fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Lees exclusief een aantal essays uit een van de meest bestudeerde Japanse boeken ooit: De kunst van het nietsdoen van Kenkō

Veel over het leven van de Japanse dichter en essayist Kenkō (兼好) is verloren gegaan met de tijd. Kenkō werd waarschijnlijk geboren in 1283 als zoon van een regeringsfunctionaris en overleed in 1350 maar zelfs deze feitelijkheden weten geschiedkundigen niet met honderd procent zekerheid. Zijn werk is gelukkig wel bewaard gebleven en vormt al eeuwenlang een van de meest bestudeerde oeuvres van de middeleeuwse Japanse literatuur. Met Karakters hebben we de eer om een aantal van zijn teksten te mogen publiceren.

De selectie schetsen en essays van Kenkō die we mogen publiceren, zijn afkomstig uit zijn bekendste en postuum gepubliceerde werk De kunst van het nietsdoen die nu met dank aan vertaler Jos Vos voor het eerst volledig vertaald is voor de Nederlandstalige lezer.

De kunst van het nietsdoen omvat 243 schetsen en essays. De thema’s van de essays zijn de schoonheid van de natuur, de vergankelijkheid van het leven, de tradities, vriendschap en andere abstracte concepten. De hele bundel heeft een blijvend stempel gedrukt op de Japanse cultuurgeschiedenis. Kenkō was doordrongen van een diep besef van de aardse vergankelijkheid en een heimwee naar de gloriedagen van het keizerlijk hof, maar de anekdotes die hij vertelt bieden ook een kostelijk portret van de liederlijke monniken en excentrieke edelen die hem omringden.

Voor wie het tijdens het lezen van de fragmenten af en toe in Keulen hoort donderen: onderaan het leesfragment hebben we een aantal noten toegevoegd waarin we kort proberen uit te leggen over wie of wat Kenkō het in deze essays en gedachtekronkels uit De kunst van het nietsdoen heeft.

De kunst van het nietsdoen

Geen groter soelaas dan in je eentje bij een lamp te zitten met een opengespreid boek en bevriend te raken met iemand uit lang vervlogen tijden die je nooit hebt ontmoet. Daarbij denk ik in de eerste plaats aan de aangrijpendste gedeelten van de Wenxuan, aan Uitgelezen gedichten van Bai Juyi, de woorden van Lao Zi en de geschriften van Zhuang Zi. Ook zijn er veel ontroerende werken door geleerden van vroeger uit eigen land.

Hoeveel plezier valt er niet te beleven aan de vaderlandse dichtkunst! Want daarin krijgen zelfs de nederigste keuterboertjes of houthakkers opeens charme! In een regel als ‘waar de ever zijn bedje spreidt’ klinkt zelfs het angstaanjagende everzwijn zachtaardig.
     De verzen van tegenwoordig bevatten soms wel aardige vondsten maar in vergelijking met hun voorgangers lukt het hun op de een of andere manier niet om buiten de woorden om te ontroeren. Het gedicht van Tsurayuki met de passage ‘Nee, het is niet iets / wat je tot draad kunt vlechten’ wordt weleens beschouwd als een van de minst geslaagde in de Kokinshū, maar ik kan me niet indenken dat iemand van nu hem zou kunnen schrijven. Veel gedichten uit diezelfde tijd lijken erop in vorm of woordkeuze. Ik zou niet weten waarom juist op dit vers wordt neergekeken. In Het verhaal van Genji wordt Tsurayuki’s gedicht geciteerd in lichtjes afwijkende vorm. Ook het gedicht uit de Shinkokinshū met de woorden ‘Zelfs de enige overgebleven dennen / zien er verlaten uit op hun bergtop’ krijgt het hard te verduren, en ik moet toegeven dat het niet al te lekker loopt. Toch weten we uit Iënaga’s dagboek dat dit gedicht bijval genoot in een wedstrijd en dat keizer Go-Toba achteraf beweerde dat hij het erg bewonderde.
     Je hoort weleens dat de Japanse dichtkunst het enige is dat nooit verandert, maar daar stel ik me toch wel vragen bij. Zelfs de oude woordenschat en de topen die nog steeds worden gebruikt klinken nu anders dan in de poëzie van vroeger. De verzen van toen geven een simpele en oprechte indruk; ze zijn zuiver van vorm en zeer aangrijpend. Ook de liederen in de Ryojin hishō bevatten veel ontroerende passages. Hoe komt het toch dat zelfs de meest terloopse uitlatingen van de ouden zo goed klinken?

Hoe je er ook aan toe bent, het kijken naar de maan lucht altijd op. ‘Niets fascinerenders dan de maan,’ zegt de een, terwijl een ander juist de ochtenddauw aangrijpend vindt – een debat dat ik wel aardig vind. Afhankelijk van de omstandigheden kan toch zeker alles je vertederen!
     Het effect van bloesems en van de maan is genoegzaam bekend, maar juist de wind kan ons hart in beroering brengen. En de aanblik van een heldere stroom die tegen de rotsen slaat is altijd schitterend, ongeacht het seizoen.
     Bij het lezen van de regels ‘De Yuan en de Xiang stromen dag en nacht oostwaarts / en houden zelfs niet even halt voor de treurende’ werd ik tot in het diepst van mijn ziel geroerd. Xi Kang zegt dan weer: ‘Ik ga me vermeien in de bergen en aan de waterkant / en haal mijn hart op aan het zien van vogels en vissen’. Geen betere balsem dan het zwerven door een omgeving met helder water en ongerept groen, ver van het menselijk gewoel.

In alle opzichten hunker ik naar vroeger. De huidige gewoonten lijken me hoe langer hoe vulgairder. Niets heerlijkers dan het prachtige houtsnijwerk van vaklui uit het verleden.
     Als het om brieven gaat, geef mij dan maar de kladjes uit vervlogen dagen. Ook de gesproken taal verloedert hoe langer hoe meer. Het is zoals een oude heer me ooit vertelde: ‘Vroeger zeiden de mensen: “Til de disselbomen op!” of “Steek de lamp aan!” Nu zeggen ze: “Optillen!” en “Aansteken!” Ze zouden moeten roepen: “Heren van de paleisstaf, op uw plaatsen!” maar alles wat eruit komt, is: “Fakkeldragers, gauw wat licht!” De keizerlijke voordrachtszaal, waar Zijne Majesteit lezingen aanhoort over de Soetra van het Gouden Licht, heet tegenwoordig gewoon “de zaal” – het is een en al treurnis.’

Wie een bepaalde kunst wil leren, redeneert gewoonlijk als volgt: ‘Zolang ik hier niet echt goed in ben, pas ik op mijn tellen en zeg aan niemand waar ik mee bezig ben. Het zal veel meer indruk maken als ik op eigen houtje blijf oefenen en het resultaat pas laat zien wanneer ik echte bekwaamheid heb verworven.’ Maar wie zo denkt, zal het nooit ver schoppen. Wie zelfs als beginneling durft om te gaan met experts, zonder zich te schamen wanneer hij spot of kritiek te verduren krijgt, en wie onverstoord blijft oefenen, zelfs als het hem aan natuurlijke aanleg ontbreekt, zal na verloop van jaren beter zijn dan alle hoogbegaafden die geen moeite meer doen, op voorwaarde dat hij niet stilvalt en het zich niet al te makkelijk maakt. Hij zal een grote reputatie verwerven en algemeen worden erkend als een beroemdheid zonder gelijke.
     Zelfs van de grootste experts van tegenwoordig werd aanvankelijk gezegd dat het klungels waren; hun werk vertoonde de grofste gebreken. Door de basisprincipes van hun kunst in ere te houden en niet toe te geven aan grillen hebben ze zich ontwikkeld tot autoriteiten van wie iedereen wil leren. Dat geldt voor elke vorm van kunst.

Ik heb horen zeggen dat je elke kunstvorm die je op vijftigjarige leeftijd nog niet meester bent zou moeten opgeven. Je hebt dan ook niet meer genoeg tijd om je er met hart en ziel op toe te leggen. Oude mensen worden niet uitgelachen. Als ze per se willen meedoen met de rest van de maatschappij is het niet om aan te zien. Over het algemeen is het aantrekkelijker, en dus ook wenselijk, dat ouderen elke vorm van activiteit laten varen en de rust opzoeken. Niets dommers dan je leven te wijden aan wereldse aangelegenheden. Als je heel graag iets wilt weten, ga er dan gerust naar vragen, maar als je de kerngedachte al hebt begrepen en je gerustgesteld bent, laat het onderwerp dan schieten. Het allerbeste is natuurlijk om helemaal nergens naar te verlangen.

Wie een penseel opneemt kan zó gaan schrijven; wie een muziekinstrument opneemt wil het laten weerklinken. Als je een sakekopje in je hand houdt, bekruipt je de lust om te drinken, en als je een dobbelsteen hanteert wil je gaan gokken. Steeds weer worden onze verlangens bepaald door de dingen die we aanraken. Je moet je nooit inlaten met onbehoorlijke genoegens, zelfs niet even.
     Valt je oog per toeval op een zinnetje uit de heilige geschriften, dan zie je ook de woorden die eraan voorafgaan of erop volgen. Voor je het weet ben je in staat een jarenlange fout recht te zetten. Als je de tekst niet eventjes had opengeslagen, zou dat inzicht je dan te beurt zijn gevallen? Zo zie je maar dat een terloopse aanraking ook iets kan opleveren. Zelfs wanneer je geloof het laat afweten, hoef je maar met een bidsnoer in je hand voor een boeddhabeeld te gaan zitten en een soetra ter hand te nemen om vanzelf al verdienste1 te verwerven, hoe gemakzuchtig je ook bent. Hoezeer je ook wordt afgeleid, als je op een mediteerstoel gaat zitten bereik je een staat van concentratie voor je er erg in hebt.
     Er is geen fundamenteel verschil tussen verschijningsvormen en hun ware aard. Zolang de uiterlijke vorm maar klopt, komt er innerlijke bewustwording uit voort. Je moet ongeloof dus niet onderschatten; het verdient respect en bewondering.

Naar wie of wat verwijst Kenkō in de fragmenten?

Je hebt wellicht een aantal keer moeten fronsen wanneer je de bovenstaande fragmenten uit De kunst van het nietsdoen van Kenkō hebt gelezen. Wie zijn al die personen waar Kenkō over schrijft en wat is in hemelsnaam de Wenxuan? We leggen het (met dank aan vertaler Jos Vos) uit.

De Wenxuan is een groots opgezette bloemlezing uit de zesde eeuw. Bai Juyi (Po Chü-i) was al sinds de Heian-periode een literaire superster in Japan. Lao Zi en Zhuang Zi gelden als de voornaamste auteurs in de taoïstische traditie. Met ‘geleerden van vroeger uit eigen land’ bedoelt Kenkō overigens Japanners die in het Chinees schreven.

Wanneer Kenkō naar de vaderlandse dichtkunst verwijst in De kunst van het nietsdoen, bedoelt hij daarmee de zogeheten waka – klassieke verzen die in het Nederlands meestal ‘tanka’ worden genoemd.

Ki Tsurayuki was de samensteller van de tiende-eeuwse Kokinshū, de meest invloedrijke Japanse poëziebloemlezing. Vrij vertaald luidt zijn gedicht als volgt: ‘Nee, het is niet iets / wat je tot draad kunt vlechten / maar ach, / hoe krimpt mijn hart / bij onze scheiding!’ (Kokinshū 415) Het is niet bekend wie dit vers als een mislukking beschouwde.

Tsurayuki’s gedicht wordt aangehaald in ‘Klaverknopen’, het zevenenveertigste hoofdstuk van Het verhaal van Genji, in een aandoenlijke passage die zwart ziet van de woordspelingen.

De bloemlezing Shinkokinshū (1205) werd samengesteld op bevel van de voormalige keizer Go-Toba en geldt als de voornaamste opvolger van de Kokinshū. Minamoto Iënaga was een van de redacteurs. Kenkō’s citaat komt uit een gedicht van Hōribe Narishige (Shinkokinshū 565).

De Ryojin hishō is een twaalfde-eeuwse bloemlezing die grotendeels verloren is gegaan maar vooral rijk was aan liederen.

Xi Kang (223–262) was een van de Zeven Wijzen van het Bamboebos. Zijn gedicht staat in de Wenxuan.

Wil je je meer verdiepen in Japanse literatuur?

Vertaler Jos Vos is samen met Luk Van Haute en Jacques Westerhoven een van de meest gerenommeerde en geliefde vertalers uit het Japans. Hun vertalingen vormen dus een goede basis om je te verdiepen in de Japanse literatuur.

Zo vertaalde Jos Vos onder andere de geschriften van Basho (De herfstwind dringt door merg en been en De smalle weg naar het verre noorden), In de misosoep van Ryu Murakami en het met de Filter Vertaalprijs bekroonde Het hoofdkussenboek van Sei Shōnagon. Zijn vertaling van De kunst van het nietsdoen van Kenkō is de eerste volledige vertaling van het klassieke werk dat in het Nederlands verschijnt.

Luk Van Haute vertaalde dan weer werk van onder anderen Kenzaburo Oë en Yasunari Kawabata, beiden bekroond met de Nobelprijs voor Literatuur. Van Haute is daarnaast de vaste vertaler van de boeken van Soseki Natsume die honderd jaar na zijn overlijden nog steeds ontzettend populair is in Japan. We schreven eerder een portret over het leven en werk van Soseki Natsume.

Maar daar bleef het niet bij. Begin dit jaar gaven we met onze kersverse uitgeverij De poort van Soseki Natsume uit in een vertaling van Luk Van Haute. Meer informatie over De poort kan je hier vinden. Meer lezen over waarom we het werk van Soseki Natsume opnieuw willen uitgeven kan je dan weer hier vinden. Ook het nawoord dat Van Haute bij De poort schreef, kan je lezen op onze website.

Jacques Westerhoven is dan weer de vertaler van onder andere de sleutelromans uit het oeuvre van Junichiro Tanizaki. Ook over Tanizaki schreven we eerder een omvangrijk portret. Westerhoven vertaalde daarnaast ook werk van onder anderen Hikaru Okuizumi en tot een aantal jaar geleden ook van bestsellerauteur Haruki Murakami. Een aantal jaar geleden droeg Westerhoven het stokje over aan Luk Van Haute. In 2020 ontving Westerhoven de prestigieuze Martinus Nijhoff Vertaalprijs voor zijn hele oeuvre.