fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: Albert Camus

Achtergrond

"Wat men een reden om te leven noemt, is tevens een uitstekende reden om te sterven."
Naam Albert Camus
Nationaliteit Frans
Bekendste werk De vreemdeling (1942)
Geboortedag 7 november 1913
Sterfdatum 4 januari 1960
Belangrijkste onderscheiding Nobelprijs voor de Literatuur (1957)
"Kafka wekt medelijden en huivering op, Joyce bewondering, Proust en Gide respect, maar behalve Camus zou ik geen enkele andere moderne schrijver kunnen bedenken die liefde heeft opgewekt." – Susan Sontag

Hoe minder zin het leven heeft, hoe beter het geleefd kan worden

‘Een bewonderenswaardige verbinding van een mens, een bepaalde activiteit en een bepaald werk’, omschreef Sartre de schrijver. En zo vaag als dat klinkt, zo treffend brengt het Camus samen in één zin. Al leef je maandenlang in zijn werk, lees je zijn biografie en dagboeken en bekijk je zijn toneelstukken: je dringt lastig door tot deze schrijver. Op de versteende zwart-witfoto’s glijden de blikken van hem af, terwijl er zoveel warmte uit zijn brieven spreekt en de kleurrijke beschrijvingen van zijn leven in Algiers. Zijn ziel zit verstopt in zijn heldere en dubbelzinnige werk.

Tekst: Ricardo Jupijn Illustraties: Veerle van Herk

Een man van het volk, een intellectueel

Door zijn omgeving wordt Albert Camus (1913–1960) getypeerd als een goede, vreugdevolle en aantrekkelijke kerel, uit zijn brieven spreekt een twijfelaar en een buitenstaander. Hij is een compacte en filosofische schrijver die graag experimenteert en zich toelegt op essays, theater en literatuur. Op zijn cv staan werkzaamheden als privéleraar, journalist, manuscript-begeleider en assisterende functies bij een autogarage en het Meteorologisch Instituut. Beroemd is zijn vriendschap met Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, zijn romans en de gladde weg nabij Parijs waar al zijn ambities plotseling verloren gingen. Albert Camus: een man van het volk, een intellectueel, een rokkenjager, een verzetsheld, een begenadigde voetbalkeeper en altijd met die onafscheidelijke peuk in zijn rechtermondhoek.

De wereld van woorden

In 1913 komt Albert Camus in Mondovi ter aarde uit een Spaanse moeder en een Frans-Algerijnse vader, die nog geen jaar na zijn geboorte sneuvelt tijdens de Eerste Wereldoorlog. Met een kleine toelage van de Franse staat, voedt de analfabete Catherine Hélène Camus haar zoons op. De wereld van woorden ontdekt Albert Camus op school, waar hij schrijvers als Zévaco, Dumas en Balzac leert kennen. Hij is leergierig en een oplettende lerares weet zijn moeder te overtuigen om hem te laten studeren. In 1930 wordt er tuberculose ontdekt bij Camus, die noodgedwongen naar zijn oom en tante verhuist om zijn broertje voor de ziekte te behoeden. Daar vindt hij boeken van Voltaire, Joyce, Hugo, Zola, Valéry, Gide, Proust en Marras in de kast en voert hij met oom Gustave gesprekken over politiek en filosofie. Het laatste studeert hij ondertussen aan de Universiteit van Algiers en het is de periode waarin er een ‘mystiek verlangen’ begint te branden in de ziel van de jongeling. Steeds vaker kruipt hij achter de typemachine.

Na zijn studie moet er iets gebeuren: ‘Ik wil trouwen, mezelf vermoorden of een abonnement nemen op L’Illustration Magazine, iets radicaals doen, snap je’, schrijft hij aan een vriend. Hij is toe aan wat sensatie. Dit alles raakt in een stroomversnelling als Camus tijdens een reis door Europa zijn liefde voor theater ontdekt, kortstondig lid is van de Franse Communistenpartij, in 1934 met Simone Hié trouwt en kort daarna alweer in scheiding ligt met zijn morfine-verslaafde vrouw. Het zorgt ervoor dat hij meer tijd heeft om te schrijven en Camus gaat volledig op in deze ‘pure activiteit’. Zijn eerste redactionele stappen zet hij eind jaren dertig bij het dagblad Alger Républicain, in de stad waar hij van houdt: ‘Wat mooi is aan Algiers, is het zicht op de zee, vanaf elke straathoek, een zekere zwaarte aan zonlicht.’ Hij weet zelfs een literaire hoek in de krant te krijgen; kolommen die alweer vlug overspoeld worden door de aanstormende oorlog in Europa. In 1940 pakt hij zelf de boot en meldt zich in Parijs aan voor het leger.

Door zijn ziekte wordt hij echter niet aangenomen, maar voor de krant Paris Soir kan Albert Camus wel aan de slag. Als hij niet op de redactie is, werkt hij aan zijn verhalen en ’s nachts ligt hij wakker van gekmakende twijfels. Is het goed? Is het slecht? Is het origineel? Zit iemand hierop te wachten? Hij weet het niet. In alle onheil van de oorlog trouwt hij in 1940 met zijn tweede vrouw, de pianiste en wiskundige Francine Faure, en niet veel later slaagt Camus erin een drieluik af te ronden: een toneelspel (Caligula), een roman (De vreemdeling) en een essay (De Mythe van Sisyfus). Via zijn goede vriend Pascal Pia vallen zijn manuscripten bij een van zijn favoriete schrijvers op het bureau: André Malraux. De schrijver van Het menselijk tekort (1934) koppelt Camus aan uitgever Gallimard en al snel gaat het werk langs de Nazi-propagandastaffel Gerhard Heller. Die heeft geen bezwaren tegen de boeken en verklaart na de oorlog De vreemdeling zelfs in één keer te hebben uitgelezen. Hoewel veel schrijvers niet publiceren wegens de oorlog, heeft Camus door zijn ziekte een gevoel van eindigheid en verschijnen zijn eerste werken in het voorjaar van 1942. De rest van de zomer zou hij in de lappenmand liggen door zijn TBC. Ver weg van alle frisse roem.

Wie hij was en wat hij zei

Terwijl de oorlog alle energie uit de kwakkelende Camus zuigt, geeft het hem ook de nodige inspiratie voor zijn tweede roman De pest. Een wervelend en allegorisch verhaal waar de inwoners van een Algerijnse stad strijden tegen de ratten (de Duitsers) en de pest (nazisme), en waarin geliefden van elkaar worden gescheiden. Net als Camus, die ‘vastzit’ in Duits gebied en niet terug kan naar Noord-Afrika, waar de geallieerden de Nazi’s hebben verslagen. Meer zijn draai vindende in de Franse hoofdstad, gaat de schrijver bij zijn uitgever aan de slag als manuscript-begeleider, ontmoet hij Sartre en De Beauvoir en zet zich in voor verzetskrant Combat. Daar schopt hij het tot hoofdredacteur en vindt er een plek waar hij dagelijks zijn visie, ideeën en gedachten kan delen met honderdduizenden lezers. Dat bevalt hem wel. Tussen al het geschrijf is hij druk met zijn minnares Maria Casarès, zijn vrouw die uit Frans-Algerije overkomt als de Duitsers verdreven zijn, en de verschijning van De pest in 1947. Hoewel er binnen een paar maanden al 52.000 stuks van worden verkocht, voelt hij zich zwak, moe, geïrriteerd en dwingt zijn ziekte hem regelmatig op de knieën. Het ergert de schrijver dat hij weinig werk uit handen krijgt en hij voelt de tijd tikken op zijn 35ste. Zijn grote voorbeelden Tolstoj en Melville waren op die leeftijd creatief veel verder dan hij.

Mogelijk zijn het de typische twijfelaars van een kunstenaar. Want het lijkt Albert Camus eind jaren veertig allemaal voor de wind te gaan. Hij heeft succesvolle romans en essays op zijn naam staan, een goede baan bij een uitgever, speelse minnaressen, een zorgzame vrouw, een tweeling en filosofische vriendschappen in de schemerige cafés van intellectueel Parijs. Een dappere schrijver met een mooie journalistieke carrière bij verzetskrant Combat, die met filosofische vrienden de wereld overziet tijdens chique lunches en op straat door vrouwen goedkeurend wordt nagekeken. Camus is de Don Juan van de Franse literatuur, maar voelt zich toch nooit helemaal thuis in de pastiche glorie van Parijs. Geboren als een Fransman in Algerije, resoneert deze pied-noir meer aan de zonlicht weerkaatsende Middellandse Zee.

Tot 1951 is Albert Camus nog steeds niet blij met wat er uit zijn pen komt; volgens de auteur zal dat pas het geval zijn op de dag als ‘wie hij is en wat hij zegt’ samenvalt. De situatie wordt nog een stuk erger als hij het essay De mens in opstand uitbrengt. Er ontstaan heftige discussies rondom het stuk waarin Camus revoluties interpreteert en losjes met elkaar vergelijkt. Het onderwerp is misschien te groot en zijn kennis te klein, met als gevolg dat zijn werk van alle kanten aan stukken wordt gescheurd. Maar de hel breekt pas echt los als Camus Sartre betrekt in een van de discussies. De filosoof veegt de vloer aan met Camus, noemt hem somber, prekerig, arrogant, zet hem te kakken met zijn ‘armoede-parochie’ en beschuldigt hem van incompetentie en het haastig overschrijven van halve bronnen.

In die harde zinnen scheurt de vriendschap tussen de twee. Albert Camus schrijft in brieven dat hij zijn twijfels heeft over het essay en dat hij teleurgesteld is dat zijn vriendschap met Sartre kennelijk een grote sof is. Daarbovenop blijkt Francine klinisch depressief te zijn en loopt ze een aantal breuken op als ze uit het raam van een kliniek springt. Alles staat begin jaren vijftig stil, Albert Camus lijkt uitgedroogd en als laatste klap boetseert De Beauvoir het karakter Henri in De mandarijnen (1954) duidelijk naar Camus. Hij komt er niet te best vanaf… Terwijl cultureel Parijs grinnikt in zijn leunstoelen en smoezelige cafés, trekt hij zich een tijdje terug in Frans-Algerije.

De Algerijnse kwestie

Als de wereld langzaam wakker wordt uit de duistere nachtmerrie van de oorlog, escaleert in Algerije de onafhankelijkheidsstrijd. Albert Camus zit gevangen tussen twee werelden, kiest geen partij en hoopt dat beide kanten met elkaar kunnen blijven leven. Hij ontwijkt de situatie en werkt in de schaduw aan zijn laatste roman die in 1956 verschijnt: De val. Een novelle die voor het einde van het jaar maar liefst 126.500 keer over de toonbank gaat. Met elke nieuwe roman wil Camus iets nieuws doen en dat is zelfs volgens Sartre goed gelukt. Hij vindt het misschien wel Camus’ beste roman, omdat hij zichzelf volledig laat zien én zich volledig verschuilt. Het is een sarcastisch verhaal over oordelen, zondes, relaties, jaloezie, vluchten, karakter en vrouwen, gegoten in een monoloog van een advocaat die op de Amsterdamse Wallen terugkijkt op zijn leven.

Maar dan! De onderscheiding waar al tijden over gefluisterd wordt: de toekenning van de Nobelprijs in 1957. Camus is door het dolle heen en reist naar Stockholm. Terwijl het aantal zure reacties tot een hoogtepunt stijgt en er ineens allerlei verkopers van luxewaren aan zijn deur staan, verkopen zijn boeken als een speer en zijn er veel interviews, etentjes, recepties en allerlei belangrijke mensen die zich maar wat graag met hem bemoeien. De schrijver voelt zich herboren, zijn oude kapsel uit Algiers zit weer op zijn hoofd en in zijn geschriften omschrijft hij zichzelf als een 29-jarige: ‘Fragiel, lijdend, gespannen, gewetensvol, sensueel, dagdromend, cynisch en dapper/heldhaftig.’

Zijn oude vrienden mist hij echter wel als hij in zijn pas gekochte villa in Lourmarin zit. Als de jaren zestig nog maar een paar dagen bezig zijn, besluit hij naar Parijs te gaan om wat mensen op te zoeken. Hij heeft al een treinkaartje voor de trip, maar zijn vriend Michel Gallimard overtuigt hem om met hem mee te rijden. De blinkende Facel Vega raakt bij Villeblevin van de weg en knalt tegen een boom. De inzittenden hebben geen schijn van kans en de auto wordt in tweeën gebroken. Zo is de schrijver op 46-jarige leeftijd ineens weg, op slag dood. Zijn oude moeder kan alleen maar uitbrengen: ‘Te jong.’

Op een sidderend hete dag schiet de hoofdpersoon in de roman De vreemdeling een Arabier neer op een Algerijns strand. ‘Tijdens de rechtszaak kan de onverschillige Noord-Afrikaan geen verklaring geven voor zijn daden en stuurt zo de rechter een kronkelend doolhof in. Een labyrint waar de lezer van De vreemdeling al een tijdje met vraagtekens boven het hoofd in ronddwaalt: waar gaat dit verhaal over?! Een paar maanden later volgt Camus zijn debuutroman op met De mythe van Sisyphus, een essay waarin hij het ongrijpbare thema van zijn raadselachtige verhaal ontsluiert: ‘het absurde’.

Absurd en in essentie betekenisloos, dat is het leven op aarde volgens Camus. ‘Het absurde ontstaat uit de confrontatie tussen het roepen van de vragende mens en het onredelijke zwijgen van de wereld,’ schrijft hij in zijn essay. De vreemdeling is de tekstuele luchtspiegeling van deze vruchteloze conversatie. Camus zijn roman en essay worden in 1942 goed ontvangen en er wordt nog meer over de boeken gekletst als Jean-Paul Sartre zich ermee bemoeit met een scherp essay. Met deze bespreking aan onze zijde, volgen we de lijnen van het absurde.

Een gelukkige sul

De vreemdeling is op zichzelf een vreemdeling als het verschijnt en is tot op heden nog steeds een bevreemdend verhaal. Zoals een satijnwitte wolk zich onzichtbaar met regen vult, worden de holle zinnen volgeschonken met dubbelzinnigheden. In de roman volgen we een zonderlinge man die zijn moeder zelden bezoekt en geen verdriet toont als zij overlijdt. De dag na de begrafenis maakt hij een meisje het hof en raakt bevriend met een pooier. Niet veel later schiet hij iemand dood en op de avond van zijn executie is hij nog altijd een blij man. Het leven lijkt deze passieve en zeer neutrale hoofdpersoon maar te overkomen. Wat is dit voor een karakter? Hoe komt hij in deze situaties terecht en waarom is hij zo lijdzaam? Deze gelukkige sul!

Met name omdat Meursault de fictieve vertaling van het absurde is. Camus let goed op als hij in 1938 De walging van Sartre recenseert voor Alger Républicain: ’Een roman is niets anders dan een in beelden gevatte filosofie.’ Het verhaal van De vreemdeling is een omhulsel van het absurde gevoel dat Camus wil overbrengen, de onderliggende ideeën duidt hij in zijn essay. Zo is Meursault volgens de schrijver niet goed of slecht, noch moreel of immoreel. Welke regels en zeden er ook worden verzonnen: de mens is onschuldig. Alles is geoorloofd in een wereld waarin men zonder een God overlijdt. Deze illusieloze filosofie beheerst de roman. Waar je doorgaans in een verhaal gezogen wordt van een schrijver die iets ‘kwijt moet’, is De vreemdeling een boek zonder driften. Het werk verlangt niets van je en dat is even wennen. Je vraagt je voortdurend af waar het nou over gaat en of het verhaal nog ergens heen zal gaan. En precies dáár gaat het dus over.

Onze relatie met de wereld

Maar goed, wat is dat ‘absurde’ dat Camus duidelijk wil maken? Volgens hem is dat de relatie van de mens tot de wereld, een ingewikkeld dualisme tussen de geest en de natuur. Tussen de drang van de mens naar het eeuwige en het eindige karakter van zijn bestaan. Waarom spannen we ons in, maken we ons zorgen, creëren we dingen, staan we elke dag op en denken we na over ons verleden en onze toekomst. Of zoals Camus het absurde samenvat:

‘Er is maar één werkelijk serieus filosofisch probleem: dat van de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is om te blijven leven, dat is antwoorden op de fundamentele vraag die de filosofie ons stelt.’

Toch zal de absurde mens geen zelfmoord plegen, want ergens schuilt er een zekere passie in een leven zonder toekomst, zonder hoop, zonder illusies, zonder God en zonder berusting. Hij staart aandachtig naar de dood en die fascinatie bevrijdt hem van zijn lasten. Camus is niet de eerste die dit oppert en claimt dat ook niet te zijn. In de vroege zeventiende eeuw bestaat er al een soort droog en beschouwend rationalisme dat typisch Frans is. Moralisten/pessimisten, die weleens de existentialistische voorlopers van Nietzsche worden genoemd, vragen zich in hun werk af wat voor zin het leven heeft, met al onze dagelijkse routines en zinloze streven. Camus zit daar ergens in de buurt: het absurde zit volgens hem niet in de mens of in de wereld, het komt doordat de mens zichzelf ziet als ‘in de wereld zijnde’. Een wereld die ons niet nodig heeft, maar wij hem wel. Door deze raadselachtige verhouding wordt het absurde uiteindelijk een belangrijk onderdeel van de menselijke toestand. En het is geen idee: het wordt dagelijks treurig verlicht als we opstaan, reizen, werken, eten, slapen en al vrijend iets proberen voort te brengen dat weer zal sterven. We leven als doden en toch doen we zoveel moeite.

Zo wordt de argeloze lezer overspoelt door het absurde en worden zijn alledaagse gedachteloze bezigheden onderstreept. Waarom doen we dingen zoals we ze doen? De lezer wordt met zijn neus op eenvoudige realiteiten gedrukt. Is het bijvoorbeeld vanzelfsprekend dat je huilt tijdens je moeders begrafenis? Of vreemd dat je de volgende dag een meisje versiert? En zo ja: waarom dan? Camus stelt ons de vraag wat (on)menselijkheid is, maar geeft ons geen antwoorden. De reden van ons bestaan is onverklaarbaar en door niets te duiden versterkt de schrijver continu dat curieuze gevoel van ons vreemde en zwalkende leven op deze godverdomse bol die maar wat rond de zon draait.

Een beklemmende verlossing

Al deze gevoelens komen samen in de absurde en steriele Meursault. We zien een karakter dat de regels van de maatschappij niet accepteert en dus niet meedoet aan het door de mens gecreëerde spel. De meeste lezers beoordelen Meursault naar hun eigen maatschappelijke standaarden, waardoor hij al snel ’een vreemdeling’ is. Hij geeft je een ongemakkelijk gevoel en je verwacht dat er ergens een verklaring voor zijn gedrag zal worden gegeven: waarom is hij zo? Alleen wordt er niets uitgelegd. De vreemdeling lijkt wel een verhaal dat tijdens het schrijven al door de maker is verlaten. Op een verdomd knappe manier weet Camus het absurde gevoel over te brengen: zo zijn de toonkleuren in de roman wit, licht en transparant, is de beschreven wereld er eentje van heldere uitzichten, verkoelende golven die over een gloeiend strand spoelen en zijn er schijnende ochtenden, kalme avonden en hete middagen. En als het al nacht is, dan gaat het over het schijnen van de sterren. Camus verbeeldt het absurde leven, een licht bestaan waarin de mens bevrijd is van alles wat hem neerdrukt. Een verlossing die vanaf de eerste zin iets beklemmends heeft:

‘Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet. Ik kreeg een telegram van het tehuis: “Moeder overleden. Morgen begrafenis. Hoogachtend.” Dat zegt niets. Misschien was het gisteren.’

Al klinkt hij soms naïef of koudbloedig, in het verhaal komt Meursault over als zacht en vredig. Hij maakt zich nergens druk over, is zich van geen kwaad bewust en wandelt door het leven van de ene naar de andere zin. Verschrompelde zinnen waar het absurdisme volgens Sartre volledig in opgezogen is. Net als alle ervaringen – hoe groot of klein ook – even belangrijk zijn voor de absurde mens, is elke regel in De vreemdeling even belangrijk. Sartre noemt Camus zijn zinnen scherp, duidelijk en op zichzelf staand, waarbij iedere nieuwe zin de vorige in de leegte veegt waar hij vandaan kwam. Het zijn zinnen zonder verleden of toekomst, die als bevroren eilandjes de pagina’s vullen. Samen geven ze De vreemdeling een eigenaardig kalme toon, die net zo onbewogen is als het gevoelsleven van de hoofdpersoon. Zelden schieten de emoties omhoog en al die sereniteit voelt onmenselijk aan. Neem de volgende scène:

‘Ze vroeg mij een moment later of ik van haar hield. Ik antwoordde haar dat het niets betekende, maar dat ik waarschijnlijk niet van haar hield. Ze leek verdrietig. Maar toen we de lunch aan het voorbereiden waren lachte ze plotseling zonder enige reden, op zo’n manier dat ik haar kuste. Op dat moment brak er ruzie uit in Raymond zijn appartement.’

Niet alleen is het een eigenaardige situatie, het laat ook zien hoe Camus dialogen gebruikt om het absurde te ondersteunen. Waar conversaties normaal gesproken worden gebruikt om iets uit te leggen of betekenis te geven, is dat in De vreemdeling precies andersom. De schrijver vat gesprekken samen in een indirecte vorm waardoor dialogen onderdeel worden van het narratief en uitspraken opgaan in de beschrijving van de felle zon of het voorbereiden van een lunch. Het is er en het is weer weg. Die uitgedroogde stijl geeft de filosoof het gevoel dat je naar een monotoon, nasaal Arabisch gezang zit te luisteren in plaats van dat je een roman leest.

Een gelukkig mens

Hoe willekeurig of onwillekeurig de gebeurtenissen in De vreemdeling soms lijken, toch wordt geen enkel detail zonder reden genoemd. Op een of andere manier heeft alles gewicht in een wereld die volledig van causaliteit is gestript. Alles komt terug, speelt een rol en wordt later als argument in de rechtszaal tegen Meursault gebruikt. De roman is uitzonderlijk gecomponeerd en het absurde resoneert in iedere handeling en elk gesproken woord. Of deze koelbloedige symfonie de soundtrack is van een meer of minder positieve levensbeschouwing, dat laat de schrijver over aan de lezer. Camus besluit De mythe van Sisyphus met de volgende woorden over de oude koning van Korinthe, die het naar beneden rollende rotsblok altijd weer omhoogduwt:

‘De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’

Interview met Marieke McKenna: ‘Wat Camus zegt lijkt op het eerste gezicht simplistisch, maar als je het voelt in plaats van probeert te begrijpen, zit er veel diepgang in’

Het gaat misschien wat ver om te zeggen dat het werk van Albert Camus actueler is dan ooit, maar in onze hyper-kapitalistische samenleving is het waanzinnig relevant. We leven in een wereld waarin een generatie opgroeit met minder zekerheden en een groeiend aantal vragen en verantwoordelijken. Niet zo vreemd dat ‘het absurdisme’ van Camus een jonge generatie aanspreekt, zo ook de 25-jarige Marieke McKenna. Zij is oprichtster en directrice van platenlabel Mink Records en rondt momenteel haar onderzoeksmaster filosofie af aan de Universiteit Utrecht.

‘De zomer na de middelbare school was ik met vakantie in Londen en stond ik buiten bij een bar met een Fransman te kletsen. Toen ik hem vertelde dat ik bij terugkomst aan mijn studie filosofie zou gaan beginnen aan de Universiteit van Amsterdam lichtte zijn ogen op en werd ‘ie helemaal enthousiast. Hij stond erop dat ik mijn telefoon aan hem zou geven zodat hij een notitie kon maken. Na die vakantie kwam ik pas tegen wat hij had geschreven: ‘Must read The Myth of Sisyphus!’. Ik had destijds nog niets van hem gelezen, maar ik kende Albert Camus wel. Het is een filosoof die tot de verbeelding spreekt, in de popcultuur wordt hij vaak weggezet als een soort James Dean van de filosofie. Ik besloot dat boek te kopen en ik werd er meteen door gegrepen. Nog steeds vind ik Camus een ontzettend interessant figuur, hij is veel meer dan een schrijver en een filosoof. Die laatste aanduiding verwierp hij overigens zelf. Hij zat niet in zijn eentje op een kamertje te schrijven, hij stond midden in de maatschappij en was activistisch. Het was iemand die opgroeide in een arm Algerijns gezin en later rondcirkelde in de culturele kringen van Parijs. Hij werkte als journalist, redacteur, toneelschrijver en regisseur, maar was ook romanschrijver, politiek essayist en activist. Zijn project was er een van actie, passie en voelen, niet van begrijpen en doorgronden.’

Bevrijdende filosofie

‘Voor mij was het ontzettend bevrijdend om het werk van Camus te lezen. Net als Nietzsche, een van mijn favoriete filosofen, benadrukt hij dat je het leven aan moet grijpen en in de ogen moet kijken. Inclusief de slechte, hopeloze en absurde kanten ervan. Hij laat zien dat er een kracht zit in het omarmen van de gekte, de zinloosheid, en dat sprak mij aan. Een andere reden waarom ik Camus interessant vind, heeft te maken met mijn interesse in de natuur: met name kosmologie en biologie. Het ‘absurde’ heeft een specifieke betekenis in het werk van Camus en een specifieke betekenis voor mijzelf in de context van kosmologie: namelijk de spanning die bestaat tussen de drang van de mens om de wereld en zijn bestaan te begrijpen, en het onvermogen van het universum om daar antwoorden op te geven. Op de echt grote vragen dan. Tijdens een vak sterrenkunde dat ik volgde, ging het tijdens een college over de uitdijing van het heelal en hoe je dat kunt berekenen. Ik vroeg mij vooral af: wat zit daarachter, waar dijt het zich dan in uit?! Hoe kunnen we ons verzoenen met dit niet-weten? In de trein naar huis zat ik met al die vragen in mijn hoofd en werd ik overvallen door een soort spirituele ervaring. Iets dat filosofen zoals Kant, Burke en Adorno aanduiden met een existentiële aanvaring met ‘het Sublieme’. Ik was totaal overrompeld door hoe dit ‘grootse’ in contrast staat met ‘het kleine’ van ons bestaan, maar voelde ergens dat de bewustwording daarvan ook weer iets groots moest zijn.’

‘We lopen rond op een soort vliegende rots in een oneindig universum: die absurditeit voel ik vaak en dat vind ik een overweldigende gedachte: ergens eng, ergens ook prachtig, bijna verslavend. Voor mij was Camus de eerste persoon die zei: ‘Het is inderdaad absurd’, maar je kunt er iets mee. Zijn werk geeft een aantal handvatten hoe je met dat gevoel om kunt gaan. De Sisyphus-mythe is daar een sterk beeldend verhaal voor: met het oog op de onzinnigheid van het constant weer omhoogduwen van de rots, is de enige echte filosofische vraag die van zelfmoord: waarom zouden we het doen als er geen zingeving is? We kiezen er voor om te leven, om de rots omhoog te blijven duwen, ondanks het feit dat het nutteloos is om constant op zoek te zijn naar de zin van het leven. Tegelijkertijd lost het niet-leven, zelfmoord, dat probleem ook niet op. Het belangrijkste punt dat Camus maakt is dat er geen punt is. Daarom is zijn filosofie eigenlijk geen filosofie, in de zin dat het geen coherent filosofisch systeem of levenstheorie is, maar meer een beeldende duiding. Zijn ‘absurdisme’ heeft geen deprimerende conclusie, juist een hoopvolle.’

‘Dus, het punt van Camus in De mythe van Sisyphus is dat, ondanks het inzicht dat zijn taak zinloos is, Sisyphus vrij is om de absurditeit van zijn situatie in te zien en zich daarmee te verzoenen, of zelfs content te zijn. Zoals hij schrijft: ‘We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’ Ik denk dat er in Camus ook kritiek te vinden is tegenover het neoliberalisme, wat alom aanwezig is in onze maatschappij. Wat ik uit zijn filosofie haal, is dat er maar één ding in het leven belangrijk is en dat is de liefde en passie voor de dingen die je doet. Het gaat erom dat je ergens energie uithaalt, dat er interactie plaatsvindt tussen jou en de wereld, of het resultaat succesvol is of niet, dat maakt eigenlijk niets uit. Het gaat niet om die top, want daar is niets. Het gaat over de weg daarnaartoe en hoe je je op die weg voelt, hoe je je besluit te voelen. Dat is iets wat we in onze hyper-kapitalistische wereld kunnen leren van Camus: het gaat niet zozeer om de resultaten, maar waarom je die rots überhaupt omhoog wilt duwen én dat het niet nutteloos is zolang je er plezier uithaalt. Het neoliberalisme legt de focus op het bereiken van de top. Ik denk dat dit een gevaarlijke manier is om met je mentale welzijn om te gaan: de focus op succes, je LinkedIn, je extra vakken, extra stages, werkervaring, netwerk en het continu harder werken dan de rest. En daar komt de druk van social media nog eens bij, die alles honderd keer uitvergroot. Het is lastig om je aan die rat race te onttrekken, maar toch doet bijna iedereen eraan mee, omdat er een illusie van vrijheid aan ons verkocht wordt. Maar die vrijheid is steeds weer tijdelijk en afhankelijk van succes. In onze obsessie daarmee verliezen we ons mens-zijn.’

Je eigen realiteit creëren

‘Naast de schaal van het individuele komt daar ook nog het grootste van de wereldproblematiek bij kijken: zaken waar je geen vat op hebt en waarbij je machteloos aan de zijlijn staat. Denk aan politieke situaties of aan de klimaatcrisis. Bij dat soort gevoelens vind ik Camus zijn werk erg relevant, zijn antwoord daarop is namelijk om je op te stellen als levenskunstenaar. Je moet als het ware je eigen realiteit creëren. Je kunt vegan worden, progressief stemmen, stoppen met vliegen en geen plastic producten meer kopen, maar dan nog gaat die rots naar beneden rollen. Want het is niet alleen aan jou op deze wereld. Maar als jij kiest om het zo te doen, geeft dat zin aan jouw leven. Niet omdat je de problemen oplost, maar omdat je houding, je mentale staat, een activistische daad is. Niet voor anderen, of voor de wereld, maar voor jezelf. Als je je wanhopig voelt over de staat van de wereld kun je denken: het maakt toch niet uit wat ik doe, dus ik geef het maar op. Terwijl je volgens Camus kunt zeggen: het maakt toch niet uit wat ik doe, maar ik doe het tóch. Niet omdat het logisch is, maar omdat jij het zo wilt. Voor jezelf.’

‘In plaats van de uitkomst, zou de focus volgens Camus moeten liggen op wat je doet en hoe je iets doet. Er wordt hier in Nederland bijvoorbeeld verteld dat alles mogelijk is. Dat je je eigen succes kunt creëren als je maar hard genoeg werkt en dat wordt gestimuleerd en gefaciliteerd. Vervolgens wordt er niet verteld hoe je daarmee om moet gaan, waardoor veel mensen op een gegeven moment in de knoop komen met de bijbehorende druk van al die vrijheden en oneindige keuzes. Denk aan het aantal burn-outs op steeds jongere leeftijd. Waar Camus een zingeving probeert te schetsen op een humanistische en existentiële manier, werd dat vroeger doorgaans in een religieuze context gevonden: als het niet voor jezelf is, doe je het tenminste nog voor God. Ik denk dat we het wel kunnen zonder geïnstitutionaliseerde religie, maar er moet een ander spiritueel gevoel voor in de plaats komen: liefde, of het bijna ‘gestoorde’ omarmen van het absurde, en daar de humor van inzien. Zonder een terugval op een hechte gemeenschap en religie vallen meer verantwoordelijkheden op je eigen schouders en moeten antwoorden in jezelf gezocht worden. En dat is mogelijk, maar wel moeilijk. Daar hebben weinig mensen het tegenwoordig over. En juist over die situatie is Camus zo concreet, want hij is fundamenteel tegen stromingen die er vanuit gaan dat er een soort redding is of die antwoorden geven op de zin van het bestaan. En omdat hij geen filosofische antwoorden geeft zoals het communisme of het Christendom dat doen, wordt hij vaak afgeschilderd als ‘leeg’ of nihilistisch. Maar dat is een mislezing: zingeving in zinloosheid is de crux. Maar daar heb je wel moed voor nodig. En zo simpel, maar moeilijk, is het. Wat Camus zegt lijkt op het eerste gezicht simplistisch, maar als je het voelt in plaats van probeert te begrijpen, zit er veel diepgang in’

Meer lezen over Albert Camus?

Na dit omvangrijke portret nog meer lezen over Albert Camus? Over het leven en het werk van de Frans-Algerijnse Nobelprijswinnaar is gelukkig heel wat geschreven. Wij raden dit uitgebreide artikel in Trouw aan over de status van Albert Camus maar ook deze brief van Koen Schouwenburg die verscheen bij Nexus Instituut.

Een weetje voor de muziekliefhebbers. Het komt maar zelden voor dat een muziekgroep radiozenders moet vragen een van hun nummers niet langer te spelen. Toch voelde de Britse newwaveband The Cure zich in 1986 daartoe genoodzaakt. Hun eerste compilatie-cd Standing on a Beach was net verschenen in de Verenigde Staten en een nummer daarop, ‘Killing an Arab’, veroorzaakte controverse. Nogal wat mensen begrepen het nummer vanwege de titel als een lied dat geweld tegenover Arabieren promoot. Dat was nochtans helemaal niet wat zanger en songschrijver Robert Smith in gedachten had toen hij het lied tien jaar eerder schreef. We schreven over deze anekdote een artikel.

Wie De vreemdeling van Albert Camus gelezen heeft, moet daarnaast ook zeker Moussa of de dood van een Arabier van Kamel Daoud lezen. Daoud herschreef in zijn debuutroman het verhaal van De vreemdeling en gaf in tegenstelling tot Camus de naamloze Arabier wél een naam: Moussa. Over deze roman, maar ook over ander werk van Kamel Daoud, schreven we een uitgebreide beschouwing.

Maar lees vooral ook de boeken van Albert Camus. Begin dit jaar verschenen zijn bekendste romans – De vreemdeling, De val, De pest – in een nieuwe vormgeving bij De Bezige Bij. Ook lezenswaardig zijn Keer en tegenkeer, het postuum gepubliceerde De eerste man en natuurlijk zijn essays waaronder De mythe van Sisyphus en De zomer.