Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: Connie Palmen

Achtergrond

Nationaliteit Nederlandse
Bekendste werk I.M. (1998)
Eerste werk De wetten (1991)
Geboren 25 november 1955
"Hoe meer verslavingen je hebt, hoe slechter je in staat bent de waarheid over jezelf te erkennen. Niet het zoeken van de waarheid is de kunst, haar te leren verdragen, daar gaat het om." − Connie Palmen

Het vlees is woord geworden

‘Ik hou veel van boeken’, stelt Connie Palmen in de inleiding van haar essaybundel Echt contact is niet de bedoeling (2000). Nogal wiedes voor een schrijver, zou je denken. ‘Maar het meest hou ik van mijn eigen boeken’, hervat ze. Een statement dat misschien verklaart waarom Palmens – vaak biografische – werken door critici worden weggeschreven als intellectuele hoogmoed.

Het persoonlijke publiek maken is vandaag de dag voor schrijvers een bekende marketingtruc – een lezer zoekt immers al snel naar sensationele details in het werk van de schrijver. Palmen was echter een van de eersten die bewust deze grens tussen feit en fictie opzocht, en deze ook inzette: in 1998, het jaar voor de verschijning van de televisieserie Big Brother, publiceert Palmen de roman I.M., een autobiografisch werk over het verlies van haar vriend, de bekende journalist Ischa Meijer. Hoewel de lezers met Palmen meerouwen en haar boek gretig aftrek vindt, wordt ze door tout literair Nederland beschuldigd van het bespelen van de media met een voyeuristisch verhaal. 


Palmen haakt in de late jaren negentig in op een tendens die tegenwoordig gangbaar is: ze deelt haar intiemste geheimen met de lezer. Maakt dat van Palmen niet meer een celebrity, een mediafiguur, dan een literair auteur? Een vraag waar veel recensenten mee worstelen; criticus Hans Goedkoop beweert dan ook over I.M. dat dit ‘niks met literatuur te maken heeft’.

Misschien bedoelde Goedkoop wel de literatuur die híj tot voorheen kende – want Palmen kan zich met onder andere de AKO Literatuurprijs (1995 voor De vriendschap) en de Libris Literatuurprijs (2016 voor Jij zegt het) inmiddels makkelijk tot het literaire establishment rekenen. In haar werk onderzoekt Palmen de invloed van verhalen, ideeën, concepten: zaken die voortkomen uit het leven dat zij zelf leidt. Haar vlees is haar woord geworden.

Tekst: Lotte Krakers Illustraties: Jonathan De Vos

Tussen een Spice Girl en filosoof

Aldegonda Petronella Huberta Maria Palmen, roepnaam Connie, werd op 24 november 1955 geboren in Sint Odiliënberg te Limburg, een kloosterdorp in de buurt van Roermond. ‘We hadden veel feesten, weinig wetten’, schrijft Palmen in haar debuutroman De wetten over het katholicisme. Geloof is onlosmakelijk verbonden aan het leven van de jonge Palmen, die al vroeg besluit ook non te willen worden, net als de juffen op haar basisschool. ‘Dat had te maken met het verlangen naar rust,’ stelt Palmen later, als ze terugkijkt op haar tijd in Limburg. ‘Ik wilde eigenlijk maar één ding aan m’n kop hebben, en God is dan toch wel het grootste.’

In haar vroege jaren heeft Palmen nog weinig andere zorgen aan haar kop dan God – ze groeit op in een vredig gezin, een warm katholiek thuis. Haar drie broers beschouwen haar als een van hen, en ze maakt zich hun manieren eigen: je zult de jonge Connie nooit in een nette jurk tegenkomen, en ze is als een echte kwajongen niet op haar mondje gevallen. ‘Voor het ruwe, roekeloze en ongedurige kind dat ik was, is het uitzonderlijk dat ik nooit een arm, been of de nek brak.’


Leergierig is Palmen altijd al geweest, maar een voorbeeldige leerling wordt ze pas als ze zich van de mavo naar de universiteit opwerkt. Op de mavo miste ze uitdaging. ‘Het is mijn verstand, mijn lot, dat me veroordeelt tot een leven met weinigen,’ zegt ze dan ook – uit een intelligentietest blijkt dat ze zich mag rekenen tot de slimste 1% van de wereldbevolking. In haar puberteit verlegt ze haar passie voor het geloof naar de filosofie, wat ertoe leidt dat ze in 1978 naar Amsterdam vertrekt om Nederlandse taal- en letterkunde, en later filosofie te gaan studeren. Ze rondt de eerste cum laude af, en ook in haar studie filosofie slaagt ze met bovengemiddelde resultaten. Ze zit met presentator Matthijs van Nieuwkerk in de collegebanken, die in tegenstelling tot Palmen wel iets anders aan zijn hoofd had dan de modelstudent uithangen. Palmen schrijft zijn scriptie. Haar eigen scriptie, Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates, wordt in 1992 – als Palmen al is doorgebroken – in aangepaste vorm gepubliceerd.

Met het verhaal De weke krijger (1988) betreedt Palmen het literaire veld. Ze weet met deze publicatie, van een halve pagina lang, de aandacht te trekken van Uitgeverij Prometheus. In cultureel centrum De Balie te Amsterdam ontmoet ze uitgever Mai Spijkers, die gelijk toeslaat als hij meer van Palmen leest: in 1991 verschijnt haar debuutroman De wetten. Het boek, dat verhaalt over een studente en zeven mannen die op haar pad komen, wordt in maar liefst 17 talen vertaald. Nog voor haar debuut in de winkel ligt verschijnen er al interviews met Palmen in gerenommeerde dagbladen. Deze media-aandacht, haar excentrieke voorkomen – het piekerige haar en de Limburgse tongval – en haar filosofische kennis maken ‘La Palmen’ tot een interessante verschijning, die aspecten van hoge en lage cultuur combineert. De wetten is een klassieke, toegankelijke roman met een filosofisch tintje: het boek gaat over zingeving, over betekenistotstandkoming en dat betekenis toegeschreven krijgen onvermijdelijk is. Het boek wordt in het eerste jaar van verschijnen wel veertien keer herdrukt.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Palmen haar eerste grote liefde tegenkomt tijdens een media-optreden. Op 5 februari 1991, vlak na het verschijnen van De wetten, is ze te gast in Een uur Ischa, het radioprogramma van journalist Ischa Meijer (1943-1995). Dat het om liefde op het eerste gezicht gaat is te lezen in I.M. (1998), het verslag van de liefdesgeschiedenis van Palmen en Meijer. De twee hoofpersonages, Ischa en Connie, zijn zo weg van elkaar dat lichaam en geest het compleet begeven – in het eerste hoofdstuk van de roman doen ze het bij elkaars aanblik beiden in hun broek: ‘Zonder me van te voren te waarschuwen wijkt mijn kringspier uit elkaar en doe ik het in mijn broek. Tegenover me spreidt hij zijn benen, grijpt naar zijn kont en roept verbaasd uit dat hij in zijn broek heeft gepoept.’


Het stel staat te boek als een clownesk duo – Palmen en Meijer verschijnen geregeld samen in de media, en Meijer schrijft vaak over zijn relatie met ‘het filosoofje’ in zijn column De Dikke Man, die dagelijks in Het Parool verschijnt. De twee zijn onafscheidelijk: ‘met Ischa was ik nooit alleen. Hij was er altijd, en dat ging goed. Ik werkte in mijn eigen huis, maar dan belde hij me om het kwartier op, of hij kwam bij me binnenvallen. Sterker: als hij niet om het kwartier belde, kon ik niet werken. Ik zat dan zo naar hem te verlangen dat ik uit verlangen niet schrijven kon.’

Het noodlot slaat echter toe als Meijer, na een vierjarig samenzijn met Palmen, in 1995 op 52-jarige leeftijd overlijdt aan een hartaanval. Palmen cancelt onverhoopt de publiciteitscampagne voor haar nieuwe roman De vriendschap, die veertien dagen na Meijers dood verschijnt. Op de valreep zorgt Mai Spijkers ervoor dat er een beetje van Meijer meegenomen kan worden in het boek: het motto verandert in een van zijn versjes. ‘Soep op het vuur is als een goede vriend in huis / extra lekkere soep is als nieuwe familie – Ischa Meijer (1943-1995)’. Ondanks de ontbrekende promotiecampagne loopt het boek als een trein, en wint het in 1995 de AKO Literatuurprijs.

De vriendschap is Palmens boek over afhankelijkheid: de afhankelijkheid van verbintenissen zoals die met vrienden of familie, maar ook de ziekte van de afhankelijkheid: verslaving. Dit thema speelt een grote rol in het oeuvre van Palmen: ‘in mijn boeken wordt de redding gevonden binnen een terrein waarop de afhankelijkheid voor het personage het minst kwellend en de verworvenheid het grootst is. De wetten, De vriendschap, I.M. en De erfenis zijn romans waarin een van de personages dat terrein verovert en dat terrein is dat van de taal.’


In 1998, drie jaar na Meijers dood, verschijnt het boek I.M., dat opnieuw een talig spel is. Palmen bevraagt of taal toereikend is om de waarheid over een liefdesgeschiedenis te vertellen. Is het mogelijk om woorden te geven aan de dood van een geliefde? In haar inmiddels typische autobiografische, fictionele reflectieve stijl, die ze zelf autobiofictie noemt, beschrijft ze de vier jaar die het personage Connie met het personage Ischa doorbracht. Personages, want Palmen stelt dat ze nooit een boek heeft geschreven om iets over zichzelf uit de doeken te doen. Toch lezen critici I.M. als een autobiografisch boek, en de kritieken die Palmen ontvangt zijn dan ook vooral op haar als persoon gericht. Van gevoelskitsch tot een zoetsappige, keukenmeiderige soap, de besprekingen van I.M. zijn niet al te best. In weekblad De Groene Amsterdammer wordt Palmen zelfs The Spice Girl van de Nederlandse Letteren genoemd: hoezeer Palmen ook het tegendeel probeert te bewijzen, alles aan haar is commercieel en gekunsteld. De verontwaardiging over het boek is groot, waardoor iedereen het wil lezen.

Palmen wordt in 1999 gevraagd het Boekenweekgeschenk te schrijven. Met De erfenis levert ze een novelle af over dood, ziekte en liefde. De oplage van De erfenis is uitzonderlijk hoog – opnieuw bewijst Palmen een verkoopsucces te zijn. In dit zelfde jaar ontmoet ze politicus Hans van Mierlo (1931-2010), haar tweede grote liefde. Van Mierlo is op dat moment minister van staat, en lijdt aan leverfalen. Hun relatie stond vanaf het begin al in het teken van het mogelijke einde.

Gedurende haar relatie met Van Mierlo brengt Palmen twee boeken uit. Geheel de uwe (2002) is opnieuw een relaas over haar relatie met Meijer, en de roman Lucifer (2007) een detectiveverhaal dat zich afspeelt in de Amsterdamse grachtengordelelite. Dat laatste zorgt voor flink wat commotie: in Vrij Nederland wordt het boek afgedaan als ‘roddelfilosofie’ en ‘beunhazerij die zichzelf voor postmodern houdt’. Palmen verweert zich opnieuw met het argument van fictie.

In 2009 trouwt Palmen met Van Mierlo. Hij zal een half jaar na de bruiloft overlijden. Kort daarna pakt Palmen de pen weer op. Ze is van mening dat iedere schrijver die de dood van een geliefde meemaakt, moet schrijven. Het werken, dat zorgt dat ze haar leven op de rit krijgt, resulteert in Logboek van een onbarmhartig jaar (2010). Geen roman, want Palmen heeft met dit boek niet een literaire maar een existentiële doelstelling. Ze schrijft om niet te vergeten. Het boek is opnieuw erg persoonlijk: ze schrijft over schaamte, seksueel verlangen en de gevolgen van haar vele alcoholgebruik.

Palmen blijkt gevoelig voor drank: na het overlijden van Van Mierlo probeert ze zichzelf ‘weg te maken’. Na een aantal dieptepunten besluit Palmen dat het zo niet langer kan, en ze klopt in 2013 hondsberoerd aan bij een verslavingskliniek.

Na dit dal herpakt Palmen zich in 2015, met haar roman Jij zegt het (2015). Dit boek vertelt het verhaal van het dichterskoppel Sylvia Plath en Ted Hughes, vanuit het perspectief van Hughes – door velen beschouwd als de moordenaar van zijn vrouw. Palmen sleept met dit boek de Libris Literatuurprijs in de wacht. In het juryrapport staat dat Palmen niet wordt meegesleurd in de modderstroom van clichés en roddels over het echtpaar. Integendeel: zij kuste de liefde tussen beiden wakker. En misschien is dat wel waar Palmen het best in is – scènes die uit het leven gegrepen zijn in een groter verband plaatsen, ze onderdeel maken van een filosofisch idee. En of die scènes nou waargebeurd zijn of niet: de moeite waard zijn ze sowieso.


Introductie van het werk: I.M. (1998)

Het werk van Palmen valt op omdat ze wetten uit de literatuur toetst aan ervaringen uit haar echte leven. Het toppunt van zo’n experiment is haar boek I.M., dat in 1998 verscheen. De titel kan gelezen worden als In Memoriam, In Margine of Ischa Meijer. Vooral de laatste lezing is toepasselijk – het boek vertelt het verhaal van de liefdesrelatie tussen de personages Connie Palmen en Ischa Meijer. 


Een autobiografie is het boek echter niet, ook al zijn alle gebeurtenissen en personages terug te voeren op de non-fictieve werkelijkheid. Palmen zegt hier zelf over: ‘toch is het iets anders om een autobiografie dan een roman te schrijven en ik kan altijd weer met de hand op mijn hart bezweren dat ik romans heb geschreven en ook niets anders beoogde dan het schrijven van romans. En een roman schrijf je met een andere intentie, met een ander doel en met andere richtlijnen dan een autobiografie. Een roman wordt bij elkaar gehouden door een gedachtegoed, een structuur en een bindweefsel dat voor de lezer niet per se zichtbaar, leesbaar en herkenbaar hoeft te zijn, maar dat voor jou als schrijver essentieel is.’ Op het omslag van I.M. prijkt dan ook in grote letters het woord roman.

Het boek bestaat uit twee delen, te beginnen met In Margine. In margine omdat zowel Connie als Ischa door hun status als publiek figuur buiten de samenleving staan, zijn gemarginaliseerd. Het personage Connie is succesvolle debutante, het personage Ischa een bekende journalist en interviewer. Ze ontmoeten elkaar in een radioprogramma, waar Ischa Connie zal interviewen over haar recent verschenen boek De wetten. Het is liefde op het eerste gezicht, en Connie stelt dat ze al ‘jaren rondloopt met het halsstarrige idee dat Ischa Meijer en ik elkaar op een dag zullen ontmoeten en dat er dan iets tussen ons gebeurt’.

Wat volgt is de veelbesproken broekpoepscène: als Ischa en Connie elkaar anderhalve week na het radio-interview weer treffen doen ze het beiden van spanning in hun broek. Dit zet de toon voor de rest van het eerste deel van de roman – de lezer wordt getuige gemaakt van de meest intieme details van hun relatie. We volgen de perikelen in de slaapkamer, de vele reisjes naar Amerika, de ruzietjes en uiteindelijk de rouw die volgt op al dit geluk. Ischa overlijdt aan een hartaanval, en Connie is ontroostbaar: ‘wat ik kan zeggen tegen anderen is dat ik in de hel leef. (…) Rouw is rauw. Ik kan niets bakken van zijn dood, niets.’

Het tweede deel van de roman, In Memoriam, is rouw opgetekend in zijn puurste vorm: Palmens schrijven wordt fragmentarischer, net als het personage Connie zelf, dat zich zonder haar wederhelft Ischa verscheurd voelt. Uit een innerlijke drift pent ze haar verdriet neer. Deze integriteit wordt door critici in twijfel gebracht: zij zien Palmen als een lijkenpikker, die met een sensationeel verhaal wil verdienen aan de dood van haar man.

Palmen tekent alle details over de verhouding op – het boek is dan ook aardig intiem. De lezer weet op voorhand dat Ischa Meijer komt te overlijden, want het boek volgt – voor zover wij dat als lezer kunnen zeggen – waarheidsgetrouw de geschiedenis van het stel. Hun gepassioneerde liefde wordt vanuit het oogpunt van Connie verteld. Toch is I.M. meer dan alleen een sensationeel liefdesverhaal: de lezer krijgt ook de kans een kijkje te nemen in het schrijfproces van Palmen, waarop ze veelvuldig reflecteert. I.M. belichaamt de tegenstelling tussen hoge en lage cultuur, die terugkomt in opposities als journalistiek versus literatuur, Amerika versus Europa en populaire cultuur versus filosofie. Connie en Ischa zijn ook op te vatten als een van die opposities: hij manifesteert zich als een publiek en commercieel figuur, terwijl Connie haar positie als kunstenaar benadrukt, en het schrijven niet als een beroep, maar een roeping ziet. Reden voor critici om Palmen aan te vallen op haar pseudo-intellectuele gewauwel. Emma Brunt beschuldigt Palmen in HP/De Tijd van ‘individualisme en intellectuele hoogmoed’. Nop Maas valt er in het Haarlems Dagblad over dat Palmen de lezer constant wil laten weten dat zij niet van de straat is.


Dat het boek flink wat losmaakt is duidelijk: de verschijning van I.M. begint de vormen aan te nemen van een opstootje. Het boek wordt bestempeld als voer voor voyeurs, een relaas dat iets wegheeft van een artikel uit een roddelblad. Schrijver Joost de Vries ziet 1998 dan ook als een kantelpunt in de literatuur: het was het startsein van een vorm van literatuur die zich richtte op het privéleven van schrijvers. Maar de lezer die buiten al deze sensatie kan kijken vindt in I.M. vooral een puur en intens liefdesverhaal, aangevuld met mooie filosofische beschouwingen over verlies. Niet alleen voer voor voyeurs dus, maar ook voor literatuurliefhebbers.

Interview met journalist en literatuurwetenschapper Koen Schouwenburg

‘Een sensationele lezer die te veel focust op autobiografische elementen in Palmens romans mist veel andere mooie thema’s.’






Koen Schouwenburg schreef een essaybundel over het oeuvre van Palmen, Talend naar betekenis (2017). In deze bundel verkent hij de belangrijkste ideeën en thema’s die naar voren komen in Palmens werk.


Karakters: Een hele bundel over het werk van Connie Palmen, dan moet je wel erg door haar geboeid zijn.

Koen Schouwenburg: natuurlijk is ze een favoriet van me. Het lezen van I.M. was voor mij zo’n significante ervaring dat ik meteen haar hele oeuvre door heb gespit. Het was de eerste keer dat ik met plezier literatuur las. De essayistische elementen in haar werk spreken me aan – haar romans zijn niet plotgericht, maar draaien vooral om geestelijke verinnerlijking. De verhalen die Palmen vertelt zijn altijd functioneel voor het idee dat ze wil onderzoeken. Geheel de uwe is wat dat betreft het meest complex: dat boek zit boordevol met hele indrukwekkende gedachtes en zelfgecreëerde concepten. Misschien een beetje saai, maar eigenlijk vind ik alles van Palmen erg goed.

Je essaybundel draagt de titel Talend naar betekenis. Hoe is die titel terug te voeren het werk van Palmen?

De titel is afgeleid uit een citaat uit De vriendschap. Ik koos voor deze titel omdat het alle werken van Palmen in het teken staan van betekenisgeving – zowel het toekennen van betekenis als betekenis toebedeeld krijgen. Een van de zinnen die dit idee het beste samenvat komt uit I.M.: ‘roem maakt je een personage in het verhaal van anderen.’ Hierin zie je duidelijk dat betekenis – in dit geval in de vorm van bekendheid – je toegekend wordt door anderen. Zo speelt Palmen de hele tijd met betekenis, maar ze verlangt er ook naar.

Je essays belichten het werk van Palmen in het een literatuurwetenschappelijke context. Is haar oeuvre makkelijk in een breder verband te plaatsen?

Die contextualisering is natuurlijk maar een constructie van de beschouwer. Ik heb Palmen een exemplaar van mijn bundel opgestuurd, maar voor hetzelfde geld kan zij van mijn interpretaties geen chocola maken. Voor Nederlandse begrippen vond ik het wel moeilijk om Palmens werk onder een bepaalde literaire beweging of stijl te scharen – het heeft de vorm van het modernisme met het gedachtegoed van het postmodernisme. Haar werk is heel rijk en essayistisch en doet me daarom aan grote namen als Proust en Musil denken. Ook heeft het iets weg van E. du Perron, met zijn Het land van herkomst.

Hoe reageerde je omgeving op het feit dat je een bundel aan Palmen wijdde?

Er wordt door critici vaak een beetje schamper over Palmen gesproken, maar gelukkig was mijn directe omgeving wel positief. Ik denk dat Palmen soms wat weerzin oproept bij mensen omdat ze zo zelfverzekerd is. Het is natuurlijk ook verleidelijk om mensen die hoog van de toren roepen neer te willen sabelen. Als ik van anderen hoor dat Palmen dronken in een talkshow heeft gezeten, dan durf ik dat niet terug te kijken.


Denk je dat er een wisselwerking bestaat tussen Palmens publieke figuur en haar oeuvre?

Dat beïnvloedt elkaar heel erg. In eigenlijk al haar werken kun je personages en gebeurtenissen terugvoeren op het leven van Palmen zelf. In mijn bundel heb ik hiervoor gewaakt, ik wil haar boeken het liefst gewoon als fictie beschouwen, en richt me daarom alleen op de tekst. Toch is het logisch dat veel lezers Palmens leven en de inhoud van haar boeken gelijkschakelen: in de nieuwe essaybundel van Zadie Smith, Voel je vrij, staat een stuk over wat zij de ‘autobiographical error’ noemt. Zelfs zo’n gevestigde auteur geeft aan dat zij soms de fout maakt om hoofdpersonages te vereenzelvigen met de schrijver. Het is niet iets dat alleen domme lezers doen – iedereen doet dit, ik ook.

Misschien wil Palmen dat ook wel.

Dit is iets waar ik lang over heb getwijfeld. Waarom geeft ze haar personages non-fictieve namen, en waarom lijkt ze gebeurtenissen uit haar echte leven direct te gebruiken voor haar verhalen? Ik weet het niet. Alle tekenen wijzen er wel op dat ze er iets mee wilt. Of ons als lezer misleiden, of juist verleiden. Maar wat ik wel weet is dat een sensationele lezer die te veel focust op autobiografische elementen in haar romans veel andere mooie thema’s uit Palmens boeken mist.

Hoe verhoud jij je tot de harde kritieken die Palmen over zich heen krijgt?

Literaire recensenten doen vaak alsof ze met het werk in discussie gaan, maar het is de auteur die ze tackelen. Ik vind dat een slappe manier van aanvallen. In de besprekingen van Palmen zit negen van de tien keer wel iets venijnigs. Ik vind een persoonlijke aanval geen gegronde manier van recenseren. Vooral bij de ontvangst van I.M. had ik het idee dat literair Nederland wilde voorkomen dat Palmen wéér met een bestseller zou komen. Critici verweten Palmen dat dat boek op geen enkele manier een roman was, zonder een definitie te geven van wat dan wél een roman is. Zo kun je niet met elkaar in discussie.

Vind je het onethisch dat Palmen persoonlijke details over haar overleden partners Ischa Meijer en Hans van Mierlo in haar boeken heeft verwerkt? Zij konden er immers niks meer op aanmerken.


Ik denk dat je als schrijver een ‘fuck de rest’-houding moet hebben, en dat heeft zij absoluut. Ze heeft zich door de familie van Van Mierlo niet laten tegenhouden. Ze heeft geen kinderen, daarom kan ze zich dat soort keuzes ook permitteren. Haar leven is het schrijven.