Zoeken
Bekijk alle artikelen van
Jeroen Krul

Fictie voorbij: 'Wat we doen', gebaseerd op Peter Zantingh

In Podium publiceren we fictie die uitgaat van reeds bestaande fictie. De auteur heeft zich laten leiden door een schrijver, verhaal of personage uit de wereldliteratuur.
Nicole Kaandorp werd geïnspireerd door Na Mattias van Peter Zantingh, een roman die vertelt over de consequenties van de dood van Mattias in samenhangende korte verhalen waarin steeds één personage centraal staat. Natuurlijk heeft zijn dood gevolgen voor zijn moeder, zijn vriendin, zijn beste vriend, maar er zijn ook gevolgen voor bijvoorbeeld de verhuurder van het Airbnb-huisje dat hij had geboekt.
Na Mattias gaat dus ook over gevolgen en hoe die in verband staan met hun oorzaken, over hoe iets heel groots iets heel kleins kan worden, en omgekeerd. Dit verhaal gaat door in die lijn. Dat wil zeggen: alles wat er in dit verhaal gebeurt, is in zekere zin nog steeds een consequentie van Mattias’ dood, ook al weten de personages erin niet wie Mattias is.



Wat we doen

Een meisje, 16, T-shirt van haar broer en een strohoed, is voor het eerst alleen uit eten. Ze bedacht dat het kon, en deed het. Ze is in de hoek gaan zitten, aan het raam. Veilig aan de rand, en toch zicht op de buitenwereld. Als een kat op een hoge vensterbank.
Ze heeft niets bij zich om te doen, en ze wil niet op haar telefoon kijken. Zo’n meisje is ze niet, vindt ze. Dus rolt ze aandachtig haar spaghetti om haar vork, telt de moedervlekken op haar armen, proeft met haar ogen dicht. Heeft ze het naar haar zin hier? Ze weet het niet. Ze vindt het moeilijk om een mening te hebben als ze die niet kan baseren op de meningen van de mensen om haar heen. Als kind had ze dat ook al. Van de schommel vallen, en dan een paar seconden stil blijven liggen, niet kunnen bepalen: ga ik huilen? Ben ik oké? Dan haar moeder: ‘O nee, Marie!’ en de bezorgheid in haar stem en als mama zich zorgen maakt moet het wel erg zijn. Huilen, dus. Ze lacht zachtjes om de herinnering, prikt een stukje paprika van haar bord.

‘Is je eten grappig?’
Ze kijkt op. Het is die man met de bloemetjesblouse die het vroeg, niet eens op een vervelende toon, niet plagerig of neerbuigend. Bijna alsof hij het zich serieus afvroeg. Maar dat doet toch niemand? Wat zeg je hierop terug? Marie haalt haar schouders op. De man vraagt: ‘Ben je alleen?’
Marie’s voorzichtigheid vindt dat ze misschien moet liegen dat ze een vriendje heeft dat naar de wc is, maar het zou zeker opvallen dat hij dan nooit terugkomt. Bovendien: de tafel is gedekt voor één, en de man heeft een vriendelijk gezicht. Bollig, rode wangen, hoge wenkbrauwen. Ze denkt aan die plaatjes op het internet die uitleggen welke gezichten mensen het meest vertrouwen, maar ze kan zich niet herinneren of er iets bij die plaatjes stond over of het vooroordeel ergens op gebaseerd is, of mensen met een brede neusbrug inderdaad genetisch gezien meer kwaad doen.
Ze besluit dat het, hoe dan ook, in dit geval wel oké is.
‘Ja,’ zegt ze, ‘u ook?’ Het is een constratering. Hij zat al in dit café door zijn thee te roeren toen Marie binnenkwam, en dat is al wel een uur terug. Af en toe had hij naar de deur gekeken, maar het leek niet alsof hij echt nog iemand verwachtte, vond ze, meer alsof hij controleerde of er inderdaad niemand voor hem kwam. Zijn thee zal wel koud zijn nu, het glas nog tot de rand vol.
De man knikt. ‘Goed als ik naast je kom zitten?’
Marie twijfelt, hij ziet het, hij zegt: ‘Ik wacht op mijn vriend. Mijn eh…’
Hij maakt een handgebaar. Een vooruitrollend handgebaar. Alsof hij iets probeert uit te leggen, maar het gebeurt niet. ‘Mijn vriend,’ roept hij, iets te hard voor de afstand tussen hen in: een paar meter gevuld met twee kleine onbezette tafels, ze zitten op dezelfde bank, ‘snap je?’
Marie gebaart met haar vork naar de stoel tegenover haar. De man verplaatst. Hij vergeet zijn thee en gaat er dan voor terug, waarschijnlijk niet omdat hij hem nog gaat drinken, maar gewoon om iets in zijn handen te hebben. Hij roert weer. Het tinkelt tegen de randen.
‘Hij komt niet?’ vraagt Marie. Door de spaghetti in haar mond gaat het vraagteken verloren.
‘Ik weet het,’ zegt de man. Hij steekt een hand uit, Marie pakt hem met links aan omdat er saus op haar rechter zit. ‘Wesley,’ heet hij. ‘Hoi Wesley,’ zegt zij, en verder niets.
Ze praten langzaam, de tijd gaat snel. De man bestelt jenevers, hij wordt dronken, Marie drinkt het zesde glas wijn in haar leven. Ze nipt, voorzichtig, de tannines trekken aan haar gehemelte en ook al weet ze niet wat dat zijn, ze merkt het, ze slaat het op in haar geheugen en elke volgende keer dat ze wijn drinkt met veel tannines herinnert haar vaag aan dit eetcafé, aan de rode nepleren bank die plakte aan haar bovenbenen, en aan Wesley.
‘Een alcoholist,’ zegt hij, hoewel het klinkt als ‘alkowoist’.
Marie houdt haar hoofd scheef.
      ‘Mijn vriend is een alcoholist, daarom komt-ie niet.’
Tegen enen staat Wesley op en geeft hij Marie een briefje van vijftig. Ze kijkt hem aan. Betekent dit iets? Moet ze hem nu in de wc gaan pijpen?
‘Ik kreeg een bonus,’ zegt Wesley, ‘maar ik heb niemand meer om mee op vakantie te gaan.’
De barvrouw krijgt ook een briefje van vijftig. Wesley kijkt naar zijn telefoon terwijl hij het café uitloopt en stoot zijn hoofd daarom tegen de dichte deur. Marie is te verbaasd om erom te lachen.

Ze geeft de vijftig euro die ze kreeg uit aan het volgende:

– Twee dagen later, een kaartje naar een strandfeest, €8.

– Op het feest: vier biertjes, samen €10.

– Drie weken later, een boek van Arnon Grunberg dat op de leeslijst staat,
€9,99.
– En tenslotte: een vibrator van de etos, als verjaarsdagcadeau voor
Helène, €19,95.

Op het strandfeest ontmoet Marie een jongen. Hij is blond en hij zegt dat hij kan skaten. In een zijtent speelt een band zo hard dat mensen met bier gooien, en Marie, die nog schommelt tussen nieuwsgierig en terughoudend, besluit dat ze ook bier wil gooien. Ze koopt er twee en drinkt er één, ze gilt terwijl ze gooit maar de bas overstemt alles, alleen Marie zelf hoort het, binnendoor, en het klinkt goed. Ze gilt meer. Ze drinkt het tiende biertje in haar leven in drie korte seconden, bestelt er nog één en drinkt die in elf seconden, grote teugen met pauzes. Dan de moshpit. Dan de elleboog. De grond. De armen. De jongen die zegt dat hij kan skaten. Dan nog een keer de elleboog, en dan de bloedneus, en dan zij en hij, in de koele ochtendzon op de trappen van de standtent. Hij houdt zijn T-shirt tegen haar gezicht, hoewel het bloeden al gestopt is. Marie zegt: ‘Als je belooft dat je geen alcoholist bent, mag je me mee uit eten nemen.’
In hun tijd samen leert Marie dat het leven zo langzaam gaat als je zelf wilt, dat je, ondanks dat het soms lijkt alsof je tegen de stroom in moet zwemmen om niet achter te raken, best los kan laten. Omdat er geen achterraken is. Omdat er geen achter is. Want: waarachter dan?
Marie leert van hem hoe je binnenstebuiten jointjes moet rollen, en dat je bij blowjobs geen tanden gebruikt. Ze leert welke dingen je zegt tegen oudere mensen op feestjes, ze leert dat ze echt naar haar luisteren, dat ze interessanter is dan ze zelf denkt. Hij leert vooral dat meisjes ook hard kunnen slaan. Binnen twee jaar is het uit.
Het boek van Arnon Grunberg is Blauwe maandagen. Behalve dat Arnon Grunberg een paar cent verdient, en een samenvatting op Scholieren.nl een extra page-view krijgt, heeft deze aankoop van Marie weinig gevolgen. Ze komt ongeveer tot de bladzijde waarop de jonge ik-persoon de gordijnen van de muur van het Vossius trekt, dan heeft ze het wel gezien.
De vibrator voor Helène heeft een heleboel meer gevolgen. De eerste daarvan is een hoop gegiechel op een huisfeestje waar de vodka in plastic colaflessen op tafel staat. De tweede is de onvermijdelijke reeks van emoties die Helène voelt bij het voor het eerst uitproberen van zoiets. De schaamte overheerst uiteindelijk, en Helène verstopt het apparaat in een etui in een make-updoos onder haar bed.

Vier jaar later, in haar nieuwe studentenkamer in de stad, vindt ze hem terug. Ze houdt hem voorzichtig in haar hand, alsof ze een knuffelbeer uit haar kindertijd heeft teruggevonden. Ze zucht. Voor het eerst ziet ze zichzelf van een afstand, zowel de ongemakkelijke zestienjarige die ze was als het meisje van 21, nauwelijks veranderd, alleen langer geworden en met een scooterrijbewijs, maar nog steeds zo oncomfortabel met zichzelf, en waarom eigenlijk? Ze gaat op het bed zitten en schrijft een lange brief aan niemand, er staan dingen in als: ‘Ik wil minder nadenken,’ en ‘Als ik mezelf nooit leer kennen, hoe weten andere mensen dan wat voor iemand ik ben?’

De vijftig euro die Wesley aan de barvrouw gaf, gaat op aan krasloten. Met één daarvan wint ze twintig euro. Die twintig euro gaat op aan krasloten. Het gaat om het spelen, vindt de barvrouw. Ze zet een kop thee voor zichzelf, zakt achteruit voor de televisie, en is voor een korte tijd volstrekt tevreden.