Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Voorpublicatie: een hoofdstuk uit de roman De wateraap van Mariken Heitman

Mariken Heitman (1983) groeide op tussen de Veluwe en de IJssel, studeerde biologie in Utrecht en was als tuinder een aantal jaar werkzaam in de biologische groenteteelt. Ook geeft ze les op een middelbare landbouwschool en publiceerde eerde fictie op onder andere deFusie.

Deze maand verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact de debuutroman van Heitman, De wateraap. In deze roman, waar genderidentiteit een groot thema is, probeert de hoofdpersoon, Elke, aan de hand van een theorie over de evolutie van de mens die ze tegenkwam tijdens haar studie biologie – namelijk die van de wateraap – een antwoord te vinden op de vraag hoe je mens wordt. Wij publiceren alvast een hoofdstuk uit het boek.


 

De wateraap

Op mijn vijfde zag ik voor het eerst een dode. In het midden van een schemerige ruimte stond een kist, omringd door mensen en harde bloemen. Wijnrode vloerbedekking liep van de vloer door naar de muren.
     Mensen bogen hun lijven en keken in de kist, zelf zag ik alleen een rand met handvatten. Het lichtgekleurde hout met de donkere vlammen deed me aan de vakantie denken.
     Ik reikte en werd opgetild.
     In de diepte lag mijn oma. Haar huid was van ongeglazuurd porselein en haar mond een dunne streep, ik besloot nooit meer op mijn rug te slapen.
     Mijn moeder huilde zonder geluid, ze leek alleen maar in te ademen. Hulpeloos schokte ik mee op haar zwellende lichaam, denkend aan hoe slecht het was afgelopen met het blauwe bes-meisje uit Sjakie en de chocoladefabriek. Alles was beter dan denken aan mijn lege oma in die kist. Ik concentreerde me op het bruine nubuck van mijn schoenen dat was versleten bij de neus, zoals bij de buik van mijn aap. Ik miste mijn aap, zijn vertrouwde gezicht.

De wateraap | Mariken Heitman | Loes Van Gils | 2

Na mijn oma volgden twee cavia’s, de kat van een vriendinnetje, lieveheersbeestjes, muggen, af en toe een kip en de buurvrouw. Ik was tien en ik dacht dat ik het allemaal wel begreep. Je kon dan wel niet terug, dat was verdrietig, maar voorlopig werden de dingen morgen, volgend jaar, als je zestien was, altijd beter: je zou later naar bed mogen en meer snappen. Dit alles zou zich gelijkmatig en in een stijgende lijn voltrekken.
     Ik had verondersteld dat ik zo goed als af was, tot alles rond mijn twaalfde onaangekondigd veranderde. Om mij heen gebeurde iets vergelijkbaars maar hoewel mijn klasgenoten en ik hetzelfde doormaakten, vonden wij elkaar niet. Vol van onze nieuwe schaamte stoven we als jongvee onbenullig uiteen. Er volgden uitstulpingen, groeistuipen, huilbuien en donker, vijandig haar dat als insectenpootjes uit mijn witte kinderonderbroek wilde kruipen: onontgonnen gebieden die ik begon te mijden tijdens het douchen. Ik had er niet om gevraagd, dan moest het maar zo. Het was schokkend dat ik al die tijd niet meer dan een voorstadium was geweest van iets. Dat was het eerste verraad.
     Vervellen had ik rechtvaardiger gevonden, zoals spinnen dat deden. In de hoeken van mijn slaapkamer hing soms zo’n verlaten huls met ingeklapte pootjes. De spin zelf, allang vertrokken, veranderde nauwelijks, hij was er hoogstens forser en vitaler uit tevoorschijn gekomen. Bij mijn oma in die kist had het er juist op geleken dat ze na haar vertrek het meeste achterliet. Ik was te oud voor dat soort troost. Mensen vervelden niet.
     Later groef ik in Ko’s tuin weleens poppen op. Je wist nooit wat er uit dat roestbruine, geribbelde cilindertje kwam: een vlinder, een langpootmug of een kniptor. Je stoorde de pop niet. Zo ingetogen had ik het gewild. Maar van mijn gedaantewisseling was iedereen getuige, ze keken onbeschaamd naar me, probeerden me met hun blikken te vormen, dachten dat ze me hielpen, dachten waarschijnlijk al een glimp van iemand anders in mij te zien. Zelfs mijn klasgenoten, die de groep en hun bravoure inmiddels hervonden hadden, wisten beter dan ik hoe mijn eindstadium gedefinieerd moest zijn. Ongehard en vleugellam als een libelle die zich uit zijn monsterachtige waternimf wringt, was ik een makkelijke prooi. Ik groeide krom en ontweek het lichaam dat voor mij bedoeld was. Er was iets mis met mij.
     Mijn pop was doorzichtig, maar het waren de schuldige of gegeneerde blikken van mijn ouders die ik het slechtst verdroeg. Zij waren medeplichtig, zij hadden toch geweten dat dit ging komen. Dat was het tweede verraad. En toch, wat zij zagen, zag ik ook. Hangerig als een moe gegroeid veulen had ik de puberteit doorstaan en inmiddels was het niet meer te verhullen dat dat grote kind, hun kind, verpakt in de huid van een volwassene, niet uit die zorgvuldig gesponnen pop wilde komen. Binnen in mij wachtte iemand anders.
     Niets liever wilde ik dan ze ontslaan van hun onmogelijke taak een vrouw te maken, dus toen Ko hun vroeg om wat hulp in de tuin kon ik me voorstellen hoe mijn ouders dat hadden aangegrepen, zoekend als ze waren naar iets, desnoods een toevalstreffer, een reden voor het kind om af te worden. Ik stemde in. We waren tenslotte allemaal van goede wil.
     Ko was de zus van mijn oma. In de zomer na mijn eindexamen, die zwaar was van de overtuiging dat het ergste nu achter me lag, stond ik nerveus op haar stoep. Ik wist net zo weinig van tuinen als van haar. Ze moest tussen de mensen rond de kist van mijn oma hebben gestaan, maar daar hadden we beiden geen herinnering aan. Zij was niet goed met gezichten en namen, vond bovendien alle kinderen op elkaar lijken, de familiebanden waren als uitgelubberd elastiek en ik, een vijfjarige met een amorf geheugen, sloeg alleen zaken van ondoorgrondelijk belang op.
     De deur werd krachtig geopend, na een korte blik wenkte ze en liep voor me uit naar binnen. De gang was breed. De deur van de woonkamer stond open, in het midden van de ruimte zag ik een gaskachel. Aan de muren hingen geen foto’s en op de tafel lag geen stapeltje post. Voor een groot raam dat uitkeek op de achtertuin stond een leunstoel.
     Ko was verdwenen.
     De gang eindigde in de keuken. Op de fruitschaal lagen alleen wat modderige bosuien met slordige knikken in het donkere loof. De linten van het vliegengordijn ritselden. Daarbuiten stond Ko. Ze tuurde naar een boom die midden op het terras stond.
     ‘Kom eens.’
     Ik schoof de linten aan de kant. De naden van de grindtegels waren opgevuld met smalle ruggen mos. Grenzend aan het terras waren vakken met planten in wisselende vormen en tinten groen, daartussen lagen aarden paadjes. Ik vermoedde orde, maar de chaos overheerste omdat ik nog niet herkende wat ik zag.
     ‘Kijk het blad. Die bruine plekken. Perenpokmijt.’ Ze trok een laaghangende tak naar beneden en inspecteerde de bruine uitslag op het blad. ‘En ook al die nachtvorst in april. Dit jaar geen peren, meidje.’ Ze liet de tak los, veegde haar handen af aan haar broek en stak een hand uit. ‘Noem me maar Ko.’
     Het was een benige hand. De droefheid die ik hoorde in die paar zinnen kon ik niet thuisbrengen. Ko was mager, iets kleiner dan ikzelf en ze rook naar aarde, die ook onder haar korte nagels zat en in de groeven van haar handen. Alles aan haar was tanig.
     In de weken die volgden, gaf ik de rabarber water, zaaide bonen, bracht kruiwagens met onkruid naar de composthoop en dunde wortels op mijn knieën. De doorzichtige sprietjes leken me nauwelijks opgewassen tegen de brokkige grond en dan moest ik het gros er nog uit plukken. Ik ademde de geur van aarde en wortels in, want kennelijk hoefde een wortel niet volgroeid te zijn om naar zichzelf te ruiken.
     De zolderkamer waar ik sliep, rook naar droog karton. Voor het enige raam hing een oranje gordijn. Nergens sliep ik beter dan in dat smalle bed met de wollen deken waarop hoekige paarden achter elkaar aan renden.
Ik ging studeren, maar kwam iedere zomer terug. Dan sliep ik in het bed, aten we Brinta en werkten we in de tuin. Werd het te warm, dan ging ik naar de uiterwaarden om te lezen in de schaduw van de populieren. Als ik mijn eigen boeken uit had, begon ik aan die van Ko, die gingen over geneeskrachtige kruiden of het inmaken van fruit.
Verderop was de rivier, een traag stromend lichaam dat weeïg rook. Ko vertelde dat ze vroeger weleens naar de overkant zwom. Op windstille dagen, als er zich in mijn shirt ter hoogte van mijn buik natte strepen aftekenden, keek ik naar het prikkeldraad, waar stukken synthetisch touw in verstrikt waren. Daarachter lag het morsige water dat mij niet kon verleiden. Kinderlijke beelden van een zwijgende walvis in die peilloze diepte, scholen grauwe visjes, reuzenkwallen of prehistorische vormloze schepseltjes zonder pigment of ruggengraat, hadden mij nooit losgelaten. Een vissende buurman van Ko had ze me weleens laten zien, de moddergrijze vissen met hun statische ogen en klepperende kieuwen, hoe ze stierven in de lucht. Het was hun wereld, niet de mijne.
     Nadat ik de vos had begraven, haalde ik met een oud aardappelschilmesje onkruid tussen de stoeptegels weg. Ko kwam terug van de dokter en zei dat we niet zouden werken vandaag, ze was moe. Ik vroeg haar wat de dokter had gezegd. Ja, ja, zei ze alleen, en dat ze even ging liggen.

De wateraap | Mariken Heitman | Loes Van Gils | 3

’s Avonds zaten we onder de perenboom en het schemerde, dit was het moment waarop de vos normaal verscheen. Ko leek zo klein. Ik vertelde haar dat ik hem had begraven bij de populieren en daarna, puur om de lucht tussen ons met woorden te vullen, vertelde ik over mijn afstudeeronderzoek. Na de zomer zou ik beginnen. De fruitvlieg en zijn alcoholadaptatie: Drosophila melanogaster, nietige doodklopper van rottend fruit, het vliegje dat voor biologen het perfecte model van de werkelijkheid was. Zijn vermogen om alcohol te verteren, bijvoorbeeld, was overerfbaar en het bewijs daarvoor nam slechts een paar weken in beslag. Je had alleen wat vliegen, alcohol en een klimaatkamer nodig. Perfect afstudeermateriaal, weinig compromitterend.
     Ik dacht aan het universiteitsgebouw dat net zo oud was als ik, aan het trappenhuis waar nooit iemand kwam, het galmen van mijn voetstappen. Op de derde verdieping bevonden zich de klimaatkamers, ruimtes van vijftien graden, een temperatuur die precies laag genoeg was om het koud te hebben, met een ruisend luchtsysteem, raamloze wanden en een deur die zich zuigend achter je sloot. Tegen die witte wanden stonden stellingen met rekken reageerbuizen vol maden, poppen en vliegen die aten van de gelige massa onderin. Aan de werkelijkheid zaten grenzen, zelfs een fruitvlieg kon maar een bepaalde hoeveelheid alcohol aan. Het was die overerfbare rekbaarheid die we onderzochten. De buizen met de toxische gehaltes alcohol stonden achterin, daar verdronken de steeds trager bewegende vliegen delirisch in het pappige voedsel dat zich als drijfzand over hen ontfermde. Zwarte stipjes in de vla.
     Waar het op aankwam was steeds maar weer bewijzen dat de evolutietheorie klopte. Ik hoorde mijn woorden, het was mijn stem. Ja, ja, zei Ko mat. Ze vroeg of het boek dat ik altijd bij me had daarover ging. Ik schudde mijn hoofd want zelfs haar kon ik niet uitleggen dat ik mijn enthousiasme voor de werkelijke dingen meestal veinsde. Ze vroeg me daar dan over te vertellen, over dat boek.
     Voor het eerst vertelde ik haar over de wateraap, hoe hij ooit door het water had gewaad, rechtop, met trage passen, hoe zijn handen tot de polsen in het water hingen, de vingers gespreid, oppervlakkig door het water harkend, in hetzelfde ritme van zijn lopen. De natte geluiden van bewegend water, de kolkjes, bellen en golven die hij met zijn stappen maakte, vielen samen met het geluidsdecor van vogelgezang, insectengetjilp en het suizen van de wind die alle bladeren liet knisperen, droog of leerachtig. Zijn ogen waren gericht op het water, bij iedere stap wolkte modderige bodem op. Af en toe keek hij naar de oever met het scherpe gras en daarachter het woud: ondoordringbaar en dicht.
     Het water krioelde van krabben, kreeften, vis en schelpdieren. Met name de laatste waren eenvoudige prooien, je hoefde ze maar te pakken. Verderop in de bocht was een ondiepe plek waar ze zich hadden vastgezogen aan half in het water verzonken rotsblokken. Het wezen liet daar zijn hand wat dieper in het water zakken, voelde aan de onderkant de aanwas van talloze bolle schelpen en trok er een paar los. Een voor een bracht hij ze naar zijn mond. Zijn scherpe hoektanden braken moeiteloos door de harde schaal en met een naar achteren gebogen hoofd zoog hij de inhoud naar binnen.
     Met zijn hand vol schelpdieren en zijn hoofd nog in zijn nek, keek hij naar de hemel. De zon was net op, kleurloos licht kaatste terug op de dampige ochtendlucht. In de periferie van zijn blikveld was het woud een groene vlek. Alleen hier, in het water, was ruimte. Hij draaide zijn hoofd een halve slag en zag een vage maansikkel, relikwie van een vergeten nacht.
     Langzaam waadde het wezen van de kant af, het haarloze lijf verdween steeds verder in het water, dat nu tot boven zijn middel kwam. Met de armen boven het water uitgestoken, stond hij even stil en boog toen voorover. Het was sierlijk, verre van onbeholpen, hij zwom en dreef en bewoog zijn armen en benen in een perfect ritme. Zijn mond opende, hij zoog lucht naar binnen en met een krachtige slag dook hij onder.