Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: August Willemsen

Achtergrond

'Wil de ware August Willemsen opstaan?' – Anton de Goede (1999)
Nationaliteit Nederlands
Bekenste werk Brazilliaanse brieven (1985)
Bekendste vertaling Alleen op de wereld (1999, Hector Malot), nagenoeg het gehele oeuvre van Pessoa
Geboortedatum 16 juni 1936
Overleden op 29 november 2007
In 1983 werd August Willemsen bekroond met de Martinus Nijhoff Vertaalprijs voor al zijn vertaalde werk.

Een vreemd soort missen

De avond van 12 maart 2015 is waterkoud – maar in Casa Munganga, een knus theaterhuis in Amsterdam-Zuid, zit een bont gezelschap warmbloedigen bij elkaar. Er wordt stilgestaan bij de dertigste verjaardag van Braziliaanse brieven, het bekendste boek van schrijver, vertaler en essayist August Willemsen. Hoewel, stilgestaan? Er schalt gelach om anekdotes, er is dans, theater en muziek. Intieme vrienden, volslagen vreemden en nooit vergeten vrouwen slikken en snikken wanneer de reusachtige gestalte van ‘Guus’ op een scherm verschijnt en zijn warme stem de ruimte vult. De man van de avond, in 1936 geboren maar sinds 2007 al dood, raakt ons, omvat ons, waart nog rond. En ik? Ik voel saudade, dat vreemde heimwee dat zich niet laat grijpen, het gemis van iemand die ik nooit gekend heb.

Tekst: Nils von der Assen Illustraties: Gigi van Grevenbroek

August Willemsen, de auteur

Een portret van August Willemsen is als een conversationpiece: een portret ván een portret, een schilderij in een schilderij. Hij was verscheidene mannen en jongens ineen, en wie je het scherpst ziet hangt af van het perspectief dat je hanteert. Is het de virtuoze vertaler, die het werk van onsterfelijke Portugeestalige auteurs als Fernando Pessoa, João Guimarães Rosa en Graciliano Ramos ontsloot voor een Nederlands publiek, een Braziliaanse ridderorde ontving en in 1983 onderscheiden werd met de Martinus Nijhoffprijs? Is het de vlijmscherpe essayist die prachtig over taal en vertalen schreef, een homme de lettres in de zuiverste zin van het woord? Of zie je vooral de man die Max Pam ooit tegenkwam bij de slijter, de alcoholist die angstvallig een fles whisky achter zijn rug hield en op zijn 71ste na een leven lang zuipen overleed?

Vrienden, vreemden, vrouwen

Voor mij is Willemsen boven alles de schrijver van twee intens persoonlijke werken, de genoemde Braziliaanse brieven en de dagboekbundel Vrienden, vreemden, vrouwen – boeken die mij geraakt en op een bepaalde manier ook gemáákt hebben zoals weinig werken ooit deden. Vrienden, vreemden, vrouwen, in 1998 verschenen in de Privé-domeinreeks, is een samenvoeging van dagboeknotities die Willemsen tussen zijn twintigste en zijn achtentwintigste maakte – op zijn jongenskamer, in cafés,op reis door Frankrijk, Spanje en Portugal –, van duiding voorzien door de schrijver als volwassene. Lees ze en je waant je jong in het Amsterdam van de late jaren vijftig en vroege jaren zestig. Beter nog: stop een stadskaart bij je, stap op de fiets en ga langs de plekken van Guus’ jeugd.

Er is het huis aan de Achillesstraat, waar hij in 1936 werd geboren als zoon van een vader met een dubieus oorlogsverleden (‘een soort revanche-nsb’er’ die Hitler, zo schreef Willemsen,‘een gigant’ noemde) en een vaak verdrietige moeder, die torenhoge verwachtingen van hem had. Het Hervormd Lyceum aan de Brahmsstraat, waar hij klasgenoten en leraren trof die hem aanspoorden te doen waar hij goed in was. Het conservatorium, waar hij fanatiek studeerde en hem aanvankelijk een carrière als concertpianist voor ogen stond, maar dat hij rond zijn 23ste de rug toekeerde. Er is de zolderkamer aan Singel 404 (nu een lunchcafé), waar Willemsen een poosje inwoonde bij zijn vriend Jaap (Hillenius, de Nederlandse kunstschilder, tekenaar en graficus die in 1999 werd doodgereden door een tnt-bestelbusje). Er wás Van Gelderen, de ter ziele gegane tijdschriftenhal op het Damrak waar hij een paar jaar werkte. J. Walter Thompson op het Leidseplein, het gerenommeerde reclamebureau waar er begin jaren zestig doorlopend whisky werd geschonken en hij als copywriter de lollige slogan ‘Chocomel proef je wel!’ bedacht. En er zijn kroegen, natuurlijk, die eindeloze kroegen.

Vrienden, vreemden, vrouwen grijpt zo aan omdat in de acht jaren die het beslaat (1956-1964) álle thema’s voorbijkomen die Willemsens latere leven zouden kleuren. Het is een klassiek relaas van (niet) zomaar een jeugd, een werk dat nu eens leest als een boek der rusteloosheid en dan weer als een moveable feast. Je bent bij de feestjes, de concerten die hij bezoekt. Leest de boeken die hij leest. Je leert zijn vrienden kennen, meer en minder artistieke types die hij kent van het conservatorium, de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers (nu de Breitner Academie) of gewoon uit de kroeg, en meisjes die hem het hoofd op hol brengen. In zijn dagboeken doet hij wat we allemaal doen – als twintiger, maar eigenlijk ons leven lang: onszelf proberen te begrijpen, vaak tevergeefs, en verwoed proberen onze plek in onze sociale kringen te duiden. In oktober 1957 schrijft hij:

‘Met Jack had ik het over onze vrienden, over vriendschap in het algemeen,’ schrijft hij in oktober 1957. ‘Ik zei: “Johannes, Ype, die ken je; mijn grote vriend Jaap ken je ook, en dan is er nog het meisje Marian.” “Aha!” riep hij uit. “Aha. Het meisje Marian.” Hij kon natuurlijk niet begrijpen wat ik bedoelde. De moed ontzonk me ook erover te vertellen. Ik heb het gevoel dat echt iedereen me aanziet voor een ander dan ik ben. Ik zei het nog tegen Jack: die degelijke Willemsen, integere vent, gymnasium, studeert, leest, piekert – de hoer ontbreekt eraan.”

 
‘Het meisje Marian’ is Marian Plug, en wat hij bedoelt is dat deze Marian een verliefdheid in hem aanwakkert die hem bijkans gek maakt. Hij kent haar via zijn kunstenaarsvriend Jaap – Plug ontving later als landschapsschilder verschillende prijzen – en raakt hevig van haar in de ban. Háár van haar stuk brengen lukt hem niet, althans niet op de manier die hij voor ogen heeft. Die zomer hebben ze samen door Spanje gereisd en heeft zij zich (volgens Willemsen maar al te) ontvankelijk getoond voor de avances van allerlei Spanjaarden, maar zijn hun onderlinge gevoelens onbesproken gebleven en heeft hij zich moeten schikken in de rol van goede vriend; een rol die hem zeker in die jaren zwaar valt.

Willemsen vindt uiteindelijk verlossing in het benoemen van zijn kwellende hartstocht. ‘Lieve Marian,’ schrijft hij haar in 1960, ‘ik haat mijn brieven. Ik haat mezelf. Ik ben laf genoeg, mijn liefde voor jou achter pueriele spelletjes te verstoppen. Ik houd van je.’ Het is juist deze eerlijkheid die de basis legt voor een intieme vriendschap tussen twee geestverwanten. Willemsen en Plug zijn elkaar in de vijftig jaar na hun reis blijven schrijven, en hun correspondentie is bijeengebracht in het ook als Privé-domein verschenen Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen (2014). Hij verliest zijn hart geregeld in die jaren; aan struise Hollandsen als Iet, Freddie, Ria en uiteindelijk Mieke, maar ook aan een Spaanse. Guus ontmoet haar in Valencia, een jaar na zijn reis met Marian, en weet niet wat hem overkomt. Op een zomerhete augustusnacht schrijft hij:

‘Het klinkt absurd, maar er is geen ander woord voor: Rosa houdt van me. En nog een gemeenplaats: het is of ik droom. Wanneer ik me realiseer dat ik helemaal uit Amsterdam heb moeten komen om hier in Valencia, in een willekeurig pensión waar nog één kamer vrij was, een Spaanse vrouw te ontmoeten die mij kust en streelt zonder dat ik er iets voor hoef te doen – dan kan ik niet geloven dat dit werkelijkheid is.’

Tussen droom en werkelijkheid blijkt nog wel wat ruimte te bestaan; dat de vurige Rosa een vrouw van lichte zeden was en ‘houden van’ als een buigzaam concept zag, beseft hij pas veel later.

Wat voel ik, wat wil ik, wat word ik, wie ben ik? ‘Vvv’ is een boek van zelfkritische verzuchtingen. Willemsen heeft als twintiger voortdurend het gevoel meerdere maskers te dragen, verschillende rollen te spelen in de diverse kringen en situaties waarin hij zich bevindt. Hij doet zich zelfverzekerder voor dan hij is, voelt vaak dat hij toneelspeelt, en met de jaren dient de alcohol hem daarbij meer en meer als smeermiddel. Niet alleen omdat drinken het gestotter vermindert dat hem al sinds zijn vroege jeugd parten speelt, maar ook omdat het ‘hoort’ bij het kunstenaarschap dat hij en zijn vrienden voor ogen hebben. ‘We schepten er behagen in door te gaan voor een “type”, een “figuur,”’ duidde hij zijn rap toenemende drankzucht later. ‘Hadden niet alle grote kunstenaars “iets” gehad, een tic, een eigenaardigheid? Wanneer iemand iets opmerkte over ongekamd haar of ons uitmaakte voor een zwerver of een idioot uit een Russische roman, was dat een compliment.’ Avond aan avond hangt hij met vrienden in cafés – voorlaatste pilsjes bij Hoppe, een fles de man bij Reijnders –, en ontwikkelt gestaag een onbedrinkbare dorst.

Naast vrouwen en drank raakt Willemsen in de late jaren vijftig ondersteboven van iets anders dat de koers van zijn leven zal bepalen. Op de zolderkamer bij Jaap krijgt hij in de winter van ’58-’59 De binnenlanden van de Braziliaan Euclides da Cunha in handen, juist wanneer hij voelt dat hij een zetje nodig heeft. Het boek gaat over een volksopstand in het noordelijke plaatsje Canudos, aan het einde van de negentiende eeuw ontketend door een godsdienstwaanzinnige, die uiteindelijk duizenden de dood in jaagt.

‘Ik heb De binnenlanden gelezen op het moment dat ik ophield met muziek,’ vertelde Willemsen in 2000 aan NRC. ‘Ik speelde piano en een tijdje hobo. Daarna wist ik niet goed wat ik moest doen. Anderhalf jaar heb ik in de reclame gezeten, ik werkte bij het bureau van J. Walter Thompson (…) Het werk was leuk en leerzaam, maar ik vond dat ik meer moest doen. Ik begon me te verdiepen in de Portugese en Braziliaanse literatuur en ging dat steeds interessanter vinden. In 1961, op mijn vijfentwintigste, ben ik halve dagen gaan werken en met de studie begonnen.’

Dingen beginnen op hun plek te vallen. Meer nog dan het Frans en het Spaans, dat hij in de vroege Vvv-jaren ijverig bestudeert, leest en steeds vloeiender – haast zonder te stotteren – spreekt, wekt het Portugees een onbeheersbaar verlangen in hem op om te begríjpen. Hij maakt kennis met het werk van Fernando Pessoa, neemt een bijvak Arabisch, reist via Spanje naar Lissabon, proost er met João, vrijt met Anabela, en neemt zich heilig voor naar Brazilië te reizen om zich er definitief in de taal, cultuur en literatuur te verliezen. In september ’64 ontmoet hij Mieke. De verliefdheid is totaal, ze gaan snel samenwonen, en ook met haar broer Paul klikt Guus meteen. Op de laatste dag van het jaar, ook de laatste dagboekdag van de bundel, kijkt Guus terug:

‘Op een middag kwam ik thuis, en ik wist dat haar broer er zou zijn, Paul, die ik toen voor het eerst ontmoette en die in heel korte tijd een heel goeie vriend is geworden. Ik kwam boven, zij deed open, en we vielen elkaar om de hals. O, niet zomaar een beetje, maar alsof ik van de Noordpool kwam. We hadden elkaar een hele dag niet gezien! We zoenden elkaar en drukten elkaar zowat fijn, niet vrolijk, niet lachend, nee, doodernstig, in vervoering, bijna pathetisch. Wie niet beter wist had gedacht dat het een hartverscheurend afscheid was. En het was helemaal echt. Pas toen we elkaar loslieten zag ik Paul zitten. Een paar dagen later zei hij tegen me: “Toen ik jullie elkaar zo zag omhelzen, wist ik dat het goed zat met m’n zusje.”’

Beste Paul

Met Paul Roelofsen, ‘de broer van’, is ook de centrale persoon genoemd aan wie de klassiek geworden Braziliaanse brieven gericht zijn. Ze vormen de neerslag van Willemsens vier woon- en werkperioden in Brazilië (1967-1968 met Mieke, 1973 met een nieuwe partner, Noortje, 1979 en 1984 alleen) en bieden, naast een interessante blik op zijn aanvankelijk ontluikende en later bloeiende vertaalcarrière, een stortvloed aan observaties, inzichten en overdenkingen bij een vreemd, ver land, op z’n Augusto’s in schitterende taal gegoten. Vooral de vroegste brieven ‘moet’ ik nog vaak herlezen. Vers getrouwd trekt Guus met Mieke in ’67 voor het eerst naar São Paulo, waar hij met een beurs van de Nederlandse regering een jaar Braziliaanse literatuur gaat studeren. Na een hectische landing in de Nieuwe Wereld, waarin het oude vertrouwde Amsterdam oneindig ver weg lijkt en de van beton, getoeter en bureaucratisch gekonkel vergeven metropool hun voorkomt als ‘een zeldzame rotstad’, vinden de twee hun draai. Ze strijken neer in een geïmproviseerd huis in een buitenwijk (‘Als het regent lekt het, als het waait tocht het, als het koud is is het koud en als het warm is is het koel’), maken kennis met ‘het nationale vergif’ cachaça, en durven steeds harder te lachen om zowel hun Braziliaanse buurtjes als hun wereldvreemde Nederlandse vrienden (‘de Zandvlietjes’ bijvoorbeeld, of ‘de Pranges’, schatten van mensen die lid zijn van de Hollandse Club, in Indië hebben gewoond en het na twintig jaar in São Paulo nog altijd hebben over ‘de inlanders’).

Willemsen volgt colleges die hem maar matig bevallen, maar blijft begeesterd door de schrijvers waarmee hij – op papier, maar zo nu en dan zelfs in eigen persoon – te maken krijgt. Ook De binnenlanden verwondert hem nog altijd, en in de laatste vijf weken van hun verblijf, tijdens een vijfweekse rondreis met Mieke krijgt hij eindelijk de kans het Canudos uit zijn verbeelding in het echt te zien. ‘Het is me vreemd te moede,’ schrijft hij op 10 maart 1968 aan Paul, doelend op de burgeroorlog die in het boek zo hartverscheurend beschreven wordt. ‘Een gebeurtenis uit 1896/97 reist door de tijd, in het boek van Euclides da Cunha, van 1902, in de vertaling van De Jong, van 1954, die ik lees in 1958, en bepaalt mijn beroepskeus en voor een deel mijn levensloop. Daarom sta ik hier. Dit heb ik willen zien.’ Willemsen baggert, als definitieve liefdesverklaring aan het boek dat hem zijn roeping deed vinden, door het ruige landschap – en geeft het geheel iets komisch-heroïsch:

‘In een temperatuur van tegen het kookpunt lopen koude rillingen over mijn lijf. Ik struikel de helling af en waad door de ondiepe Vaza-Barris. Ik dompel mijn hoofd in het water en drink als een dier. Dan ga ik terug. Ik heb het gezien. Ik ben er geweest. Ik keer terug, met bloedende voeten, schrammen, gescheurde kleren. Ik vind Mieke (…) bij de laatste inwoners van Canudos, die mij krankzinnig verklaren: ik ben ontsnapt aan een zonnesteek en slangenbeten. En ik ben misschien de laatste mens die het door Euclides beschreven landschap heeft betreden: binnenkort zal het onder het water van een stuwmeer verdwijnen.’ Net als in Vrienden, vreemden, vrouwen zijn Willemsens beschrijvingen erg persoonlijk; je leert als lezer vooral zíjn belevingswereld kennen, leest hoe híj ervaart wat hij hoort, ziet en voelt.

Toch gaat het niet alléén over hemzelf; ontmoetingen met Brazilianen van alle walks of life kleuren het boek. Zo loopt hij tijdens de reis met Mieke Luís tegen het lijf, ‘een arme, donkere mulat met een tandeloze mond en een altoos stralend humeur. […] Luís wist niet hoe het land heette waar hij leefde. Hij dacht dat hij gewoon op “de wereld” leefde. We hadden een oude Braziliaanse schoolatlas bij ons en legden hem uit dat de wereld rond was, dat er verschillende landen waren met verschillende talen, en dat het land waar we nu waren Brazilië heette en dat de taal die we spraken Portugees was. Hij luisterde aandachtig, maar schoot vaak in de lach. Het moet hem té dwaas zijn voorgekomen.’ Van Braziliaanse brieven is, Graças a Deus, in 2008 bij de Arbeiderspers een robuuste, gebonden uitgave verschenen – mét foto’s, en ook een voorwoord van jeugdvriend Bauke Marinus (zie het interview hieronder). De stralend vrolijke Luís is vereeuwigd.

August Willemsen, de vertaler

‘Augusto’ Willemsen – piekeraar, dagboekdromer, briefschrijver. En die vertalingen dan? Ja, die vertalingen dan. De ‘De Jong’ wiens Binnenlanden-vertaling uit 1954 Willemsen op zijn zolderkamer las, is de lector Portugees aan de Universiteit van Amsterdam bij wie hij ijverig studeert en die hem in 1961 voor het eerst werk van de Portugese dichter Fernando Pessoa laat lezen. Die verdient een portret op zich, hou Karakters in de gaten, maar voor nu volstaat te zeggen dat van alle schrijvers en poëten die Willemsen vanaf de jaren zeventig tot aan zijn dood vertaalde – de al even genoemde Guimarães Rosa en Ramos, maar ook andere Braziliaanse reuzen als Carlos Drummond de Andrade en Machado de Assis – Pessoa degene is die Guus’ reputatie als literair meestervertaler het stevigst gevestigd heeft; de ontdekking van zijn leven.

De taal als bril

Begin jaren zeventig, Willemsen werkt inmiddels aan de UvA, wordt hij door de Arbeiderspers benaderd met de vraag of hij Pessoa’s Gedichten wil vertalen, en dat doet hij – met verve. De vertaling komt in 1978 uit en wordt jubelend ontvangen. ‘Op een dag liep de secretaresse van het faculteitsbestuur op me af,’ haalde hij in 2000 een herinnering op in gesprek met de Volkskrant. ‘“Bent u meneer Willemsen? U hebt toch die gedichten van Pessoa vertaald?” Ze haalde een knipsel uit haar tas. “Kijk, dit heb ik uit de krant. Het werd geciteerd in een recensie. Wat een prachtig gedicht.”’

Het wonderlijkste aan het werk van Pessoa, die zeker in Portugal als een van de grootsten uit de geschiedenis wordt gezien, was het feit dat hij zijn (literaire) persoonlijkheid opsplitste in verschillende ‘heteroniemen’ – versies van zichzelf met elk een eigen naam, karakter en schrijfstijl. Zo ‘was’ hij de dichter Alberto Caeiro, de denkende arts Ricardo Reis, de scheepsbouwkundige Álvaro de Campos, én de sombere hulpboekhouder Bernardo Soares. ‘Ik heb meer dan één ziel/ Meer ikken dan ikzelf’, dichtte Ricardo Reis – denk terug aan de Guus van begin twintig, de zoeker die zich naar eigen zeggen op een toneel waande waar hij verschillende rollen speelde (pianist, schrijver, man van de wereld, minnaar), en je kunt zijn fascinatie begrijpen.

Zelf verklaarde Willemsen in de Volkskrant dat het boven alles de taal zélf was die hem de adem benam. ‘Het bijzondere is dat het allemaal zo mooi is en zo goed. Als iemand schrijft: “Ik ben niets, kan niets, volg niets na”, nou, dan hoef je geen snars van poëzie te begrijpen om te kunnen zeggen: ja, zo is het met mij ook. Of: “Het leven is de buitenkant van de dood”, een paar simpele woorden. Maar de formulering is zo helder, zo precies goed. Dat is het. Ja, wat mij betreft zijn we nu eigenlijk uitgepraat. Meer is er niet over te zeggen.’

De taal, niets dan de taal – Willemsen is en blijft er vol van. In zijn vertalingen uit het Portugees legt hij dezelfde stilistische verfijndheid aan de dag die zijn eigen proza zo pakkend maakt. Naarmate hij ouder wordt en zijn oeuvre omvangrijker profileert Willemsen zich steeds meer als essayist. De taal als bril, verschenen in 1987, is een bundeling van stukken over de kunst van het vertalen, over Braziliaanse literatuur en – natuurlijk – Pessoa. ‘Kennis van de Portugese taal,’ schrijft hij in het voorwoord zelfbeschouwend als altijd, ‘werd voor mij in heel letterlijke zin een bril die zicht gaf op een onbekende werkelijkheid – een werkelijkheid die zonder die bril onkenbaar zou zijn gebleven.’

Een enigszins vergelijkbare uitgave is Het hoge woord, beschouwingen en boutades (boutades zijn, ik moest het ook googelen, ‘bondige, spitsvondige en geestig bedoelde uitspraken’ – leg het eens met Scrabble en lach iedereen uit). In deze verzameling, verschenen in 1994, komen tal van onderwerpen voorbij. De (architectuur van de) Bijlmer bijvoorbeeld, het door buitenstaanders zo verfoeide stadsdeel waar hij met plezier woont, maar ook het stotteren dat hem in evenredige mate dwarszit en fascineert. Waarom, vraagt Willemsen zich af, stottert de stotteraar niet als hij toneelspeelt of een andere taal spreekt? Of wanneer hij drinkt, denk ik erbij. We moeten eraan, kunnen er met de beste wil van de wereld niet helemáál omheen. Willemsen werkte Het hoge woord grotendeels uit vanuit een ziekenhuisbed.

De val, de bal, Garrincha en de dood

Lees zijn dagboeken, zijn brieven. Slijp je geest aan zijn essays. Duik zonder bandjes in de zee van vertaalde verhalen en dompel je onder in woordenpracht; zie de taalvirtuoos die hij ís. Maar August Willemsen wás. De alcoholverslaving waarover het hierboven al ging, de zuigende werking van fles en café, bleef – zoals zo ongeveer alles in Guus’ leven – bepaald niet onbeschreven en -belicht. Nippen werd drinken werd klokken werd zuipen; drinken en werken gingen decennialang hand in hand. Naar eigen zeggen werd hij in 1985 pas écht alcoholist, met een hoogte-/dieptepunt in 1989. Een jaar later, op 10 december 1990, stort hij ter aarde en lukt het hem niet om op eigen kracht overeind te komen: ‘Ik wilde “Help” roepen, me realiserend dat ik behalve de Beatles nog nooit iemand “help” had horen roepen.’ De grote man belandt in het ziekenhuis, waar hij – met ernstige onderkoelings- en ondervoedingsverschijnselen, een bloedende maar oppervlakkige hoofdwond, een gekneusde linkerelleboog, een bloeduitstorting op het linkerschouderblad en een gebroken linkerheup – een tijd verblijft; een periode waar hij óók weer tergend mooi over schrijft. De val (1991) is, net als zijn eerdere werken als Privé-domein uitgegeven, een verdrietig boek waar ik het liever niet te lang over wil hebben. Het is, ook in kranten, tijdschriften en tv-programma’s, al genoeg besproken; beluister het drie uur durende vpro-Marathoninterview uit 1999 en hóp, daar gaat het na drie minuten alweer over het zuipen, en hoor je hem in zijn bedachtzame, persklare zinnen uitleggen hoe en waarom – hij zit nog niet of er wordt al naar gevraagd.

Laat dat boek anders lekker zitten; tot aan zijn dood schrijft en vertaalt Guus nog meer moois. Diepe wildernis: de wegen bijvoorbeeld, een ogenschijnlijk onvertaalbaar epos van Guimarães Rosa dat door veel kenners als Willemsens meesterstuk wordt gezien. Voor Janna, een Australische aan wie hij op een poëziefestival in Rotterdam in 1985 zijn hart heeft verloren, verhuist hij in 1998 naar Melbourne (pas zijn eerste keer in een Engelstalig land), maar die idylle houdt geen stand. Van Tibooburra naar Packsaddle, een essaybundel over backpackers, Aboriginals en sport, komt uit in 2001. Voor de serie Sportbibliotheek van uitgever en vriend Thomas Rap schrijft hij het schitterende voetbalboek De goddelijke kanarie, waarin hij zijn geliefde Brazilië bekijkt door het prisma van volkssport nummer één en concludeert dat God rond is. ‘Om de ziel van een Braziliaan te begrijpen,’ citeert hij schrijver Armando Nogueira, ‘moet je hem betrappen op het moment van een doelpunt.’ Als zijn dichtersheld Pessoa en zijn voetbalheld Garrincha, een magische linksbuiten zoals er nooit meer kwam, verliest de geest het op een gure winterdag definitief van de fles. Guus sterft in ‘zijn’ Amsterdam, op 29 november 2007.

Weet je wat het is met een portret van August Willemsen? Je beschrijft hem, schrijft over wat hij schreef, over hoe hij zichzelf beschreef, over hoe hij beschreef wát hij beschreef, en waarom dat, en waarom zo, en waarom – en beseft gaandeweg dat je haast alleen nog maar aan het citeren bent. Alles wat hij schreef, vertaalde en deed kwam voort uit een persoonlijke drift, een persoonlijk verlangen om zijn complexe zelf te ontraadselen, om de mysteriën van de taal te doorgronden en – met die taal als bril – de wereld om hem heen de duiden. Zoals zijn werk doortrokken is van een grote persoonlijke intimiteit, zal ook de ervaring hem te lezen je op je eigen persoonlijke manier raken – waar het pijn doet? Misschien. Waar je al een tijd niet bij kon? Mogelijk. In het hart? Hopelijk.

Als ik het tot besluit zelf nog even persoonlijk mag trekken: toen ik Vrienden, vreemden, vrouwen las, bewoonde ik een studiootje aan de Spuistraat, op zwalkafstand van Hoppe en het Singel. Ook ik was in de twintig en probeerde mezelf te begrijpen. Ook ik brak me het hoofd – en uiteindelijk het hart – over de vraag waarom een intieme vriendschap (met een Portugese nota bene!) maar geen liefde wilde worden. Later las ik in Braziliaanse brieven over heerlijk dwaze taferelen op een gemeenschappelijke patio in die buitenwijk van São Paulo, terwijl ik zélf in een volksbuurtje in een Tanzaniaanse miljoenenstad woonde, waar ik de hele dag dorst had en het krioelde van kinderen, kippen en kleurrijke buren. Wonend in een Bijlmerflat las ik over Bijlmerflats, en afgelopen zomer nog, tijdens een verblijf van drie maanden in Lissabon, leerde ik van Willemsen Pessoa te waarderen. Portretten in portretten, het is maar hoe je het ziet. Ik wens je een heerlijke leeservaring.

Interview met Bauke Marinus, jeugdvriend van August Willemsen

De Rode Pimpernel en De tuin van IJben

Ook voor Bauke Marinus is August Willemsen gewoon Guus. Hij ontvangt me op een maandagochtend in zijn huis in Amsterdam.

Aan Marinus zijn een boel dingen bijzonder, en wie zich in Willemsen verdiepen wil kan zich – bij gebrek aan de man zélf natuurlijk – haast geen betere bron wensen. De twee kwamen naast elkaar te zitten in de tweede klas van het Hervormd Lyceum in de Brahmsstraat, en werden meteen vrienden: twee alfajongens die mannetjes werden als het op (vreemde) talen aankwam. Die als veertienjarigen al Italiaanse opera’s citeerden om de meisjes mee te imponeren, in 1953 op oude oorlogsfietsen naar Parijs trapten en vooraan stonden bij muziek- en cultuuravonden.

‘Guus was dé ster bij het schooltoneel,’ memoreert Marinus. ‘Hij vond het – altijd al ijdel – heerlijk om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Ik herinner me in het bijzonder een uitvoering van De rode pimpernel [van The Scarlet Pimpernel, een klassiek geworden avonturenroman van de Engels-Hongaarse barones Emmuska Orczy, NvdA] waarin hij de hoofdrol had – en dat zal niet de enige zijn geweest. “De heer Willemsen” zette een legendarische Pimpernel neer, waar iedereen het lang na de voorstelling nog over had.’

Lachend: ‘We vonden onszelf heel wat in die Lyceumjaren. We waren zogenaamd gekwelde kunstenaars die bij Café de Paris voor vier dubbeltjes per glas – wat een hele hoop geld was in die tijd, zeker op de achttien gulden in de week die we met onze bijbaantjes bij elkaar harkten – ons verdriet kwamen wegdrinken. We zaten ook vaak bij Café Reijnders op het Leidseplein, dat stond in die tijd een beetje bekend als een kunstenaarskroeg. Ook iemand als Remco Campert kwam er vaak. Bij Reijnders gingen we dan aan een hoektafeltje verhalen zitten schrijven, waar uiteindelijk ook een schoolkrant uit is voortgekomen.’

Een hoogtepunt van hun schooltijd vormt een busreis door Frankrijk, georganiseerd door geschiedenisleraar Jan Meilof IJben en diens vrouw Betty. Er gingen 22 scholieren mee, door Willemsen en Marinus ‘min of meer uitgekozen’; ook Jaap Hillenius was er bijvoorbeeld bij, hoewel die niet eens op het Lyceum zat. ‘Voor die reis moest nogal wat georganiseerd worden,’ zegt Marinus nu, ‘en IJben verdeelde de taken. Ik moest bijvoorbeeld bellen met het bedrijf dat bussen verhuurde. Maar tegen Guus zei hij: “Jij kunt toch niks, schrijf jij het verslag maar.”’ En dat deed Willemsen. Mensen die hem bij leven nastonden en de ontwikkeling van zijn schrijverschap intensief hebben gevolgd, zijn het erover eens dat in De tuin van IJben – 35 jaar na de reis in een speciale editie uitgegeven door Thomas Rap – al de puntgave stijl en het feilloze observatievermogen besloten liggen die Willemsens latere carrière zo zouden kenmerken. Marinus, die als historicus een korte biografie schreef van IJben en daarin onder meer diens niet geringe rol bij het verzet belichtte, heeft na Guus’ dood het beheer van zijn literaire nalatenschap op zich genomen. Ook van Jaap, trouwens – aan de muur in zijn woonkamer hangt een grote Hillenius.’ Marinus zoekt wat, frommelt wat, en komt dan terug met wat wel een van de mooiste stukken uit zijn persoonlijke collectie moet zijn: de eerste uitgetypte versie van het IJbenreisverslag. ‘Guus Willemsen, 1954’ staat met rechte halen op het voorblad geschreven. Dit is wel even ‘een momentje’, slik. Dichter bij de dode ben ik nog niet geweest.

IJben was niet de enige docent die belangrijk was in die jaren, zegt Marinus. Ook Simon van Lienden, leraar Nederlands, maakte een onuitwisbare indruk op Willemsen – en vice versa. Marinus wijst me erop dat De taal als bril aan de docent is opgedragen. ‘Voor Simon van Lienden,’ lezen we inderdaad, ‘die mij in 1953 een 2 gaf voor een opstel’. Pratend met zijn oude vriend kom ik erachter welke verdere ontmoetingen écht bepalend waren voor Willemsens leven en loopbaan. Marinus noemt Theo Sontrop, dé man van de Arbeiderspers, die Willemsen persoonlijk vroeg het complete werk van Pessoa te gaan vertalen en met wie hij sindsdien een warme vriendschap en – hoe kan het ook anders – levendige correspondentie onderhield. Ook die is gebundeld, zegt Marinus, en hij haalt een boekje tevoorschijn waar ik nooit eerder van had gehoord: Noodlot is nooit ver uit mijn gedachten. Brieven aan Theo Sontrop. Het verscheen dit jaar bij de kleine uitgeverij Fragment.

Als ik Marinus tot besluit vraag hoe we ons zijn vriend vooral moeten herinneren, is hij stellig: ‘Als vertaler. Daarin presteerde hij echt op de toppen van zijn kunnen.’ Gelijktijdig laten we onze blik rusten op het achterplat van De tuin, en we zien Guus zoals Bauke hem leerde kennen: een lange gozer tegen een boom op een Frans grasveld, met een hoofd vol dromen en alles nog voor zich.