Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Lees exclusief het verhaal 'Wekker' uit de nieuwe verhalenbundel van Thomas Verbogt

Hoe avontuurlijk is het alledaagse leven? Het is de vraag die Thomas Verbogt zichzelf stelt in zijn nieuwe verhalenbundel, Olifant van zeep, die deze week bij Nieuw Amsterdam verschijnt. Het antwoord op die vraag kan je al raden: heel avontuurlijk. Volgens Verbogt zijn er namelijk altijd grote en kleine verhalen die om onthulling popelen. Ze zeggen veel over ons, over onze vaak stamelende en licht ontregelende omgangsvormen. Schijnbaar onbeduidende momenten kunnen voor hilariteit zorgen. Soms begint het met een simpele vraag: ‘Heeft u nog leuke dingen gedaan deze zomer?’ Om jullie kennis te laten maken met Verbogts nieuwe bundel, publiceren we exclusief het verhaal ‘Wekker’.

Thomas Verbogt (1952) debuteerde in 1981 met de verhalenbundel De feestavond. Sindsdien schreef hij vele romans, verhalenbundels en toneelstukken. Met zijn oeuvre groeide ook zijn publiek. Lange tijd was hij een zeer gewaardeerd auteur maar toch relatief onbekend, maar al een paar jaar behoort hij tot ‘de eredivisie van de Nederlandse literatuur’, aldus Pieter Steinz. Waar Verbogt vooral bekend om staat is zijn melancholieke en lichte toon en zijn filmische manier van vertellen. Daarnaast zijn ook zijn humoristische korte verhalen typerend. Thomas Verbogt heeft verder een dagelijkse column in De Gelderlander, de krant van zijn geboortestreek, en is regelmatig te horen op de radio.



Wekker

In bed zag ik dat het zomer begon te worden. Over dat besef dacht ik na. Het is net alsof het krachtiger is dan bijvoorbeeld lang geleden, terwijl er nauwelijks iets lang geleden is.
     Ik pakte een boek dat ik gisteravond naast mijn bed legde nadat ik er een paar pagina’s in had gelezen, van de Britse kunstenaar Tracey Emin, van wie ik al veel verontrustend werk zag. Strangeland, zo heet haar boek. Op de achterkant staat: Strange things always happened when I did not wear a watch… Dreams don’t have time. Neither does sleep, nor death. That’s why it is sometimes good to wear a watch.
     Ik draag alleen maar een horloge als ik ergens op tijd moet zijn, want voordat ik daar arriveer, ben ik ergens anders, en soms weet ik niet hoe laat ik daar moet vertrekken. In huis is de enige klok de wekker naast mijn bed.      Ik zag dat die het niet deed. Dat zag ik gisteren al, maar ik dacht dat het vandaag anders kon zijn, dat ik me kon vergissen. Het was een nieuwe wekker en misschien was het nieuwigheid waardoor die het niet deed. Maar vanochtend bleef hij het niet doen.

Thomas Verbogt | Karakters | Veerle van Herk

Daarom ga ik ermee terug, naar de klantenservice van het warenhuis. Daar zit een mevrouw die eruitziet of alles haar kwaad maakt. Haar haar is oranje van kleur en het is net alsof zich in dat haar een kleine explosie heeft voorgedaan. Ze zal begin veertig zijn, wat ze een weerzinwekkende leeftijd vindt. Het is duidelijk dat ze geen zin in de dag, geen zin in mij en geen zin in het leven heeft. Dat is heel veel geen zin. Het is dus een beetje onduidelijk wie wie bij deze klantenservice service moet verlenen.
     Ik denk echter: ik moet ergens over beginnen, want zij doet dat vast niet.
     Ik zeg dus: ‘Goedemorgen, mevrouw. Deze wekker is kapot. Heb ik pas hier gekocht. Gisteren, geloof ik.’
     Zij zegt: ‘Bon.’
     Soms houd ik van korte instructies. Ik geef haar de aankoopbon.
     ‘Wat is er dan met die wekker?’ vraagt ze.
     Ik antwoord: ‘Hij maakt geen geluid.’

     ‘Hij maakt geen geluid,’ herhaalt ze mat.

     Ik moet dit toelichten, voel ik.
     ‘De wekker wekt niet. Ik word er niet wakker van.’
     ‘U wordt er niet wakker van,’ zegt ze.
     ‘Nee,’ zeg ik.

     Achter haar zijn smalle ramen waardoor je niets kunt zien. Toch komt er licht doorheen. De zomer is nauwelijks ergens tegen te houden.
     Dan vraagt ze: ‘Wat hebt u met de wekker gedaan?’
     ‘Hoezo?’ vraag ik.
     Ze snuift en zegt: ‘Dit is geen wekker die niet zomaar niet wekt.’

     Ik moet even over deze zin nadenken.

     ‘Hoe bedoelt u precies?’ vraag ik.

     ‘Dit is geen wekker die niet zomaar niet wekt,’ herhaalt ze.

     Aan het zomerlicht door de ramen kun je zien dat het een warme dag is. Het licht heeft iets vettigs.
 Ze vervolgt: ‘U moet vreemd met de wekker zijn omgesprongen. Anders had de wekker het wel gedaan. Wij krijgen nooit klachten over deze wekker.’

     ‘Ja,’ zeg ik, ‘maar dan wekken die wekkers vast heel goed, de mijne niet.’
     Ik wist dat ik een fout ging maken, en die maak ik nu.
     Ik vraag me hardop af of een wekker die niet wekt nog wel een wekker genoemd mag worden.
     Ze kijkt me aan. Het is goed aan haar te zien dat ze zich herinnert waarom ze geen zin in deze dag, geen zin in mij en geen zin in het leven heeft. Ik zie ook dat ze op het punt staat er iemand bij te roepen, de bedrijfsleiding of iemand van de bewaking. Misschien ben ik ook wel moeilijk en doe ik moeilijk over een wekker die niet wekt. Ik kan toch gewoon een nieuwe wekker kopen. Geld zat. Maar nee hoor, wekker in een plastic tasje doen, helemaal naar het warenhuis fietsen en dan hup, naar de klantenservice. Het is zomer, hebben we niet iets anders aan ons hoofd? Daarbij: een wekker is ook maar een ding, we kunnen best zonder, we verzamelen voortdurend dingen om ons heen die we niet echt nodig hebben, misschien is dat wel om iets te camoufleren. Zullen we het daar eens over hebben?
     ‘Ik moet gaan,’ zeg ik.
     De vrouw kijkt me niet-begrijpend aan.

     ‘Ik moet gaan,’ zeg ik nog een keer, maar ik krijg niet meer volume in mijn stem.

     ‘Wat zegt u?’ vraagt de vrouw terwijl ze doodmoe met haar handen langs haar oren wappert.
     ‘Er is hier ook zo veel lawaai.’
     Ik hoor helemaal geen lawaai. En kun je lawaai dat je niet hoort nog wel lawaai noemen?
     ‘Ik moet gaan,’ zeg ik. ‘Ik kom een andere keer terug.’ En dan maak ik me los van de klantenservice. Ze ziet vanzelf wat ik bedoel met dat ik moet gaan.
     Ik laat me op roltrappen naar de begane grond brengen en haast me het gulle zomerlicht in, terwijl ik denk aan wat ik nog meer zei: dat ik een andere keer terugkom. Ja, dat doen we de hele tijd, overal een andere keer terugkomen. Het houdt niet op.
     ‘Voortaan doen we dat niet meer,’ zegt een man tegen me. Hij heeft een korte broek aan en een oranje hesje over een bloot bovenlijf. Hij heeft drie pleisters op zijn gezicht. Misschien waren het er wel meer, want zo ziet hij eruit: alsof er zojuist nog een stuk of wat zijn afgerukt. De man wijst naar mijn fiets.
     ‘Die witte lijnen staan er niet voor niets.’

     Witte lijnen.
     ‘Ik zie geen witte lijnen,’ zeg ik.

     ‘Ja, dat merken we,’ zegt de man, en hij wijst weer naar mijn fiets.
     ‘Die zetten we er voortaan tussen.’ Hij kijkt me aan om te controleren of ik hem begrijp. ‘Anders wordt uw rijwiel in beslag genomen.’
     In hoeverre is een rijwiel nog een rijwiel als het in beslag genomen is?

Thomas Verbogt | Karakters | Veerle van Herk

Ik ben blij dat ik mijn fiets heb teruggekregen, want ik moet in het ziekenhuis zijn voor een routineonderzoek, ‘een klein dingetje’.
     Als ik me bij de balie meld, zorg ik ervoor dat ik mijn identiteitskaart paraat heb. Dat is maar goed ook, want daar zit een vrouw die een zus kan zijn van de vrouw van de klantenservice in het warenhuis. Ook van dat oranje haar waarin iets geëxplodeerd is. Maar zij hoeft geen service te verlenen, misschien scheelt dat. Ze bestudeert mijn kaartje. Ze houdt niet van identiteiten, dat is helder.
     ‘Meneer Verbogt,’ zegt ze. ‘We gaan eerst een plas doen.’
     Ze overhandigt me een plastic potje met een wit deksel.
     ‘U moet de gele lijn volgen.’ En ze wijst naar een gele lijn.
     Er is ook een rode lijn. En een witte, waarschijnlijk voor fietsen.
     De gele lijn leidt me naar het toilet, waar ik iets doe wat ik altijd doe en waarvan ik weet dat het niet strikt noodzakelijk is. Altijd ben ik op zo’n moment in de ban van de gedachte dat het potje he-le-maal vol moet. Dat hoeft niet, bodempje is voldoende. Maar toch. Voor de zekerheid. We doen veel te veel voor de zekerheid.
     Ook nog wat in het toilet. Daarom trek ik door. Op dat moment valt het deksel van het potje in de wc-pot. Dat wordt ook doorgetrokken. Het eerste wat ik denk, is dat ik het milieu belast, terwijl mijn zorg moet zijn hoe ik met het volle potje door de volle wachtkamer de balie bereik.
     Ik loop voorzichtig en voel de blikken van de wachtenden op me gevestigd, wat ik begrijp, want in een wachtkamer gebeurt zelden iets opmerkelijks. Zelf vind ik een man die behoedzaam een vol potje urine vervoert niet opmerkelijk, maar ik vertegenwoordig niet de smaak van de wachtkamer.
     De vrouw achter de balie zit in diepe gedachten verzonken. Ik zet het potje voor haar neer, naast het toetsenbord. Ze kijkt mij aan, dan naar het potje.
     Ik zeg: ‘Mevrouw…’ En corrigeer mezelf onmiddellijk, ja, ik ga raar praten, ik zeg: ‘Zuster, ik heb per ongeluk het deksel doorgetrokken.’
     Weer kijkt ze naar het potje, wel een paar seconden, die veel langer dan een paar seconden duren. Dan weer naar mij.
     ‘Meneer Verbogt,’ zegt ze. ‘Dat doen we dus nóóit meer!’
     Ze wijst naar de wachtkamer. ‘U mag daar plaatsnemen, daar. U wordt geroepen. Daar!’