Zoeken
Bekijk alle artikelen van
Jeroen Krul

Fictie voorbij: 'Gekko’s, erwten en een treinraam' door David Huyghe, gebaseerd op Tom Lanoye

In de rubriek Podium verschijnt eens in de maand een stuk gloednieuwe fictie dat geïnspireerd is op reeds bestaande fictie. De auteur heeft zich laten leiden door een schrijver, verhaal of personage uit de wereldliteratuur, maar schrijft een geheel eigen verhaal.

David Huyghe liet zich leiden door Tom Lanoyes Gelukkige Slaven, waarin de beste literaire seksscène van 2013 zich afspeelt tussen een steenrijke bejaarde en haar toy boy Tony. Tony Hanssen is uitgespuwd door het leven, net als de naamgenoot die hij ontmoet. Ze proberen elkaar te helpen in de chaotische wereld, maar lijken steeds meer één te worden.



Gekko’s, erwten en een treinraam

In de avondtrein naar Eine is het altijd herfst. Het ruikt er naar schors en dorre bladeren en de kleuren in de wagons lijken weg te kunnen waaien. Dat dacht ik terwijl ik het oranje van de wanden zag afbladderen en door het raam naar buiten keek. Lantaarns, akkers, poeltjes en huizen zoefden voorbij en zogen het oranje door alle kieren en spleten de bijna nachtblauwe hemel in. In de lucht gloeide de zon nog na. Het treingeraas maakte me slaperig. Ik dommelde in.Als ze van je hadden verloren sliep je met hen in seksmotels waar gekko’s schuilden wier ogen gloeiden en twistten in de duisternis.

Toen ik wakker werd, zat je daar, schuin tegenover mij aan de andere kant van het gangpad. Ontspannen, met je benen lichtjes gespreid en je handen voor je kruis gevouwen. Je had de atletische bouw van een tennisser en het gezicht van een verdwaalde prins. Je maatpak accentueerde je brede schouders, je perfecte wenkbrauwen je filosofische gepeins. Ik kon mijn ogen niet van je afhouden maar je uiterlijk maakte mij ook verlegen. Ik durfde je niet rechtstreeks aan te kijken. Gelukkig kon ik in het treinraam alles volgen wat je deed. Heimelijk en mateloos vergaapte ik mij aan je weerspiegeling. Een betoverende troostprijs. In het donkere glas golfden je haren, spande je broek om je dijen en oogde de paraplu die je vasthield meters lang.

Ik dacht eerst dat je arts was. Neurochirurg of zoiets. Je had stijl maar straalde iets gevaarlijks uit. Iets geks. Alsof je alleen maar in je pak van Boss in andermans hersens wou peuteren. ‘s Zomers – zo zag je eruit – zoop je rum aan een zwembad in Miami Beach en pokerde je ‘s nachts tegen verveelde vrouwen van Chinese miljonairs. Als ze van je hadden verloren sliep je met hen in seksmotels waar gekko’s schuilden wier ogen gloeiden en twistten in de duisternis. De volgende morgen las je in bed Dostojevski of Perec of bij gebrek daaraan de bijbel die op het nachtkastje lag terwijl je maté dronk en zij jou pijpten. Als je klaar was gaf je ze pilletjes, een spuit of pepermunt en zei ‘sorry chicka, ik val alleen op slangenjongens,’ waarna je zonder omkijken of onderbroek naar het strand vertrok.

Ja. Exact zo’n neurochirurg was je. En ik wilde jouw slangenjongen zijn. Ik was de hele tijd bij je in Miami Beach, dat als een tropisch vergezicht de akkers en koterijen in het raam wist te verdringen, tot je je smartphone opnam en je mond opendeed.

‘Hallo?’

Je stem klonk rasperig.

‘Ja schat, over een half uur. Wat heb je klaargemaakt?’

Buiten aan de hemel doofden de laatste spatten zon.

‘Ik heb een lange dag gehad. Ik heb honger.

Je silhouet tekende zich scherper af.

‘Toch niet met erwtjes uit blik?’

Ik haat erwtjes uit blik, zoals jij. Het ontstelde mij dat uitgerekend jij ze te vreten kreeg. Alleen een libidoloze geit die roze fluwelen trainingsbroeken droeg kon blind en onwetend genoeg zijn om jou dat soort voer voor te schotelen. Elk ander wezen weet dat erwtjes uit blik vloeken met gekko’s en rum. Ik stond perplex en stelde me voor hoe je een erwtje uit je broekzak haalde. Op bevel van een absurde god bracht je de erwt naar je mond. Je rode tong glipte uit je mond en strekte zich met de langzaamheid van de walging uit. De erwt paste perfect op je tongpunt waar hij bleef liggen. Zo bleef je zitten, scheel kijkend en weigerachtig als een klein kind aan de tafel van een te groot huis, een villa met glanzend parket waarop een chihuahua aan je dikke teen sabbelde. In de verste verte geen levende ziel om je te redden. ‘Je hebt dringend hulp nodig, mijn verwaande prins,’ fluisterde ik, en mijn ogen zochten naar de jouwe in het glas.

Maar je keek niet. Met op elkaar geklemde kaken en je nek in een scherpe hoek geknakt scrolde je haastig over het touchscreen van je smartphone. Het telefoongesprek had je onrustig gemaakt. Ik wilde je zeggen dat niets definitief is, dat wij elk ogenblik samen naar Miami Beach konden vluchten of naar waar je maar wou. Ik wou desnoods zelfs naast jou liggen op een van de heuvels waarlangs onze trein raasde. In de zon dan wel. Mijn wang zou op je borst rusten als een sloepje op een kalme zee terwijl jij over je mislukte huwelijk vertelde. Over hoe existentieel je altijd op elk vlak was geweest. En dat je jezelf nooit echt had begrepen. En ik zou …Welbeschouwd had je eigenlijk gecommuniceerd dat je een leven samen met mij niet uitsloot.

Mijn vingers streelden over de weerspiegeling van je lippen, toen ik merkte dat je naar mij keek. Via het raam in mijn ogen. Ik hield mijn adem in en kromp ineen. Je torende hoog boven mij uit en barstte bijna uit het raam. Een moment was het doodstil. Toen blies een luide knal mijn blik weg van het raam. Voor het eerst keken we elkaar aan. Verwonderd om de kracht waarmee je had geniesd keek je van je handen die je voor je gezicht had gehouden naar mij. De spanning in je gezicht verdween met een geslaakte zucht. Je glimlachte. Je schouders zakten weer op hun plaats. Even keek je nog alsof je iets wilde zeggen maar toen raapte je de gevallen paraplu op en knelde hem tussen je knieën. Daarna leunde je achteruit met je ogen toe en gaf je jezelf over aan een dutje. De paraplu leek ineens veel kleiner.

Ik ademde uit. Uit je glimlach bleek dat je mij ten minste sympathiek vond. Misschien vond je me zelfs even knap als ik jou. Welbeschouwd had je eigenlijk gecommuniceerd dat je een leven samen met mij niet uitsloot. Om daarna in slaap te vallen als de onverschilligheid in eigen persoon. Ik vergaf het je alleen omdat ik je nu ongegeneerd kon bespieden. Haast snuffelend, met mijn neus lichtjes in de lucht geheven, boog ik mij naar jou toe.

Je zag er zachter uit dan in het raam. Iets voller ook. Je miste een pink aan je rechterhand en je had iets jongensachtigs dat tegelijk wel en niet bij je leeftijd paste. Het maakte mij geil. Je parfum walmde mijn neusgaten binnen en door een losse knoop kon ik de haartjes op je onderbuik zien. Je ademde zwaar in en uit. Ik ademde met je mee, liet mijn buik synchroon met de jouwe deinen.

Behoedzaam schoof ik mijn voet over het gangpad naar de jouwe.

Toen hij hem raakte, kneep ik mijn ogen hard toe. Maar je liet mij begaan. Zachtjes begon ik te wrijven. Onze ledematen versmolten tot we naakt lepeltje lepeltje lagen in het seksmotel van mijn fantasie, met je lange, lauwe lul tussen mijn billen. Ik kon voelen hoe je zwol en draaide mij om, om je te pijpen, toen ik op je knie een gekko zag zitten. Hij keek op naar je neus als naar de top van een berg. Ik zag hoe hij met kleine kleverige pasjes begon aan een lange slijmreis over de binnenkant van je dijen, langs je kloppende lid, over je onderbuik, je borst, je hals en je kin, waar hij hijgend pauzeerde. Speeksel droop van mijn kin. De gekko glimlachte naar me. Zijn ogen rolden terwijl z’n rode kleeftong uit zijn bekje viel en plots pijlsnel door de lucht op mij afvloog.

Door de luidsprekers schreeuwde iemand dat we in Gavere-Asper aankwamen. Geschrokken schoot je wakker en trok je meteen je voet in. Alsof ik een vies insect was. Ik sloeg mijn ogen neer en zag in het raam hoe je haastig je spullen bijeen pakte. En ik zag mezelf. Ik schrok. Vooral van mijn sluike haar. Wild en en ongeduldig woelde ik door mijn kapsel om er wat volume in te krijgen maar dat had geen effect. Nee. Ik was geen partij voor jou. Nooit zou je zelfs iets te maken willen hebben met iemand als ik. Ik wilde je verwensen, opspringen en met mijn vuisten op je borst timmeren, gillen wat voor monster je was en dat ik je snoetje op een schone dag wel eens met een roestige theelepel zou bewerken om dan snikkend in je armen te vallen en wanhopig om een tweede kans te smeken, toen je hand over mijn schouder streek. Een warme chocoladefontein stroomde in mij over.

Als ik zeker was geweest, dan was ik uit de trein gesprongen en je achterna gespurt. Dan hadden we de trein terug genomen. Naar Gent, naar Brussel en de luchthaven, om zo snel mogelijk naar Miami Beach te reizen waar we ons eindelijk in de zon aan elkaar konden overgeven. Maar misschien had je mij gewoon per ongeluk aangeraakt, of erger nog, uit medelijden. Ik kon niet meer stilzitten. De rest van de reis gloeide je hand op mijn schouder na.

In het station van Eine stapte ik uit en wandelde nog drie kilometer naar het huis van mijn ouders. Na een boterham met choco besteeg ik de trap naar mijn oude kamer met het eenpersoonsbed, de halters op de vloer en het behangpapier met visjes op de muur. Ik droomde die nacht dat mijn kamer een terrarium was. In het midden op de grond stak je paraplu uit een grote plas slijm. Onder de schrijftafel lag een levensecht ei. Vannacht droomde ik opnieuw dat mijn kamer een terrarium was. Morgen misschien nog eens. Je paraplu en het ei worden steeds groter. Ik hoop dat ik je ooit weer tegenkom.