van een realist novel. In de familienaam van Charles Bovary herkennen we bijvoorbeeld het Franse woord bovin (rund). Het is overbodig om te specificeren dat de associatie allesbehalve flatterend is. Met deze naam zet Flaubert nogmaals het idiote karakter van zijn personage in de verf, iets wat hij overigens doorheen de roman op meerdere momenten zorgvuldig doet. Charles Bovary wordt afgeschilderd als een sufferd die tijdens het avondmaal abrikozenpitten in zijn hand uitspuwt om ze nadien ongegeneerd op tafel te deponeren. Zijn discours is ‘zo plat als een trottoir’ en zijn artsdiploma haalde hij met moeite door de examenvragen vanbuiten te leren. Flatterend is de voorstelling allerminst.

Madame Bovary | Gustave Flaubert | Karakters

Natuurlijk liet Flaubert het niet bij deze ene woordspeling. In ‘Héloïse Dubuc’, Charles Bovary’s eerste vrouw, een jaloerse weduwe, kan je bijvoorbeeld het woord bouc (bok) herkennen. In de naam ‘Léon’, Emma Bovary’s minnaar, een schuchter ventje, zit duidelijk een ironische referentie naar het Franse woord voor ‘leeuw’. Dit personage trouwt uiteindelijk met juffrouw Leboeuf, die een naam draagt waarin het woord boeuf (os) zit. Hetzelfde geldt voor de naam ‘Tuvache’, waarin je vache kan herkennen. De naam van de sukkelige staljongen Hippolyte verwijst niet enkel naar het gelijknamige personage in Jean Racines Phèdre, maar ook naar het Griekse woord híppos (paard). Rodolphe, Emma’s eerste minnaar, draagt een naam die afgeleid is van het Oudhoogduits hruod (glorie) en wolf. Met zijn personagenamen heeft Flaubert zich kennelijk uitgeleefd. Enfin, il s’est ‘vachement’ bien amusé.

De vraag blijft natuurlijk aan welk dier het hoofdpersonage Emma Bovary, geboren Emma Rouault, gelinkt wordt. Zoals eerder aangetoond zijn ossen en koeien alomtegenwoordig in de personagenamen van Madame Bovary. Toch zijn we tot nu toe nog geen stier tegengekomen, wat enigszins verbazend is. Je zou tenslotte denken dat Flaubert voor de volledigheid op zijn minst een ludieke referentie naar een stier zou hebben toegevoegd. En wat als Emma Bovary nu die stier zou zijn? Sinds jaar en dag wijzen literatuurcritici immers al op de viriliteit van deze beroemde protagonist. Charles Baudelaire noemde het personage bijvoorbeeld een ‘bizarre androgyn’, een personage met een viriele ziel in een charmant vrouwenlichaam. Flaubert zinspeelt inderdaad op de mannelijkheid van Emma. Zo draagt ze haar haren ‘comme un homme’ en heeft ze een affaire met Léon, die ‘haar’ maîtresse wordt genoemd. Zou Emma Bovary dus de ontbrekende stier zijn? Het is een mogelijke hypothese. Heeft Gustave Flaubert, een man, volgens de overlevering overigens niet gezegd: ‘Madame Bovary, c’est moi’?

Hoed je voor de ‘flaubertiaanse vergiftiging’!

Marcel Proust was zodanig onder de indruk van Flauberts schrijfstijl dat hij er een volledig artikel aan wijdde: ‘À propos du “style” de Flaubert’. De auteur van Op zoek naar de verloren tijd bewonderde Flauberts verrassende woordkeuzes en bijzondere syntactische constructies. Volgens Proust worden Flauberts zinnen gekenmerkt door een uniek ritme dat je dikwijls nog blijft najagen nadat je de laatste bladzijde van zijn roman hebt omgeslagen. Dat fenomeen noemde hij l’intoxication flaubertienne, ‘de flaubertiaanse vergiftiging’, het onvermogen om afscheid te nemen van Flauberts narratieve stem. De enige remedie, volgens Proust, bestaat erin toe te geven aan een pastiche volontaire, waarbij je als lezer jezelf toelaat om voor een bepaalde tijd je zinnen op dezelfde manier als Flaubert te vormen. Dat wil zeggen dat je in je dagelijkse leven op dezelfde manier gaat denken, praten en dromen als de schrijver. Volgens Proust vind je na verloop van tijd vanzelf je eigen stem terug. We geven het maar mee: je weet maar nooit wanneer de flaubertiaanse vergiftiging je eens parten speelt.

Meer weten en lezen over Gustave Flaubert?

Schrikt de ‘flaubertiaanse vergiftiging’ je niet af? Bij Atlas Contact zijn nog drie werken van Gustave Flaubert in druk. Het gaat om Madame Bovary, De leerschool der liefde en Drie vertellingen. Alle drie werden ze vertaald door Hans van Pinxteren.

Wil je net als André Gide de correspondentie van Gustave Flaubert op je nachtkastje laten pronken? De Arbeiderspers gaf een selectie van Flauberts brieven uit: Geluk is onmogelijk en Haat is een deugd. Over dat laatste werk publiceerde Bart Van Loo overigens een zeer vermakelijk artikel op zijn blog. Een aanrader!

Onder de titel Wij moeten lachen en huilen werd door De Arbeiderspers ook nog zijn volledige briefwisseling met de Franse schrijfster en boezemvriendin George Sand uitgegeven.

Secundaire literatuur over Gustave Flaubert is er in overvloed. Zo schreef niemand minder dan Jean-Paul Sartre een uitgebreid psychoanalytisch portret van Flaubert: L’Idiot de la famille. Iets luchtiger is Julian Barnes’ Flauberts papegaai, een fictief verhaal over een arts van middelbare leeftijd die op zoek gaat naar het levensverhaal van zijn favoriete auteur – en naar de waarheid achter Flauberts opgezette papegaai.

Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa schreef dan weer De eeuwigdurende orgie, een totale ode aan Gustave Flaubert en Madame Bovary. In dit boek beschrijft Llosa in het eerste deel zijn eigen kennismaking met Flauberts bekendste werk, in het tweede deel analyseert hij de roman en geeft hij een literaire kritiek en ten slotte beschrijft hij de roman in breder historisch kader.

De echte liefhebbers van Gustave Flaubert kunnen ook nog terecht bij Flaubert.nl, een verzamelwebsite over het werk en leven van de Franse schrijver. Op de website vind je onder andere accurate uitgeefgeschiedenissen van de werken van Flaubert.

Ten slotte werd Madame Bovary ook ettelijke malen verfilmd, onder meer door Claude Chabrol in 1991 en door Sophie Barthes in 2015.