fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Lees exclusief het verhaal 'Openbaar Kunstbezit' van Libriswinnaar Sander Kollaard uit zijn verzamelde verhalen en essays De laatste dag van de koning

Sander Kollaard (1961) heeft jaren geschreven in de schaduw van de literaire reuzen. De Nederlandse schrijver werd opgemerkt, maar veel aandacht voor zijn verhalen en romans was er nooit echt. Nu is hij met het winnen van de felbegeerde Libris Literatuurprijs voor zijn roman Uit het leven van een hond (2019), zelf een van die reuzen geworden.

Dat die grote doorbraak terecht is, en Uit het leven van een hond niet zomaar een toevalstreffer was, wil zijn uitgeverij nu aantonen door nu zijn eerder gepubliceerd werk opnieuw uit te geven. Die reeks van heruitgaven begon met opgefriste versie van zijn roman Stadium IV en nu zijn dus zijn verhalen en essays aan de beurt. De laatste dag van de koning bevat de verhalen uit zijn eerdere bundels Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012) en Levensberichten (2018) en is verder aangevuld met verhalen en essays over onder anderen Fernando Pessoa en Vladimir Nabokov die hij doorheen de jaren heeft gepubliceerd in literaire tijdschriften of intussen nieuw heeft geschreven.

Om de verschijning van De laatste dag van de koning en Sander Kollaard te vieren, publiceren we daarom exclusief een van zijn verhalen. ‘Openbaar Kunstbezit’ is een verhaal uit zijn debuutbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde en is een goede introductie voor wie nog niet vertrouwd is met Kollaards werk.

Openbaar Kunstbezit

In een buitenwijk van Uppsala – we hadden zojuist het station verlaten – zag ik hoe een parallel spoor zich aftakte, nog enige tijd zichtbaar bleef, maar toen in een flauwe bocht naar rechts verdween in een allengs dichtere begroeiing van brandnetels, boomscheuten, varens en koolzaad die tussen de bielzen was opgeschoten. Ik dacht hier enige tijd over na – het beeld leek me een fraai symbool van het een of ander –, maar kwam niet tot een slotsom. Ik bepaalde mijn aandacht daarom weer tot het boek dat ik las, Flauberts Madame Bovary, dat ik lang geleden voor het eerst had gelezen, in een periode dat ik Flaubert adoreerde op een manier die mij tegenwoordig niet meer gegeven is – met het vermogen om werkelijk van een schrijver te houden, als een bakvis, en alles van hem te willen lezen, ook de dagboeken en brieven, de jeugdzondes en de afgekeurde versies, en alles over hem te willen weten, over zijn leven, zijn eigenaardigheden, de huizen waarin hij woonde, de pennen waarmee hij schreef, zijn liefdes en verslavingen, de ziekten die hem bezochten, alles. Sinds die periode had ik het boek geregeld herlezen, altijd met aandacht, maar nu lukte het me niet mijn gedachten erbij te houden. Ik las een paar alinea’s, maar werd afgeleid door onbenullige overwegingen, zodat ik geen woord in me opnam en geregeld moest terugzoeken om de draad te hervinden. Ten slotte gaf ik het op, sloot het boek, legde mijn hoofd tegen de rugleuning en keek naar buiten – we hadden de stad inmiddels verlaten –, waar het betoverend mooie Zweedse voorjaarslandschap voorbijgleed: velden met bloeiende lupine en akkers met een nog jonge, lichtgroene begroeiing; een strook met berken, de witte stammen al besluierd met het jonge blad dat het zonlicht in zich leek op te nemen; velden met paarden die hun snuiten tegen elkaar wreven; en natuurlijk de meren, zo helder, zo blauw, alsof de hemel erin was leeggegoten.

In de gedachtestroom die ik aan mij voorbij liet gaan dook al snel een voorval op van de vorige avond, nog in Amsterdam, toen ik met Roeland naar huis fietste na een etentje met vrienden, en we bij de ingang van het Vondelpark werden ingehaald door een meisje. Ze viel me in eerste instantie op omdat ze zo snel reed, verbazingwekkend snel, zigzaggend door het drukke fietsverkeer, zonodig via de stoep; meteen daarop zag ik hoe mooi ze was, vooral door de manier waarop ze zat, zo rechtop, de lijn die de rug dan krijgt, de welving naar de billen; en vervolgens viel me de bos bloemen op die achteloos in de op de bagagedrager gemonteerde krat lag en die, dat zag ik meteen, door de hoge snelheid, de schokken die de fiets daardoor kreeg, onverbiddelijk uit de krat zou vallen. Dat gebeurde inderdaad, vrijwel direct nadat ik het in gedachten al had gezien: een inhaalmanoeuvre via de stoep, een flinke schok en daar gingen ze. Ik kneep in mijn remmen – Roeland fietste door en zwenkte naar rechts het park in – en hield halt naast de bloemen, die ik opraapte en op een wat onhandige manier vasthield terwijl ik het meisje nakeek, dat niets in de gaten had en al onbereikbaar was geworden voor mijn stem, laat staan dat ik haar nog zou kunnen inhalen. Ik had veel gedronken en verkeerde in een rozige stemming, dus ik maakte er geen probleem van en vervolgde mijn weg, Roeland achterna, door het park, nu met een bos bloemen in de hand.

Terwijl ik in de trein aan het voorval dacht, vroeg ik me af waar de bloemen waren gebleven. Ik kon mij niet herinneren waar ik ze had gelaten en evenmin dat ik ze vanochtend had gezien, toen ik met een katerig hoofd beneden kwam, zeulend met mijn koffer en laptop, waar Roeland al aan de tafel zat met de krant en een kop koffie, opgewekt als altijd. Had hij ze in een vaas gezet voor Vera, die op Kreta was maar later deze week thuis zou komen? Stonden ze op het aanrecht, nog ingepakt, maar wel in water? Ik had geen idee en was bovendien niet in staat me lang op mijn herinneringen te concentreren: de vermoeidheid nam nadrukkelijk bezit van me, nu nog op een prettige manier, maar verder weg voelde ik al de somberheid die steevast het sluitstuk was van de drukke, vaak met een ongebruikelijke hoeveelheid alcohol overgoten dagen in Nederland.

Sander Kollaard | Openbaar Kunstbezit | Sarah-Kay Blewitt

Het was een vrijdag. Enkele dagen eerder, op dinsdag, was ik naar Nederland gevlogen zoals ik dat vanwege mijn werk elke zes weken doe. Het vliegtuig volgde boven Nederland een route die ik niet eerder had gevolgd, een wijde bocht vanuit het noorden over Almere, Weesp, Abcoude, de Vinkeveense
Plassen en de polders van het Groene Hart naar de Aalsmeerbaan. Het was helder weer, ik zat bij het raam en genoot zoals altijd van het zicht op mijn vaderland: de complexe, maar heldere lappendeken, eerst ontworsteld aan het water en vervolgens aan de tekentafels van de waterstaatsingenieurs, maar nog altijd met de sporen van eeuwen, het slingeren van de Vecht, de kerkjes van Vreeland en Loenen, de smalle stroken in de Vinkeveense Plassen als restanten van de veenafgravingen. Ik herinnerde me een tekening waarin Nederland werd voorgesteld als een zompig knekelhuis, de kaart getekend als een doodshoofdsilhouet: het neusloze profiel in het westen, het schedeldak in het noorden, de rammelende kaken in het zuidwesten. Maar vanuit het vliegtuig zag ik de ingenieuze manier waarop het land is ingericht, de orde, de zucht naar reinheid die eruit spreekt, de afkeer van verspilling, en terwijl we daalden verbaasde ik me erover hoe dicht alles bij elkaar lag: een klaverblad… een zwerm boten op een plas… een drafbaan… een vesting, omgeven door een gracht, aan de rand van een nieuwbouwwijk… een zuiveringsinstallatie… een kaarsrechte polderweg waar juist een rode auto een bus inhaalde… een tractor op een akker, precies op het punt waar de akker zich deelde in een lichtbruin vlak en een donker patroon van gewikkeld touw… een weide met koeien en midden in die weide een antennetoren… een verblindend mozaïek van kassen… op het laatst nog een paar kinderen en een hond op het erf achter een boerderij aan een vaart… en ten slotte de kale velden van het vliegveld, het besmeurde asfalt van de landingsbaan en op het allerlaatst, vlak voordat we de grond raakten, de glimp van een haas die zich over een veld uit de voeten maakte. Het trof mij als zeer Nederlands: alles opeengepakt zonder dat het onderscheid ook maar een ogenblik vertroebelde.

Op de tweede dag van mijn bezoek herhaalde deze ervaring zich op een andere schaal toen Roeland mij na het avondeten meenam voor een wandeling. Het wijkje waar hij en Vera wonen ligt in het westen van de stad, min of meer geïsoleerd, als een bewoonde enclave in een gebied dat wordt beheerst door kantoren, hotels, bedrijfsterreinen en uitvalswegen. Altijd klinkt er het zoemen van verkeer en het verre gebulder van opstijgende vliegtuigen, maar dwars door dit gebied loopt ook de Sloterweg, een smalle, royaal beboomde weg, langs villa’s, boerderijen en landarbeidershuisjes, helemaal tot aan Sloten, vlak bij de Ringvaart. Roeland en ik volgden de Sloterweg een minuut of tien totdat links een park opdook, het Siegerpark, dat we door het openstaande hek betraden. Ik kende het niet. Terwijl we de slingerende paden volgden vertelde Roeland iets over de geschiedenis ervan: dat het in de jaren twintig was aangelegd door W. G. Sieger, die rijk geworden was met de productie van kinine; dat het ooit doorliep tot ruim over het huidige tracé van de A4; dat het was ontworpen in Engelse landschapsstijl met een grote variëteit aan bomen en andere vegetatie; en dat er beelden te zien waren uit de verzameling van het Stedelijk Museum. Ik luisterde met een half oor, verrukt door wat ik zag, de verschillende soorten bomen, de talloze bloemen en de slingerende paadjes, maar ook de onverschrokken contrasten: het gekwetter van de talloze vogels dat boven het nabije gedruis van de snelweg uit klonk; de gronderige geur die uit de donkere sloten opsteeg en met enkele vleugen uitlaatgas werd aangelengd tot iets dat me deed duizelen; de beeldhouwwerken die her en der in de vegetatie opschoten; en het met glas beklede kantoorgebouw dat, hoewel zelf verlicht, toch als een donkere kolos oprees tegen de bleke avondlucht, pal aan de rand van het park. Wat ik enkele dagen geleden vanuit de lucht had gezien, zag ik nu vanaf de grond: hoe dicht de dingen bij elkaar lagen en hoe helder het onderscheid desondanks bleef. En ik begreep nu ook beter waarom dit zo was – dat die helderheid niet bestond ondanks maar juist dankzij die nabijheid. Het was planologische contrapuntiek: de samenhang ontstond door de tegenstellingen.

Toen we alweer op weg waren naar de ingang viel mijn oog op het beeld van een jongen en een meisje. Ze stonden naast elkaar, naakt, de jongen een hand in de zij, het meisje de arm om zijn schouders, en keken voor zich uit. Het meisje schatte ik op een jaar of dertien; ze had al, zij het aarzelend, de vormen van een vrouw: een begin van borsten, de buik en heupen licht gewelfd. De jongen, mager en benig, was een paar jaar jonger. Het duurde enkele tellen, maar toen dook in mijn geheugen de herinnering op: ik had dit beeld al eerder gezien, als jongen van vijftien of zestien, in een van de jaargangen van Openbaar Kunstbezit, waarvan mijn ouders trouwe abonnees waren. Zelf bezat ik inmiddels ongeveer vijftien delen van de serie, die ik in de loop der tijd in antiquariaten en op boekenmarkten had weten te verzamelen. Ik had ze al jaren niet meer ingezien en nam mij voor dit bij thuiskomst weer eens te doen. Terwijl ik het beeldje bekeek herinnerde ik mij wie de beeldhouwer was, Hildo Krop, die ik later in mijn leven beter zou leren kennen door het decoratieve werk dat hij in de decennia voor de oorlog maakte voor bruggen en gevelwanden in Amsterdam-Zuid, waar ik enige tijd zou wonen. Hoewel het beeldje op het eerste gezicht tamelijk statisch lijkt, zag ik na enige tijd dat de blik en houding van de kinderen een grote levenslust uitdrukten. Ik stelde me voor dat Krop de kinderen slechts met moeite voor zich had kunnen laten poseren; van tijd tot tijd hadden ze zich niet kunnen beheersen en waren ze weggerend, naar de keuken om hun moeder wat fruit of koekjes af te troggelen, door de openstaande atelierdeuren een zomertuin in, of de trap op naar hun kamers om een stuk speelgoed te halen. Krop had die ongedurigheid weten vast te leggen als een nog net bedwongen beweging.

Sander Kollaard | Openbaar Kunstbezit | Sarah-Kay Blewitt

Het beeldje ontroerde me, op zichzelf, maar ook omdat het hier opeens voor me stond: alsof het een tijdreis had gemaakt die het, op mijn beurt, mogelijk maakte eveneens die reis te maken, maar dan terugwaarts, naar de jongen die ik als vijftien- of zestienjarige was. Ik had de blauwgestoffeerde banden van Openbaar Kunstbezit indertijd eindeloos bestudeerd en zo een onsamenhangende maar aanzienlijke kennis van de schilder- en beeldhouwkunst in Nederlands en Vlaams bezit verworven. Het was een merkwaardige kennisvoorraad die op onvoorspelbare momenten, zoals nu, gegevens naar de oppervlakte stuurde. Het was ook een vrijwel uitsluitend visuele kennis: ik had indertijd de platen bekeken en notitie genomen van de kunstenaar, maar mij zelden de moeite getroost de bijbehorende toelichting te lezen. Zo was het ook met dit beeldje: ik herkende het, wist de naam van de kunstenaar, maar daar bleef het bij. Op het plakkaat aan de voet las ik dat het uit 1926 stamde en Twee kinderen heette. Daar moest ik het voorlopig mee doen. Terwijl we terugliepen naar de ingang van het park en over de Sloterweg naar huis, werd ik bevangen door een verdriet dat ik herkende maar niet kon peilen, en dat iets te maken leek te hebben met de lucht boven ons die in roze verschoot en waar een zwerm luidruchtige parkieten lak had aan alles. Mijn gedachten bleven bij de kinderen. Door hun leeftijd en de vertrouwdheid van hun omgang stelde ik me voor dat ze broer en zus waren. Waren het de kinderen van de beeldhouwer? En waren ze al dood, zoals de datering van het beeldje deed vermoeden, of leefden ze nog? En als ze nog leefden, zouden ze zich dan nog herinneren hoe ze voor hun vader poseerden? Ik voelde een sterk verlangen daarbij aanwezig te zijn geweest, bij dat poseren, niet als voyeur, maar gewoon op een stoel in het volle zicht, als een vriend van de familie, een oom bijvoorbeeld, en er zo getuige van te zijn hoe die twee kinderen in de handen van hun vader dit beeld werden. Ik zou gelachen hebben om hun ongedurigheid, dat wegrennen van ze, en de mengeling van vrolijkheid en wanhoop van hun vader. En ik zou dolgraag hebben gezien wat ze ertoe had gebracht om juist zo te poseren, zij met haar arm om de schouder van haar broer, hij met die hand in zijn zij. Ik stelde me graag voor dat ze het zelf hadden bedacht om het zo te doen, in een baldadige bui, en ik zou met ingehouden adem hebben willen zien hoe Krop begreep dat hij de kinderen zo, en niet anders, beslist niet anders, moest zien vast te leggen.

De treinreis duurde een klein uur. Bij het naderen van mijn bestemming, Sala, ontspande ik me, maar daardoor nam de moeheid verder toe en brak ook de gevreesde somberheid door. Het voorjaarslandschap verloor haar schoonheid. De zon deed pijn aan mijn ogen en scheen via het raam te warm op mijn licht bezwete gezicht. We passeerden kort na elkaar Järlåsa, Vittinge en Morgongåva, lelijke stadjes zoals Zweden er talloze telde: onsamenhangende verzamelingen van vrijstaande, uit hout of okergele baksteen opgetrokken villa’s die nooit hetzelfde waren maar desondanks inwisselbaar; de aangebouwde veranda’s met afdaken van geribbeld kunststof; de blinkend witte tuinhekken met siersmeedwerk, per meter besteld in de bouwmarkt, en de gestreepte markiezen; de altijd ruime opritten met de Amerikaanse oldtimer, gemotoriseerde grasmaaier of sneeuwscooter; en in de tuinen het plastic kinderzwembadje, de schommel en de met een veiligheidsnet omspannen trampoline. Uit niets bleek dat schoonheid in dit land werd ervaren als troostend en helend; sterker, het scheen mij toe dat schoonheid niet alleen als irrelevant werd gezien, maar als ongewenst: iets dat koste wat kost moest worden vermeden.

Ik trok het donkerblauwe, muf ruikende gordijn dicht. Een paar tellen overwoog ik om Roeland te bellen en hem te vragen wat er met de bloemen was gebeurd, maar ik kon me er niet toe zetten. Op een vage manier stond me bij dat ik de bloemen al niet meer had toen we thuiskwamen, dat ik me daar op dat moment ook van bewust was en zelfs dat ik ook toen al geen idee had waar ze waren gebleven. Had ik ze in mijn roes aan een voorbijgangster gegeven, zo’n meisje, in een sentimenteel gebaar, met woorden waarmee ik mijzelf voor schut had gezet? Of was ik ze opeens zat geweest, die bloemen, en had ik ze baldadig met een boog in een parkvijver geworpen?

Terwijl de trein Sala binnenreed en stopte, bij het uitstappen, bij het begroeten van Elin en de kinderen, op weg naar de auto en vervolgens met de auto op weg naar huis, al die tijd bleven mijn gedachten bij de bloemen, en zelfs na thuiskomst, bij het glas wijn in de keuken, het eten, het uitpakken van de koffer, steeds bleven die bloemen me bij, maar op een allengs minder prettige manier, als een infantiel deuntje dat, eenmaal opgepikt in een supermarkt of gelaten wachtend aan de telefoon van een overheidsdienst, in het hoofd blijft drenzen. Zoals zo vaak als ik moe was verzonk ik in vruchteloze voorstellingen. Wanneer zou het meisje hebben gemerkt dat de bloemen weg waren? Pas toen ze thuis kwam of eerder al? En was ze toen teruggegaan om te zoeken? Waarom had ze die bloemen eigenlijk gekregen? Het was het soort liefdeloos boeket dat men koopt in een stationskiosk of bij een tankstation, met linten, in knisperend folie, altijd te duur en met te veel donkergroene conifeertakken erin omdat die lang goed blijven. Mogelijk had ze die middag afscheid genomen van collega’s, na een kort dienstverband als uitzendkracht, bijvoorbeeld op de administratie van een bedrijf dat verpakkingsmateriaal maakt. Iemand had een toespraak gehouden, waarin ze was geroemd als een ‘spontane meid’, een ‘fijne collega’, en ze had behalve de bloemen een kaart gehad waarop men haar ‘succes voor de toekomst’ had gewenst. En daarna was ze met enkele van die collega’s nog wat gaan drinken, twee of drie jonge vrouwen, en misschien die stille jongen van het magazijn. Waar hadden ze het over gehad? Hadden ze elkaar hun geheimen opgebiecht? En wat waren dat dan, die geheimen? Had die stille jongen na een paar glazen zoete witte wijn verteld dat hij dacht ‘eigenlijk homo’ te zijn, en had een van de meisjes die jongen toen meegenomen naar huis, om erover te praten?…

De avond verliep. Daas van vermoeidheid bracht ik de kinderen naar bed, las mijn e-mail en dronk nog een paar glazen wijn met Elin. Hoewel ik, eenmaal in bed, snel in slaap viel, hield deze niet lang stand: even na drie uur was ik alweer wakker. Bevreesd voor de woestenij van de slapeloosheid stond ik op, trok wat aan en liep naar beneden, naar de keuken, waar ik een nieuwe fles wijn opende, mijn glas omspoelde en volschonk. Met zowel de fles als het glas in de hand liep ik naar de salon, die zicht gaf op het terras en de aflopende achtertuin. De hemel was alweer verbleekt tot het vaalgrijs dat een nieuwe dag aankondigde: midzomer was niet ver meer. Ik zette de televisie aan en bekeek op Discovery Channel een documentaire over een Australisch vrachtschip voor het vervoer van levend vee, de MS Centaur, dat 16.000 dieren kon vervoeren, schapen, koeien of geiten, in klimatologisch zorgvuldig gecontroleerde omstandigheden en begeleid door een betrokken team van dierenartsen en andere experts, zodat het dierenwelzijn was gegarandeerd. Ik dronk door, in de hoop dat de slaap alsnog over mij zou komen, maar het tegenovergestelde gebeurde: ik werd juist helderder en onstuitbaar nam een parade van herinneringen een aanvang, aanvankelijk beschamend of verdrietig – herinneringen van het soort, zo had ik ergens gelezen, dat met onuitwisbare inkt in het autobiografisch geheugen werd opgetekend – maar allengs ook herinneringen waar geen touw aan vast te knopen viel en die gespeend leken van ook maar de geringste betekenis – een categorie die me de laatste jaren steeds meer verontrustte en waarvan ik een aanzienlijke voorraad bleek te hebben.

Tot deze categorie behoorde een herinnering van nog maar enkele maanden oud, toen ik aan het eind van de werkdag Elin van het station haalde en we op de terugweg langs het postkantoor reden om een pakketje af te halen. Hoewel zo nu en dan een felle zon scheen, was de hemel grotendeels bedekt met de restanten van wolken die eerder op de dag waren verschenen en die gaande de middag door een vlagerige wind waren uitgesmeerd over het blauw, in slierten, vegen, druppels en vlakken, en in kleuren die verliepen van wit naar donkergrijs en paars. Terwijl Elin uitstapte en naar het postkantoor liep om het pakketje te halen, bleef ik in de auto zitten en staarde in gedachten verzonken door de voorruit. Na enige tijd drong tot me door dat het tafereel dat zich voor mij ontvouwde, ongewoon was. Ik keek nog eens, geconcentreerd nu, en probeerde te ontdekken waar de gewaarwording vandaan kwam. Wat ik zag was volmaakt alledaags. De auto stond met de neus naar een groen draadhek dat een met grind bedekt erf van de parkeerplaats scheidde. Het erf behoorde bij een grote, ongeveer eeuwoude villa, rechts, waarin een snuisterijenwinkel was gevestigd die op de gevel adverteerde met zelfgemaakte zeep. Tegenover het huis werd het erf begrensd door een verzameling bijgebouwen en recht voor mij werd het van de weg gescheiden door enkele grote esdoorns die nu, eind maart, nog vrijwel kaal waren. Aan de overzijde van de weg lag het busstation; midden op het terrein zag ik het bewegende kunstwerk dat het stadje moest symboliseren: een gestileerd schoepenrad dat werd aangedreven door water. Over de weg reden auto’s; op het busstation wachtten her en der mensen; op de stoep liet iemand een hond uit. Ik zag niets bijzonders. Toch werd, terwijl ik keek, de gewaarwording van ongewoonheid nog krachtiger. Het was, zag ik nu, alsof elk onderdeel in gelijke mate werd belicht, zodat de hiërarchie wegviel. Niets verwees nog naar iets anders: elk onderdeel stond op zichzelf en leek zichzelf genoeg. Het ging door me heen dat ik wellicht door een lichte beroerte was getroffen en dat mijn hersenen het vermogen om verbanden aan te brengen hadden verloren, maar die analyse weersprak zichzelf. Maar wat was er dan wel aan de hand? Ik kreeg het warm en voelde een lichte duizeligheid. Terwijl ik naar links keek om te zien of Elin er al aan kwam, bewoog ik mijn hand naar de deur om het raam te openen en wat frisse lucht binnen te laten, maar nog terwijl mijn hand onderweg was werd ik bevangen door een heftige geilheid. Het zweet brak me uit, mijn ademhaling werd zwaar en mijn lid verhief zich met een snelheid en kracht die me ertoe noopten snel te gaan verzitten zodat het ruimte kreeg. Dat hielp niet: al het volgende moment verschoot ik mijn zaad met enkele onbeheerste, schokkende bewegingen van mijn heupen en een kreet waarvan ik idioot genoeg schrok. Onthutst bleef ik enkele tellen zitten en voelde hoe de vochtige hitte zich in mijn schoot verbreidde. Toen ik opnieuw naar links keek, zag ik Elin uit het postkantoor komen, het afgehaalde pakje in de hand. Paniekerig opende ik het dashboardkastje, op zoek naar zakdoekjes; in plaats daarvan vond ik een pak met een restant goeddeels verdroogde billendoekjes. Ik griste er een paar uit de sleuf, opende mijn broek, duwde mijn onderbroek naar beneden en depte zo goed en zo kwaad als dat ging mijn overvloedig uitgestorte zaad op. Terwijl ik Elin in het oog hield, die de weg overstak en de parkeerplaats betrad, sjorde ik mijn onderbroek omhoog, knoopte mijn broek dicht en duwde de kleverige prop billendoekjes in de zak van mijn jas. Elin was de auto nu tot op een tiental meters genaderd. Ik deed het raampje open om mijn verhitte gezicht af te laten koelen en de geur van mijn zaad te luchten. Toen Elin instapte keek ze me niet meer dan vluchtig aan en begon meteen het pakketje te openen. Ik startte de auto, reed de parkeerplek uit, en toen tussen de rijen auto’s door naar de uitgang van het parkeerterrein, de weg op.
     ‘Waarom staat het raam open? Het is ijskoud…’
Ik deed het raampje dicht. Elin worstelde met de platte plastic strengen waarmee de kartonnen verpakking strak was omwikkeld.
     ‘Het rook zo muf…’
     ‘Ik krijg dat stomme plastic er niet af…’
Ze gaf het op en liet het pakket in haar schoot liggen.
     ‘Het zal die Potter wel zijn… Muf?’

Ik zette de televisie uit, stond op en liep naar het raam. Het was een uur of vijf, schatte ik, en de dag brak door. In de toppen van een verderweg gelegen strook dennen zag ik de eerste zon. Ik hoefde nog maar een paar uur te overbruggen totdat Elin en de kinderen wakker werden. Toen ik mij omdraaide, zoekend naar een verpozing, viel mijn oog op de boekenkast en zag ik de blauwe banden van Openbaar Kunstbezit. Ik haalde ze van de plank, keerde terug naar de bank en begon te bladeren. Al bladerend herkende ik de geur van het papier en herinnerden mijn vingers zich de aanraking ervan, dun en glad; en al bij het omslaan van de eerste bladzijde betrachtte ik automatisch de voorzichtigheid die nodig was om te voorkomen dat het dunne papier zou uitscheuren in de te krappe ringen. Anders dan ik als 15- of 16-jarige deed, las ik her en der stukjes van de tekst, waarbij ik steeds de hoge, opgewonden stem en aangezette articulatie hoorde die nog tot diep in de jaren zestig bij nieuwslezers in de mode was.

In het negende deel dat ik doorbladerde vond ik het beeldje van Hildo Krop. Tot mijn verrassing bevatte dezelfde jaargang ook de afbeelding van Nederland als doodshoofd, die afkomstig bleek te zijn van een protestaffiche tegen de nsb. Hildo Krop, las ik, had inderdaad zijn eigen kinderen uitgebeeld, Heleen en Johan, die ten tijde van het beeldhouwen jonger waren dan ik had geschat, namelijk zeven en elf. Als ze nog leefden, waren ze nu 91 en 95. Er was nog een derde kind geweest, een jongetje dat na Heleen was geboren maar al vroeg was gestorven. Turend naar de afbeelding van het beeldje probeerde ik iets van dit jongetje te zien: ik kon me voorstellen dat Krop bij het maken van dit werk zo nu en dan aan het overleden kind had gedacht, en dat er zo, via zijn gedachten en handen, iets van het jongetje in zijn werk terecht was gekomen. Ik kwam niet ver.

Ik schonk de laatste wijn in, nam mijn glas op en liep naar de terrasdeur. Nog even en dan werden Elin en de kinderen wakker en zou ik naar de keuken gaan om ontbijt te maken. Ik duwde de deur open en daalde de drie treden af naar het terras. Het was koud maar in de kersenbomen zag ik voor het eerst de knoppen die snel zouden uitkomen en een lichtroze waas over de bomen zouden leggen. Ik zag het maar bleef er tegelijk ver van verwijderd: ik registreerde wat ik zag, meer niet. Ik volgde het paadje naar beneden, tussen de kersenboompjes door. Dit was het diepste punt, besefte ik, het punt waar mijn uitputting steevast toe leidde. Ergens in mij zat een lek waaruit met de energie ook de levensvreugde gestaag wegsijpelde. Ik had geen idee waar het zat, laat staan dat ik het kon dichten, maar het zat er… In het rumoer van alledag, de drukte van het werk en het gedoe van het gezin viel het niet zo op, maar als het stil werd hoorde ik het ruisen van de afvoerpijp en zag ik hoe de bodem droogviel… Zo was het ook nu: waar ik ook keek, steeds schemerde die drooggevallen bodem erdoorheen.

Bij het weiland bleef ik staan. Het zou snel groener worden en bezaaid raken met bloemen. Ik keek naar de dauw op het nieuwe gras, de zon in de dennenbomen en, links, de nevel die boven de akkers hing, maar opnieuw bleef het bij een afstandelijke registratie: wat ik zag leek met mijn leven niets te maken te hebben. Wat ik tegelijkertijd in alle scherpte zag was die drooggevallen bodem, als de bodem van een vijver, een ondiepe kuil van slordig gegoten cement, leeggelopen door de barsten die erin waren gekomen, bedekt met de opgedroogde restanten van modder en plantenresten, met op het diepste punt een verzameling door de wind bijeengejaagde bladeren en in die bladerhoop een kapotte speelgoedauto, een brandweerauto, in verbleekt rood, waarvan ik mij herinnerde hoe Marcus er een paar zomers geleden mee
speelde. Ik zag die bodem in een schel licht en mijzelf aan de rand ervan, in een vlagerige wind, de ogen toegeknepen tegen een laagstaande zon die tussen de wolken viel.

‘Met Roeland…’
     ‘Hoi, met Erik…’
     ‘Dat is vroeg. Is er iets?…’
     ‘Nee, niet echt, ik wil alleen iets weten… Die bloemen van eergisteravond, weet je wel, van dat meisje… Ik vroeg me af waar die zijn gebleven…’
     ‘Die heb je in de box laten liggen, toen we de fietsen wegzetten. Ik vond ze gisterochtend toen ik naar mijn werk ging…’
     ‘Ah, ik dacht al… Ik kon me niet herinneren dat ze in de keuken stonden of zo… Ik was al bang dat ik ze in een vijver had gegooid…’
     ‘Nee, al heb je daar wel mee gedreigd… Maar ze lagen in de box dus… Ik heb ze meegenomen naar mijn werk en op de receptiebalie gezet…’
     ‘Staan ze daar mooi?’
     ‘Nee, het was een lelijk boeket, maar de receptioniste was er blij mee… Is alles goed met je?’
     ‘Ja hoor… Ik vroeg me alleen af wat er met die bloemen was gebeurd…’
     ‘Ben je dronken?’
     ‘Nee… Nou ja, niet echt… Ik ga nu slapen denk ik…’
     ‘Heb je nog niet geslapen?’
     ‘Jawel, maar niet zo lang, dus ik ben alweer een tijdje op…’
     ‘Aha… Weet je zeker dat het goed gaat?…
     ‘Ja hoor…’
     ‘Slapen Elin en de kinderen nog?’
     ‘Ja…’
     ‘Oké… Nou, welterusten dan maar…’
     ‘Welterusten…’
     ‘Ik ben net op, dus mij hoef je geen welterusten te wensen…’
     ‘Oh nee, natuurlijk…’
     ‘Maar jou kan ik wel welterusten wensen…’
     ‘Ja, dat kan wel…’
     ‘Welterusten dus …’
     ‘Dank je wel… En jij een fijne dag…’
     ‘Dank je…’
     ‘…’
     ‘…’
     ‘Nog iets?…’
     ‘Nee… Ja, doe Vera de groeten…’
     ‘Dat zal ik doen…’
     ‘Okee… Dag dan…’
     ‘Dag. En slaap lekker…’

Meer weten en lezen over Sander Kollaard?

Sander Kollaard was in 2014 de laureaat van de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor zijn debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. Met andere woorden: ‘Openbaar Kunstbezit’ is een prijswinnend verhaal. De Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs werd eerder onder anderen gewonnen door Erwin Mortier, Hugo Raes en Cees Nooteboom de literaire prijs.

Sinds 2006 woont en werkt Sander Kollaard in een voormalige pastorie op het Zweedse platteland. Daarnaast behoren onder anderen Virginia Woolf, James Joyce (vanwege zijn verhaal The Dead) en F. Scott Fitzgerald tot zijn literaire helden.

Nog meer verhalen van Sander Kollaard lezen? Op de website van De Gids kan je zijn verhaal ‘Onder het zand een hele wereld’ lezen en via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren kan je zijn verhaal ‘In memoriam’ uit 2011 lezen dat hij schreef voor Tirade.