Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Voorpublicatie: 'In slechte handen' uit de nieuwe verhalenbundel van Merijn de Boer

Deze maand verschijnt de nieuwe verhalenbundel De geur van miljoenen van Merijn de Boer (1982). Uit deze bundel – die bij Querido verschijnt – publiceren wij nu als voorproefje het verhaal ‘In slechte handen’, naar een roman van Robbert Welagen.

Merijn de Boer werkte negen jaar lang als redacteur van uitgeverij Van Oorschot en publiceerde meerdere romans en verhalenbundels. Zijn roman De nacht stond op de longlist van de AKO Literatuurprijs, ’t Jagthuys op de shortlist van de BNG Literatuurprijs. Hij werd in 2015 in de Volkskrant uitgeroepen tot een van de grootste literaire talenten van ons taalgebied.



In slechte handen

Naar een roman van Robbert Welagen

Op het station van Haarlem stapte ik uit. Hoewel ik in de trein was blijven zitten, liep ik tegelijkertijd over het perron. Ik droeg mijn oude versleten blauwe jas met bontkraag, waar ik zo gehecht aan was maar die ik twee jaar geleden toch maar had ingeruild voor een veel gewonere en bovendien tamelijk dure parka van Paul Smith. Instinctief tikte ik tegen het raam – zoals je zou doen als je een van je beste vrienden ziet langs­lopen.
     Een van de voordelen van het dragen van een trouw­ring: je kunt heerlijk luidruchtig tegen glas tikken.
     Ik schrok op van de tik. Vervolgens schrok ik zelf ook. Een paar seconden bleven we elkaar verbijsterd aanstaren. Toen klonk het uitje van de conducteur. Ik zag mezelf snel naar links rennen.
     Waar ik voor vreesde, gebeurde: helemaal aan het einde van het gangpad verscheen ik door de open­ zwaaiende glazen deur. Gelukkig is het maar een kort ritje van Haarlem naar Overveen. Snel stond ik op. Ik wandelde drie treintoestellen door. Toen ik niet meer verder kon, stopte de trein in Overveen.
     Samen met zo’n twintig anderen wandelde ik het perron af. Het waren mensen met wie ik dagelijks op en neer naar Amsterdam reisde en die me op een be­paalde manier vertrouwder waren geworden dan som­migen van mijn vrienden. Ik keek om me heen en con­stateerde tot mijn opluchting dat ik niet was uitgestapt.
     In eenvoud liep ik langs Klein Centraal, het tot restaurant omgebouwde oude stationsgebouw. Het terras was versierd met een plastic druivenplant en uit onzichtbare boxen klonk slechte muziek.
     Ik, en alleen ik, bevond me al een paar jaar op het toppunt van mijn kracht. Ik was vijfendertig, gezond en sportief, ik had twee kinderen, een Volvo 240, een vrouw die ik nog dagelijks begeerde, vijf dikke kippen en een prachtig huis midden in de natuur. Mijn schrij­verschap ging voorspoedig en ik had interessant werk als redacteur op een uitgeverij en collega’s die vrien­den waren geworden. Vaak, als ik na mijn werk naar huis fietste, maakte zich een euforie van me meester. Ik keek dan naar de bossen en weilanden en dacht: mijn leven is goed!

En toch, ondanks mijn krachtige gevoel had ik er al een tijdje op gerekend dat ik dit zou meemaken. Een aantal jaren geleden las ik De dubbelganger van Dosto­jevski, waarin de neurotische hoofdpersoon een alter ego ontmoet. Ik vond het een geweldig boek. Volgens Nabokov, die over het algemeen weinig goeds overhad voor de hystericus Dostojevski, was het zelfs het beste wat hij ooit geschreven had. Nabokov schreef later zelf ook een dubbelgangersroman over een neuroot: Despair, een parodie op een Dostojevskiroman. En het was verklaarbaar dat hij De dubbelganger goed vond, want dat was in zekere zin een on­-Dostojevskiachtig, gogoliaans verhaal. De ondertitel luidde: ‘Een Peters­ burgs poëma’. En klonk daarin niet de ondertitel van Dode zielen door: ‘Een poëem’? Ja, natuurlijk. En om­ dat Gogol en Nabokov mijn allergrootste helden wa­ren, was het logisch dat ook ik De dubbelganger fantas­tisch vond. Het verhaal greep me naar de keel. Ik was zo verliteratuurd in die tijd, dat ik begon te anticiperen op het moment dat mij hetzelfde zou overkomen als de hoofdpersoon van Dostojevski. Ik ging erover pieke­ren. Waarom vindt een mens het idee van een dubbel­ ganger zo verontrustend? Waarom verdragen we een kopie van onszelf niet? En toen zag ik drie jaar geleden Enemy, de verfilming van een roman van Saramago over een dubbelganger. Met een afschrikwekkend slot­beeld van een gigantische spin, dat me zo nu en dan nog bezoekt als ik in bed lig. Tot ik het niet meer ver­ draag, dat beeld van die reusachtige spin, en het uit mijn hoofd ban. Terwijl ik tot op de dag van vandaag niet weet wat die spin in die dubbelgangersfilm te zoe­ken heeft.
     Het thema bleef me bezighouden. Afgelopen winter las ik een roman van mijn tijdgenoot Robbert Wela­gen en die ging óók al over een dubbelganger. En over­ kwam die hoofdpersoon niet hetzelfde als mij net? Hij kwam zichzelf tegen op een treinstation?
     Ik passeerde schapen, koeien en ganzen zonder eni­ge aandacht voor ze.
     Maar draai alsjeblieft niet door, riep ik tegen mezelf. Ik fietste het bospad op dat naar ons huis leidde. Verval niet weer in je oude denkpatronen! Je bent heus niet in een roman van Dostojevski of Welagen beland. Je hebt gewoon net iemand gezien die op je lijkt en omdat je de afgelopen tijd jezelf volledig hebt afgemat door én hard te werken én veel te schrijven én er voor je gezin te zijn, haal je je nu dingen in je hoofd die onrealistisch zijn.
     Ja, wat fijn eigenlijk dat die tijd voorbij was. De tijd dat ik zo opging in de literatuur dat de grenzen ver­vaagden. Ik opende het klaphek en bleef door het raam een paar seconden naar mijn geluk kijken: mijn vrouw en kinderen die aan de tafel zaten te wachten tot ik thuiskwam. Voor de tweede keer die dag tikte ik tegen het raam. Alle drie keken ze blij verrast naar me op. Wat een rijkdom, dacht ik. Wat ontzettend fijn als er zo van je gehouden wordt.

Na het eten deden we onze twee zoons (Jakob en Jakob, een tweeling) in bad en in bed. Ik las ze een stukje voor uit Bij mij op de maan, een net verschenen bloemle­zing uit de Russische kinderpoëzie, terwijl mijn vrouw naar het journaal ging kijken. Toen ik weer beneden kwam, schoof ik in de keuken het gordijn opzij. Een paar weken geleden had ik op zo’n zelfde avond het raam geopend om de kamer te luchten. In het weiland, op slechts een paar meter afstand van het huis, stonden toen herten. Hun ronde ogen lichtten rood op in het donker. Langzaam kuierden ze weg terwijl mijn vrouw en ik ze vol opwinding nakeken.
     Sindsdien opende ik iedere avond het raam, in de hoop dat de herten waren teruggekomen. Maar nu zag ik mezelf in het ongemaaide weiland staan. Er hing mist over het donkere veld. Ik stond nog net binnen het bereik van het kamerlicht.
     ‘Dit kan niet waar zijn,’ zei ik hardop.
     ‘Zijn ze er weer?’ riep mijn vrouw. Ze kwam al aan­ hollen.
     Snel sloot ik het raam. ‘Nee, geen herten,’ antwoord­ de ik terwijl ik het gordijn dichttrok.
     Even later liep ik door de voordeur naar buiten. Ik stond nog op dezelfde plek in het weiland.
     ‘Wat moet je hier?’ Ik kon niet schreeuwen in ver­ band met de kinderen.
     De buitenlamp sprong aan toen ik naar me toe kwam lopen. Op mijn eigen beweging had de lamp niet ge­reageerd.
     ‘Ik dacht: ik kom eens kijken hoe het je vergaat,’ zei ik.
     ‘Ik wil dat je weggaat.’
     ‘Je woont mooi, ik kan niet anders zeggen. En wat hebben jullie een krankzinnig grote tuin…’
     ‘Je moet onmiddellijk weggaan. Hoe weet je waar ik woon? Heb je me gevolgd?’
     ‘Natuurlijk. Ik was hartstikke benieuwd. Mag ik binnenkomen? Ik wil graag je kinderen leren kennen.’ ‘Die slapen!’ Wat een vreemd antwoord was, want als ze niet hadden geslapen, had ik ook niet binnen mo­gen komen.
Er kriebelde iets in mijn nek. Ik greep ernaar en vond een spinnetje tussen mijn vingers.
     ‘Ik begrijp dat ik niet welkom ben. Dat stelt me te­ leur. Maar ik zal je dan niet langer lastigvallen.’
     Ik wilde al weglopen maar ik zei nog iets: ‘Je draagt nog steeds die jas.’ Er klonk melancholie in mijn stem. Ik keek naar de rafels aan de mouwen en de vaal ge­worden schouders en dacht aan de voering die een paar jaar geleden al onder de gaten zat. Die moest inmid­dels helemaal in stukken zijn. Maar ik dacht ook: wat een mooie en fijne jas blijft het toch! Wat heb ik die ve­le jaren met ontzettend veel plezier gedragen!
     ‘Ja, die draag ik nog steeds,’ antwoordde ik. ‘Ik hecht me aan dingen. Ik zou er nooit afstand van kunnen doen.’
Met gebogen rug slenterde ik van me weg en ik sprong op een ov­-fiets die aan de rand van het bos stond.
     In de hal zocht ik naar mijn oude jas. Aan de kapstok hingen wel vijf jassen van mijn vrouw en verder col­berts, de jassen van de kinderen, sjaals en regenpakken – maar mijn oude jas hing er niet meer.
     ‘Weet je waar mijn blauwe jas is?’ riep ik. ‘Je oude versleten jas?’ vroeg ze.
     ‘Ja?’
     ‘Die heb ik weggegooid.’
     Bevangen door een plotselinge paniek schonk ik een glas whisky voor mezelf in. Ik liep weer naar buiten en ging midden in de tuin staan. Rond de schuur adder­ de zoals iedere avond een vleermuis. Het gekwaak van kikkers in de verte vermengde zich met de vleugelslag van een zwaan, die boven mijn hoofd de tuin overstak. Je had een jas aan moeten doen, bedacht ik na een tijd­je. Maar ik realiseerde me dat ik geen zin had gehad om mijn nieuwe jas aan te trekken.

Een paar weken later. Ik lag in alle rust te slapen, toen ik rond zonsopgang plotseling wakker schoot – niet van de wekker, daarvoor was het nog veel te vroeg, maar van tokkende kippen. Een hysterisch gekakel klonk door in de slaapkamer – alsof ze naast het bed stonden.
     Ik sprong op.
     ‘Heb je een nachtmerrie?’ vroeg mijn vrouw. Ze had niets gehoord.
     ‘De kippen!’
     Met een daadkracht die me vroeger vreemd was, rende ik de trap af, de deur door en naar buiten. In het kippenhok zat een vos. Hij sloeg op de vlucht, met zijn buik laag bij de grond en zijn smalle, pientere snuit naar voren. Ik rende nog even achter hem aan, tot hij door de heg schoot en langzaam, steeds kleiner wor­ dend, in het weiland verdween.
     Omdat ik naakt sliep, stond ik ook naakt in de tuin. Met mijn handen in de zij keek ik de verdwijnende vos na.
     ‘Die heb je vakkundig verjaagd,’ zei ik.
     Ik schrok me rot en keek opzij. Ik stond in dezelfde houding als ik. Maar ik had wel kleren aan.
     ‘Het is een mooi gezicht, dat oranje stipje in zo’n on­ eindig weiland. Maar je weet wat Bloem schreef,’ zei ik pesterig: ‘“Natuur is voor tevredenen of legen.”’
     Dat irriteerde me, want aan die dichtregel dacht ik­ zelf de laatste tijd voortdurend. Ik overwoog een ver­haal te maken over een schrijver die naar het platte­land verhuist en daarna niets meer op papier krijgt. Hij zit alleen nog maar een beetje dommig naar de na­ tuur te kijken.
     ‘Je had niet moeten terugkomen,’ zei ik.
     ‘O, en waarom niet?’
     ‘Hierom niet.’ Ik stompte mezelf in het gezicht.
     Ik viel achterover terwijl ik dacht: de eerste keer in
je leven dat je iemand tegen de grond slaat, ben je het zelf!
     Verbouwereerd keek ik naar me op.
     ‘Je bent nog steeds dezelfde,’ zei ik smalend, ‘met je bleke gezicht en je ongewassen haren. Je drinkt na­tuurlijk nog steeds te veel. En je gebruikt natuurlijk nog steeds regelmatig drugs, terwijl je lichaam dat he­lemaal niet meer aankan. Je had moeten wegblijven.’
     Ik weet niet wat me overkwam maar ik dook op me en sloeg me op mijn hoofd, in mijn buik en op mijn borst. Aanvankelijk liet ik het allemaal gebeuren (heel typisch) maar na een tijdje begon ik toch terug te vech­ten.
     ‘Eindelijk!’ riep ik. Ik voelde mijn vuist tegen mijn oog. ‘Eindelijk!’
     Jezus, dacht ik, wat is dit prettig. Waarom heb ik dit nooit eerder gedaan?
     ‘Ik had nooit…’ – klap tegen mijn oor – ‘verwacht dat jij zo burgerlijk zou worden. Met je Volvo en je brave gezinnetje…’
     Ik werd gewurgd. Ik lag met mijn kin in het pas gemaaide gras.
     ‘Maak jij ooit nog weleens iets mee, jij? Wanneer is de laatste keer dat je een andere vrouw hebt geneukt?’
     Ik trapte mezelf van me af.
     We lagen nu naast elkaar in het natte gras.
     ‘Ja, ik drink nog steeds te veel en ik gebruik nog af
en toe drugs. Maar ik zie niet in waarom ik op mijn dertigste een ander leven zou moeten leiden dan we deden toen we twintig waren.’
     ‘Bijvoorbeeld omdat je kinderen hebt. Of omdat iedereen in je omgeving kinderen heeft.’
     ‘Het antwoord van een conformist,’ schamperde ik. ‘Ik walg van je, dat mag je gerust weten.’
     Ik bleef in het gras liggen. Vanuit mijn ooghoek zag ik mezelf opstaan en weglopen.

De rest van de lente kwam ik niet meer opdagen. Ik dacht vaak, tegen mijn zin, aan die jaren voor mijn dertigste, toen we nog in Amsterdam woonden. Het ging juist net zo lekker met me! Waarom moest ik de boel weer overhoop komen gooien? Verbeten rukte ik brandnetels uit de tuin. Ik koelde mijn woede op de aarde.
     Tijdens deze onkruidsessies piekerde ik over wat me aan het overkomen was. Het was toch totaal an­ders dan ik had verwacht. Al die dubbelgangersverha­len gingen altijd over een ontmoeting met een ‘betere’, geïdealiseerde versie van de hoofdpersoon. Het waren allemaal minderwaardigheidsverhalen. Terwijl ik het moest doen met een waardeloze variant, een beunhaas van wie ik afscheid had genomen.
     Ik besloot naar Amsterdam te gaan. Het was op een zaterdagmiddag. Ik zei tegen mijn vrouw dat ik naar een lezing moest.
     De meeste dubbelgangers kwamen elkaar tegen in het openbaar vervoer. Bij Welagen ging het zo en ook in het verhaal ‘Bekentenis’ van Belcampo, waarin de dubbelgangers van de nood een deugd maakten en hun burgerlijke en vrije leven voortaan afwisselden. Waarschijnlijk kwam het omdat je je nergens zo inwis­selbaar, zo dertien in een dozijn en zo anoniem voelde als in het openbaar vervoer.
     Ik mijmerde daar nog wat over door terwijl ik uit­ stapte en de stad in liep. Het was prettig om weer eens in het weekend in Amsterdam te zijn. De zon scheen, er waren veel mooie vrouwen op straat en aanvanke­lijk slenterde ik maar wat – net als vroeger.
     Half bewust, half onbewust belandde ik voor de wapenwinkel in de Damstraat. Ik liep naar binnen en kocht voor vijftig euro een Fiskars Axe X5, een ‘rug­ zakbijltje’, aldus de verpakking, van dertig centimeter en met een kunststof handgreep.
     Ik ging op weg naar ons vroegere huis aan de Oude­ schans. We woonden in een kraaiennest op de derde verdieping van een negentiende­eeuws pand, vlak bij de Prins Hendrikkade, waar een continue stroom van auto’s het geluid van de branding nabootste. Met een zekere melancholie drukte ik op de bel. Onze namen stonden er nog boven! Ik dacht aan de eerste weken dat we er woonden, aan de geur van de trap en aan ons ver­bluffende uitzicht, aan de al met al toch mooie tijd die we er gehad hadden. Ondanks alles! Want we hadden er ook moeilijke tijden gehad. Het lag er maar aan hoe je je voelde op het moment dat je terugdacht, besef­ te ik: voelde je je beroerd, dan herinnerde je je slechts ellende; voelde je je goed, dan bestond je verleden uit louter geluk en voorspoed. Althans, zo verging het mij. De deur zwaaide open en er kwamen meer dan tien Spanjaarden naar buiten. Ze waren allemaal stoned en ongewassen en ze zeiden een voor een ‘ola’.
     Ik vroeg of ze op de derde verdieping logeerden. Ik
heb ooit Spaans gestudeerd in Sevilla.
     ‘Sí,’ zei een van de Spanjaarden.
     ‘Herkennen jullie mij?’ vroeg ik.
     Ze begonnen een beetje dom te lachen. Eentje vroeg
of ik diegene was die ze de avond ervoor had meegeno­men naar de Mellow Yellow.
     ‘Gracias,’ zei ik. Ik wist genoeg.

De nazomer was, zoals vaker de laatste jaren, mooier dan de zomer zelf. Mijn vrouw, Jakob en Jakob waren boodschappen doen in Haarlem. Ik had weer te veel aan mijn hoofd gehad in de weken daarvoor. Ik was er inmiddels achter dat lichamelijke arbeid in zo’n toe­stand werkte als tegengif: de troebelheid in mijn brein verminderde terwijl het zweet uit mijn lijf liep.
     Gelukkig had ik een grote stapel hout liggen die gekloofd moest worden. Ik pakte de bijl en ging aan het werk. Zo nu en dan gebruikte ik het ‘rugzakbijltje’ om een tak af te slaan.
     Ik was nog maar net begonnen, toen ik bij het heffen van de armen mijzelf ontwaarde. Doodgemoedereerd kwam ik aan etsen. Ik zette de ov-fiets tegen het huis en kwam met de handen in de zakken naast me staan.
     Ik ging gewoon door met kloven.
     ‘Je kunt beter weggaan,’ zei ik. En tak! Daar spleet een wilgenblok in tweeën. Er is niets fijner dan het klo­ven van pas gezaagd hout. Je hoeft nauwelijks kracht te zetten.
     Ik hoopte dat mijn dreigende woorden effect had­den. Maar ik bleef staan. En ik keek me triomfantelijk aan.
     ‘Geloof me, je bent in slechte handen bij mij.’
     Ik bleef nog steeds staan.
     Met de platte kant van de kloofbijl sloeg ik me tegen mijn hoofd.
     Omdat ik nog wankelde, haalde ik snel een tweede
keer uit. Vervolgens hakte ik met de Fiskars Axe X5 op me in. Ik had nog steeds die triomfantelijke, naar het arrogante neigende blik op mijn gezicht. Om mezelf er niet langer mee te hoeven confronteren, gaf ik een welgemikte slag op het voorhoofd. Het spleet helaas niet zo heerlijk soepel als een blok wilgenhout. Maar toch, het bloed deed zijn werk.
     Jakob (of Jakob, dat wist ik niet meer) had een paar weken terug een kuil gegraven achter in de tuin. Ik sleepte mezelf ernaartoe, pakte een schop en gooide het graf dicht met aarde.
     Opgelucht liep ik terug naar het huis. Ik was van plan om een koud biertje te pakken en daarna in een tuinstoel in de zon te gaan zitten.
     Ik opende de voor­ deur maar deinsde terug. De hal was van vloer tot pla­fond gevuld met een gigantische, harige spin.