Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: Dante Alighieri

Achtergrond

"Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt."
Naam Durante (Dante) di Alighiero degli Alighieri
Nationaliteit Florentijns
Bekendste werk De Goddelijke Komedie
Geboortedag Tussen 14 mei en 13 juni 1265
Sterfdatum 14 september 1321

‘Goddelijke dichterschap’

‘Onze dichter was nogal klein van gestalte, had een lang gezicht en een sterk gebogen neus, zware kaken, en zijn onderlip stak enigszins vóór zijn bovenlip uit. Hij was wat gebogen in de schouders en zijn ogen waren eerder groot dan klein, zijn huidskleur was bruin, zijn haren en baard waren kroezig en zwart en hij had altijd een sombere en peinzende uitdrukking.’ Zo wordt Dante Alighieri omschreven door zijn grote bewonderaar en zijn eerste biograaf Giovanni Boccaccio. In oktober 1373 begint deze Boccaccio wekelijks in de Santo Stefano-kerk voor te lezen uit De Goddelijke Komedie, het toen al beroemde boek van hun mysterieuze Florentijnse stadsgenoot. Tot het daaropvolgende voorjaar luisteren geïnteresseerden naar de zestigjarige, waarna Boccaccio te ziek wordt om de lezingen te geven en in 1375 overlijdt. Gelukkig heeft hij vóór die tijd al een compacte biografie afgerond over Dante, een zelfbenoemde poging om het ‘goddelijke dichterschap’ te begrijpen.

Niet de eerste de beste levensbeschrijving, maar eentje van een schrijver wiens eigen werk alle eeuwen heeft doorstaan, zo is Boccaccio’s boek Decamerone nog steeds in de boekhandel verkrijgbaar. De schrijver doet naast zijn literaire werk onderzoek naar zijn grote voorbeeld, spreekt mensen die de dichter gekend hebben en schrijft Het leven van Dante. Boccaccio schetst een levendig beeld van de ‘zanger van de hemelse liefde’ en noemt hij hem een illustere man: ‘zo edel, zo geleerd, zo verdienstelijk, roemrijker eer waardig.’ Na meer dan zeshonderd jaar is het nog steeds een van de beste bronnen over de schrijver die in 1321 is overleden. Want ja: er is ontzettend veel over Dante geschreven, maar er is in feite niet zoveel bekend over ‘onze dichter’. Uit de biografie van Boccaccio valt wel iets meer te leren over het karakter van Dante, zo vertelt hij. ‘Zijn kleren waren altijd keurig en hij kleedde zich zoals bij zijn leeftijd paste; zijn gang was altijd ernstig en rustig en zowel thuis als in het openbaar was zijn gedrag altijd bewonderenswaardig beheerst en wellevend,’ schrijft zijn biograaf. ‘In eten en drinken was hij uiterst bescheiden, maar niemand was meer alert en strijdbaar als het studie of andere dingen betrof die hij belangrijk vond. Als hem niets gevraagd werd sprak hij weinig, maar anders was hij zeer welsprekend. In zijn jeugd genoot hij buitengewoon van muziek en zang en was, doordat hij zich tot hen aangetrokken voelde, vertrouwelijk met alle beroemde musici van zijn tijd. In zijn studie was hij zeer toegewijd, daarbij had hij geweldige vermogens en een ijzeren geheugen. Hij had ook een zeer helder verstand en schitterende talenten en, zoals uit zijn werken blijkt, zijn invallen waren bewonderenswaardig en zonderling.’

Tekst: Ricardo Jupijn Illustraties: Anne Hulskemper

De zoete, nieuwe stijl

Italiës hoogst geëerde schrijver komt in het jaar 1265 ter wereld in Florence. Via zijn semi-autobiografische Komedie is bekend dat Dante zeer waarschijnlijk een Tweeling is, waarmee zijn geboortedatum ergens tussen 22 mei en 21 juni ligt. Zijn stamboom is zo labyrintisch als het middeleeuwse Florence, maar zijn vader is Alighiero di Bellincione en zijn jonggestorven moeder Gabriella degli Abati, ook wel Donna Bella genoemd. Verder is er vrijwel niets bekend over hun personen, wel dat Dante opgroeit met een broer en twee zusjes, in een leven dat wordt bepaald door godsdienst. Aan de overkant van het familiehuis hoort hij de monniken zingen in de Badia-abdij en bezoekt hij regelmatig de kerk San Martino del Vescovo. Zijn afkomst is bescheiden, maar toch leert hij de voor die tijd gebruikelijke vakken van het Trivium en Quadrivium, bestaande uit de drie basisvakken: grammatica, retorica en dialectiek plus een verdieping in de zeven vrije kunsten: grammatica, logica, retorica, rekenkunde, geometrie, muziek en astronomie. Ondertussen groeit hij op in een Florence dat economisch uit elkaar klapt en voor die tijd bijzonder onafhankelijk en liberaal is. Wetenschappers, intellectuelen en schrijvers trekken naar de ademende en ruimdenkende middeleeuwse stad, waar prachtige gebouwen neergezet worden zoals Santa Maria Novella, il Duomo, Santa Croce en het Palazzo Vecchio.

De overlevering vertelt dat Dantes taalgevoel tot leven komt als hij met schrijver en filosoof Brunetto Latini de eerste stapjes binnen de retorica zet en zijn liefde voor het dichten ontdekt via zijn leermeester. Hij schrijft zijn eerste verzen, begint filosofie te studeren en raakt verslingerd aan het werk van Cicero, Boëthius, Aristoteles, Bonaventura, Thomas van Aquino en begint dichters te lezen als Ovidius, Vergilius, Lucanus en Statius. In het literaire circuit van het dertiende-eeuwse Florence ontmoet hij ondertussen de temperamentvolle Guido Cavalcanti, een van de pioniers van de gloednieuwe dichtstroming dolce stil novo, oftewel: de zoete, nieuwe stijl. Een manier van schrijven die ergens tussen de dichters uit de oudheid en de liederlijke ballades uit de Provence zweeft en zowel een eenvoud als een soort mythische spiritualiteit in zich draagt.

Zijn Beatrice

Hij merkt al snel dat de mens en zijn talenten worden aangestuurd door een centraal gevoel: de liefde. Die heeft hem goed te pakken vanaf het moment dat hij Beatrice Portinari leert kennen als negenjarige jongen. Hij ziet haar in 1274 tijdens de zogenoemde Calendimaggio op 1 mei, de dag dat in Italië de komst van de herfst als een soort hergeboorte wordt gevierd. Nog eens negen jaar later ziet hij haar opnieuw en al wordt er tijdens deze ontmoetingen nooit meer dan een vriendelijke groet uitgewisseld, het blijkt genoeg om zijn ziel voor de rest van zijn leven in vuur en vlam te zetten. Hoewel hij op elfjarige leeftijd als bruidegom wordt ’beloofd’ aan Gemma Donati en Beatrice met Simone dei Bardi trouwt, blijft zij voor altijd zijn muze. Beatrice is het leven, een wonder van God en de stralende zon waar alles omheen draait.

‘Dante merkt al snel dat de mens en zijn talenten worden aangestuurd door een centraal gevoel: de liefde.’

In 1295 publiceert hij daarom La Vita Nuova, een boek met gedichten en proza waarin hij over Beatrice iets wil zeggen ‘dat nog nooit over een vrouw geschreven is’. Hij heeft zich tot aan de Komedie goed aan haar beeld vast moeten houden, aangezien zij in 1290 op 24-jarige leeftijd alweer is geroepen voor ‘de eeuwige glorie van de Almachtige’. Dantes ziel wordt verscheurd door verdriet en velen denken dat hij haar zal volgen tijdens zijn diepe rouw en onstilbare huilbuien. Op dat moment is hij al met Gemma getrouwd, een vrouw die in zijn werk niet voorkomt, maar waar hij schijnbaar een goed huwelijk mee heeft. Het echtpaar krijgt vier kinderen, waarvan Pietro en Jacopo later over hun vaders werk zouden schrijven en Antonia, die als non het klooster in zal gaan onder de naam Beatrice. In deze periode vindt Dante volgens Boccaccio echter minder tijd voor zijn filosofische werk dan hij had gewild: ‘Onder druk van de huiselijke zorgen moest hij de tijd, die hij voordien geheel placht vrij te houden voor verheven bespiegelingen, noodgedwongen afstaan aan gedachten over waar het geld voor de voedsters vandaan moest komen, over de kleren van zijn kinderen en over de andere dingen, die naar de opvatting van het volk en minder voor de filosoof, eerste levensbehoeften zijn.’

En bij ‘deze zorg’ kwam onverwacht een grotere. Niet alleen heeft Dante links en rechts een aantal serieuze schulden opgebouwd, hij raakt bovendien verwikkeld in de politiek. Dante houdt intens veel van zijn stad en is een trotse Florentijn in hart en nieren. Zo vecht de schrijver in 1289 als cavalerist zelfs mee in de slag bij Campaldino en gaat hij mee op campagne tijdens de verovering van het Caprona-kasteel op Pisa. Het middeleeuwse Italië is op dat moment verdeeld in stadstaten die continu met elkaar overhoopliggen en waar goede adviseurs goud waard zijn. In 1295 schrijft Dante zich in bij het gilde van artsen en apothekers, waar kunstenaars en intellectuelen in die tijd onder vallen, waardoor hij zich met de lokale politiek kan bemoeien. Over deze periode is niet zo gek veel bekend. Wel is bekend dat Dante lid is van de volksraad, in een aantal colleges en adviescommissies plaatsneemt en doordringt tot het hoogste bestuursorgaan van de stad: de raad van Prioren. Zijn inzichten worden gewaardeerd en veel zaken gaan eerst door Dantes brein voordat er een besluit valt. Zo gaat hij in 1302 als gezant onder meer op bezoek bij een wel zeer machtswellustige paus.

De ballingschap van Dante

Tijdens die trip naar Rome start onvermoed Dantes nieuwe leven, namelijk dat van zijn ballingschap. In Italië is er een machtsstrijd ontstaan onder aanvoering van de nieuwe en energieke paus Bonifatius VIII, die sinds het wegvallen van keizer Frederik II praktisch de wereld over wil nemen – te beginnen met de Toscaanse steden. Die strijd leidt onder meer in Florence tot een bloedige burgeroorlog tussen de Witte Welfen en de Zwarte Welfen, waarbij de Witten (Bianchi) waar Dante toebehoort strijden voor een onafhankelijk Florence en de Zwarten (Neri) onder leiding van Corso Donati (de vader van Dante zijn vrouw) streven naar meer connectie met de Kerk. De Zwarten proberen in 1300 een coup te plegen als de Witten aan de macht zijn, waarop de raad van Prioren besluiten om de twee ruziënde Welfenleiders te verbannen. Dante is destijds lid van de Prioren-raad en wordt een van de eerste slachtoffers als de Zwarten in 1302 de leiding in de stad overnemen. De dichter is op dat moment op reis naar Rome om eens goed te praten met de paus en wordt ondertussen bij verstek veroordeeld. Hij krijg een flinke geldboete opgelegd, verliest zijn burgerrechten, wordt twee jaar verbannen en later wordt daaraan toegevoegd dat hij op de brandstapel belandt als hij zich ooit nog laat zien in zijn geliefde Florence.

‘Dante weet het dan nog niet, maar hoe graag hij het ook zou willen: Dante zal nooit meer binnen de muren van zijn geboortestad wandelen.’

Daar zit de dichter dan: afgesneden van zijn familie, thuisloos, op de vlucht en zonder plan. Hij begint te zwerven, vaak zonder te weten waar hij de volgende avond zal slapen. Het is moeilijk te zeggen hoe hij precies is gereisd, maar na een aantal omzwervingen is hij richting Verona gegaan om in 1303 en 1304 aan het hof van Bartolomeo della Scala te verblijven. Hij weet het dan nog niet, maar hoe graag hij het ook zou willen: Dante zal nooit meer binnen de muren van zijn geboortestad wandelen. Al is zijn ballingschap geen ideale situatie, het is misschien wel precies wat Dante nodig heeft om zijn kennis diepte en breedte te geven. Hij komt in aanraking met talloze mensen, hoort nieuwe ideeën en verbreedt zijn horizon met elke onbekende stap die hij zet.

In de tussentijd is hij waarschijnlijk langs steden als Arezzo, Forlì, Venetië, Genua, Milaan, Lucca en Padua getrokken en volgens de geruchten zou hij nog filosofie en theologie in Parijs hebben gestudeerd, maar daar ontbreekt overtuigend bewijs voor. In de periode van 1312 tot 1318 vindt Dante opnieuw enige rust in Verona, het langste verblijf tijdens zijn verbanning. In 1315 wordt zijn Inferno al veel gelezen en in deze tijd rondt hij met Purgatoria het tweede deel van het boek af en begint hij met Paradiso aan het laatste deel. Die productiviteit is te danken aan zijn gastheer Cangrande della Scala: iemand die niet moeilijk doet over geld en uiteenlopende mensen onderdak geeft. Dante krijgt een eigen kamer in het paleis, waar hij kan leven en werken. Aan de inrichting is gedacht. Zo vinden kunstenaars schilderijen vol muzen aan de muur, zijn er taferelen uit het paradijs voor de geestelijken en kunnen officieren zich vergapen aan schilderijen vol militaire glorie. Dante krijgt goed te eten, er komen muzikanten en magiërs langs ter vermaak en hij kan de luxe en gastvrijheid haast niet bevatten.

Zijn laatste rustplaats: Ravenna

Als hij uiteindelijk toch verder trekt, is zijn Purgatorio al een populair verhaal in de regio geworden. Wijzer en bekender, maar nog steeds straatarm, komt hij op het pad van Guido Novello da Polenta, de edele ridder en stadsheer van Ravenna en ‘een meester in de wetenschap en vriend van geleerde mannen’. Polenta heeft via-via gehoord dat Dante in geldnood zit en aangezien hij als een heer begrijpt dat grote mannen nergens om zullen vragen, besluit deze filantroop Dante te ondersteunen. Hier kan hij in alle rust zijn grote en misschien wel Italiës beroemdste literaire werk afronden: De Goddelijke Komedie.

Deze oude stad aan de Adriatische Zee is maar al te blij dat ze zo’n groot dichter mag onderhouden en als dank is onze dichter nog eenmalig actief bij een politieke zaak rondom een aanvaring met Venetië. Het zal zijn laatste daad worden, op de terugweg naar Ravenna loopt Dante malaria op in een moerassig gebied en niet lang daarna wordt hij in Ravenna begraven, getooid met een lauwerkrans zoals een groot dichter toekomt. Begraven en wel is het nog altijd niet klaar voor de dichter. De stoffelijke overschotten veroorzaken nog vele relletjes, onder meer als Florence de beenderen van ‘zijn dichter’ opeist en meerdere invallen pleegt om ze te veroveren. Het zal ze niet lukken, zelfs de paus eist in 1519 het lichaam op en heeft Michelangelo al klaarstaan om een tombe voor Dante te bouwen. Maar zodra de pauselijke troepen verschijnen, zijn de beenderen goed en wel verstopt door de lokale monniken en wordt er een lege crypte aangetroffen. In 1677 is het nog eens nodig om de dichter in veiligheid te brengen en dat gebeurt zo goed, dat zijn beenderen pas in 1865 bij toeval door werklui worden gevonden. En daar in de oude straatjes van Ravenna ligt Dante nog steeds, als grote dichter in een bescheiden tempel.

Een kathedraal van een bouwwerk

In De Goddelijke Komedie vat Dante in honderd gezangen de kern van ons vreemde en betoverende leven op aarde. Aan de hand van een reis door het hiernamaals wordt de mens in al zijn akelige afschuwelijkheid en schitterende schoonheid in zijn hemd gezet. Een haast heilig verhaal over het goede en het kwade, wilskracht en toeval, wispelturigheid en verantwoording. Zomaar een mensenleven in snijdende dichtregels. Zevenhonderd jaar geleden geschreven en nog steeds een generatie-overstijgende vertelling over onze gevoelens, onze worstelingen, onze vreugdes, onze zondes en onze liefdes. Een verhalend gedicht dat net zo tijdloos is als wat er binnenin de mens gebeurt.

Het ‘goddelijke’ wordt treffend aan de titel toegevoegd door zijn eerste biograaf Boccaccio, de Komedie is een kathedraal van een bouwwerk. Het heeft iets bovennatuurlijks als de Heilige Geschriften, het lijkt niet geschreven maar gedicteerd door hogere machten. In zijn tijd schrijven een aantal Veronese vrouwen Dante al onaardse krachten toe. Zij zien de dichter lopen en zeggen tegen elkaar: ‘Moet je hem zien, die gaat naar de Hel en hij komt weer terug als hij wil, en hij brengt verhalen mee over hen die daar beneden zitten.’ Gevolgd door een uitspraak van een andere vrouw: ‘O ja, zo eentje moet hij wel zijn. Zie je niet wat een kroezige baard hij heeft en hoe zijn huid donker is van de hitte en de rook daar beneden?’

Wat Dante op de been houdt om tijdens zijn verbanning zo’n gigantisch werk te schrijven? Misschien het verhaal zelf wel. Door zijn zwervende leven komt de dichter bij de kern van de mensheid en weet hij de cultuur en de tijdsgeest van het middeleeuwse leven in honderd filosofische gezangen te vatten. Alles wat tijdloos is, heeft zijn tijd nodig. Het is een complex en mystiek bouwsel vol symboliek dat alles vastlegt wat de dichter geleefd, geleden en geleerd heeft. Als een poëtische autobiograaf vangt Dante de klassieke, (voor)christelijke, islamitische, middeleeuwse, Italiaanse en de Florentijnse wereld in honderdduizend meeslepende woorden.

Leven, lijden en leren

Dat Dante zijn bekendste werk überhaupt af is gekomen en bewaard is gebleven, is al een zeer, zeer wonderbaarlijk verhaal op zich. Tijdens zijn ballingschap schrijft Dante aan zijn Komedie wanneer het mogelijk is en in het roerige Italië stuurt hij voor de zekerheid elke nieuwe zes of acht zangen naar zijn beschermheer Cangrande della Scala. Die verzamelt het werk en schrijft het over voor wie het wil lezen. Toch heeft deze Cangrande niet alle gezangen in huis, want de laatste dertien zijn nooit verstuurd en Dante is inmiddels overleden. Zijn zoons Jacopo en Piero zetten alles op alles, maar weten het niet te vinden. Het toeval wil dat Dantes zoons eveneens dichten en hen wordt gevraagd of ze het af willen ronden.

Het zal niet lang duren voordat deze hoogmoed de twee wordt ontnomen. Op een dag verschijnt er een merkwaardig visioen aan Jacopo, die zich de dag daarna bij het huis van Pier Giardino in Ravenna meldt. Aan deze vriend van de dichter vertelt hij dat hij zijn vader in een droom heeft gezien. Bekleed met schitterende witte gewaden en met een gelaat dat straalt van een ongewoon licht, vertelt Dante dat hij het werk voltooid heeft. Hij leidt zijn zoon naar zijn voormalige slaapkamer en toont hem de plek: ‘Het is hier, wat jullie zozeer hebben gezocht.’ Als fijn stof vervliegt de droom in de warme Italiaanse nacht en inmiddels zijn de twee op pad naar de aangewezen plek. Aan de muur hangt een rieten mat die Jacopo herkent. Ze tillen deze voorzichtig op en in de vochtige muur vinden ze een aantal geschriften. Zo zorgvuldig mogelijk verwijderen ze de schimmel van de pagina’s en herkennen ze in de geschriften de laatste verzen van de Komedie. Net voordat het vocht zich door een hoogtepunt uit de wereldliteratuur vreet, worden de gezangen naar Cangrande verstuurd, die ervoor zorgt dat het goddelijke werk nog eeuwen gelezen kan worden. ‘Het vijandige lot kon Gods wil niet weerstaan,’ zoals Boccaccio erover schrijft.

‘Laat honderd mensen de Komedie lezen en alle honderd lezen ze een ander verhaal.’

Ieder zijn eigen verhaal

Laat honderd mensen de Komedie lezen en alle honderd lezen ze een ander verhaal. De reis van Dante door de hel, de louteringsberg en de hemel is niet alleen zijn eigen reis, maar ook die van de lezer, die een spiegel voorgehouden krijgt. Het is een lied van de ziel over het geluk en het ongeluk in het leven en hoe die zomaar in elkaar over kunnen lopen. Op duizenden manieren zijn de regels van de Komedie door de eeuwen heen ontleed; aan zijn beschermheer Cangrande della Scala schrijft Dante over zijn motieven. Het gaat de dichter voornamelijk om de bevrijding van de gelovige ziel die op weg is naar eeuwige glorie en de ontsnapping aan de zonde. Net als de Bijbel heeft deze tekst vier betekenissen: de letterlijke, de allegorische (symbolische), de anagogische (spirituele) en een tropologische (morele) vertelling.

Dit goddelijke en duivelse boek speelt zich af rondom Pasen en begint op Witte Donderdag van het heilige jaar 1300, wanneer Dante in een donker woud wordt belaagd door drie wilde dieren. Hij kan geen kant op, tot hij wordt gered door Vergilius, de Romeinse dichter die staat voor de menselijke wijsheid. Hij leidt hem door de poort van de trechtervormige hel. Boven de poort van het Inferno tekent Dante de bekende spreuk: ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt.’ Hier begint Dante zijn hiernamaals-odyssee. Van de zwarte, modderige, ijzige, natte en snikhete helleringen waar hij gulzigaards, verspillers, woedenden, dieven, gewelddadigen, bedriegers en vertrouwensverraders ziet creperen in uitzichtloze situaties. Arme en gewetenloze zielen (of een hoop politieke tegenstanders van Dante) die voor altijd in de koude regen moeten staan, worden gegeseld door genadeloze duivels, worden gewurgd en gebeten door kronkelende slangen, in kokend pek drijven, met nagels in de grond zijn vastgeslagen of tot hun wenkbrauwen in een bloedrivier staan. Links en rechts maken de gefolterden toch nog even tijd om met de dichter te praten, bij wie ze hun verhaal kunnen doen en vertellen hoe het toch zo heeft kunnen lopen. Dan verdwijnen ze opnieuw in hoekjes van die gitzwarte eeuwigheid, waarna je de angst bekruipt dat je er ooit terechtkomt.

Zeven dagelijkse zonden

Als Dante en Vergilius de diepste krochten van de hel verlaten door over Lucifer heen te klimmen, belanden ze op de Louteringsberg, de Purgatorio. Het goede weer zuigt de beklemmende duisternis op en de kleuren zijn terug in het landschap, terwijl het duo zich op een eiland bevindt met daarop een berg met zeven terrassen. In de Hel is Dante afstandelijk en beoordelend tegenover hij de zondaars, hier wordt het persoonlijk: om in de hemel te komen, moet men door de hel en de dichter moet een ‘nieuw mens’ worden door zich te bekeren. Dante krijgt zeven P’s (van peccato = zonde) op zijn voorhoofd geplaatst die staan voor de hoofdzonden die Gregorius de Grote opstelde: trots, afgunst, toorn, luiheid, gierigheid, vraatzucht en wellust. De dichter mag de Louteringsberg pas verlaten als hij deze overwint en daarmee de P’s verdwijnen.

‘In De Goddelijke Komedie word je geconfronteerd met je eigen zonden en begin je erover na te denken.’

Tussen de lusteloze zielen die continu rondjes moeten rennen, de jaloersen die elkaar ondersteunen terwijl hun ogen dichtgenaaid zijn, de gulzigaards die uitgehongerd worden en de hebzuchtigen die soms wel honderden jaren op hun buik op de grond liggen tot ze worden verlost, word je geconfronteerd met je eigen zonden en begin je erover na te denken. Vind je het zelf lastig om maat te houden, ben je weleens gierig, gemakzuchtig of jaloers? Zal je ooit verantwoording af moeten leggen? Het is de berg van de simpele mens, met zijn ambities en zijn zwaktes. Over al die zielen die ooit op de wereld leefden en in ons doorleven.

Het licht van God

Na schoongespoeld te zijn, treft Dante zijn geliefde Beatrice bovenop de Louteringsberg, vanuit de Tuin van Eden stijgen ze op richting het Paradijs, het meest theologische gedeelte van de Komedie. Met hoofdstukken die door engelen in zijn oor gefluisterd lijken te zijn, reist Dante door negen hemelkringen. In Paradiso ontmoet hij onder meer Petrus, Jakobus en Johannes die hem aan de tand voelen over zaken als geloof, hoop en liefde. Verder ontmoet hij de eerste mens Adam, spreekt hij Thomas van Aquino, keizers, oude vrienden, zijn betovergrootvader en bereikt hij uiteindelijk het Empyreum waar hij Jezus, Maria en zelfs het directe licht van God zelf aanschouwt. Het zijn de stukken waar hij alle beelden, geluiden en geuren van Gods droomwereld opschrijft. Een wervelende wereld vol licht, dans en muziek, vrede en liefde. Met aardse woorden probeert hij het puurste witte licht te omschrijven dat er bestaat in een oogverblindende taal. Bovennatuurlijke ervaringen die onmogelijk schuil kunnen gaan in de geest van een mens. Alsof hij er zelf is geweest, en misschien wel is.

‘Zo ik levend was, ben ik als dode.’ (Inferno, XIV)

Interview met Dante-bewonderaar Marcel Möring: ‘Ik vond het een waanzinnig avontuur toen ik het voor de eerste keer las.’

Een van Nederlands grootste Dante-liefhebbers is zonder twijfel Marcel Möring: de veelbekroonde schrijver die zijn beruchte roman Dis uit 2006 modelleert naar het Inferno van Dante. Het boek is onderdeel van een trilogie die hij na achttien jaar heeft voltooid met Louteringsberg (2011) en Eden (2016). Karakters spreekt hem over zijn liefde voor de Florentijnse dichter, onder meer naar aanleiding van de nieuwe uitgave van De Goddelijke Komedie die sinds deze zomer in de boekhandel ligt.

Het werk van de in 1957 geboren Möring wordt veelvuldig vertaald vanaf het moment dat hij in 1990 debuteert met Mendels erfenis, waar hij direct de Geertjan Lubberhuizenprijs mee wint. Twee jaar later verschijnt Het grote verlangen, waar hij de AKO Literatuurprijs voor ontvangt en in 1997 publiceert hij In Babylon, de roman die wordt bekroond met de Gouden Uil Literatuurprijs. In 2007 verdient hij op zijn beurt de F. Bordewijkprijs voor Dis, een moderne hellevaart waarin Jakob Noach terugkijkt op zijn leven tijdens een roerige nacht voorafgaand aan de TT in Assen.

Een waanzinnig avontuur

Het indrukwekkende verhaal van Dante is Möring altijd bijgebleven sinds hij het eind jaren zeventig voor het eerst las. ‘Ik was al vroeg fan van James Joyce en zodoende kwam ik uit bij Dante, die voor Joyce zo belangrijk is geweest. Daar moest ik meer van weten en het toeval wil dat ik een prachtige, zesdelige uitgave van Harvard University op de kop kon tikken toen ik een jaar of 22 à 23 was. Het was een tweetalige editie en ik weet nog dat ik direct in het verhaal werd gezogen,’ vertelt Möring enthousiast. Uit zijn hoofd citerend: ‘Nel mezzo del cammin di nostra vita, mi ritrovai per una selva oscura, ché la diritta via era smarrita. (Halverwege onze levensweg bevond ik mij in een donker woud, want de rechte weg was verloren gegaan.) Dat is een fantastische zin! Daarop besloot ik het boek verder in het Italiaans te lezen. Ja, je moet er even goed voor gaan zitten, maar het gaat best met een woordenboekje erbij.’

Waarom de belevenissen van Dante (nog steeds) zo indrukwekkend zijn, daar heeft Möring wel een aantal verklaringen voor. ‘Ten eerste is dat ‘Hel’, dat naar mijn mening het sterkste gedeelte is van de Komedie. Puur wat daar inhoudelijk gebeurt als Dante met Vergilius van ring naar ring afdaalt, alle verhalen hoort van die zondaars en hoe ze gestraft worden. Dat is een heel sterke vorm, het is overzichtelijk en het wordt spannender hoe verder je gaat. Het is al bijzonder dat je zo’n reis door de hel weet te beschrijven in de vorm van een lang gedicht en al helemaal zó beeldend en aansprekend. Ik vond het een waanzinnig avontuur toen ik het las,’ zegt Möring. Daarmee komen we aan bij het tweede punt, iets waar zelfs de grote Botticelli zich al mee bezighield: ‘De overzichtelijkheid van het werk: je kunt de reis van Dante zo uittekenen. Er zijn door de eeuwen heen ontzettend veel schema’s gemaakt en zo’n overzichtelijke ordening is ontzettend prettig voor een lezer.’

Marcel Möring: ‘Het boeiende van de Komedie is dat het een van het eerste, zo niet het eerste literaire werk in de volkstaal is.’

En dat niet alleen: ‘Het boeiende van de Komedie is dat het een van het eerste, zo niet het eerste literaire werk in de volkstaal is. Door het niet in dat vervloekte Latijn te schrijven, weet iedereen direct wat er aan de hand is en welke politieke zaken er besproken worden. Plus: er werd natuurlijk niet ontzettend veel gelezen in die tijd, maar zelfs voor de belezen mensen moet het een shock geweest zijn. Een verhaal dat begint met: ‘‘Halverwege onze levensweg bevond ik mij in een donker woud.’’ ‘‘Ik?!’’ lees je dan, ‘‘De schrijver zelf?!‘‘ Later spreekt hij nog eens meerdere malen de lezer direct aan. In die vorm had nog nooit iemand geschreven. Hij weet het op te schrijven alsof hij daar inderdaad geweest is,’ zegt Möring. Anderzijds is het een klassiek thema dat Dantes tocht door het hiernamaals versterkt: ‘Het overkoepelende liefdesverhaal. Je weet dat Dante door de hel gaat en de Louteringsberg beklimt om richting de hemel te gaan voor zijn Beatrice. Het is een klassieke queeste.’ En vooruit, nog een allerlaatste dan: ‘Uiteindelijk is het kwaliteit van de tekst, de pure literaire kwaliteit. Hij is een leerschool voor iedereen die hem leest. Het is niet alleen die eerste zin, maar zo’n uitdrukking als ‘‘het meer van het hart:’’ prachtig! Lees Dante en je hebt als schrijver allerlei materiaal tot je beschikking.’

Nieuwe werelden

De verhalen van Dante laten na al die eeuwen nog steeds een grote indruk achter, zowel voor de mens als voor de schrijver. ‘Dante maakt zich ik-weet-niet-hoeveel pagina’s ontzettend druk over de lokale politiek in het Florence van destijds. Dat is zo mooi: hij windt zich op over zaken die totaal niet van belang zijn, maar geweldig belangrijk zijn voor de tekst. Dat heeft mij wel iets geleerd: veel van die dingen waar je je druk over maakt, zoals politiek en de maatschappij: uiteindelijk is het allemaal gelul. Het gaat weer voorbij, morgen is er een nieuwe dag, de zon gaat op en de zon gaat onder. Wat van belang is, is wat je kunt gebruiken als materiaal voor het verhaal dat je wilt vertellen.’

Zo heeft Dante bij de jonge Möring van alles achtergelaten. ‘Boeken zitten doorgaans eenvoudig in elkaar: ze hebben een begin, een midden, een einde, er is een plot en er wordt een verhaal verteld dat dicht bij de lezer staat. Maar Dantes verhaal staat dicht bij helemaal niemand! Zelfs toen de meeste mensen in die tijd nog in de hel en in de hemel geloofden, was die wereld onmogelijk voor te stellen. En toch was je er, aan de hand van Dante. Dat heb ik er wel aan overgehouden: als literatuur écht geslaagd is, dan neemt het je mee naar plekken waar je normaal gesproken niet kunt komen.’