fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Lees het kortverhaal 'Buren' uit de nieuwe verhalenbundel Vacuüm van Oscar Spaans

Oscar Spaans (1988) is verhuizer, columnist en schrijver van korte verhalen. In 2014 won hij tweemaal de ‘Columnistenjacht’ van de Volkskrant en werd er daarna gastcolumnist. Datzelfde jaar schreef hij columns voor de zomerbijlage van het Noordhollands Dagblad. Zijn verhalen verschenen eerder in o.a. Revisor, Tirade en Kluger Hans. In 2017 won hij De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd met zijn verhaal ‘Beestjes’.

En vanaf deze week ligt dus zijn debuutbundel, Vacuüm, in de boekhandel. Vacuüm is een bundel met literaire verhuisverhalen waarin Spaans een keten van personages optekent die elk op hun eigen manier op zoek zijn naar hun plaats in de wereld. Een bundel over vallen en weer opstaan, of blijven liggen. Wij publiceren exclusief het verhaal ‘Buren’ uit de bundel.


 

Buren

Op haar sokken liep Debbie Schutters haar voordeur uit. Ze stak het halletje over, langs de lift naar de voordeur van de buren. Ze had amper contact met het stel, maar dat had hen er niet van weerhouden haar te vragen om in het weekend op hun jonge katje te passen. ‘Alleen ’s ochtends en ’s avonds even de brokjes bijvullen, that’s all,’ had de vrouw gezegd. ‘Zondagmiddag zijn we weer terug.’
     Hoewel het de eerste keer was dat ze hun woning betrad gleed de sleutel op een vertrouwde manier in het slot en bij het opengaan van de deur hoorde ze dezelfde klik die ze hoorde als ze haar eigen appartement binnenging.
     De deur naar de huiskamer stond op een kier. Een strook daglicht scheen de gang in, de lichte gietvloer glansde. Ze ging de huiskamer binnen en zag het katje op het vloerkleed liggen dutten. Het dier had een spierwitte vacht en grote ijsblauwe ogen. Zodra ze op hem afliep schoot hij onder de bank. Debbie hurkte, stak haar hand uit en maakte geluidjes met haar lippen, maar het katje bleef vanuit zijn schuilplaats naar haar loeren.
     In de la onder het fornuis vond ze de zak met kattenvoer. Ze vulde het metalen bakje en ging op de armleuning van de bank zitten. Pas na een minuut kwam het katje tevoorschijn.
     Debbie keek om zich heen. De meubels waren schaars, toch voelde de ruimte niet kaal of onaf. Ze leken met zorg te zijn uitgekozen en geplaatst, het juiste meubel op de juiste plek.
Het meest opvallende object in de ruimte was een aquarium op een sokkel tegen de rug van de bank. Op de bodem lagen knikkers van glas, daaronder zat een lamp waaruit een blauwe gloed opsteeg. Gele, metallic en oranje vissen zwommen rond een stuk steen, waterplanten deinden zachtjes heen en weer op de stroming van de zuurstofpomp.
     Debbie keek naar de happende mondjes van de vissen, naar hun bolle ogen, hoe ze langs de onzichtbare scheiding tussen water en lucht zweefden. De zuurstofpomp bromde zachtjes, verder was het stil in het appartement. Geluiden van buiten drongen hier nauwelijks door, de ramen waren van driedubbel glas.
     Aan de wanden hingen portretten van haar buren – studiofoto’s afgedrukt op grote canvasdoeken. Debbie liep een rondje door het appartement. Het had dezelfde kamerindeling als dat van haar, maar dan gespiegeld. In elk vertrek hingen foto’s van de bewoners. Het waren weliswaar twee knappe mensen, maar wie wil zichzelf nu door het hele huis aan de muur hebben hangen? Los daarvan zag ze dat hun gezichtsuitdrukking overal hetzelfde was, alsof het foto’s van een paar wassen beelden waren.
     Bij Debbie thuis hing alleen haar trouwfoto aan de muur boven de piano en op de piano zelf stond een ingelijste herinnering aan haar man. Zelf had ze nooit leren spelen, maar ze kon geen afstand doen van het instrument.
     In de slaapkamer stond een groot bed waar je makkelijk met z’n vieren in kon liggen. Boven het hoofdeind hing een drieluik van de bewoners. Debbie liep om het bed heen. Ze ging op de rand van het matras zitten en zakte er direct in weg. Een waterbed – hoe kon iemand daarop slapen?
     Ze ging achterover liggen. Even bleef ze naar het plafond kijken. Toen ze haar bekken op en neer bewoog voelde ze haar lichaam deinen op de golfbeweging.
     Naast het bed stond een nachtkastje. Debbie ging overeind zitten en stak haar arm uit naar de la. Haar vingers rustten even op het handvat voordat ze hem opentrok – langzaam, alsof ze bang was dat iemand het zou horen. Op een brillenkoker en een pakje zakdoeken na was de la leeg. Ze duwde hem dicht, teleurgesteld en een beetje beschaamd.
     Ze stond op en trok het dekbed strak. In de spiegeldeur van de linnenkast zag ze zichzelf staan. Ze was klein. Altijd al geweest, maar het leek wel of ze de laatste jaren nog verder was gekrompen. Misschien kwam het door de hoge plafonds, of door de brede gangen in het gebouw; sinds ze hiernaartoe was verhuisd voelde ze zich kleiner dan ooit.

Na het avondeten stak ze opnieuw het halletje over om de post bij haar buren op tafel te leggen en het katje te voeren. Het dier was al iets minder schuw dan ’s ochtends. Terwijl hij at ging Debbie voor de schuifpui staan en keek over de rand van het balkon heen naar buiten. Bij haar thuis kon ze de duinen in de verte zien liggen, maar haar buren keken tegen de andere woontoren en een winkelcomplex aan.
     Het schemerde inmiddels. In de huiskamers van de andere woontoren brandde licht. Debbie zag het flikkerende schijnsel van tv-schermen. Het bevreemdde haar om al die verschillende mensen onder en boven en naast elkaar te zien als in een dwarsdoorsnede van een poppenhuis. Op de vijfde verdieping liet een vrouw het rolgordijn zakken, zich ogenschijnlijk niet bewust van de buurman die op het balkon stond te roken. Een etage daaronder duwde een jongen zijn vriendin op de bank, ze had haar benen om zijn middel geklemd.
     Voor zover Debbie wist hadden haar buren geen kinderen. Ze waren een jaar of twintig jonger dan zij en hadden allebei een baan. Debbie hoorde ze nooit, hoewel dat ook door de geïsoleerde muren kon komen.
     ‘Het lijkt wel een bunker,’ had haar zoon gezegd toen hij tijdens de verhuizing langskwam. In de hal bij de lift lag alleen nog kaal beton op de vloer, de bouw had vertraging opgelopen. In de lift zaten houten schotten om het binnenwerk te beschermen. Werklui hadden er obsceniteiten op gekalkt.
     Debbie keek naar de foto boven de eettafel waarop het stel poseerde tegen een zalmkleurige achtergrond. Zij op een stoel, haar benen losjes over elkaar geslagen, hij staand daarachter, met zijn handen op haar schouders.
     Voor hen woonde er een bejaard echtpaar in het appartement. Ze waren vlak na elkaar overleden, eerst de man, toen de vrouw.
     ‘Zo gaat dat met die oudjes,’ had een andere buurman gezegd toen Debbie hem beneden bij de brievenbussen tegenkwam.      Zijn vrouw stond naast hem en knikte instemmend. Ze rook naar een parfumwinkel en had een vlezig gezicht vol rimpels die ze geprobeerd had dicht te smeren met een laag make-up. ‘Als ze hun hele leven samen zijn geweest kunnen ze niet meer zonder elkaar.’
Debbie wilde vragen hoe ze aan die wijsheid kwamen. Maar ze zei alleen: ‘Ja, zo gaat dat’, en draaide haar brievenbus op slot.
     De nieuwe buren hadden de keuken en de vloer laten vervangen, hoewel die allebei pas twee jaar oud waren – net zo oud als de woontoren was. Ze woonden er al bijna twee maanden toen Debbie de vrouw voor het eerst ontmoette, beneden in de hal. Nadat ze hallo hadden gemompeld stonden ze zwijgend naast elkaar op de lift te wachten. In de lift drukte Debbie haar etagenummer in. De vrouw wierp een blik op de rood omcirkel- de acht en leunde met haar rug tegen de wand. Debbie keek naar haar schoenen terwijl de lift omhooggleed. Ze zagen er duur uit, maar niet opzichtig.
     Debbie wilde net de sleutelbos uit haar jaszak vissen toen de vrouw haar hand uitstak. ‘Ik heb me nog niet eens aan u voorgesteld.’

Oscar Spaans | Vacuüm | Marc De Vos | 2

Het katje was klaar met eten en sprong op de rugleuning van de bank. Hij keek naar Debbie terwijl hij zijn lippen aflikte. Ze liep naar hem toe en aaide hem, ze voelde de broze botten onder haar hand. Het katje draaide zich om naar het aquarium en zette zijn voorpoten tegen het glas. Hij gleed weg terwijl de vissenmondjes achter het glas open en dicht bleven gaan.
     Onderweg naar de voordeur kwam Debbie weer langs de slaapkamer. Ze ging naar binnen en schoof nu een deur van de linnenkast opzij. Pakken en overhemden hingen op kleur gesorteerd. De dameskleding vond ze achter een andere deur. Ze pakte een jurkje met laag uitgesneden hals van de stang en ging ermee voor de spiegel staan, probeerde zich te herinneren wanneer ze voor het laatst zoiets gedragen had – of ze zoiets ooit gedragen had. Toen ze het jurkje terughing zag ze ineens een grote vierkante doos op de bodem van de kast. Ze bukte half, ging weer rechtop staan. Even bleef ze naar de doos kijken, toen bukte ze opnieuw en haalde het deksel eraf. Er zaten fotoalbums in en bovenop lagen losse foto’s van de buurvrouw, maar niet van het soort dat aan de muren hing. Plotseling werd er aangebeld en Debbie slaakte een gil, bedacht toen met een zucht dat het geluid van de intercom beneden was geweest.
     Ze legde de foto’s terug in de doos, deed het deksel erop en liep snel naar de voordeur. Voordat ze het appartement verliet keek ze voor de zekerheid door het spionnetje om te zien of er toch niet iemand boven voor de deur stond. Door de visooglens zag ze alleen het lege halletje, met haar voordeur als het middelpunt. Ze glipte naar buiten.

Die nacht kon ze de slaap niet vatten. Ze lag te woelen en voelde het plastic onder het hoeslaken kraken. Een zeurende pijn kroop vanuit haar nek omhoog en spreidde zich uit naar haar achterhoofd en haar slapen.
Ze sloeg het dekbed opzij en ging naar de badkamer om paracetamol te pakken. Zodra ze stond werd de hoofdpijn heviger. Ze zette de douche aan. Soms hielp dat, een hete straal in haar nek.
     Terwijl ze haar nachthemd uittrok kreeg ze een idee. Ze trok het hemd weer aan, zette de douche uit, pakte een handdoek van de plank en liep naar de voordeur.
     Ze sloop de deur uit. De lift stond stil op de tweede etage. Vlug liep ze naar de overkant. Dit keer kostte het haar moeite om de sleutel in het slot te krijgen, ze voel- de de opwinding in haar buik. De kans dat een van haar andere buren op dit uur de deur uit ging was klein, maar toch. Wat kon ze zeggen als iemand haar zo zag, in haar nachthemd bij de voordeur van de buren met een hand- doek onder haar arm?
     In de gang zag ze vaag het blauwe schijnsel van het aquarium. Verder was het appartement donker. Het licht in de badkamer ging vanzelf aan toen ze naar binnen liep. Spotjes in het plafond en boven de spiegel, grote grijze tegels op de wanden en de vloer.
Ze kleedde zich uit en stapte de inloopdouche in. De regenkop had een drukregelaar die ze vol opendraaide. Ze voelde hoe de stralen in haar nek prikten en keek hoe het water in vlechten langs haar lichaam stroomde. De glazen wand besloeg van de hete damp.
     Ze goot wat shampoo in haar hand en begon zachtjes haar hoofd te masseren. Langzaam ebde de pijn weg. Daarna schoor ze haar benen met een scheermes dat in het zeeprekje lag. Ze dacht aan het lichaam dat ze op de foto’s had gezien. Met duim en wijsvinger kneep ze in het vel van haar kuitbeen. De huid was dun als papier, het hing losjes rond de botten.
     ‘Ik word oud.’ Hoe vaak had ze het niet tegen haar man gezegd als ze ’s avonds voor de spiegel hun tanden poetsten?
     ‘Ik hoop het,’ antwoordde hij dan.
     Na twintig minuten zette ze de douche uit en droogde zich af. Ze gebruikte het trekkertje om de glazen wand en de muren droog te maken. Haar hoofdpijn was gezakt en ze was rozig door de warmte. Ze trok haar onderbroek en nachthemd aan en liep naar de slaapkamer, waar ze zich dwars op het waterbed liet vallen.

Aan de intensiteit van het licht buiten zag ze dat het later was dan ze normaal gesproken opstond. Achter de deur hoorde ze de kat miauwen. Het voelde alsof ze dagenlang geslapen had. Flarden van dromen sluimerden op de grens van haar bewustzijn, maar een dringendere kwestie trok haar aandacht: een schurend gevoel aan haar billen en dijbenen. Het jeukte. Toen ze haar hand onder de dekens stak om zich te krabben voelde ze dat het nat was.
     Met een schok ging ze overeind zitten en rook aan haar vingers. Ze trok de dekens weg en keek naar de grote natte plek op het matras. In de paar jaar dat ze hier nu woonde was dit twee keer eerder gebeurd. Ze was blij dat het haar man bespaard was gebleven, hoewel hij er waarschijnlijk alleen maar om had moeten lachen.
     Met dichtgeknepen ogen zette Debbie haar nagels in haar slapen. Ze zou alles in de wasmachine kunnen stoppen en het daarna in de droger doen. Maar dat zou tijd kosten. De buren zouden ’s middags terugkomen, maar ze hadden niet gezegd hoe laat. Wat als ze terugkwamen terwijl ze nog bezig was met de was? Ze ging het anders doen. Maar eerst moest ze iets schoons aan haar lijf.
     Nadat ze zich thuis had omgekleed haastte ze zich terug naar het appartement van de buren. Ze dook het washok in en greep een emmer, vulde die met water. Terug in de slaapkamer kiepte ze de emmer leeg boven het bed.
     In de badkamer vond ze een föhn. Ze stak de stekker in het stopcontact naast het nachtkastje. Het apparaat begon te loeien en langzaam bewoog ze de kop in rechte banen heen en weer boven de natte plek. Ze zag het vocht verdampen, de plek stukje bij beetje lichter worden. Af en toe boog ze voorover om aan de plek te ruiken. De geur viel haar mee.
     Eén keer onderbrak ze het karwei om het voerbakje van de kat te vullen. Daarna ging ze door met föhnen totdat de hele plek was verdwenen. Ze bracht de föhn en de emmer terug naar waar ze die vandaan had, maakte het bed op zoals ze het had aangetroffen en ging naar huis.

Die middag ging de bel. Debbie keek door het spionnetje, het was de buurvrouw; ze had een fles wijn in haar hand.
     Debbie haalde één keer diep adem en opende toen de deur. ‘Een kleinigheidje,’ zei de vrouw.
     Debbie nam de fles aan en bekeek het label. ‘Dat had toch niet gehoeven.’
     Pas toen ze weer opkeek zag ze dat de buurvrouw ook nog iets in haar andere hand had. Haar handdoek.
     ‘Is deze toevallig van u?’
     Debbies hoofd voelde plotseling te klein voor wat erin zat. Haar keel was droog, ze voelde een zweetdruppel langs haar rug omlaag kruipen.
     ‘Geeft toch niks,’ zei de vrouw. ‘We zijn tenslotte buren.’
     ‘Sorry,’ zei Debbie. ‘Bedankt.’
     Ze sloot de deur en liet zich op de mat zakken, de handdoek over haar schouder, de fles wijn in haar hand.