fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Maak kennis met Mareike Fallwikcl en lees een exclusief fragment uit haar debuutroman Donkergroen bijna zwart

Mareike Fallwikcl (Hallein, 1983) is een literaire veelvraat en leest naar eigen zeggen meer dan honderd boeken per jaar. Nadat ze haar studie algemene en historische vergelijkende taalkunde weet af te ronden in Salzburg, begint Fallwickl als copywriter en start ze haar eigen literatuurblog Bücherwurmloch. Vorig jaar verscheen uiteindelijk haar debuutroman Donkergroen bijna zwart, die nu voor het eerst in het Nederlands verschijnt bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Met haar debuut werd Fallwikcl bovendien genomineerd voor de Oostenrijkse Buchpreis en stond ze op de shortlist van de Duitse Boekhandesprijs.

Donkergroen bijna zwart vertelt het verhaal van Raffael, zelfverzekerd en charismatisch, en Moritz, gevoelig en loyaal. Sinds hun eerste ontmoeting als jonge kinderen zijn de jongens onafscheidelijk.
     Moritz en zijn moeder Marie zijn nieuw in het eenzame bergdorp en Marie zou blij moeten zijn met de vriendschap tussen haar zoon en Raffael. Maar ze vertrouwt Raffael niet, met zijn makkelijke glimlach en ijskoude blauwe ogen. Wanneer Johanna bij de twee vrienden op school komt, ontstaat er een fatale driehoek, die de vriendschap onder druk zet tot hij met een knal uit elkaar spat. 
     Zestien jaar later staat Raffael op een avond plotseling bij Moritz voor de deur. Nog één keer zal alles op het spel gezet worden.

Om je uitgebreid kennis te laten maken met het debuut van Fallwikcl, plaatsen we nu alvast een exclusieve voorpublicatie uit het boek. In het fragment is de moeder van Mortiz, Marie, aan het woord, die vertelt over hoe ze vanuit Wenen terecht zijn gekomen in het eenzame bergdorpje.


 

Donkergroen bijna zwart

Ik was vergeten dat er sterren bestaan. Ik sta bij het raam en vraag me af wanneer ik ze voor het laatst zo helder heb gezien, de sterren die in de grote stad achter het felle licht verbleken, en ik weet het niet. Misschien op mijn dertiende, tijdens mijn laatste zomer op het platteland bij tante Grete, toen ik achter de boerderij in de wei was gaan liggen, mijn hoofd vol gedachten die nu allang verjaard zijn. In Wenen heb ik niet op de sterren gelet, Wenen geeft te veel licht, op sommige nachten kon ik ze alleen maar vermoeden, zag ik ze vanuit een ooghoek, maar ik schonk ze geen aandacht. Nu zijn ze er. Dichterbij dan ooit. Ik verbaas me op een kinderlijke manier, voel de verwondering, het trekt en duwt in mijn borst. De sterrenhemel daalt op me neer, omhult me, maakt me duizelig en leeg, het voelt goed. Ik ben piepklein vergeleken bij deze donkere, met licht­puntjes doorschoten oneindigheid, door toeval ben ik naar deze plaats in het universum geslingerd. Ik heb geen omtrek, geen begin en geen einde. Het is alsof ik met de duisternis versmolten ben, alsof de sterren me naar zich toe trekken, naar de plek waar ik eigenlijk thuishoor.
     Er komt een herinnering bij me op. Ik zit op schoot bij mijn vader, in zijn schommelstoel in de hoek, en hij vertelt me iets over sterrenbeelden, over Leo Minor, de Kleine Leeuw, en over Boötes, de Ossenhoeder, wijst me hun vormen aan in een dikke, in leer gebonden atlas met lichtbruine pagina’s, de kleur doet me denken aan de koffie verkeerd die hij ’s morgens drinkt. Hij draagt een kriebelige wollen trui en heeft zijn armen om me heen geslagen, hij tikt met zijn vinger op de plaatjes in het boek over planetenkunde, ik ben klaarwakker en geïntimideerd. Meer dan deze namen schiet me niet te binnen, en als ik nu de hemel afzoek naar die sterrendieren vind ik ze niet. Het moet een bijzonder moment geweest zijn, want ik zat niet vaak bij mijn vader, die zich meestal afzonderde en verdiept was in zijn boeken. Die boeken waren voor mij niet toegankelijk, net zomin als hij. Zijn bovenbenen waren dun en knokig, maar ik zat stil om zo lang mogelijk te mogen blijven, hem het gewicht van mijn lichaam niet te laten voelen en het moment uit te stellen waarop hij me onder mijn armen pakte, optilde, op de vloer zette en vergat.
     Moritz zucht in zijn slaap. Ineens haalt de realiteit me terug, de ver­moeidheid drukt op me, mijn armen doen pijn van het tillen van de dozen en de kratten. Mijn shirt ruikt naar zweet en stof. Ik draai me om. In de slaapkamer staan alleen een lege kast en het enorme bed met de twee matrassen, waarop Moritz zojuist in slaap is gevallen terwijl ik zijn rug streelde. Hij was opgewonden en onrustig, net als wij allemaal, hij heeft de hele dag met zijn koffertje vol stiften en speelgoedautootjes tussen het huis en de verhuiswagen heen en weer gelopen, zijn broek vies, zijn krul­len bezweet. Van uitputting viel hij bijna meteen in slaap, zonder veel te zeggen.
     Sinds ik kinderen heb, weet ik dat warmte een geur heeft. Een kind ruikt naar warmte, vooral bij de slapen, bij de haarinplant, het ruikt naar een gevoel waarvoor geen naam bestaat, naar zachtheid, naar vertrouwen. Nooit eerder had ik het zo warm als met een baby op mijn buik, die slaapt zonder te bewegen en daarbij zo veel hitte uitstraalt dat mijn huid niet weet wat hij ermee moet. Ik sla die hitte vanbinnen op. Sinds ik kinderen heb, heb ik het niet koud meer.
     Het is te donker om Moritz’ gezicht te kunnen onderscheiden, hij ademt weer gelijkmatig. Ik kijk om me heen in de donkere kamer met de boerenmeubels, waarvan nu alleen de massieve omtrekken te zien zijn, en ik probeer me thuis te voelen. Maar zo voelt het nog niet. Dit is nu mijn thuis, ik zal hier, als alles volgens plan verloopt, heel lang blijven. Ik kijk nogmaals naar buiten. De sterren zijn teruggeschoten naar hun plaats ver weg, ongelooflijk helder en toch weer onbereikbaar. Misschien had ik, zoals mensen sinds jaar en dag doen, iets moeten wensen, nu voelt het alsof ik dat heb verzuimd. De aangename ongebondenheid vind ik niet terug, de aarde houdt me weer vast, ik hoor geluiden om me heen, ik voel de muren die me omringen. De geur van mijn vaders pijptabak is verdwe­nen.
     Sophia zal zo meteen honger krijgen en gaan huilen, Alexander loopt met haar op zijn arm door het labyrint van verhuisdozen in de woonka­mer om haar af te leiden tot Moritz slaapt. Ik zal haar overnemen en met haar bij Moritz gaan liggen, haar de borst geven en ons allemaal toedek­ken. Wij zullen het niet koud krijgen deze nacht.

Donkergroen bijna zwart | Loes van Gils | Karakters

Moritz verkent het huis op zijn eigen manier. Hij observeert, registreert en kijkt. Sinds we in deze onbekende omgeving zijn, valt het me meer dan ooit op dat hij de wereld leert begrijpen door die te bestuderen. Moritz doet de deur van een kamer open, blijft staan en kijkt. Hij bekijkt de meubels, het plafond en de ramen zonder zich te bewegen. Ik loop om hem heen met schoon beddengoed, raak hem niet aan, laat hem staan, verzonken in zijn waarneming. Hij beslist zelf wanneer hij genoeg gezien heeft en zich weer kan bewegen. Het heeft lang geduurd voor hij het huis binnen kon gaan, hij bleef op de drempel naar binnen staan loeren en stond ons in de weg. Ik heb geleerd hem met rust te laten, hem niet het onbekende in te trekken, omdat hij dan begint te schreeuwen en te huilen, hij verstart en krimpt ineen. Als hij een kamer binnenkomt die hij al kent, glimlacht hij, dan gaat hij op de doorgezeten bank liggen of speelt hij met de kleurige knopen uit het ladekastje, dan is hij rustig.
     We legen de kratten, hangen onze kleren in de kasten, brengen rommel weg en maken alle kamers schoon van dit huis, dat elf jaar leegstond. Op sommige plekken zitten vastgekoekte stoflagen en spinnenwebben, pisse­bedden vluchten uit de schuilplaatsen waar ze jarenlang in alle rust heb­ ben geleefd. Ik boen de keuken met schoonmaakazijn, bij het vegen van de kelder zet ik een jagershoedje op zodat er geen spinnen in mijn haar kunnen vallen, het hing op een haakje naast de voordeur. Alexander heeft maar drie dagen om te helpen, dan moet hij terug naar Wenen, naar de universiteit. Het semester begint pas in oktober, maar hij moet werkstuk­ken schrijven en tentamens doen, misschien wil hij ook gewoon alleen zijn. Hij zal maar af en toe hiernaartoe komen, in de weekends, twee keer in de maand misschien, met de oude Ford die hij voor dat doel heeft ge­ kocht, rood met butsen in de achterportieren. Ik heb niet eens een rij­bewijs.
     Hij brengt de oude spullen, die in geen jaren zijn aangeraakt, naar de vuilstortplaats van de stad, beneden in het dal. Twee bestofte geweren heeft hij gevonden, en vergeelde foto’s waarop mannen met bakkebaarden en sombere gezichten ernstig in de camera kijken, kapotte fietsen en een heleboel weckpotten met vlierbessengelei, jam en augurken. Sophia leg ik in de mooie houten wieg die hij in de garage heeft ontdekt, hij heeft hem geschuurd en opnieuw gelakt. We weten niet wie de wieg heeft ge­ maakt en het hout bewerkt, ook niet hoe oud hij is. Natuurlijk zou Alexan­der het aan zijn moeder kunnen vragen, maar dat komt niet bij hem op. Haar zelf bellen en praten over dingen uit het verleden, die mij niets aangaan volgens haar, durf ik niet. Ik maak me geen illusies. Ze heeft zich wat beters voor haar zoon gewenst. Ze heeft het nooit gezegd, maar het was goed te zien aan de harde, rechte lijnen om haar mond en de smalle kringen onder haar grijze ogen. Alexanders ouders hebben niet één keer gebeld sinds we het huis op de berg hebben betrokken.
     Van wie die oude wieg ook was, Sophia voelt zich er prettig in. Ik word door een onverklaarbare weemoedigheid overvallen als ik het met de hand vervaardigde houtsnijwerk bekijk, omdat de tijd, terwijl hij ver­strijkt, alles meeneemt, tot er maar enkele dingen overblijven, een paar afgetrapte schoenen, een jagershoedje, een foto met een kartelrandje. Ik kende die mensen niet en voel me toch met hen verbonden. Mijn kinde­ren zijn familie van hen, stammen van hen af, zonder hen zouden mijn kinderen niet zijn zoals ze zijn. Ik maak schoon en ruim op wat ze hebben achtergelaten. En op een dag zal dat ook met de dingen gebeuren die van mij zijn overgebleven en niemand meer tot nut zijn.
     Het huis is oud, het heeft één woonlaag en een kelder, het is niet zo’n kast van een huis voor meerdere generaties zoals de andere huizen in het dorp. Wie heeft het gebouwd en wanneer? Was er te weinig geld of te weinig ambitie? Heeft Alexanders grootvader het geërfd of gekocht? Ik heb zo veel vragen, maar er is niemand aan wie ik ze kan stellen. Alles wat ik weet, is dat zijn grootvader hier met zijn vrouw heeft gewoond, nadat hij zijn praktijk met het aangrenzende woonhuis in de stad aan zijn zoon had overgedaan en met pensioen ging. Ze zouden hun dagen gaan slijten in dit huis, op de berg in de natuur, met een tuin eromheen en het café ernaast om een biertje te drinken en een kaartje te leggen. Hij heeft er maar een paar jaar van kunnen genieten. Ze zijn omgekomen bij een ongeluk, hij en Alexanders grootmoeder, ze zijn met auto en al van het talud gestort toen ze op weg waren naar Berchtesgaden om een middag­wandeling te maken. In de oorlog was hij hospitaalsoldaat, dat heeft Alexander verteld, daarna heeft hij een opvanghuis voor gewonden en oorlogsinvaliden opgezet, hij was geen arts maar klokkenmaker. Ik stel me voor dat hij niet zozeer behandelde, maar veeleer heeft geluisterd. Zijn zoon, Alexanders vader, heeft medicijnen gestudeerd en het voormalige opvanghuis voor mensen met een trauma veranderd in een kno-­praktijk. Alexander zal die praktijk overnemen en over een paar jaar zal hij zijn naam op de voorbestemde plaats op het messing plaatje zetten. Het is vast fijn zo’n plek te hebben, een bestemming te volgen.
     Ik sta op het balkon voor de slaapkamer waarvandaan je vrij uitzicht hebt over het dal, het Salzburger Becken, ver beneden slingert de Salzach door de brede bedding. Ik heb nog nooit vanaf zo’n hoogte naar een land­schap en de horizon gekeken, ik voel me verheven, los van de aarde. Op het balkon geniet ik van de angst dat ik zou kunnen vallen, niet op de straat, nee, helemaal naar beneden, het dal in, de stad in, kilometers ver vallen als een lange glijvlucht. Links rijzen twee bergachtige bulten om­hoog, de Kleine en de Grote Barmstein, en op heldere dagen moet je daarachter Salzburg kunnen zien liggen, de stad die dan zilver oplicht in de zon. Ik ben er nog nooit geweest. Ook het huis op de Dürrnberg heb ik pas voor het eerst gezien toen we er met ons hele hebben en houden voor stonden, zelfs geen foto kende ik ervan. Alexander deed de deur open en drukte zonder iets te zeggen de reservesleutel in mijn hand, ver­volgens zette hij alle ramen open om de muffe oudemensenlucht te ver­drijven.
     Hij praat niet over zijn grootouders terwijl hij hun bezittingen sorteert en weggooit, pragmatisch en onverschillig als een vreemde. Hij was als kind elke zomer een paar weken hier en soms lijkt hem bij het opruimen iets te binnen te schieten. Ik zie hoe hij aan een gebreid grijs vest ruikt voordat hij het in een vuilniszak stopt en met zijn vingers op de snaren van de deurciter tokkelt. In een in linnen gebonden album zitten foto’s van hem, je ziet hem als een bleke, vrolijke jongen, bij het onkruid wieden met zijn grootmoeder, met een met frambozen besmeurde mond, op één foto heeft hij een witte kat in zijn armen. Alexander met Murzel, zomer 1969, staat er in een duidelijk handschrift onder. Zijn grootmoeder ziet eruit als een vrouw die maar zelden lief glimlacht. Ik heb het album in de woonkamer in de boekenkast gezet, tussen de botanische encyclopedie en een Konsalik­roman, zodat ik het kan bekijken als Alexander weg is. Hij gooit de grote vuilniszak over zijn schouder. De deurciter laat hij hangen.

Twee dagen later loopt Moritz aan mijn hand in het bos en kijkt rond. Hij wil niet laten zien dat het bos hem bang maakt, toch merk ik het. Hij blijft staan, gaat op zijn hurken zitten en port tegen een regenworm die op de weg ligt. Een kind aan je hand vertraagt alles, elke beweging, ook het kijken en het denken. Dat geeft niet, ik pas me aan, ik heb tijd. We zijn nog niet ver gekomen op onze eerste wandeling, we zijn net voorbij het buur­huis waarin het enige café van het dorp is gehuisvest. De klanten zijn meestal toeristen die de zoutmijn hebben bezocht en daarna wat rondwandelen totdat de bus hen terugbrengt naar het dal, of gepensioneerden uit het kurhaus. De eigenaresse van het café heeft vanaf haar balkon naar me geknikt. Er heeft tot nu toe niemand een praatje met me gemaakt. In het andere buurhuis, dat een beetje onder ons huis tegen de helling zit geplakt, bewegen af en toe de gordijnen. Ik weet niet hoe die mensen heten.
     Ik ben import, de vreemde over wie in het dorp wordt gekletst. Ik ken dat uit mijn kindertijd, als ik op bezoek was bij tante Grete in Stiermarken, waar de kletskousen roddelden over de nummerborden van de bezoekers voor de pastorie, het nieuwe kapsel van de doktersvrouw en de afwezigheid van mijn ouders. In plaatsen waar nooit iets gebeurt, waar iedere dag roer­loos overgaat in de volgende, is elk klein dingetje van belang en als er geen klein dingetje is, dan wordt er eentje bedacht, doorverteld en opgeblazen. Het deert me niet. De mensen hebben wat vertier nodig om hun vertrouwen in de wereld niet te verliezen. Ik glimlach naar iedereen die ik tegenkom.
     Sophia zit in de draagdoek die ik voor mijn borst heb gebonden, het is een cadeau van Carlotta. ‘Zo zie je eruit als een Afrikaanse,’ heeft Car­lotta gezegd, ‘en bovendien is het heel praktisch.’ En dat klopt, omdat ik mijn handen vrij heb voor Moritz. Alleen mijn moeder is ervan overtuigd dat het niet goed voor mijn rug kan zijn op deze manier een kind te dragen. Ik heb Sophia al veertig weken in mijn buik vervoerd, erger kan het nauwelijks worden.
     ‘Dood,’ stelt Moritz vast, en hij komt weer overeind en pakt mijn hand. Als we verderlopen doet hij een grote stap over de verdroogde regenworm heen.
     Hij is bijna vier weken geleden, vlak voor onze verhuizing, drie gewor­den, we hebben het met z’n vieren gevierd met een rozijnentulband en een uitstapje naar het Böhmischer Prater, het kleine pretpark waar hij niet in de draaimolen durfde. Moritz heeft geen enkel vriendje van zijn leeftijd.
     We zijn nu al hiernaartoe verhuisd, drie jaar voordat Alexander afstu­deert, omdat we met ons vieren niet in onze eenkamerwoning in Wenen passen en opdat Moritz en Sophia vast kunnen wennen aan de plaats waar
ze zullen opgroeien.
     Aan de telefoon zei de kleuterleidster dat ze dit jaar niet veel nieuwe kinderen hebben, drie of vier, in totaal zijn er elf kinderen. Ik ga Moritz ’s morgens om half acht brengen en om half twaalf ophalen, dat is vier uur, twintig uur per week waarin we niet bij elkaar zijn. Alle gedachten die daarover in me opkomen, smoor ik meteen in de kiem. Hij moet er­mee leren omgaan.
     Een zwakke wind ruist door de bladeren en het lijkt inderdaad of de lucht hier frisser is dan in onze wijk in Wenen, waar het buiten naar uit­laatgassen rook en in het trappenhuis naar urine. De bosweg stijgt en maakt bovenaan een bocht, daarachter ligt een kort stuk geasfalteerde weg, ik weet niet waarom. Als Moritz vraagt wat die halve straat daar doet midden in het bos, sta ik met de mond vol tanden.
     Er liggen hoge, met mos en boompjes begroeide rotsen langs de kant van de weg en ik heb zin om erop te klimmen, de vochtige steen onder mijn vingers te voelen en met mijn voeten naar spleten te tasten om me af te zetten. Ik zou dan het gewicht van mijn lichaam met eigen kracht omhoogduwen, me losmaken van de vaste grond, een risico nemen. Het moet heerlijk zijn daarbovenop te staan, ongezien. Ik had een ander mens kunnen zijn als ik op een plek als deze was opgegroeid.
     Ik kijk omhoog tot Moritz aan mijn hand trekt. Na een paar meter wordt het bos opener en zien we een parkeerplaats. We hebben het kur­haus gevonden. Het is groot en wit met veel ramen, waaruit lichtgele handdoeken te drogen hangen. We kijken om ons heen, er is geen mens te zien. De stilte is als gelei die onze oren in stroomt en ze afsluit. Een smalle, steile weg voert naar de kerk beneden, er loopt een stenen muur­tje langs en een voetpad met een leuning. Het is hier mooi, op de idyllische manier zoals alleen de natuur mooi kan zijn, met zacht licht en de voort­durend ruisende bossen. Natuurlijk word je weer gezond in een dorp als dit, dat uit rust bestaat.
     ‘Het is hier overal berg, mama,’ zegt Moritz, en hij heeft gelijk, de wegen gaan bergop en bergaf, nergens is het vlak. De huizen liggen verstopt tussen een opeenhoping van heuvels en hellingen, velden en bossen. Het is anders lopen, bewuster lopen, geen geslof en geslenter. Wie hier voor­uit wil komen, moet zich inspannen.

Donkergroen bijna zwart | Loes van Gils | Karakters

De kerk is van zalmkleurige steen, bijna roze, met witte aders, op de toren en het schip troont een dak van donker metaal. De kerk is sober en eenvoudig, vroege barok, gebouwd aan het eind van de zestiende eeuw. Ooit kon je je in het marmer spiegelen, heb ik gelezen, zo glad was het gepolijst. Bij de aanblik van de verweerde, verbleekte stenen kan ik me dat niet voorstellen. Op dat moment slaat de klok één enkele keer, het is kwart over twee. Moritz loopt voorzichtig langs de leuning, alsof hij niet weet hoe zijn lichaam zal reageren op de daling van de weg, die uitkomt op het plein voor de kerk, waar een grote, schaduwrijke linde staat met een houten bank rond de dikke stam. Door de kinderen van de lagere school geplant ter gelegenheid van het honderdjarig huwelijksjubileum van keizer Franz-Joseph en zijn Sisi in 1954 staat er op een aan de stam bevestigd bordje dat ik Moritz voorlees.
     ‘De boom is tweeëndertig jaar oud,’ zeg ik, en Moritz kijkt omhoog naar de donkergroene kroon, zonder te weten hoelang het duurt tot er zo veel jaren verstreken zijn.
     ‘Aha,’ zegt hij. Hij draait zich om en kijkt naar de huizen. Schuin naast de linde staat een klein, witgeverfd huisje, waar op de gevel in blauwe krulletters Maria’s Kruidenierswinkel is geschreven. Vandaag is het zon­ dag, de enige winkel van het dorp is gesloten. Hier kun je eieren, melk, brood, worst en tijdschriften kopen, meel, schoonmaakmiddelen en maandverband, alles waarvoor het niet loont om naar de stad te gaan, temeer daar de bus maar een paar keer per dag naar het dal rijdt. Moritz drukt zijn gezicht tegen de ruit van de dichte deur, maar die is van melk­glas, je kunt binnen niets zien.
     Het huisje leunt met de achterkant tegen de muur van het kerkhof. De kerk staat in zijn eigen steengroeve, dicht bij de rots waaruit het marmer afkomstig is, maar niet dichtbij genoeg, want hij verzakt al sinds de bouw. De kerk is niet op het rotsplateau gebouwd, maar ernaast, voor de helft op zandgrond, en zoals alles wat niet goed gefundeerd is, stort hij in. Ik zoek naar aanwijzingen dat dat klopt, maar vind ze niet. De beroemde bede­vaartsplaats ziet er oud en moe uit, maar stabiel. Tegenover de kerk bevindt zich de pastorie, roze geverfd, daarnaast in lichtgroen het postkantoor, met daarachter, in hetzelfde gebouw, de kleuterschool en de lagere school.
     ‘Laten we daarheen gaan,’ zeg ik, terwijl ik Moritz weer bij de hand pak. Sophia beweegt zich, vertrekt haar gezichtje, gaapt en slaapt door. Ik zweet onder de draagdoek, haar warmte trekt over mijn huid, mijn shirt is door­nat en plakt aan mijn borst. De ongewone stilte dreunt in mijn oren, steeds weer draai ik me om naar een auto die niet komt. We zijn nog niemand tegengekomen.
     Op een houten bord tegen de schoolmuur hangen kleurige tekeningen van mijnwerkers in hun tenue: een witte broek met een zwart jasje. Dat jasje heeft negenentwintig gouden knopen, overeenkomstig de leeftijd van de beschermheilige van de mijnwerkers ten tijde van haar terechtstel­ling, de heilige Barbara. Of de scholieren die de tekeningen hebben ge­maakt dat wisten, kan ik aan de verfvlekken niet aflezen. Sommige figuur­tjes hebben niet eens een echt gezicht. De tekeningen vertellen blijkbaar de geschiedenis van de Dürrnberg en het witte goud, zoals het zout wordt genoemd, de grondstof die Salzburg rijk heeft gemaakt. ‘Hall’ is een oud woord voor zout, heb ik voor onze verhuizing in het plaatsnamenlexicon onder de H van Hallein en de K van kuuroord Dürrnberg gelezen, zodat ik tenminste iets wist van de plaats waarnaartoe ik werd overgeplant. Met het verkleinwoord ­ein wordt het dan Hallein, ‘klein zout’, zo heet de stad in het dal. De mijnwerkers hebben het zout ondergronds gedolven. Via houten goten werd de pekel naar Hallein geleid en daar geschikt gemaakt voor gebruik, in vaten werden de waardevolle kristallen over de Salzach vervoerd. Ik heb nog meer gelezen op die maandagochtend toen ik met Moritz en mijn zwangere buik naar de openbare bibliotheek in Wenen was gegaan en hij daar Rupsje Nooitgenoeg heeft geleend. Maar er is nie­mand met wie ik mijn kennis kan delen.
     ‘Wie heeft dat getekend?’ vraagt Moritz, en ik lees het opschrift voor: ‘De kinderen van de lagere school met Edith Havel, 1979.’
     Moritz knikt, zijn rechterhand zweeft door de lucht alsof hij een penseel hanteert en ik moet glimlachen. Hij imiteert de bewegingen die nodig waren om deze figuren te tekenen. Ik strijk even over zijn donkere krullen. Zijn groen­bruine ogen zijn halfgesloten, ik tel de sproeten op zijn neus, het zijn er nog steeds zeven.
     Hij wil naar de speelplaats en trekt me mee naar het stenen trapje. Ik doe het hekje open en blijf verbijsterd staan. Voor de gele glijbaan staan een vrouw en een kind. Moritz drukt zijn rug tegen mijn benen. De vrouw heeft ons gehoord en draait zich om, ze is heel mooi. Ook zij heeft een baby in een draagdoek, het jongetje naast haar is van dezelfde leeftijd als Moritz, en even voel ik me gespiegeld. Ik ben gefascineerd, ik kan mijn ogen niet van haar afhouden, haar blonde haar valt in zachte golven over haar schouders waardoor haar omtrek onscherp is, ze lijkt meer tot de wereld te behoren dan ik ooit zou kunnen. Haar ogen zijn blauw of groen, haar gezicht is opmerkelijk symmetrisch, en waar mijn lichaam tenger is, heeft zij rondingen.
     ‘Sorry,’ zeg ik zonder reden, terwijl ze rustig glimlachend een trekje van haar sigaret neemt en naar ons kijkt. Het jongetje loopt naar Moritz toe en roept ‘hallo’, pakt hem bij zijn arm en trekt hem mee. Hij is net zo blond als de vrouw, zijn ogen hebben de lichte kleur van de lucht op het moment dat het weer omslaat en er regen komt opzetten. Hij heeft alleen een korte afgeknipte spijkerbroek aan, zijn smalle bovenlichaam is gebruind en heel gespierd voor een kind.
     Moritz draait zijn hoofd naar me om, zijn gezichtsuitdrukking schom­melt tussen blijdschap en ontzetting. Hij verdwijnt met het jongetje achter de heuvel. De vrouw komt naar me toe en hoewel ik de neiging voel gewoon weg te rennen, steek ik mijn hand uit. Ze gooit de sigaret op de grond en zet haar voet erop, zonder te kijken. Haar hand is warm.
     ‘Ik ben Sabrina,’ zegt ze.
     ‘Marie,’ zeg ik.
     Ze blaast de rook uit haar framboosrode mond, houdt mijn hand te lang vast.
     ‘Dit is Sophia,’ zeg ik, en ik trek mijn vingers terug, streel het babybun­deltje op mijn buik.
     Ze buigt zich naar voren om een blik op Sophia’s gezicht te werpen, ze ruikt naar sigaretten en lavendel.      ‘Samuel’, ze wijst op haar draagdoek. ‘En Raffael’,ze gebaart achter haar rug in de richting van de jongens.
     Ze draagt een millefleurs­-jurk met talloze piepkleine bloemetjes op een mosterdkleurige ondergrond, aan haar voeten lichte sandalen, ze ziet eruit als een vrouw uit de Otto­postordercatalogus. Op haar neus en haar schouders dansen sproeten.
     ‘Ik heb je hier nog nooit gezien,’ zegt ze, en ze houdt haar hoofd schuin, bekijkt mijn gezicht en glimlacht opnieuw.
     ‘We zijn hier een week geleden komen wonen,’ mompel ik, ‘in het huis van Schartauer bij het Keltencafé.’
     Ik loop de vijf houten treetjes op, ze volgt me.
     ‘Ah, dat ben jij,’ zegt ze lachend, ‘er wordt al over je gepraat.’
     Ze legt haar hand op mijn heup, en ik schrik van haar woorden, van haar aanraking.
     ‘O,’ antwoord ik fantasieloos. ‘Ja.’
     ‘Nou, trek je er maar niets van aan,’ zegt ze sussend terwijl ze over mijn bovenarm strijkt, ‘iedereen gaat hier over de tong.’
     Het voelt alsof er een spin op mijn huid heeft gezeten, precies op de plek waar haar vingers me aanraakten.
     ‘Je komt uit Wenen, toch? En je man studeert daar?’
     Ik knik en kijk naar de kinderen. Moritz zit op de schommel en Raf­fael duwt hem, veel harder dan ik tot nu toe heb gedaan. Moritz heeft zijn ogen dicht, zijn gezicht is naar de zon gedraaid. Zijn krullen wapperen. Als Raffael ons ziet, zegt hij ernstig: ‘Motz en ik zijn nu vrienden.’
     Sabrina legt haar hand op mijn schouder.
     ‘Die twee lijken het goed met elkaar te kunnen vinden,’ zegt ze.
     Ik knik nog eens en het zweet dat zich onder Sophia’s lichaam op mijn huid heeft verzameld, loopt langzaam over mijn buik.
     ‘Vanaf morgen gaat Moritz hier naar de kleuterschool,’ zeg ik terwijl ik naar het groene gebouw beneden ons wijs. Sabrina straalt en roept: ‘Raf, je nieuwe vriend gaat morgen met je naar de kleuterschool!’
     Dan lacht ze weer, en ik vraag me af of ik dan geen sprankje noncha­lance bezit. Mijn zoon vindt moeiteloos een nieuwe vriend, mij is dat in vijfentwintig jaar niet gelukt. Heel even voelt het alsof hij me in de steek heeft gelaten. Wat zou het fijn zijn als volwassenen zich als kinderen kon­den gedragen. Als ik Sabrina kon aankijken en zeggen: ‘Laten we vrienden zijn’, zonder dat we uit beleefdheid de verschillende stadia van toenade­ring moeten doorlopen. Ik kijk haar van opzij aan. Ik zou graag bij haar willen horen. Ik zou graag het initiatief willen nemen.
     Samuel wordt wakker en begint hard en doordringend te huilen. ‘Oei,’ zegt Sabrina, ‘die heeft honger!’
     Ze hurkt in het gras, trekt de draagdoek half over haar bovenarm zodat ze Samuel zijdelings kan neerleggen, haalt haar borst uit haar jurk en stopt de tepel in zijn mond. Ze draagt geen beha. Haar okselhaar is donker­ blond, haar borst is ronder en steviger dan die van mij. Het gaat allemaal heel snel, in één vloeiende beweging, voor ik twee keer met mijn ogen kan knipperen ligt het kind al gretig te drinken. Sabrina glimlacht onbevangen naar me.
     ‘Hoe oud is Sophia?’ vraagt ze.
     ‘Twee maanden,’ antwoord ik.
     ‘Vier maanden,’ zegt ze terwijl ze Samuels bezwete, warrige haar streelt.
     Ze wipt haar sandalen uit en strekt haar benen, haar teennagels zijn paars gelakt.
     ‘Die twee lijken het goed met elkaar te kunnen vinden,’ herhaalt ze, en ze kijkt me onderzoekend aan.
     Ik voel haar blik tot in mijn ruggenmerg, maar ik ontwijk hem niet. De zon schijnt in mijn gezicht. Ik zweet en heb dorst. Ik hoor Moritz lachen. Dan ga ik naast Sabrina in het gras zitten.