Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: André Brink

Achtergrond

Nationaliteit Zuid-Afrikaans
Bekendste werk Die ambassadeur (1963), Kennis van die aand (1973), ‘n Droë wit seisoen (1979)
Debuut Die meul teen die hang (1958)
Geboortedatum 29 mei 1935
Overleden op 6 februari 2015

‘n Vurk in die pad

‘Gewoonlik redeneer mens dat elke keuse wat jy maak, impliseer dat ander uitgeskakel word: op ’n gegewe oomblik in die ontstaan van ’n skildery het die skilder byvoorbeeld die keuse om êrens sê maar rooi of groen of blou te gebruik. As hy besluit om dit rooi te maak, dan skakel sy keuse die moontlikheid van groen of blou uit. […] Só lyk ons vurk in die pad dan: die tradisionele óf-óf word vervang met die oneindig meer komplekse én-én. Dit beperk ons nie tot reguit of finale antwoorde nie. Dít of dát mag waar wees, maar tersélfdertyd is daar hope ander dinge wat waar mag wees. En elke keer as daar ’n vurk in die pad is: kom ons vat hom!’

Zo begint Brinks autobiografie ’n Vurk in die pad. Hierin benadrukt hij dat het leven een aaneenschakeling van toevallige keuzes is, die geen andere mogelijkheden uitsluiten, maar die eigenlijk gewoon parallel aan het andere gekozen pad blijven lopen. Later, wanneer de tijd daar rijp voor is, kom je opnieuw bij een kruispunt, waarbij je opnieuw mogelijke morgens kunt kiezen. En opnieuw ga je een specifieke richting in, bewust, wetende dat er toch weer een dag komt waarop je die mogelijke wegen zal kruisen. Dat Brink zijn leven een kruising was van allerlei wegen die ervoor hebben gezorgd dat hij een ‘politieke mens’ is geworden, een homme révolté, een Antigone, is hiervoor de beste illustratie.

Tekst: Laura Engels Illustraties: Katja Fred

‘As ek my oë toemaak en die woord dorp sê, dan is dit iets soos Peter Blum se dorpsbeeld wat by my opkom, miskien aangevul met Opperman se stasie en twee peperbome […]’. Brink bracht zijn jeugd door in Vrede, een dorpje in de Vrijstaat, gesitueerd ten zuiden van Johannesburg. Zijn ouders waren keurige, hardwerkende, gelovige mensen. Zijn moeder een lerares, zijn vader een magistraat. Het sociale milieu waarin hij werd grootgebracht kan in het stereotiepe geprivilegieerde, brave, blanke Afrikanermilieu worden geplaatst. Toch is het ontegenzeggelijk dat zijn veilige cocon met de tijd scheurtjes begon te vertonen, door met verschillende situaties geconfronteerd te worden die drastische verschuivingen hebben teweeggebracht in zijn poëtica en wereldbeeld, dat enkele van zijn literaire hoogtepunten heeft helpen vormgeven.

Jeugd en wereldbeeld

Toen hij nog een kind was, zag hij een zwaar toegetakelde zwarte man in de buurt van zijn huis zitten. Wanneer hij zijn vader vroeg om in te grijpen, zei die dat hij daar niets aan kon veranderen en dat het zijn verantwoordelijkheid niet was. De jonge Brink was enorm aangeslagen hierdoor en reflecteert er later op als het verloochenen van de essentiële menselijkheid van het slachtoffer. Sindsdien is er een vorm van vervreemding ontstaan tussen hem en zijn vader, waardoor dit voorval hem als een trauma zal blijven achtervolgen: Ek het al vertel hoe ek grootgeword het omring deur allerhande vorme van geweld; my generasie was die erfgename van ’n eeue oue geskiedenis van gewelddadige ontmoetings tussen mense en volkere, spesifiek tussen swart en wit’ .

Voordat hij echt als schrijver kon geprofileerd worden, werd zijn levenspad overladen met gelijksoortige voorvallen. Tijdens het onderzoeksverblijf voor zijn doctoraat in de vergelijkende letterkunde in Parijs (1959-1961, Sorbonne) wordt hij geconfronteerd met een andere doorslaggevende gebeurtenis voor de ontwikkeling van zijn politieke bewustzijn. Na de aanvallen in Sharpeville overspoelden hem een diepgeworteld onbegrip en withete woede. Over het bloedende Zuid-Afrika en het ‘machochistische chauvinisme van de Afrikaner’ zegt hij: “[…] Dit is erg genoeg om te behoort aan ’n volk wat uitwissing in die gesig staar – maar dis louter hél om te behoort aan ’n volk wat uitwissing verdien’ . Zijn aversie tegenover het dominante gedachtegoed van de standaard Afrikanergemeenschap in Zuid-Afrika, is duidelijk gegrondvest. Het duurt nog een tijdje alvorens hij bewust gaat schrijven over deze problematiek, maar het werd hem langzaamaan duidelijk dat hij een taak op zich wilde nemen in Zuid-Afrika:

‘’n Klein teken van wat aan die gebeur was, was die feit dat toe ek skaars twee jaar later, terug in Suid-Afrika, vir die eerste keer oor daardie oomblik van illuminasie geskryf het, ek dit eenvoudig gedoen het as ’n impressionistiese klein essay oor ’n uur in die vroeë lenteson in die Luxembourgtuin, en die verbreking van die idilliese stemming deur die ou vrou in swart – met geen verwysing hoegenaamd na wát my na die Luxembourgtuin gedryf het nie. Nie ’n woord oor die skok van die ontdekking van Sharpeville nie. Omdat ek op daardie tydstip nie meer enigiets met Suid-Afrika te doen wou hê nie. Ek was doodeenvoudig te skaam om dit in die oë te kyk’.

Over poëtica en de Sestigers: Viva die geskrewe woord… en fok die res!

Die zogenaamde schaamte is hem zijn hele leven blijven achtervolgen. Maar in plaats van deze gevoelens te omzeilen, vertaalde hij dit naar zijn eigen poëtica. Hij werd een uiterst betrokken schrijver. Brink is misschien wel het meest bekend omwille van zijn politiek-literair verzet en door zijn poëticale aansluiting bij één van de bekendste Zuid-Afrikaanse literaire groeperingen, de Sestigers, waar ook auteurs zoals Jan Rabie, Etienne Leroux, Ingrid Jonker, Adam Small en Breyten Breytenbach deel van uitmaakten. Een groepje van jonge, invloedrijke auteurs wiens werk niet zozeer aansluiting bij elkaar vond, maar die het belangrijk vonden om samen te discussiëren en over nieuwe mogelijkheden na te denken die literatuur zou kunnen bieden in een maatschappij. Een gedeelte van het manifest luidde als volgt: ‘Dis tyd dat ons prosa kom en met een heerike swaai van sy sekel álles in sy gerf versamel: die hele ruimte van die menslike lewe met al sy duisterhede en al sy sondes en al sy verkeerde drange, sáám met sy edelheid en sy opregtheid’.

Na het beslissende ogenblik in Parijs wist zijn literatuur een andere, solidere vorm aan te nemen. In een interview met Hans Neervoort in Bzzlletin 164, antwoordt hij dat literatuur een vorm van gesprek is. Het is een dialoog die je voert met jouw omgeving. Vandaar dat zijn boeken zo vaak, kort door de bocht, als maatschappijkritisch kunnen worden bestempeld. De schrijver moet volgens hem een vragensteller zijn, iemand die kritisch naar de wereld kijkt en het vuile in de mens weergeeft: ‘As skrywer het ons net één wapen teen al die gruwele van die geskiedenis: die woord!

Na apartheid: overgang en desillusie?

Naast het sterke politieke commentaar in zijn romans, is er een continuïteit waar te nemen in de personages. De focus ligt vaak op personages die door de maatschappelijke omgeving als outsiders worden gepercipieerd of die door de druk van sociopolitieke omgevingsfactoren opstandig worden. Beide vormen gaan naadloos samen omdat bepaalde personages door die omgeving gedetermineerd worden. Bijgevolg zijn het opstandelingen die allemaal op hun eigen manier hun vuist heffen tegen het dominante systeem, of dat nu slavernij is, het apartheidsregime, of hun individuele, harde realiteit. Bijgevolg geeft Brink de stemlozen een stem, zoals Hanna X, het hoofdpersonage uit Anderkant die stilte (2002). Zijn poëticale invalshoek veranderde na het verschijnen van zijn novelle Die eerste lewe van Adamastor in 1988. Hij begint namelijk de grenzen van het genre van de historische roman af te tasten. Aan de oppervlakte van zijn nieuwere werk gaat hij niet meer zo duidelijk in op de hedendaagse maatschappelijke problematiek van Zuid-Afrika. Hij gaat daarentegen meer aan de slag met zijn poëticale opvattingen omtrent geschiedenis en de waarachtigheid van geschiedschrijving. De verhalen zijn niet langer een blauwdruk voor een grotere sociale wanorde, zoals Jozef Malan eigenlijk elk slachtoffer van apartheid zou kunnen illustreren, maar eerder een zoektocht. Maatschappelijke problemen worden nu door middel van de historische roman onderzocht. Dit doet Brink door vaak kleine personages in de marge van de samenleving van toen voor het voetlicht te brengen en hen hun leven te laten leiden in een bepaald historisch kader, terwijl ze op zoek gaan naar het waarom van bepaalde voorvallen.

Anderkant die stilte illustreert deze stellingen goed. De verteller, hier hoogstwaarschijnlijk de schrijver zelf, stuit tijdens een van zijn ontdekkingstochten in oude archieven op een document waarop namen staan geschreven van vrouwen die naar Zuidwest-Afrika werden gestuurd tijdens de Duitse koloniale periode, om zogenaamd te trouwen met een Duitse koloniaal. In werkelijkheid werden ze verhandeld en als prostituees ingeschakeld. Wie zo niet aan de wensen van een Duitse soldaat kon voldoen, werd naar een fort te midden van de woestijn gestuurd om als ‘non’ te werken in een permanente verversingspost. Hanna X was daar één van. Door het ontbreken van haar achternaam en haar voorgeschiedenis, en alles wat ze ooit zou hebben belichaamd, gaat de auteur via de historische roman op zoek naar wie die Hanna X zou kunnen zijn. Hij maakt van een personage dat door de plooien van de tijd uit het bestaan werd gewist, een wraakengel die mannen afstraft voor wat ze vrouwen kunnen aandoen, voornamelijk voor wat ze haar en haar geliefde vriendin hebben aangedaan. Anderkant die stilte is een boek waarin Brink de beschrijving van meerdere gruwelen niet achterwege laat. Als lezer voel je je machteloos wanneer Hanna X als jong meisje steeds opnieuw in een schijnbaar onontkoombare situatie verzeild geraakt, vol misbruik en mishandeling.

Toch laat Brink de problematiek van postapartheid Zuid-Afrika ook niet volledig los, en hij laat in bepaalde romans zijn personages nadenken over de rol en de invulling van de zogenaamde ‘regenboognatie’. Dit komt mooi naar voren in zijn meer absurdistische verhalen, Ander Lewens (2008), een trilogie vertaald in het Nederlands als De blauwe deur, De spiegel en Apassionata. Ook hierin staan verhalen van ‘kleine’ mensen, maar ingedekt in een kafkaësk laagje. Daarnaast laat Brink soms ook ruimte voor een op het eerste zicht eenvoudig liefdesverhaal. Noodtoestand (1988) biedt hier een goede denkoefening: de verteller vraagt zich luidop af of hij een liefdesverhaal kan schrijven zonder dat de politieke gebeurtenissen in het verhaal beginnen door te schemeren, of zonder dat zij deze liefde saboteren?

Kortom…

André Brink was een veelzijdig schrijver. Alhoewel hij misschien hard zou hebben geprobeerd om in bepaalde verhalen politieke en maatschappelijke problemen te vermijden, leerde de praktijk hem dat dat een quasi onmogelijke opdracht bleek te zijn. Hij zou altijd een betrokken auteur blijven. Brink stierf op 5 februari 2015, op 80-jarige leeftijd, in het vliegtuig tijdens zijn vlucht van Amsterdam naar Kaapstad. De dag ervoor had hij nog een praatje gegeven in BOZAR in Brussel, waarin de presentator Ludo Teeuwen, dieper inging op zijn leven en werk, op zijn poëtica en terugkerende literaire motieven. Blijkbaar had hij één van de medeorganisatoren er nog doodserieus op gewezen dat de beste crème brûlée au four gemaakt wordt en dus niet met een brandertje. Hij was namelijk naast een getalenteerd schrijver en academicus, ook een begenadigd hobbykok.

Los van dit wist-je-datje, kan de invloed van Brink in Zuid-Afrika gewoonweg niet over het hoofd worden gezien. Gedurende zijn leven heeft hij gevochten tegen de censuur, tegen apartheid en alle onrecht door middel van het woord. Hiermee heeft hij jarenlang zijn leven geriskeerd. Zelfs al voelde hij zich als ‘‘n klein gloeiende kooltjie teen al die winde van die wêreld’, zijn invloed mag niet worden geminimaliseerd. De manier waarop hij de regering tergde, het kunstenaarsmilieu waarin hij zich bewoog en de invloed die deze hele groep op het literaire en maatschappelijke landschap had, is onuitwisbaar in het collectieve geheugen van Zuid-Afrika. De scherpe kritieken van de Sestigers hebben zonder twijfel de nodige sporen nagelaten. Nog steeds vormt veel van hun werk het uitgangspunt voor academisch onderzoek en worden ze nog vaak aangehaald. Het is zonder meer illustrerend dat Nelson Mandela tijdens zijn inaugurale rede Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga van Ingrid Jonker wist in te brengen. Verzet, onvrede en een algemene oproep tot medemenselijkheid, dát was wat hen over het algemeen kenmerkte. Zo ook Brink als discipel. De Sestigers zijn de voorlopers van een jonge delegatie, getalenteerde Zuid-Afrikaanse auteurs, die nog steeds niet tevreden zijn met het systeem en ook, op hun eigen karakteristieke manier, literatuur gaan produceren om hun stem te laten horen.

Gevecht met de censuur: Kennis van die aand 

In 1973 werd Brinks roman Kennis van die aand gepubliceerd. Uitzonderlijk aan dat boek was dat het vrijwel meteen werd verboden door de harde censuurraad tijdens de apartheid. Het moet trouwens vermeld worden dat Kennis van die aand het eerste Afrikaanse boek was dat verboden werd, gebrandmerkt als een gevaar voor de staat: ‘[…] Julle sal my nie onderkry nie. Julle gaan wragtig nie wen nie. Ek weier om op te hou skryf. Ek sal julle godweet wýs.’ (2009: 225). En hij heeft het hen getoond. Zelfs jaren later, op de André Brinkherdenking in 2015 (A.K.A.), spreken er nog steeds mensen over de impact van zijn werk en zijn persoon in Zuid-Afrika. De Zuid-Afrikaanse schrijfster Marita van der Vyver vertelde over haar studententijd en de reputatie die Brink onder de jonge, vrijdenkende studenten had. Kennis van die aand mocht dan misschien wel verboden zijn, toch werden kopieën van het boek onderhands verkocht en uitgedeeld op schoolcampussen. Het verspreiden van illegale kopieën zelfs tijdens het apartheidsregime toont nogmaals aan welke impact zijn literatuur had. Parallel aan zijn poëticale opvattingen, is het niet verwonderlijk dat hij met zijn werk zijn lezers tot kritisch nadenken aanspoorde en nu nog steeds aanspoort.

De openingsscène van het boek vindt plaats in de gevangenis. Jozef Malan, een Zuid-Afrikaanse kleurling, pent zijn verhaal neer op stukken wc-papier: “To know who I am. To define myself through the why and the how of her death. To enumerate and name it all, trying to determine not what a man can know of man, but simply what I dare to know about myself. To preserve this body with all its parts – including the bruises and the scars, including the persistent pain – and keep it intact, virginal for its inevitable death.” (1993: 7). Het relaas dat hij biedt, is een poging om alles op een rijtje te zetten en voor zichzelf de grenzen van realiteit en droom duidelijk af te bakenen. Het is bovenal een poging om de betekenis van zijn lijden en dat van zijn geliefde te kunnen plaatsen. Jozefs levensverhaal overkoepelt een tijdperk van slavernij tot apartheid. Door de relatieve mildheid van het systeem waarin hij opgroeit, krijgt hij de unieke kans om te gaan studeren. Hij volgt een theateropleiding en komt daardoor terecht in Londen, waar hij een lang deel van zijn jonge leven kan doorbrengen. Eenmaal terug in Zuid-Afrika, waar apartheid reeds een vaste waarde is, wordt hij zich akelig bewust van zijn huidskleur en beseft hij dat hij niet langer het bohemienleven kan leiden dat hij in Londen had. Jozef begint een toneelgezelschap samen te stellen met allemaal outsiders, waarvoor hij bekende klassieke theaterteksten herwerkt zodat ze aansluiten bij de actuele situatie in Zuid-Afrika. Scherpe kritiek op het podium. Ze weten met hun opvoeringen steeds meer mensen te mobiliseren, maar halen zich tegelijkertijd ook de onzichtbare aanwezigheid van de veiligheidspolitie op de hals. Daarbovenop begint Jozef een passionele liefdesrelatie met een blanke vrouw, Jessica, iets wat tijdens de apartheidsperiode verboden was. Er volgt een kat-en-muis-spel met gruwelijke gevolgen voor Jozef, Jessica en hun vrienden. Door over een interraciale relatie te schrijven, wat een enorm taboe was, en daarbij ook nog eens de gruweldaden van het systeem bloot te leggen, is het niet verwonderlijk dat Kennis van die aand meteen verboden werd.

De personages in Brinks boeken hebben vaak de neiging om te spreken vanuit een retrospectieve invalshoek. Niet alleen in Kennis van die aand, maar onder andere ook in Sandkastele, Noodtoestand en Houd-den-bek kijken de hoofdpersonages terug op ingrijpende gebeurtenissen en proberen die zo juist mogelijk te reconstrueren. Natuurlijk is dat praktisch onmogelijk omdat herinneringen altijd interpretaties blijken te zijn. In zijn meer historische romans is dit zelfs een duidelijke insteek om aan te tonen dat geschiedschrijving veel meer baat heeft bij de reconstructie van persoonlijke getuigenissen, dan het samenlijmen van zogenaamde ‘objectieve’ geschiedschrijving die vaak – en daar wijst hij frequent op in zijn essays – door blanke geschoolde mannen van middelbare leeftijd werd geschreven. Een valse objectiviteit, volgens hem. Dit sluit dan weer helemaal aan op zijn poëticale stellingnames.

Een regelrechte aanval op het apartheidsregime: ’n Droë wit seisoen

Een ander voorbeeld van deze poëticale stellingname is zijn roman ’n Droë wit seisoen (1979). Hierin volgt de lezer het relaas van een man die de dagboeksnippers, krantenknipsels, vonnissen, allerlei soorten verslagen en brieven erft van een vriend, die op zeer verdachte wijze overleed. Op basis van deze knipsels kan hij een verhaal (re)construeren dat hij als verteller langzaamaan uiteenzet door het boek heen. Ben du Toit, een blanke, welgestelde en gelovige man, woont in de typische voorstedelijke pracht en praal van de middenklasse blanke Afrikaner in het Zuid-Afrika tijdens het apartheidsregime. De sleur van zijn geprivilegieerde dagelijkse leventje wordt verstoord door de mysterieuze verdwijning van de zoon van zijn zwarte tuinman, tijdens de opstanden in Soweto. Die opstanden waren o.a. gericht tegen de invoering van het Afrikaans op school, waardoor er geen rekening meer werd gehouden met de uitgebreide taaldiversiteit in Zuid-Afrika. Deze wet kwam bovenop de zogenaamde pasjeswet, een segregatiewet die de niet-blanke bevolking verplichtte altijd een pasje te dragen op basis waarvan toegang tot bepaalde stadsdelen kon worden ontzegd, en lokte veel protest uit bij de bevolking. Het verdriet en de onzekerheid van zijn tuinman is groot, en Ben wordt meegesleurd door het gebeuren en het verdriet dat hij bij de man bemerkt. Ze ontdekken dat de jongen in verdachte omstandigheden het leven heeft gelaten tijdens zijn inhechtenisname door de veiligheidspolitie. Ben gaat samen met de familie van het overleden jongetje en andere figuren op zoek naar wat er nu echt gebeurd is. Wat hij ontrafelt is allesbehalve mooi, en de weg naar gerechtigheid is grillig en levensgevaarlijk: zijn telefoon wordt afgeluisterd, talloze huiszoekingen vinden plaats, hij en zijn gezin worden geschaduwd door de veiligheidspolitie, één voor één sterven er zwarte ooggetuigen die hij enkele dagen daarvoor heeft ondervraagd. Een paar keer worden willekeurige delen van zijn huis gebombardeerd omdat de veiligheidspolitie weet dat hij cruciale informatie heeft verzameld in verband met die zaak, maar ze kunnen het bewijs niet in handen krijgen doordat hij het op ingenieuze wijze telkens weer weet te verstoppen. Op het einde van het verhaal blijkt dat Ben niet alleen het antwoord op de moord op het jongentje in handen zou hebben, maar ook dreigt met deze informatie het volledige apartheidsregime en alle wantoestanden van de veiligheidspolitie omver te werpen. Hij wordt een echte enemy of the state. Het boek eindigt met een plottwist. Wanneer hij alle informatie bundelt om als artikel uit te geven in de belangrijkste krant van Zuid-Afrika via een bevriende journaliste, worden de enveloppen gewisseld en aan de veiligheidspolitie uitgespeeld. Ben verdwijnt spoorloos en zal hoogstwaarschijnlijk op een afgrijselijke manier worden gefolterd tijdens zijn ondervraging om uiteindelijk aan zijn verwondingen te sterven. Over het uiteindelijke lot van Ben laat de auteur ons in het ongewisse. Brink geeft in zijn autobiografie openlijk aan dat ‘n Droë wit seisoen gebaseerd is op waargebeurde feiten, het is dan ook niet verwonderlijk dat het boek meteen na publicatie werd verboden.

Het mag duidelijk wezen dat hier twee romans worden geprofileerd die onder hun narratieve bovenlaag klare taal spreken in verband met het politieke misnoegen van de auteur. Zelfs als het geen directe uiting van de maatschappelijke ontevredenheid van de auteur is, dan geven ze beiden alsnog een anti-geschiedenis weer.

In gesprek met de vertaler van André Brink, Rob van der Veer

 

‘Je negatief uitlaten over Brink is in Zuid-Afrika als vloeken in de kerk.’

Rob van der Veer werkte dertig jaar als literair vertaler uit het Engels, van werk van onder meer Roald Dahl, Philip Roth, Damon Galgut, Nicole Kraus en Jonathan Franzen. Sinds kort vertaalt hij ook uit het Afrikaans. Sinds 1985 was hij de vaste vertaler van het werk van André P. Brink. Hij vertaalde Brinks werk uit Brinks Engels met gebruikmaking van de Afrikaanse tekst en altijd in overleg met Brink zelf. Pas na een langdurige studie van het Afrikaans, waarmee hij in 2009 begon, achtte hij zich echter in staat om rechtstreeks uit het Afrikaans te vertalen.

Sinds 2007 geeft hij vertaallessen op de VertalersVakschool in Amsterdam. Hij geeft af en toe een workshop vertalen Afrikaans-Nederlands, soms in aanwezigheid van een Afrikaanse schrijver (Zandra Bezuidenhout, Rudie van Rensburg). Hij bespreekt twee à drie keer per jaar een Afrikaanse roman in de Leeskring van Het Zuid-Afrika Huis in Amsterdam, en sprak in mei, op uitnodiging bij een door de universiteit van Gent op gezette Afrikaanse leeskring, over Verliesfontein (1998) van Karel Schoeman.

Karakters: Dag Rob. Hoe gaat het met u?

Rob van der Veen: Prima, prima, dank je. Ik ben momenteel bezig aan de vertaling van een korte roman van Karel Schoeman, Die Hemeltuin (1979). Het is een boekje uit zijn middenperiode, totaal anders dan Dit leven. Het is prachtig. En onlangs kwam mijn vertaling van Wilma Stockenströms Abjater wat so lag (1991), Abjater die zo lachte uit. Twee hele mooie projecten.

Dat is heel erg fijn om te horen.

Ja geweldig, hè! Onlangs heb ik, dat is misschien voor jou ook nog interessant, een nieuwe biografie gelezen over Ingrid Jonker, beschreven door Petrovna Metelerkamp. Zij heeft in het verleden een beeldbiografie samengesteld, bestaande uit losse stukjes beeldmateriaal. Nu heeft ze echter een hele omvangrijke biografie geschreven, iets over de vierhonderd bladzijden. Ik moest meteen aan jou denken omdat Brink er ook in voorkomt. Er worden namelijk dingen over hem verteld die ik helemaal nog niet wist.

.. Zoals?

Dingen die mijn eerdere vermoedens over hem bevestigen. Dat hij in zekere zin een opportunist was én een huichelaar. Het interessante daarvan is dat dit in zijn eigen werk binnensluipt, en dat dit ook terugkomt in de manier waarop hij omging met Ingrid Jonker én met vrouwen in het algemeen. Deze attitude van hem kun je bedenkelijk noemen. Er zijn laatst nog twee recensies over deze biografie verschenen op LitNet.

Fijn dat u Brink vermeld, want dat is inderdaad hetgene waarover ik het met u zou willen hebben als hoofdvertaler van Brink, toch?

Eigenlijk wel, ja. Ik ben begonnen met het vertalen van Brink in de jaren tachtig. Toen was hij al door anderen vertaald, de eerste keer, met Lobola voor het leven (1966), zelfs uit het Afrikaans. Hij is eigenlijk voorgoed bij mij terechtgekomen omdat ik toevallig elke keer vrij was wanneer er een nieuw boek van hem verscheen. Zo had ik tijd om het boek te vertalen. Ik vond het heel erg prettig om te doen omdat ik zo met Afrikaans kon bezig zijn. Je weet dat hij op een gegeven moment ook in het Engels begon te schrijven? Wel, dat kwam doordat één van zijn verboden boeken veel interesse heeft opgewekt in Groot-Brittannië. Hij besefte dat het belangrijk was om ook een Engelstalige versie klaar te hebben zodat hij, wanneer de weerstand te hard werd in Zuid-Afrika, toch gepubliceerd kon worden in Groot-Brittannië en Amerika. Meulenhoff, zijn Nederlandse uitgever, kreeg zijn boeken initieel in het Engels en moest vanuit het Engels vertalen. In de eerste plaats was dit omdat er destijds niet voldoende vertalers waren die het Afrikaans machtig genoeg waren. Brink was er namelijk op gesteld dat Europa een gelijkluidende versie van het Engelstalige boek zou krijgen. Toch hield ik de Afrikaanse versie bij mij, omdat ik zag dat zijn Afrikaans tot een mooiere, beeldender manier van schrijven leidde. Dus ik heb zo stiekem toch elementen van het Afrikaans overgenomen in mijn vertalingen. Naar het einde van mijn Brink-loopbaan ben ik gewoon rechtstreeks uit het Afrikaans gaan vertalen. Het is ánders, want Afrikaans is zijn moedertaal.

Merkt u dat het vertalen uit het Engels een invloed heeft op de interpretatie van de roman door u als vertaler, in vergelijking met het Afrikaans?

Als vertaler was Brink zeer snel. Hij vertaalde niet woord voor woord, maar creëerde een parafraseachtige vertaling die qua register hoger was dan het Afrikaans. Brinks Engels was natuurlijk fantastisch, maar desalniettemin was Engels niet zijn moedertaal en dan heb je altijd de neiging om in een tweede taal in een wat formeler register te schrijven omdat je je daarin zekerder voelt. Dat verschil met Afrikaans vond ik jammer. Daarom probeerde ik om ook het informele Afrikaanse taalgebruik in te werken in de vertalingen. Dat was niet altijd zo gemakkelijk want soms begreep ik het Afrikaans niet, omdat het een heel andere taal is dan Vlaams of Nederlands…

In welke zin dan?

De woorden zijn zoveel anders. Het is eigenlijk een totaal andere taal. Je moet je eerst een paar jaar in het Afrikaans inlezen alvorens je haar finesses begrijpt. Zeker als vertaler is dit belangrijk. Je hebt pas door welk register de auteur hanteert wanneer je je grondig hebt ingelezen. Het woord ‘gesuip’ bijvoorbeeld, is in het Afrikaans heel erg grof. Dat weet je pas wanneer je dat woord tien keer bent tegengekomen. Alvorens dit gebeurt moet je al een heleboel boeken hebben gelezen. In 1993 vertaalde ik Toorberg van Etienne Van Heerden vanuit het Engels: rechtstreeks vertalen uit het Afrikaans zou een kwestie van gokken worden. Toen heb ik goed begrepen dat ik het Afrikaans eerst goed moest gaan bestuderen alvorens ik me aan zo’n boek zou wagen, en in die tijd dacht ik dat ik daar te oud voor was. Toch heb ik het op latere leeftijd opnieuw geprobeerd. Brinks Engelse vertalingen zijn vaak parafrases. Het lukt hem niet altijd om een geestige, puntige en adequate vertaling van zijn Afrikaans te geven. Zijn Afrikaans is nu eenmaal prikkelender. Zijn vertalingen zijn nooit identiek, vaak is het een herschrijving, een aanvulling of een verbetering van zijn originele Afrikaanse tekst. Dus hij vertaalde zijn eigen werk nooit zoals een beroepsvertaler dat zou doen.

Oké, hij zette de vertaling en de tekst naar zijn eigen hand?

Hij was de auteur, dus hij kon ervan maken wat hij wou. Hij had alle vrijheid om nieuwe elementen toe te voegen, en dat deed hij ook gaandeweg tijdens het vertaalproces. Hij bedacht een nieuw element wat de verhaallijn een andere wending gaf. Dan paste hij dat ook toe op de Afrikaanse tekst, want vaak schreef hij tegelijkertijd aan zowel zijn Engelstalige als zijn Afrikaanstalige tekst.

Werkte u eigenlijk nauw samen met Brink tijdens het vertaalproces?

Ik ben een van die vertalers die altijd alles zeker willen weten; wanneer ik twijfel ga ik het gewoon vragen. Zeker bij Brink, want ik wist dat hij zeer toegankelijk was. Eerst communiceerden we per brief en daarna door middel van e-mails, waarop hij uitgebreid antwoord gaf. Het was prettig om bij hem te rade te gaan.

Was hij zo toegankelijk?

Het was wel een zeer afstandelijke en professionele relatie, hoor. Hij was en bleef ondanks alles een macho en ik ben dat helemaal niet. Wij respecteerden elkaar daarin.

Wat betekende Brink voor u, naast uw bedrijvigheid als vertaler?

Brink was enorm belangrijk voor mij om verschillende, soms heel banale redenen. Als ik een boek van hem vertaalde, dan kreeg ik meteen een werkbeurs, waardoor mijn inkomen toenam. Dus financieel was hij belangrijk. Brink vertalen was ook statusverlenend. Maar het allerbelangrijkste was toch dat ik tijdens het vertalen zowel het Afrikaans als het Engels naast elkaar had en zo duidelijk de verschillen tussen beide kon bestuderen. Dat heeft mij extra gestimuleerd om mijn vertalingen in een zo idiomatisch mogelijk Nederlands te maken. De zinsbouw in het Afrikaans is namelijk heel afwijkend van het Engels, desondanks er in het Afrikaans veel Engelse leenwoorden zijn terug te vinden.

Hoewel Brink voor mij de allerbelangrijkste schrijver uit mijn carrière is (ik ben zeer langdurig met hem bezig geweest; zonder Brink was ik nooit bij het Afrikaans uitgekomen en had ik dus ook nooit Schoemans Stemme kunnen vertalen) moet ik eerlijk toegeven dat ik Brink literair gezien niet de meest interessante schrijver vond. Zijn personages zijn steeds een beetje sjabloonmatig opgebouwd. Terwijl je bij andere Afrikaanse auteurs, mensen zoals Anna M. Louw en Klaas Steytler, wél heel divers uitgewerkte personages tegenkomt.

Dat is een interessant punt.

Ik weet heel goed dat hij belangrijk was omdat hij schreef over dingen waar heel weinig andere mensen over schreven. Zijn belang ligt voor mij meer in het contesterende karakter van zijn werk als geëngageerd schrijver. Maar, zoals ik zei, vond ik hem literair niet echt overtuigend. Dat kan ook mijn partner beamen. Wanneer u zou vragen hoe ik tegenover Brink sta, dan zou die antwoorden dat hij als literair schrijver niet tot mijn favorieten behoort en ik tegenwoordig ook een wat negatiever beeld van hem heb als persoon. Kennelijk ben ik in al die jaren steeds even gaan meedelen dat Brink alweer een vrouwelijk personage opvoerde dat gewoon echt geen vrouw is zoals een vrouwelijk auteur haar zou opbouwen. Hij verbeeldde ‘mannenvrouwen’, geïdealiseerde vrouwen, en geen realistische ‘mensenvrouwen’. Zelf ben ik tamelijk feministisch en ik geloof dat vrouwelijke schrijvers net zo belangrijk zijn als mannelijke schrijvers, soms zelfs belangrijker. In de Afrikaanse literatuur zijn naar mijn gevoel de belangrijkste boeken geschreven door vrouwen. Daarom ben ik extra gevoelig voor de geloofwaardigheid van vrouwelijke personages. Het verbaasde mij dan ook altijd dat zoveel vrouwen met hem wegliepen…

Misschien had dat voornamelijk te maken met hoe hij was als persoon?

Ik heb begrepen dat hij voor hele generaties van studenten een spannend en romantisch figuur was en ik vermoed dat Brink een hele goeie vrouwenversierder was. Je ziet dat trouwens ook terugkomen in zijn manier van schrijven. Vrouwen herkennen in zijn boeken een soort ‘ideale man’, een man die in mijn ogen nooit geloofwaardig is. Het zou eens interessant zijn om te horen hoe vrouwen reageren op de personages van Brink en hoe mannen daarop reageren…

Zit er dan zo’n verschil in?

Een hoogopgeleide vriendin van mij las Brink omwille van zijn geëngageerde standpunten. Op een gegeven ogenblik had ze genoeg van hem omdat zijn vrouwelijke personages gewoon te ‘ouderwets’ zijn voor Nederlandse vrouwen en zich gedragen vanuit een door een man bedacht patroon.

Een typerende damsel in distress, toch?

Valt het jou op dat hij ook steeds weer diezelfde hele jonge vrouwen opvoert? Het is voor hem waarschijnlijk onmogelijk om een roman te schrijven die de liefde tussen twee mensen van om en rond dezelfde leeftijd portretteert. Het is altijd weer datzelfde mooie, eigenwijze, jonge meisje, en dat gaat op een gegeven ogenblik toch irriteren…

Ik zie wat u bedoelt. Dat brengt ons terug op een punt die we tijdens een bijeenkomst van de leeskring in Gent hebben aangekaart. Het ging over cultural appropriation en de vraag of mannen wel over vrouwen kunnen schrijven.

Ja, maar ik vind op zich dat ‘cultural appropriation’ steeds meer een modebegrip is geworden. Ik vind in principe dat iedereen over alles zou moeten kunnen schrijven, maar dat niet iedereen over alles kán schrijven. En Brink was zo iemand die het maar niet lukte om geloofwaardige vrouwen neer te zetten. Ik wil dus twee dingen benadrukken: het moet kunnen, schrijven over dingen waar je eigenlijk niets van afweet, maar daarnaast moet je je er bij kunnen neerleggen dat het vaak niet zal lukken. Wanneer je niet in armoede in een township bent opgegroeid, en je bent nooit je gehele leven lang vernederd en onderdrukt geweest, dan kun je je als blanke Afrikaner nooit inleven in zo’n persoon. Je hebt alleen maar aan de winnende kant gestaan, je hebt altijd te eten gehad, je ouders hebben jouw studies kunnen bekostigen… Kortom, je hebt altijd zoveel weelde om je heen gehad dat je je niet kunt voorstellen hoe het voelt om een bruinman of om een swartman te zijn. Je blijft een buitenstaander. Niettegenstaande kun je, als je een goed verteller bent, je verhaal vertellen met een geëngageerde toets waardoor je bewustmaking stimuleert bij mensen. Maar je moet weten dat een deel van de lezers daar geen genoegen mee neemt.

Denkt u niet dat je uit je eigen perceptie kunt ontsnappen wanneer je veel informatie krijgt vanuit betrouwbare bron? Ik weet dat Lauren Beukes altijd zo’n ‘voorstudie’ doet alvorens ze haar romans gedetailleerd uitwerkt.

In mijn optiek kun je het alleen maar waarachtig beschrijven als je het zelf hebt meegemaakt. Dan pas kun je ervoor zorgen dat ieder detail klopt. Wij kunnen bijvoorbeeld een roman schrijven over de hoge Nederlandse adel in de jaren dertig, maar we zullen altijd steken laten vallen. We zullen altijd verkeerde woorden gebruiken, het verkeerde register aanwenden… We kunnen wel degelijk dat verhaal vertellen, maar we kunnen lezers niet meegeven hoe het echt was, want we zijn niet in die periode opgegroeid. Dat geldt eveneens voor het percipiëren van gebeurtenissen door de ogen van een niet-blanke Afrikaner. Ik denk eveneens dat een getinte Afrikaner nooit goed in staat zou zijn om het omgekeerde te doen, maar dat wil niet zeggen dat het verboden is om het te proberen!

In het begin van ons gesprek zei u dat Brink in de nieuwe biografie van Jonker naar voren kwam als opportunist en huichelaar. Ziet u dat terugkeren in zijn werk?

Ja… Ik bedoel het meer… Ik vond hem nooit zo overtuigend als hij schreef over feminisme, bijvoorbeeld. Ik vond het allemaal te doorzichtig en vermoedde dat hij het enkel deed omdat hij opnieuw met een mooie jonge vrouw was getrouwd. Het kwam voor mij over alsof hij meedeed aan modeverschijnselen, het leek mij allesbehalve oprecht. Niet zo écht zoals bijvoorbeeld bij Karel Schoeman in zijn beginperiode of zijn middenperiode. Hij brengt elementen naar voren waaruit je begrijpt dat hij wel degelijk weet wat er aan de hand is, waaruit blijkt dat hij overtuigd is dat vrouwen in die tijd niet goed behandeld werden. Schoeman beschrijft dit door middel van zaken naar voren te halen die als heel vanzelfsprekend werden gezien. Bij Brink is dat altijd een beetje ‘met de haren erbij gesleept’. Dat is toch mijn voortdurende ervaring wanneer ik Brink lees. Elke keer denk ik dan: ‘neen, dit is het net niet’ en dat is het huichelachtige element van Brink. Dit gevoel werd nog sterker wanneer ik zijn autobiografie ging vertalen. Het is zo onthullend waarover hij NIET schrijft, in de dingen die hij ongezegd laat. Hij schrijft bijvoorbeeld helemaal niet over twee of drie vrouwen met wie hij getrouwd was, onder het mom dat het niet prettig is om over hen te schrijven zonder hun toestemming. Tegelijkertijd komt het hem heel goed uit om hierover te zwijgen omdat zijn rol binnen dat huwelijk eigenlijk vrij verfoeilijk is geweest. En als je op die leeftijd jouw hand in eigen boezem steekt, dan moet je kunnen zeggen dat je omwille van jouw seksuele verlangens jouw vrouw en kind in de steek hebt gelaten. Hoe interessant het ook was om zijn autobiografie te vertalen, toch stoorde ik mij hier voortdurend aan. Het heeft ervoor gezorgd dat zijn postuur voor mij is beginnen afbrokkelen.

Ja, u heeft ook met collega-vertalers de liefdesbrieven van Brink en Jonker vertaald, toch? Heeft dat meegeholpen aan die afbrokkeling van zijn persoon?

Je merkt aan mijn collega’s, Martine Vosmaer en Karina Van Santen, dat ook zij hun bedenkingen begonnen te krijgen over Brink. De jonge Brink, opgegroeid op een plaas, had nog niet zo erg veel meegemaakt. En dan komt hij plotseling de vrij losgeslagen Ingrid Jonker tegen, die door haar psychiatrische aandoening geen remmingen kende, zeker niet in haar seksueel gedrag. Brink ging hier helemaal in mee. Je merkt in zijn romans dat hij een etherisch gevoel heeft over seks, dat hij het ziet als iets kosmisch. Dit draagt bij tot mijn gevoel van onwaarachtigheid wanneer hij schrijft. Seks kan toch ook gewoon iets heel banaals zijn. Zo’n hoogontwikkelde man die zijn ogen sloot voor bepaalde dingen en voor zijn eigen gedrag. Achteraf is zoiets natuurlijk onbegrijpelijk. In zijn laatste brief aan haar deelt hij in tranen mee dat hij met een andere vrouw heeft geslapen. Die spijt komt zo huichelachtig op mij over.

Denkt u niet dat hij zijn autobiografie heeft geschreven met gedeeltelijk in zijn achterhoofd de zogenaamde cultus die academici rond hem hebben gebouwd?

Nou, ik denk dat hij heel goed begreep dat zijn politieke relevantie achterhaald was. Ik heb het gevoel dat hij zijn autobiografie vooral heeft geschreven om zijn nieuwe jonge vrouw, Karina, te vertellen wie hij was en wat hij allemaal heeft gedaan. Al vermoed ik dat autobiografieën voor een deel de waarheid liegen, net zoals fotoalbums.

Ik denk wel dat de komende biografie van Brink die door Leon de Kock wordt geschreven, heel interessant zal worden. Het gaat een onthullend beeld geven op de werkelijke persoon van Brink. Leon beschikt volgens mij zelfs over de dagboeken van de auteur. De Kock is een heel rationele en feitelijke biograaf, hij fantaseert er niets bij en gaat ook niet in de huid van de auteur kruipen. Hij gaat op zoek naar de werkelijkheid. Vandaar dat ik denk dat deze biografie in wezen onthullender en interessanter zal zijn dan Tweesprong.

Ik heb nog een tweetal vragen: wat  is voor u zijn beste boek?

Ik vond Het eerste leven van Adamastor (1993) en De Duivelsvallei (1999) erg mooie boeken.

Is Brink nog steeds relevant voor Zuid-Afrika?

In Zuid-Afrika is hij nog heel erg belangrijk. Hij is echt een soort van icoon  geworden, terwijl hij vroeger door de bevolking erg verguisd werd. Brink is een groot schrijver uit het verleden die na de machtsomwenteling zijn stem nog steeds deed gelden. De opvattingen over Brink waren veranderd, iedereen was blij met ‘m. Men ging ook zijn boeken lezen. Toch vrees ik dat hij eerder vergeten zal worden dan andere schrijvers…

Hoezo?

Omdat zijn thematiek achterhaald wordt en omdat hij literair gezien niet echt belangrijk is. Iemand als Van Heerden heeft een duidelijker gestileerde stijl, net zoals Marlène van Niekerk. Anna M. Louw, Wilma Stockenström… Zij hebben een grotere eeuwigheidswaarde.

Ik heb het gevoel dat het in Zuid-Afrika vloeken in de kerk is, je negatief uitlaten over André Brink, vanwege zijn grote belang als politiek schrijver. Interessant is trouwens hoe de nieuwe generatie bruine en zwarte schrijvers in de toekomst naar hem gaan kijken. Maar als liefhebber van de literatuur vind ik dat politieke karakter van minder belang. Nu ja, dit is slechts mijn opvatting. Andere mensen zullen er anders over denken.