fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Fictie voorbij: 'Kruispunt' van Nicole Kaandorp gebaseerd op Ik nog wel van jou van Elke Geurts

In de rubriek Podium verschijnt eens in de maand een stuk gloednieuwe fictie dat geïnspireerd is op reeds bestaande fictie. De auteur heeft zich laten leiden door een schrijver, verhaal of personage uit de wereldliteratuur, maar schrijft een eigen verhaal.

Nicole Kaandorp schrijft verhalen, is onderdeel van theatercollectief Hoofdletter 3 en ‘jong talent’ volgens uitgeverij Das Mag: ze debuteerde met een kort verhaal in de tweede uitgave van Sampler. Wij waren al langer fan – lees hier Nicoles eerste Podiumstuk. Dit keer liet ze zich voor Karakters inspireren door Ik nog wel van jou van Elke Geurts (Uitgeverij Lebowski), waarin de hoofdpersoon E.G. plotseling wordt verlaten door haar man en de vader van hun kinderen. E.G. is auteur en geeft schrijfcursussen op de universiteit, maar wil voornamelijk het verhaal van haar gezin een goed einde geven. Nicole Kaandorp schrijft hier over Ronnie, de kat van E.G. die verdwijnt en na een tijd weer terugkeert. In Kruispunt stelt zich voor waar hij al die tijd kan zijn geweest.



Kruispunt

Net wanneer ik heb bedacht voorlopig alleen voor mezelf te gaan zorgen, ligt er een kat in mijn achtertuin. Zijn zwart-witte vacht stil tussen het onkruid.
     ‘Marte,’ zeg ik, ‘Marte, kom ’ns kijken.’
     Ik sta in de keuken voor de tuindeur, een espressokopje bij het oor vast te houden. Marte zegt: ‘Wat nou weer, Lies,’ en de kattenoortjes die boven het gras uitsteken bewegen naar achteren. De kat staat op en trippelt de heg in.
     ‘Laat maar,’ zeg ik.
     Mijn espresso is lauw geworden. Ik sla hem achterover en stel me voor dat het wodka is.

Het was een stille avond thuis, met Zweedse puzzels op de bank. Marte zei: ‘We doen nooit meer wat leuks.’
     ‘Wat wil je doen dan, lief?’
     Dus haalden we de tandem uit de schuur, veegden we de spinnenwebben eraf. In lichte onbalans fietsten we van IJburg naar de Nieuwmarkt, om hier brood in gesmolten kaas te dopen. En nu hebben we het gesprek dat we al een paar maanden in stilte voeren.
     ‘In ieder geval nóg niet,’ zeg ik.
     ‘Straks kan het niet meer.’
     ‘Zo oud ben je ook weer niet.’
     Marte ademt uit. Ze zegt: ‘Je weet dat ik het wil. Je weet het vanaf het begin al.’
     Ik doop een stokbroodje in de kaas.
     ‘Jij wil ze toch ook nog wel?’ vraagt ze, en ik denk aan alles wat er gebeurt als dat niet zo is. Ze legt haar hand op de mijne.
     ‘Ja,’ zeg ik, ‘maar…’
     Er begint een kindje te huilen aan de tafel naast ons. Zijn ouders proberen hem te troosten in het Spaans. Het lukt ze niet.
     ‘Ik ben er gewoon nog niet klaar voor, denk ik.’
     Marte scheurt een broodje doormidden, ze wijst ermee naar de Spanjaarden. Lachend zegt ze: ‘Die van ons gaat niet zo janken, hoor.’

Ik zit aan de eettafel te schrijven en achter mijn laptop zie ik in de tuin de kat weer lopen. Vlak voor de tuindeur gaat hij zitten. Hij steekt een poot omhoog en likt aan zijn geslachtsdelen. Of: haar geslachtsdelen?
     Ik sta op en zet de tuindeur open. De kat kijkt verstoord op.
     ‘Hé,’ zeg ik. We staren elkaar aan, na een paar tellen kijk ik uit beleefdheid weg en ga ik koffiezetten. Voorzichtig komt de kat de keuken in. Hij ruikt aan mijn sokken, schrikt weg als het apparaat met een hard geruis bonen begint te malen. Ik buk, steek mijn hand uit. De kat ruikt aan mijn vingers en geeft er een kopje tegenaan. Hij heeft een dun zwart halsbandje om, maar er hangt niets aan, er staat niets op.

Ons huis is Martes huis. Ik verhuisde naar haar toe met vier verhuisdozen, waarvan één voor de helft gevuld met wijnflessen. Marte had alles al. Bestek. Een kookeiland. Een tuin met een schuur. Een baan. Een op kleur gesorteerd rijtje Jonnie Boer-kruidenblikjes. En toen dus ook mij. Ik werk freelance en parttime en ik lig hier op de bank. Marte zegt soms: ‘Je bent mijn huisdiertje.’
     Nu hebben we er misschien wel echt één. Ik kijk Say Yes to the Dress en de kat is vandaag weer teruggekomen en op mijn buik komen liggen. Hij spint zachtjes. Marte komt de trap af lopen, ze heeft de wasmachine aangezet. Ze zegt: ‘Hé, daar is onze poes weer!’
     Ze schopt haar sloffen uit en komt erbij zitten.
     ‘Heb je hem al een naam gegeven?’
     Ik schud mijn hoofd. ‘Hij heeft denk ik al een naam. Hij is van iemand, zie je?’ Ik aai de kat over zijn kop en hou even het halsbandje vast.
     ‘Twee namen kan toch geen kwaad?’
     Op tv wordt er huilend ‘ja’ gezegd tegen een jurk.
     ‘Ik weet het niet, het voelt niet helemaal goed.’

‘Hai Loes,’ zeg ik. Ze zit in een tuinbroek op een picknicktafel voor de deur gemberthee te drinken. Een paar meter verder is haar dochtertje op blote knietjes aan het stoepkrijten. Zoiets is eigenlijk te stereotiep om op te schrijven, maar mijn buurvrouw heet nu eenmaal Loes en zit gewoon graag in haar tuinbroek aan haar picknicktafel op de stoep. ‘De werkelijkheid mag geen excuus zijn,’ zeggen ze bij de schrijflessen die ik volg. Als iets lelijk of onorigineel is, moet je het maar mooier maken. Maar ik wil mijn buurvrouw niet veranderen. Ze is goed zo, ze knijpt haar ogen een beetje dicht tegen de zon.
     ‘Alles oké? Anne wordt zes, de 25ste, hebben jullie dan plannen?’
     Ik sta al met mijn sleutel in de voordeur gestoken.
     ‘Denk het niet, maar ik zal het even checken.’
     ‘We hebben een zwemfeestje hier bij de steiger. Eigenlijk voor de kids, maar Anne wilde jullie ook uitnodigen. Toch, Anne?’
     Het meisje kijkt even op. Er zit roze stoepkrijt op haar neus.
     ‘Leuk,’ zeg ik, en ik zwaai naar het meisje. Ze wijst naar de stoeptegel die ze heeft gekleurd. Ik kan vanaf hier niet zien wat het voorstelt. ‘Ik zal het in onze agenda zetten,’ zeg ik.
     Binnen gooi ik mijn tas in de gang en schrijf ik het met blokletters op een post-it: zwemfeestje. Ik plak het op de koelkast en ik denk: zelfs een kind ziet het. Ik ben niet één van die mensen die met een glas rosé achteroverleunt en ‘straks, straks’ antwoordt als er iets leuks gedaan kan worden. Ik gooi nog frisbees over. Ik maak nog bommetjes van een steiger.
     ‘Jij bent ook zo leuk met Anne,’ zegt Marte later. ‘Je zou een goede moeder zijn.’ Dat laatste zegt ze niet hardop, maar ik hoor het in haar ogen. Ze gaat achter mijn stoel staan en masseert het met haar duimen mijn schouders in.

Ik moet van mijn schrijfdocente een zondagmiddag uit mijn jeugd opschrijven, maar het lukt niet. De kat gaat steeds op mijn toetsenbord liggen. Marte heeft voer voor hem gekocht, een heel grote zak, ze hadden geen kleine bij de supermarkt.
     Omdat ik me geen enkele noemenswaardige zondagmiddag uit mijn jeugd kan herinneren, verzin ik dat mijn ouders zijn gescheiden.

‘Wat als ons kind mij niet als moeder ziet?’
     Marte kijkt op. Het is weekend, ze leest de krant aan de ontbijttafel, ik eet yoghurt. De kat zit op de hoek van de tafel en kijkt naar ons. ‘Hè?’ zegt ze.
     ‘Wat als we kinderen krijgen. Jij en iemand, bedoel ik. Jij en een man. Je hebt mij niet nodig. Ik hoor er eigenlijk niet bij.’
     Ze vouwt de krant dicht. We kijken elkaar aan.
     ‘Denk je dat?’ vraagt ze.
     ‘Een beetje.’
     De kat is naar mijn bakje yoghurt toe gelopen en probeert eraan te likken. Ik schuif het bakje weg.
     ‘Tibbe ziet jou toch ook als baasje?’
     ‘Wie?’
     ‘Tibbe? Vind je Tibbe geen leuke naam? Naar die jongen uit Minoes.’
     Ik schuif het bakje nog een stukje verder weg. ‘Tibbe,’ zeg ik. Ik geef hem een klein duwtje. ‘Dat is mijn yoghurt, Tibbe, die moet je niet eten.’
     Marte lacht zacht, ze zegt: ‘Maak je geen zorgen, oké? Het wordt jouw kind. Net als dit jouw huis is. En Tibbe nu onze kat. Het gaat om hoe het voelt, niet om… ik weet het niet. Niet om wat er officieel aan de hand is.’

Bijna iedereen in mijn schrijfklas heeft geschreven over de scheiding van hun ouders. Stiefvaders, rolkoffers. ‘Franz maakte onze gordijnen open, hij zette onze televisie aan, hij ging op onze stoelen zitten,’ schreef iemand. Tegen de tijd dat we bij mij aankomen, voel ik de kleine kelder waar we in zitten nog benauwder worden. In mijn verhaal zijn de ouders vijfhonderd meter uit elkaar gaan wonen, met alleen een kruispunt ertussenin. Mijn medeleerlingen hebben het over dat kruispunt. Ik wil ze vertellen dat het nep is, dat mijn ouders gewoon samen in de Achterhoek wonen, dat mijn vader nog steeds soms parfum voor mijn moeder koopt. Ik wil ze vertellen over die keer dat hij zei: ‘Scheiden zit niet in onze genen, wist je dat? Ik ga nooit weg bij je moeder.’ Ik kijk naar de gezichten van mijn klasgenoten, het medelijden dat ze hebben voor een kind dat ik vroeger niet was, een kind dat niet bestaat. Schrijven is liegen, zelfs als ik de waarheid bedoel. Het gaat vanzelf. Ik zeg: ‘Het was wel een gróót kruispunt.’
     Na de les maak ik mijn fiets los, hij staat naast die van mijn schrijfdocente. De hare is eerder los dan de mijne.
     ‘Tot volgende week,’ zeg ik. We zwaaien, ook al zijn we nog relatief dichtbij. Ze fietst mijn kant op en ik fiets achter haar aan. Bij elke afslag denk ik: nu gaat ze een andere route nemen. Ze doet het niet. Helemaal tot het eind, de lange brug over, blijf ik een ruime tien meter achter haar. Ik wil niet dat ze me ziet, ik ben bang dat ze wil praten over mijn tekst, mijn ouders. Een paar straten voor de mijne steekt ze eindelijk over.

Ik zit op een terras met mijn studievrienden, ik zeg: ‘Zien jullie mij als moeder?’ en ik verwacht dat ze lachen, dat ze zeggen: ‘Jíj? Móéder?’ en dan een langgerekt gemeenschappelijk ‘Neeeee.’ Het blijft stil.
     ‘Nou,’ zegt Thijs. Thijs krijgt grijs haar, ik zie het boven zijn oren. De jongen is amper dertig. ‘Jullie hebben wel een extra kamertje, toch?’
     Linde knikt. Ze zegt: ‘Ik heb nog een zolder vol babyspullen, als je wilt.’
     Daarna hebben ze het over wie er zwanger zou worden, Marte of ik, of adoptie, ze ruzieën over wie er het eerst op zou mogen passen. Ik zit erbij alsof ik er niet bij zit.

Een lange, lege zomervakantie. Marte vraagt één week vrij. We kamperen op Texel, in de geleende caravan van haar broer. Aan een uitklaptafel in de schaduw drinken we blikjes zoet bier. We hebben een campingkoelkastje en een gaspitje. We zweten, we zwemmen, we liggen op onze ruggen op het klamme matras. Het is te warm om elkaar aan te raken, maar we wíllen het, dat is genoeg.
     Als we terugkomen is Tibbe weg. ’s Ochtends doen we de tuindeur open en roepen we hem, maken we lokgeluidjes. Hij komt niet. Na twee weken zetten we het schoteltje waar hij uit at in de vaatwasser.
     ‘Misschien is hij terug naar zijn echte huis,’ zeg ik. Voor de zekerheid bewaren we de zak brokjes in Martes gootsteenkastje, laat ik de deur open als ik in de woonkamer zit te schrijven, tot het te koud wordt.
     ‘Het is wel leeg zonder hem, hè?’ zegt Marte.
Ik denk aan het extra kamertje. Ik zeg: ‘Ja.’