Zoeken
Bekijk alle artikelen van
Karlijn van de Wiel

Voorpublicatie: 'Een mond vol knikkers' uit de nieuwe verhalenbundel van Wiljan van den Akker

Deze maand verschijnt Verdwaald van Wiljan van den Akker bij uitgeverij Prometheus, een bundel van historische en psychologische verhalen over de ingrijpende overgangsfasen waarin mensen zich plotseling kunnen bevinden. Wij publiceren alvast een van de verhalen als voorproefje.

Wiljan van den Akker is verbonden aan de Universiteit Utrecht. In 2006 en 2011 gaf hij samen met Esther Jansma vertalingen uit van het werk van Mark Strand (Gedichten eten en Bijna onzichtbaar). In 2008 debuteerde hij als dichter met De afstand, waarvoor hij met de C. Buddingh’-prijs werd bekroond.


 

Een mond vol knikkers

Op de avond zelf had David er natuurlijk geen zin in. Hij was ’s ochtends al met het verzinnen van uitvluchten begonnen. Zijn vader was plotseling naar de intensive care overgebracht, het openbaar vervoer lag plat, hij was thuis overvallen…
      Hij had een bloedhekel aan optredens maar als ze goed betaalden, nam hij uitnodigingen gretig aan. Hij hield vooral van zichzelf, maar op een goede tweede plaats kwam geld. Een zuivere liefde, want hij gaf nauwelijks iets uit. Toen ze hem het hoogste tarief boden, had hij daarom ook meteen ‘ja’ gezegd. Ook omdat hij de laatste jaren zelden meer een uitnodiging kreeg. Zou zijn nieuwe poëziebundel zijn reputatie toch weer hebben opgekrikt, als een vlieger die bijna te pletter valt en plotseling wind vangt?
      Dus zat hij op tijd in de trein en op tijd in de streekbus die hem binnen een uur naar de halte zou brengen vanwaar het nog maar een minuut of tien lopen was naar het buurthuis. ‘Gelegen aan een prachtige, lommerrijke laan’, stond er in de uitnodiging.

Al voor zijn vertrek vanaf Den Haag Centraal zag ik David smachtend naar de restauratie kijken, vast van plan om zich eerst maar eens te laten vollopen. Gelukkig heb ik daar een stokje voor kunnen steken. Hij zal het later vanavond heus wel op een zuipen zetten, maar ik kan hem toch niet beschonken aan de lezing laten beginnen?

Het bleek zo’n gebouw te zijn waaraan je niet kunt zien waar ze voor dienen en waarin je dus van alles kunt organiseren. David duwde tegen de deur. Op slot. En nergens was een bel te vinden. Hij realiseerde zich dat hij de contractformulieren thuis had laten liggen en dus ook het telefoonnummer van de organisatie. Binnen brandde licht. Hij waadde door de struiken naar het raam en tikte er met zijn ring tegenaan.
      Een kleine man met een baardje zag hem staan, stak zijn vinger omhoog en wees naar de ingang. Vervolgens ging hij ingespannen verder met het prutsen aan een koffieapparaat.
      David stak ook een vinger op, de middelste, en tikte nogmaals. Dit keer zo driftig dat ook andere mensen opkeken. Ze wezen allemaal tegelijk naar de entree, maar met gebarentaal wist David duidelijk te maken dat hij er niet in kon. Terug naar de deur. Een vrouw in een rommelige, waarschijnlijk zelfgebreide trui deed open. ‘Hij was niet op slot,’ zei ze kribbig.
      ‘Zojuist wel.’
      ‘Nee hoor. Trekken. Kijk maar, hier staat het heel duidelijk: ‘Trek-ken’.’
      Met grote passen ging ze David voor door een kale gang met bakstenen muren. Deuren met koperen naambordjes: ‘Larix’, ‘Esdoorn’, ‘Iep’. Kennelijk had iemand een lijstje gemaakt van de bomen die in deze buurt groeiden. De ene microkosmos weerspiegeld in de andere. Aan het eind van de gang lag de grote zaal. ‘Keyserscroon’. Dus er zit nog een ander ordeningsprincipe achter, dacht hij. Als een keizer hier ooit één voet had gezet, was hij Julius Caesar.
      Binnen stond een handjevol mensen te praten. Drie dames zaten op de voorste rij en keken alvast geboeid naar de lege tafel waar het allemaal zou gaan gebeuren. De man met het baardje rukte nu vloekend aan de koffiemachine. Aan de andere kant van de zaal, bij een nooduitgang, schikte een echtpaar poëziebundeltjes op een tafel. Hij herkende zijn eigen werk, maar zag er ook boekjes tussen liggen die hij niet kon thuisbrengen. Dat soort kleurige drukwerkjes op handgeschept papier had hij nooit laten maken.
      ‘Onze boekwinkel!’ zei een stem in zijn nek. ‘We zijn blij dat we er in ons dorp nog een hebben. Het is tegenwoordig meer liefdewerk dan handel.’

Davids debuut was indertijd een klapper. Zijn gedichten gingen tegen elke stroming en mode in en al binnen een paar maanden, toen er een derde druk nodig bleek, spraken de critici van een nieuwe generatie. Maar dat is inmiddels meer dan dertig jaar geleden. De twee bundels die volgden, werden ook goed ontvangen, maar dat kan ook gelegen hebben aan het succes van de eerste. Ik zorgde ervoor dat hij bleef schrijven, hoewel ik ook wel zag dat de kwaliteit achteruit ging. Bij zijn laatste bundel, die net enkele maanden geleden is uitgekomen, aarzelde de uitgever of het manuscript wel publicabel was, maar durfde dat uiteindelijk niet tegen David te zeggen. Toen de redacteur voorstelde een paar gedichten te schrappen, wees David hem de deur: wat dacht die snotneus wel? Die snotneus dacht precies hetzelfde als ik. Maar ik krijg geen sterke teksten meer uit zijn pen, hoe ik mijn best ook doe.

David kreeg een joviale hand. ‘Johan. Aangenaam. Blij dat u er bent. Makkelijk kunnen vinden?’
      David herkende de voornaam van de formulieren.
      ‘Jammer,’ zei Johan, ‘de opkomst is wat lager dan anders. Er is iets misgegaan met de folders en we hebben de pech dat er vanavond uitgerekend hier om de hoek ook nog een opening van een tentoonstelling is.’
      Tsja, dacht David, als de helft van de cultuurminnaars op dit moment dáár zat, betekende een volle bak in deze negorij hooguit een man of twintig.

Denk erom, David: straks vooral níet vragen waarom het zo leeg is!

Johan informeerde of hij zich nog even wilde voorbereiden. Hiernaast was een ruimte waar ze altijd garderobe hielden, maar omdat er vanavond zo weinig aanmeldingen waren, was dat niet nodig. Waren de vragen goed doorgekomen?
      ‘Welke vragen?’
      ‘Voor het interview.’
      David wist van niks. Hij was ervan uitgegaan dat hij alleen zou moeten voorlezen. ‘Ja hoor, allemaal prima in orde,’ hoorde hij zichzelf antwoorden. Hij keek naar zijn handen, die licht begonnen te beven. Ja, iets drinken. ‘Doe maar een pilsje. Helemáál mooi als je er ook een borrel bij hebt.’

Dit is onbruikbaar. Als het zo loopt, zal David nog vóór de pauze weer naar huis vertrekken. Het interview zeilt natuurlijk alle kanten op, hij drinkt het ene glas na het andere, wijn, bier en jenever door elkaar, weet nauwelijks meer wat hij moet zeggen en begint dan de enkeling die er nog is bot en trefzeker voor het hoofd te stoten. ‘Nee, dat is geen thema in mijn werk, niet dat ik weet.’ ‘Nee, zo schrijf ik nooit.’ ‘Als u denkt dat u het zelf béter kunt, moet u het maar zeggen.’ De dames op de voorste rij verdwijnen vermoedelijk al meteen in de pauze. Omdat niemand van de organisatie hem met de trein naar huis durft te laten gaan, wordt hij na afloop straalbezopen in een auto gehesen. En dan de volgende ochtend laat wakker worden en proberen telefonisch alles goed te praten.
            Nee. Als ik voor iemand zorg, doe ik het goed. Ik verplaats de boel naar Amsterdam Zuid en zorg bij dezen dat David van huis wordt opgehaald en keurig wordt teruggebracht.

Hij had zich gevleid gevoeld toen de gastvrouw hem had beloofd een chauffeur te zullen sturen. Hij voelde zich weer belangrijk, zelfs al betekende zo’n rit vaak een stompzinnig gesprek met een wildvreemde in een krappe auto. Het ergst waren de slordig geklede jongemannen die Nederlands studeerden, belachelijk veel van zijn werk wisten en meenden er de hele rit fanatiek over te moeten praten. Alsof David zélf niet wist waar hij nu al jaren over schreef. Nooit zat er eens een leuke, onwetende meid achter het stuur aan wie hij quasi-onhandig kon uitleggen welk raadselachtig literair monstertje hem dag en nacht bezig hield en welke strijd hij leverde om het voor zijn vertrek naar gene zijde met zijn pen te vernietigen.

Maar een aantrekkelijke jongedame kan ik zo gauw niet vinden. Ik heb er een heer van gemaakt in een onberispelijk pak. Stom genoeg vergat ik dat zo’n kostuum David jaloers maakt. Niet omdat hij het zich niet kan veroorloven, maar omdat zo’n pak hem een beetje vreemd staat. Nooit als gegoten, zoals bij dit soort mannen. Die hoeven het in de winkel maar aan te trekken om eruit te zien alsof ze het al jaren dragen.
            Ik kan ook niets meer veranderen aan de rijstijl van de chauffeur. Het is er een die David nooit heeft kunnen aanleren. Hijzelf moet altijd goed opletten en drie keer over zijn schouder kijken om zeker te weten dat er echt niets aankomt. Om zich daarna te realiseren dat hij is vergeten zijn knipperlicht aan te zetten. Meestal haalt hij dus maar niet in. Hij liegt liever dat hij zo’n rustig tempo heerlijk vindt, omdat hij dan beter kan nadenken.

De man gaf David een hand. ‘Aangenaam u eindelijk eens in levende lijve te ontmoeten, meneer Cortland.’ Hij hield het achterportier voor David open, stuurde de wagen achteloos vooruit, zwenkte onmerkbaar naar links en voegde elegant rechts weer in. Hij schakelde zoals hij ademhaalde. Nog voordat ze Den Haag uit waren, vertelde hij David alles van hem te hebben gelezen. Hij verontschuldigde zich uitvoerig en oprecht voor het feit dat hij er vanavond niet bij kon zijn. Hij deed dit wel vaker voor Melanie. Ze reed niet graag in het donker en bovendien had ze het te druk met de voorbereidingen.
      David vroeg of Melanie vaak schrijvers over de vloer kreeg.
      Schrijvers en andere kunstenaars, antwoordde hij, maar om de een of andere reden kon hij er vaak niet bij zijn. Vanavond was hij het vast van plan geweest, maar helaas. Een ingelaste vergadering. Heel vervelende zaak, heel vervelend. Het speet hem zeer, zeker omdat hij zo’n liefhebber van Davids werk was. Hij stapte uit, opende het portier voor David, liep voor hem uit, belde aan en excuseerde zich.
      Binnen was het druk. Een paar middelbare scholieren, waarschijnlijk de kinderen van Melanie, gingen rond met koffie en cake. Niemand merkte David op, die onhandig met zijn jas over zijn arm in de deuropening stond. Hij wilde het liefst nu al verdwijnen, maar wist niet waar hij precies was afgezet, laat staan hoe hij weer thuis moest komen.
      Hij haalde zijn nieuwe bundel tevoorschijn, zette zijn leesbril op en begon aandachtig te bladeren. Ongemerkt stak hij een sigaret op.
      ‘Zou u hier niet willen roken,’ snibde een lage, kapotte stem. Hij draaide zich om en keek in het gezicht van een vrouw met diepe groeven in haar wangen. Toen ze de bundel in Davids hand opmerkte, verdwenen de boze plooien om haar mond. ‘O, maar dan bent u onze spreker van vanavond. Rookt u die maar gerust op hoor, meneer David, geeft niets. Kon ú toch niet weten. Ik zal even een asbakje halen.’ Ze trok David achter zich aan en maakte een danspas naar buiten. ‘Kijk eens wie we hier hebben.’
      De mannen in de tuin keken zijn kant op en vielen stil. De langste nam zijn bril af, stak een pootje ervan in zijn mondhoek en trok een paar borstelwenkbrauwen op.

Ik ken het allemaal. Dit is de eerste fase. Nu niet de onhandige spelen, David, want dat werkt niet. Niet bij dit soort kerels. Stevige taal gebruiken, de bouwkundig ingenieur uithangen.

David plantte zijn benen stevig op de grond en introduceerde zichzelf. Nu het roer overnemen. Uitleggen hoeveel vakmanschap eraan te pas kwam, hoeveel techniek hij zich eigen had moeten maken. Op welke manier? Lezen, eindeloos veel lezen. Hij noemde titels van boeken waarvan hij zeker wist dat geen van de heren ze ooit had gelezen. Oude, duistere verhandelingen, beroerd vertaald uit obscure talen. Hij had ze meestal zelf niet eens uitgekregen.
      De mannen luisterden aandachtig, maar David wist precies wat ze dachten: ‘laat het in godsnaam beginnen’ en ‘beetje apart vak’. De lange man kauwde niet langer op zijn bril, maar trok zijn jasje aan en haastte zich naar een stel verderop in de tuin.
      David zag de rimpelvlinder de garage uitkomen en in een klein asbakje haar sigaret uitmaken. Ze klapte in haar handen en nodigde iedereen uit naar de huiskamer te komen. Het was een enorme ruimte waar de meubels aan de kant waren geschoven om plaats te maken voor rijen klapstoeltjes.
      Onhandig keek hij rond. Op dit soort momenten was hij jaloers op musici. Die kregen tenminste een apart kamertje om zich voor te bereiden. Kennelijk dacht iedereen dat schrijvers zich het liefst tussen hun lezers voortbewogen. Dat die, als ze niet aan het schrijven waren, niets liever deden dan hoogwaardig leuteren. Dat ze het een voorrecht vonden om steeds onbekende gezichten te zien.
      Om zijn gedachten te verzetten probeerde hij het aantal aanwezigen te schatten, maar steeds stond men op om laatkomers door te laten. Hij schatte zo’n man of zestig. Daar maakte hij dan na afloop een kleine honderd van. De btw op succes die hij voor zichzelf hief.
      Hij had de beschrijving waarmee Melanie hem introduceerde, zelf kunnen geven. Dat weinig schrijvers zo weinig aankondiging nodig hadden als… Dat het een hele eer was om… Dat ze benieuwd waren naar… Dat iedereen hoopte op… Zichzelf voorstellen zou nog voordelen gehad hebben ook, want dan zou het aantal bundels in zijn oeuvre tenminste hebben geklopt. Waarom sloegen ze altijd minstens één titel over?
      Nog even en David zou aan de beurt zijn. Er zou worden geklapt en langzaam zou hij naar de tafel lopen. Zelfverzekerd zou hij een glas volschenken om te laten zien dat zijn handen niet trilden. Vervolgens een beetje in zijn stapel papieren rommelen en zijn bril uit zijn binnenzak halen. Aandachtig bladeren, wenkbrauwen fronsen en een verbaasde glimlach tevoorschijn toveren. Alsof hem zojuist was geopenbaard welke gedichten hij kiezen moest. Dan aankondigen dat hij voor de pauze uit zijn oudere werk zou voorlezen en daarna uit de nieuwe bundel. Misschien was er dan nog tijd voor nieuw werk, ongepubliceerd, over zijn recent overleden…

Ik weet opeens waarom ik rechtsomkeert maak. Ik wil er niet bij zijn wanneer hij tijdens zijn voordracht iets onbenulligs ziet liggen in de hoek van de kamer. Hij weet bij god niet wat het is, maar kan er zijn ogen niet meer van afhouden. Langzaam komt het op hem af zweven. Het wordt groter en groter en tegelijk kleiner en kleiner. Hij hoort hoe zijn stem steeds verder weg klinkt, verloren raakt, tot elk geluid is verdwenen. Alles draait in een kolk naar beneden. Hij probeert zijn lippen te bewegen, maar die zijn bezig de knikkers in zijn mond te bedwingen. Tevergeefs. Ze botsen tegen zijn verhemelte. In zijn schedel wordt pap gekookt. Een onzichtbare hand met ontelbare vingers trekt hem langzaam binnenstebuiten. ‘Rennen’, zoemen zijn benen, ‘verdwijnen.’ Maar hij blijft staan, roerloos, vol van een razende, uitdijende leegte. Hij implodeert. Alles stroomt in hem weg als door een afvoerput. Er zal niets van hem overblijven. Voor altijd zal hij hier moeten zijn. Op deze plek, waar hij nooit is geweest.
       Ik heb het opgegeven. Ik heb er schoon genoeg van. Ook voor mij betekent dit het einde. Ik ga mijn verlossing elders zoeken.