Zoeken
Bekijk alle artikelen van
Watcharita Aroon

Fictie voorbij: 'Mijn huis is thuis', gebaseerd op J.-K. Huysmans

In de rubriek Podium verschijnt eens in de maand een stuk gloednieuwe fictie dat geïnspireerd is op reeds bestaande fictie. De auteur heeft zich laten leiden door een schrijver, verhaal of personage uit de wereldliteratuur, maar schrijft een eigen verhaal.

In zijn essayistische roman Tegen de Keer geeft J.-K. Huysmans het leven weer van de neurotische edelman Des Esseintes. Deze ontvlucht het banale leven van Parijs en trekt zich terug in een woning op het platteland, waar hij een artificieel paradijs voor zichzelf schept met parfums, boeken, tapijten, likeuren, kunst en een met goud en edelstenen bedekte schildpad. Alexander Philippa liet zich inspireren door dit decadente pareltje en de thema’s van ontheemding en verveling te midden van een snel veranderende wereld.



Mijn huis is thuis

Ik ben oud, zo oud dat ik de lange eeuw in zijn volledigheid heb meegemaakt, van de eerste verwaaide mannen op mijn strand tot de almaar groeiende schepen, steeds vuiler en sneller, de tijd schoot onder mij door als de zee waarover ze mij voerden, ontdekking van de nieuwe wereld, teken van hun meesterschap over de wereld – zie de rijkdommen door ons vergaard!

Mijn huis in het huis van een ander. Het huis dat ik mijn hele leven meedraag zal mijn tombe blijken, verguld en ingelegd met oplichtende stenen, smaragden, turkoois, agaat, opalen, als een veruiterlijking van de samengebrachte rijkdom, de samengebalde macht over de natuur, leven en anorganisch weefsel tentoongespreid ter menselijk vermaak, ter herinnering. Ik sterf langzaam in een wegkwijnende cultuur, het decadente leven holt zichzelf uit en vreet zijn grondstoffen op. Ik voel me kaal, leeg, een achteloze bries waait door mijn huis.

Eens kroop ik uit het ei in mijn huis, schoof in zacht en tintelend zand onder een fonkelende zon en aan een sprankelende zee. Licht overgoot alles, duisternis slokte het leven op en onthulde het weer op aandringen van de dageraad. Jaren leefde ik stap voor stap, het huis torsend, het huis bewonend, het huis dankbaar. Schuilplek, verdediging, identiteit. In mijn huis ben ik geschapen, door mijn huis schep ik, ik graaf groeven in het zand en dwing winden in krullen.

Stikken in je eigen huis, je heiligdom van geborgenheid, is de wreedste wijze van sterven. Geef mij gezaagde tanden, klauwen, virussen en bacteriën, maar niet dit happen naar lucht, dit wegzinken onder je eigen gewicht. Zo lang gedragen, maar nu is het zand van mijn vaderland onder mij verdwenen en vind ik geen houvast, ik zink weg in hoogpolige tapijten, bedwelmd door kunstmatige aroma’s, blind door sigarettenrook – nog eenmaal de schittering van zonnestralen te ruiken, de zeebries te proeven! Verder van mijn huis zal ik nooit komen, opgesloten in mijzelf, bedolven onder rijkdom. Zelfs de herinnering aan het geboortestrand glijdt uit mij weg, de lagen nieuwigheid drukken het oude uit mij, ik word verpletterd onder het nieuwe.

Uiteindelijk stik ik niet van de geuren, het gewicht of de rook. Het is de verveling van de weelde waarin ik niet langer kan ademen. Elke mogelijke impressie heb ik beleefd, de wereld is er slechts kleiner van geworden. De boten zijn almaar sneller gaan varen, de mythische afstanden en reizen losten op in tijdsschema’s, spierkracht en overlevering aan de elementen zijn tenietgedaan door machinering. De zon fonkelt hier niet, de zee ruikt niet, de indrukken hebben zich vermengd met oliedampen en koolvuren. Het is hier zo heet, en toch biedt de zon geen warmte, de wind geen verkoeling. Ik trek mij verder terug in de koelte van het grafmonument, waar kille resten van het verleden wegkwijnen.

Ik voel me oud, en word onthaald als iets nieuws, ik snap er niets van. Er was niets nieuws aan ons eiland, het was er altijd al, maar nu is het weg. Ik ben ervandaan gehaald, samen met de anderen, en nu is het eiland niet meer wat het was. De gewaarwording van anderen staat me niet langer voor het oog, uit mijn hart zijn mijn vrienden en familie verdwenen. Anderen, dat zijn zij die nu mij bewonderen, mij voorzichtig aanraken en verrukte kreetjes uitstoten om de zogenaamde nieuwigheid. Ik zit hier alleen, in mijn huis, in het huis van een ander. Ik hoor hier niet, ik kauw lusteloos op iets groens, maar proef het niet. Ik wil alleen nog maar slapen, dromen over de stranden waar ik hoor te liggen, me nog eenmaal geliefd en welkom voelen. Bij elk ontwaken uit de droom lijken de kleuren van het tapijt en de flonkering van de stenen grauwer te zijn geworden.

Ik kan niet wachten tot de volgende slaap, mijn lichaam rust steeds langer en meer uit. Het strekt zich langzaam uit, wil niet langer nog een stap zetten. In de koelte van mijn huis vindt het plots een goed plekje, het was er altijd al maar nu voel ik het pas. Ik trek mij terug uit de parfums, uit de rook, uit de tapijtwol, uit het bleke zonlicht dat valt op de praal van mijn huis, en vind in de duisternis de kwijtgeraakte herinneringen, de zilte luchten en zoele avonden, de rust, o de rust van vroeger. Ik ben zo oud, maar eens was ik jong, verscheen ik in de wereld. Ik was eruit gerukt, maar schiet nu weer over de zeeën, de schepen gaan trager, de lucht klaart op, zonlicht verwarmt de stranden. Mijn huis is thuis.