Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Maak kennis met Tine Bergen en lees een exclusief fragment uit haar nieuwe roman Vissen praten niet

Zijn er ergere zaken dan van moord verdacht worden? In de nieuwe roman van Tine Bergen, Vissen praten niet, staat op een donderdagmorgen de politie bij Flo aan de deur. Ze wordt verdacht van moord op David De Vadder, de vader van een van de kleuters uit haar klas. Flo wordt meegenomen voor een gesprek over de voorbije zomer.
     Een gesprek over blauwe plekken op kinderruggen, temperamentvolle vakantieliefdes, chocolade en doodsbedreigingen over de babyfoon. Een gesprek dat niet alleen haar leven maar ook dat van heel wat anderen onherroepelijk zal veranderen. Om jullie kennis te laten maken met Bergens nieuwe roman, plaatsen we vandaag exclusief een fragment uit de roman.

Tine Bergen (Leuven, 1981) is journalist en auteur van jeugdboeken, fictie en non-fictie voor volwassenen. In 2018 verscheen van haar de familieroman Merg, waarin onderzocht wordt hoe je toch kan praten over wat niet gezegd kan worden.



Vissen praten niet

‘Juf ?’
     
‘Ja, Milo?’
     

Flo probeerde de slak die een van haar kleuters daarnet enthousiast had binnengebracht uit de verwarming te peuteren.
     
‘Ik zal het nooit meer doen, juf. Maar het voelde zo vies.’
Het meisje naast haar veegde haar neus af aan haar mouw.
     
‘Ik weet het, Marthe. Maar een volgende keer als iets vies voelt, haal je gewoon je handen ervan af. Je gooit het niet meer weg.’
     

‘Het zal niet meer gebeuren, juf.’
Marthe huppelde naar de poppenhoek. Flo drukte haar neus tegen de radiator. Had ze niet ergens nog breinaalden liggen? Maar waar?
     
‘Juhuf!’
     

‘Wat is er, Milo?’

     
‘Ik heb kaka gedaan.’
Milo wiebelde trots heen en weer in het deurgat.

     
‘Blijf maar op het toilet, Milo. Ik kom zo dadelijk je billen afvegen.’
     

‘Mijn kaka ligt niet op het toilet.’

De zucht ontsnapte uit Flo’s mond voor ze er erg in had. Haar huisarts had haar twee weken geleden meewarig aangekeken.
     
‘Ben je zeker? Het is nog een dikke maand tot de grote vakantie. Ik schrijf je met plezier ziek tot dan. Je hebt het nodig.’
     

‘Ik heb hen nodig. En zij mij.’
     

‘Niemand is onvervangbaar, Flo.’
De arts had achteruit geleund in zijn grote, leren bureaustoel en had met zijn handen over zijn gezicht gewreven. Alsof dat simpele gebaar alles kon wegwassen. Flo wist dat dat niet kon. Ze had de voorbije weken meer tijd in bad en onder de douche doorgebracht dan ergens anders. Haar vel was er dun en broos van geworden, bijna doorzichtig. Maar het nu viel niet weg te wassen. En het verleden, dat ze nog even had kunnen vasthouden in de schilfers van haar huid, was na een paar weken helemaal verveld. Ze had haar ogen dichtgeknepen. Kon het dat ze zich nu al niet goed meer herinnerde hoe Manu had geklonken als hij lachte? Dat kon toch niet?
     
‘Het siert je dat je aan je kleuters denkt. Maar die zijn hoe dan ook in goede handen. En je moet nu vooral aan jezelf denken.’
De arts had even in haar dossier gespiekt.
     
‘Je bent vier kilo afgevallen de voorbije weken. Je slaapt slecht. Dat hoef je me zelfs niet te vertellen, dat zie ik zo. Hoelang is het geleden dat je nog bent gaan lopen?’
     

‘Ik moet terug.’

     
‘Je kan niet terug, Flo. Dat weet je.’

Dus waarom vertel je het me dan? Flo had uit het venster gestaard. De praktijk keek uit op een grote vijver, inclusief fontein. Achteraan kon je het bos zien glooien. Haar huisarts had zijn zaakjes goed voor elkaar. Hij zag waarschijnlijk elke dag wel iemand zoals haar passeren voor zijn statige, eiken bureau. Het had hem in de loop der jaren ongetwijfeld gesterkt in zijn overtuiging dat hij een goed idee had van wat er omging in de menselijke geest.
     
‘Jeanine vertelde me gisteren dat ze met plezier nog een paar weken bij je komt poetsen. En ik hoorde dat je collega’s je een keer in de week uitnodigen voor een etentje? De mensen zitten met je in.’
Flo had geknarsetand. Dat was precies het probleem. En meteen ook de reden waarom ze terug wilde naar haar kleuters. Haar twee- en driejarigen die stompten en beten, zich juichend rond haar knieën klemden en haar de liefste juf van de wereld vonden, die aan elkaars haren trokken en vochten om eerst te kunnen staan in de rij. Die rozijntjes inruilden voor vriendschap en geloofden dat iedereen bang was van Sinterklaas – want niemand was altijd braaf. Ze waren de mens op zijn puurst. Zonder alle lagen van mededogen en berekendheid die er in de loop der jaren ook op hen zouden worden geplakt en geboetseerd. En dat shot onversneden echtheid was precies waar ze naar snakte na de weken vol gepamper en gefluisterde gesprekken. Of dat had ze toen toch gedacht. 
Flo sloot haar ogen, telde tot tien en duwde zichzelf op haar handpalmen overeind.

‘Waar heb je dan kaka gedaan, Milo?’
     
‘Blij dat je terug bent.’
Silke zette het flesje water aan haar lippen en dronk met grote teugen. Zo gulzig dat er een smal straaltje langs haar kin naar beneden droop. Flo onderdrukte de neiging het met een tissue weg te vegen. In plaats daarvan antwoordde ze: ‘Blij dat ik terug ben.’
     

‘Ik heb gehoord dat Milo je al getrakteerd heeft op een kaka-incident.’

Flo rolde met haar ogen.
     
‘Er zijn gelukkig nog zekerheden in het leven.’ 
Ze keken een poosje zwijgend naar de leerlingen van de eerste kleuterklassen die over het speelplein denderden. In de zandbak werd er druk gebouwd en terrein geclaimd. Dat de glijbaan door de zon een bakplaat was geworden, leek de kleuterbillen niet te deren.
     

‘En, hoe ziet jouw vakantie eruit?’
Flo nipte van haar thermos ijsgekoelde thee en brulde er in één moeite achteraan dat Yannick moest stoppen met aan de haren te trekken.
     

‘Het wordt een festivalzomer. We beginnen met Werchter, uiteraard. En we eindigen met Maanrock. En tussendoor gaan we vooral niks doen: luieren in de tuin of op het strand. Bijkomen van het feesten.’
     
‘Klinkt goed!’
Flo draaide haar thermos thee tussen haar vingers.
     
‘Voor jou, juf!’

Verstrooid nam ze het modderige madeliefje aan.
     
‘Dankjewel, Tessa.’

Tessa danste al weer weg richting zandbak. 
De wind duwde tegen haar haren en Flo keek onwillekeurig over haar schouder. Er was niks te zien. Ze wist het. Net zoals ze wist dat ze de rest van haar leven toch over haar schouder zou kijken.
     
‘Je zou toch een arm en een been geven voor haar zorgeloosheid?’ 
Flo staarde naar Tessa’s rode rokje dat rond haar beentjes wapperde en het rood van de nagellak dat op haar kleine tenen reflecteerde. Tessa ging recht vooruit. Een mens kon niet achteruit huppelen. Hoeveel zou zij daarvoor geven?
     

‘En jij?’

     
‘Hoe bedoel je?’
     

‘Heb jij plannen voor de zomer?’ herhaalde Silke met rode wangen. Alsof ze niet zeker was of het wel gepast was om hiernaar te vragen.
     
‘Ik ga de eerste dag van de vakantie in bad zitten, snijd mijn polsen door en wacht tot ik gevonden word.’
Flo kon het niet laten. Ze had meteen spijt toen ze haar collega wit zag wegtrekken.
     
‘Grapje, schat. Nee, veel plannen heb ik niet. Ik ga een week of twee naar zee met mijn beste vriendin en haar peuter. Verder zie ik wel wat er op mijn pad komt.’
Silke knikte alsof ze het begreep. Wat ze natuurlijk niet deed. Als zij thuiskwam, zat haar vriend haar al op te wachten. Ze zouden de hele, lange zomer samen doorbrengen. Zij was niet naar een ziekenhuis gescheurd om afscheid te nemen van alle zomers die nog hadden moeten komen.
     

‘Zeg, heb jij breinaalden in je klas?’
     

‘Een van de juffen van het lager moet er zeker hebben. Wat moet je…’
     

‘Juf! JUUUUUF!’
Flo’s halve klas kwam in paniek op haar afgestormd.
     
‘Artur is gevallen.’

Flo holde achter de bende aan. Tegen alle regels in was Artur toch op het dak van het speelhuisje geklommen. Om er vervolgens af te donderen. Flo tilde het jankende hoopje kind uit de struiken.
     
‘Ik heb je, Artur. Ik ben bij je. Waar doet het pijn?’
Sussend sprak ze in zijn oor terwijl ze hem naar het bankje droeg. Silke holde al weg voor de eerstehulpdoos. Het was vooral het meegebrachte flesje chocomelk dat maakte dat Artur kalmeerde. Terwijl hij heftig aan zijn rietje zoog, bestudeerde Flo de schade. Een snee op zijn kin, een grote buil vooraan op zijn hoofd en de nodige schrammen. Al bij al leek het nog mee te vallen.
     

‘Mag ik eens in je ogen kijken, Artur?’
Flo bestudeerde zorgvuldig de pupillen van de jongen die keurig meebewogen met het licht.
     

‘We moeten even je wonden verzorgen.’

Artur sabbelde aan zijn rietje en knikte. Hij vond alles best zolang zijn suikerinfuus niet werd stopgezet.
     
‘Het is zo lekker! Thuis is er nooit chocolade. Papa wil het niet. Als papa chocolade eet kan hij niet geholpen worden met een pleister. Dan moet hij naar het ziekenhuis! Want in chocolade kunnen pinda’s zitten. En van pinda gaat papa dood!’

Artur zwaaide met zijn flesje om zijn woorden te onderstrepen. 
Flo veegde een streep chocolademelk van haar gezicht en zette het flesje op de bank.
     
‘Is dat zo? Gelukkig kunnen we jou wel perfect helpen met een pleister.’
Flo ging aan de slag met gaas en ontsmettingsmiddel. Pas toen Artur zijn hoofd boog om het laatste restje chocolademelk uit zijn flesje te krijgen, zag ze de lange, rode lijn die over zijn nek liep en in zijn shirt verdween.
     

‘Artur, ik ga even je T-shirt uittrekken zodat ik die wond aan je nek goed kan verzorgen.’

Flo tastte naar een vers pakje gaasjes terwijl ze met één hand Arturs shirt over zijn hoofd hees. Pas toen ze hoorde hoe Silke haar adem inzoog, draaide ze zich om. 
De wond in Arturs nek was niets vergeleken met de grillige, blauw-gele plekken die staccato rond zijn ruggengraat kronkelden.
     

‘Artur, wat is er met je rug gebeurd?’
Flo’s wijsvinger bleef schuw boven de plekken zweven. 
Artur kronkelde zijn nek, maar natuurlijk kon hij zijn eigen rug niet bekijken.
     
‘Heb je je rug pijn gedaan, Artur?’
Silke nam het flesje uit zijn handen, zodat Artur haar wel moest aankijken.
     

‘Ik weet het niet. Dat zou kunnen.’

     
‘Ben je van de trampoline gevallen of zo?’

Flo schudde haar hoofd, samen met Artur. Arturs rug zag er niet uit alsof er spelenderwijs iets was misgegaan. Hij was een paar vuisten tegengekomen die heel goed wisten wat ze deden.