Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Voorpublicatie: 'Ook bomen slapen' van Annemarie Peeters

Binnenkort verschijnt bij Uitgeverij Vrijdag Ook bomen slapen, het literaire debuut van Annemarie Peeters. Muziek speelt een grote rol in het leven van Peeters en het is dan ook niet vreemd dat in haar roman de verhalen te lezen staan van twee musici, die allebei worstelen met hun eigen problemen. Lees bij ons de eerste pagina’s.

Annemarie Peeters is muzikant en dramaturg. In het dagelijkse leven schrijft ze voor de krant De Standaard over muziek. Soms laat ze het rumoer van de concertzaal achter zich om te luisteren naar de verhalen in haar hoofd.


 

Ook bomen slapen

Ofelia
With drooping wings ye Cupids come,
and scatter roses on her tomb,
soft and gentle as her heart.
Keep here your watch, and never part.

(Dido and Aeneas – H. Purcell)

Ze kon haar sleutels niet vinden. Moe. Haar handtas een puinhoop. De doffe sloophamer van de jetlag stond al klaar. Tijdens de lange vlucht had ze nauwelijks een oog toegedaan. Nu leken haar oogleden van lood. Ze sperde ze open, kneep in haar wangen. Elke keer opnieuw nam ze zich voor haar huissleutels bij het begin van een tournee veilig op te bergen; in haar handtas bijvoorbeeld, in het kleine zakje met de ritssluiting, of in haar schoudertas bij haar partituren. Wat dan ook, een plek die ze zich weken later nog zou kunnen herinneren. Maar dat breekbare moment – de deur achter zich sluiten, sleutels opbergen – ging elke keer opnieuw voorbij in een zenuwslopende rush van paspoort zoeken en lopen voor een bus, een trein, een taxi of een vliegtuig. Verdomme, ze was moe.
     Het had geen zin om aan te bellen. Er brandden geen lichten, dat had ze vanop de stoep beneden al lang gezien. Aviv was er niet. Ze kieperde de inhoud van haar handtas op de deurmat, schudde en bleef schudden, terwijl de mat zich vulde met lipsticks, tubes handcrème, verfrommelde callsheets, treintickets, gedeukte Perdolan-strips, condooms, restaurantbonnen, oorbellen, bankkaarten, een mini-deo en wegrollende dollarcenten. Alles behalve haar sleutels.
     Ze was thuis, wilde ze schreeuwen. Thuis! In de plaats daarvan liet ze zich op de grond zakken, met haar rug tegen de deur. Dwong zichzelf tot een flashback. Het besef daagde uiteindelijk als de priemende wijsvinger van haar zus Susanna. In de zak van haar regenjas. Helemaal vanonder in haar koffer.

Ook bomen slapen | Annemarie Peeters | 2

In het appartement waren nauwelijks sporen van leven te bespeuren. Aviv hield de dingen clean. Zijn fotolampen stonden als schoolkinderen in een rij tegen de lege, witte muur, in een hoek haar concertjurken kleur bij kleur op een kledingrek.
     Ze schopte haar koffer met een duw de kamer in en schonk meteen daarna in de keuken een glas wijn uit. Als Aviv hier nu was geweest, eten had gemaakt voor haar. Waar was hij?
     Ze spreidde haar handen op het withouten tafelblad, keek naar de grote foto’s van zichzelf aan de muur. Hij had ze op canvas laten afdrukken. Zo leek ze wel een stilleven, een zeventiende-eeuwse hoer die al lang dood had moeten zijn. Dit was niet haar thuis. Ze was er niet vaak genoeg om er te wonen. Haar huis was haar handtas, zei ze altijd.
     Waar zat hij toch? Het liefst van al wilde ze dat er iemand stond te juichen telkens wanneer ze van het vliegtuig stapte. Dat de deuren openschoven en dat er in de aankomsthal iemand met een blik vol verlangen op haar wachtte. Ze zou dan stilstaan, verbaasd, overmand door geluk en met vochtige ogen op hem afrennen. De armen gespreid.
     Kaarslicht en zo van die dingen, de dirigent kende er alles van. Zijn vrouw stond er wel. Ze stond er altijd, eiste na iedere tournee haar rechtmatige eigendom op. ‘Farfallina, mijn vlindertje,’ fluisterde hij vaak in Ofelia’s oor, tijdens de lange nachten in altijd andere, donzige hotelbedden. Iedereen wist ervan. Maar vanaf het moment dat ze uit het vliegtuig stapten, zag hij haar niet meer staan. Ook de rest niet. Alleen als ze nog eens ‘Lux Aeterna’ mocht kwelen in Mozarts Requiem, wanneer de échte sopraan – o wee – haar stembanden dringend moest laten rusten, alleen dan waren alle ogen op haar gericht.
     Ze prikte lusteloos in een plastic pastasalade die ze een continent geleden nog snel in haar tas gepropt had. Aviv wist wanneer ze thuiskwam. Hij had het kunnen weten. Ze slikte, liet haar vork rusten op het tafelblad. Zijn cameratas stond op een van de stoelen, vertrekkensklaar, zoals altijd. Maar nu was hij zonder op stap. Niet om te werken dus. Iets anders.
     Haar vork overtrok de witte planken, telkens opnieuw. Ze probeerde uit alle macht haar gedachten redelijk te doen klinken: hij had een leven, toch? Ze was zelf zo vaak weg, wat wilde ze dan? En ze wist heel goed: alle vorige keren – met de rozen, de champagne, de protserige sieraden van zijn grootmoeder – had ze zich aangesteld als een gestoorde trut. Hem genadeloos uitgelachen met zijn weke puppy-ogen en zijn romantische Disneyfantasieën. Wat hij liefde noemde, sneerde ze dan, was niet meer dan een dagelijkse behoefte aan seks, of nog erger: een cover-up voor het feit dat hij haar schoonheid misbruikte voor zijn eigen carrière. Waarna ze zich zo snel ze kon had teruggetrokken op het toilet om geile berichten te versturen naar de dirigent.
     De verf liet los, haar vork tekende een litteken op het houten blad. Wees nu toch eens redelijk. De stem van Susanna, koningin der redelijkheden, dreunde door haar hoofd. ‘En toch,’ leken de muren zacht te sissen. Dat dit zijn verwijt was. Een donker appartement op een zomeravond. Een gesloten deur. Ze liet de vork op de grond vallen en dronk gehaast haar glas leeg. Dat hij het wist.
     Ze had hem nooit mogen geloven natuurlijk, de dirigent. Hij had het niet hoeven te zeggen, ze had er niet om gevraagd, of toch niet met zoveel woorden. Hij zou bij die oude trut weggaan. Op de volgende opname van het orkest zou zij schitteren als soliste. Ze had hem niet willen geloven, maar had het toch gedaan – gaandeweg.
     In de woonkamer draaide ze de muziek zo luid open dat de buren zeker zouden klagen. Vader jetlag sloeg zijn armen lang en breed om haar heen, haar hoofd was zwaar, maar slapen zou ze niet. Slapen in deze kale gevangenis, wie kon dat? Als een gek begon ze te sms’en. Ze wilde erover gaan, scheef gaan, fout gaan.
     Verdomme, waar was hij, juist nu, nu ze hem zo nodig had?
     ‘Welkom thuis,’ schreef ze met alcoholstift op het witte behang en ‘klootzak’ op de slaapkamerdeur.
     Ze douchte driftig, graaide naar een stel kleren uit de kast. Iets met glinsterende pailletten. Het maakte haar niet uit wat. Eender wie, het maakte niet uit, eender wie was goed genoeg. Een auto toeterde. Ze sloeg de voordeur achter zich dicht.

De volgende ochtend zat Aviv onbewogen aan de keukentafel op haar te wachten. Gebeiteld, alsof hij er nooit niet gezeten had met zijn dansende krullen, de prettige groeven om zijn mond, de stoppelbaard van een paar dagen. Zijn handen in elkaar wrijvend, zijn ogen zorgelijk opslaand. Waar ze geweest was? De hele nacht?
     Helemaal tot aan het water was ze gelopen; ze had gedanst op de kade, langs de rand, als een hoogdanser. Een hoogdanserés. Kijk, mama, zonder onderbroek. Op stelten hoog de hemel in.
     ‘En jij dan?’
     Haar stembanden schuurden als ruwe kiezels over elkaar, ze moest zwijgen nu. Aviv zweeg. Hij tilde haar op net voor haar knieën het begaven en bracht haar naar bed, trok haar kleren uit en keek naar haar. Zijn blik op haar blote dijen: zoet als amandelspijs. Zolang hij maar naar haar keek, haar vasthield met zijn donkere ogen. Alles was goed. Zolang hij naar haar keek, was alles goed. Ze rolde zich op en sloot haar ogen. Een schaap met witte voeten.

***

‘Heb je dorst?’
     Oma heeft donderwolken in haar stem. Haar zwarte veterschoenen kijken op noch om, stappen onverstoorbaar voort, alsmaar omhoog, verder de berg op.
     ‘Ga naar Janneke Worst. Die heeft een hondje en dat pist in uw mondje.’
     Ofelia’s voeten schuiven te ver naar voren in sandalen waarvan de riemen altijd te los zitten. Uitgerekt door de dikke voeten van haar grote zus, Susanna met de olifantenpoten. De leren bloempjes op de gesp zijn eeuwen geleden al verslenst: zie je wel, alles en iedereen heeft verschrikkelijke dorst. En niemand die er iets aan doet.
     ‘Oma…’
     Bovenaan de berg kijkt een donkere schaduw op haar neer, ze kan het voelen: hij heeft een hoge hoed op zijn hoofd en een zware ketting in zijn hand. Janneke Worst? Ze kijkt op, hij zwaait naar haar. Zijn hond braakt blikjes Pepsi-Cola die heel even hel blikkeren in het zonlicht, vooraleer ze langs de andere kant van de berg naar beneden rollen. Ze strekt haar hand uit. Haar keel is droog als een blik vergeten soldatenkoeken.
     ‘Oma, ik ga dood.’
     Ze zakt neer op het asfalt, neemt haar hoofd in haar handen.
     ‘Ik moet drinken, oma. Dringend. Pepsi-Cola.’
     Terwijl ze alsmaar verder bezwijkt, haar tong als een rasp tussen haar lippen, stappen oma’s voeten gewoon verder.
     ‘Oma,’ probeert ze een laatste keer, voor haar hoofd met een doffe smak in het bermgras neervalt.

Als ze uiteindelijk weer opstaat, is oma al lang verdwenen. Ze veegt het zweet uit haar gezicht, schopt haar sandalen uit. Dan rent ze zo snel ze kan naar boven. Door de grote houten poort, langs het schuurtje en het grote grasplein, over het hobbelende tuinpad, drie scheve treden op, recht oma’s keuken in. Daar staat een groot glas water voor haar klaar, met een rietje erin. Daarnaast een potje pudding, even geel als de zon in Susanna’s stripboeken van Jommeke. Ze zuigt haastig enkele slokken naar binnen, blaast snel nog wat bellen, omdat ze dat nu eenmaal doet zodra ze daar de kans toe krijgt, maar giet dan de rest van het glas leeg in de gootsteen.
     ‘Dag zon,’ lacht ze naar de pudding. Ze plant haar lepel er middenin.
     Intussen hoort ze oma in het salon met de platen ritselen. Oma heeft een hele muur vol platen: om bij te lezen of te roken, om op te koken en om bij te zwijgen. Meestal dat laatste. Heel af en toe ook om op te dansen. De naald krast. Ze kent die ruis, heeft al ontelbare keren zitten kijken: hoe de naald haar groef vindt en soms ook niet, dan schaatst die als een dolleman over het zwarte ijs. Voorzichtig optillen, met alleen je duim en één vinger, alsof je een pluisje uit de lucht plukt, en dan opnieuw proberen – dat moet je dan doen. Maar eigenlijk heeft oma het liefst dat ze er met haar fikken vanaf blijft.

Ook bomen slapen | Annemarie Peeters | 3

Vandaag geen dansmuziek. Het is donker in het salon, de groene gordijnen met de kwastjes zijn gesloten. Oma heeft haar schoenen los geveterd en ligt languit op de grote, rode zetel waar maar één mens in kan. Ze lijkt wel een standbeeld: haar ogen toe, haar handen gevouwen op haar buik. Alsof ze nooit meer gaat bewegen. Maar dat is niet zo, want op het tafeltje naast haar ligt een brandende sigaret, te wachten op oma’s hand en op haar mond. Oma houdt van haar sigaretten. Kijk, haar lippen tuiten zich al tot een kus.
     Met het puddingpotje in haar hand nestelt ze zich op de drempel, daar past ze helemaal in. Half in het licht van de gang, half in de duisternis van het salon. De houten luidsprekers rommelen, een mevrouw gilt alsof ze van een hoge berg omlaag tuimelt, het onweert in de kamer en de pudding in haar mond smaakt er vreemd bij. Ze grijpt naar de platenhoes: een vrouw met grote bloemen in haar haren kijkt haar aan. Er zit bloed op haar witte jurk, ze heeft een mes in haar hand en haar mond is wijd opengesperd.
     ‘Oma?’
     ‘Oma?’
     ‘Heeft die mevrouw misschien dorst, oma?’

***

Aviv wilde praten. Zij niet. Niet omdat ze het echt niet wilde, wel omdat ze simpelweg geen woorden had.
     ‘Ofelia.’
     Ze probeerde aan plezierige dingen te denken. Hij in zijn zonovergoten blote bast op een hooimijt, bijvoorbeeld. In een kibboets, of zo. Hij zou gedichten declameren en zij zou hem kussen. Ze hield van zijn stem, van de hoekige lettergrepen als hij Hebreeuws sprak. Wat ze niet verstond, maar nooit erg gevonden had, juist omdat het zo sexy was.
     ‘Al die tournees, ik weet het niet, lief.’
     Ze zou met haar tong zijn oor omcirkelen, zachtjes voor zich uit zingend. Ze zou haar handen tergend langzaam laten afdalen en hij zou steeds vaker struikelen over de verzen van het gedicht dat ze niet hoefde te horen.
     ‘Wat is er gebeurd? Zeg het me.’
     Hij nam haar armen vast. Ze schrok op. Wist hij het echt niet?
     Wat wilde hij dan, dat ze het hoofd boog, zo diep als ze maar kon, dat ze alles zou opbiechten, zelfs dat waarvan hij blijkbaar geen vermoeden had, om vergiffenis zou smeken en dan zijn misprijzen op haar zou laten neerdalen als wijwater op een boetekleed? Of hoe dat soort aftandse rituelen ook in elkaar mochten zitten. Neen, ze schudde haar hoofd al. Niets was er. Klootzak. Ze schudde zijn handen van zich af.
     ‘Kijk naar jezelf, lief. Je bent een wrak. Al dat reizen.’
     Waarom zweeg hij niet? Waarom pakte hij niet gewoon zijn camera, waarom trok hij haar kleren niet uit? Wat dan ook. Ze bedacht duizenden wat-dan-ooks waarbij hun naakte lijven over elkaar heen rolden, terwijl hij alsmaar doorging. Over ‘ons’. Hoe vaker ze het hem hoorde zeggen, hoe minder ze zich kon voorstellen wat dat precies betekende. Er zat zoveel mist tussen haar hoofd en haar oren. Ons: met stijgende en dalende intonatie. Berustend, bevestigend en dan opnieuw vragend. Zijn handen gleden langs haar schouders en armen, streken altijd maar opnieuw neerwaarts.
     Hij had er nooit van gehouden dat ze vertrok. Voor hem was dit leven genoeg: eten, vrijen en af en toe de grijze dagen oplichten met één waanzinnig mooi beeld. Ze wist het wel: hoe graag hij haar de grond in wou hameren, hoe graag hij haar wortel wou doen schieten.
     Ze schudde opnieuw haar hoofd, koppig nu, keek naar de deur en zei dat ze even naar de nachtwinkel moest. Hij had geen stem, hij zong niet: dat was het verschil.
‘Blijf,’ zei hij, nee, smeekte hij. Hij keek in haar ogen, streelde haar haren, pakte haar hoofd in beide handen.
     ‘Ik heb je nodig,’ fluisterde hij.
     Hij kuste haar.
     Ze wist niet precies waar ze vandaan kwamen, de tranen die in dikke druppels over wangen rolden. Ze zei dat ze hem zo gemist had en hoe harder ze huilde, hoe harder ze hem miste, daar, toen, op dat moment, hoe harder ze hoopte dat hij haar nooit verlaten zou, dat zijn armen er altijd zouden zijn, dat hij haar te slapen zou leggen, elke avond opnieuw. Waarom was ze zo een ongelofelijke trut?
     ‘Stop er gewoon mee, al is het maar voor een paar maanden.’
     Ze liet zich wiegen en het meisje dat ze altijd al had moeten zijn, zei ja.

Overdag sliep ze. Of keek vanop de sofa naar het licht op de witte muren. Licht beweegt meer dan je zou denken. Haar stem zakte dag na dag verder weg, verdwaald in dikke slijmen en halfverteerde Chokotoffs. Ze at er hele zakken van leeg. Geen glans, geen brille. Zouden haar stembanden zich ooit opnieuw tot op ijle hoogte oprekken, als een strakke turnster in de lucht? Het leek haar dag na dag minder waarschijnlijk.
     Ze had een e-mail naar de manager gestuurd, alle verdere tournees van het seizoen afgezegd. Ze kreeg een kort antwoord terug. Er stond niet in dat ze uitkeken naar haar terugkeer. Van de dirigent hoorde ze niets, zelfs geen sms.
     Soms had ze gedachten. Korte boodschappen die zich als maagzuur naar de oppervlakte werkten. Grote pratende monden met bordeaux gestifte lippen. Dat dit toch niet de bedoeling was, kwekten ze. Kind toch, kind toch. Ze was nog wel zo beloftevol geweest. De toekomst lachte haar toe. Hoe vaak had ze dat woord niet opgeblonken: beloftevol. Daar hoorden bloemen bij en een schitterende jurk, kunstig opgestoken haar en haar lippen sierlijk getuit om een eindeloze messa di voce. Een glimp van afgunst, bijna onmerkbaar, in de ogen van Susanna die in haar orthopedische sandalen op de eerste rij zat.
     Ze was achttien toen en wilde winnen. Ze wist het nog: hoe haar stem door de zaal zeilde, tot helemaal vanachter waar haar moeder tegen de deurpost geleund stond, klaar om te vluchten. Ze strooide Händels lange lijnen over de luisteraars uit, nu eens zacht als een zomerbries die hun wangen streelde, dan weer scherp als een mes dat zonder pardon door hun onnozele harten kliefde. Se pietà di me non senti, als jij geen medelijden met me hebt, dan zal ik sterven. Als dreigement kon dat tellen.
     Hoe ze daar stond en haar blik over de vele rijen liet gaan. De ontroerde lachjes, maar liever nog zag ze de tranen die her en der opblonken. Alsof ze groeide, steeds groter werd, haar stem steeds hoger boven haar uit zweefde. Wat ze ook wilde, haar stem deed het voor haar. Haar moeders lippen trilden. Ze duwde haar adem door haar lijf, smeet haar stem tegen haar trommelvliezen aan, tot ze uiteindelijk brak, haar moeder; zich met knikkende knieën aan de deur moest vasthouden, snotterde als een kind, te gebroken om te vluchten, haar laffe moeder.
     Duidelijker had het niet kunnen worden: alleen haar stem had ze nodig, verder niets. Dat had ze toen besloten.

Wat deed ze hier dan, in dit duffe appartement?
     Toen haar naam werd afgeroepen was ze gracieus het podium op gelopen. Ze had er kussen gekregen van de oude diva’s die in de jury zetelden, had hun geur van rozen opgesnoven. ‘Beloftevol’ stond er een dag later in de krant. Wat was daar de houdbaarheidsdatum van?