fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Lees het reisverhaal De engelen van Perth van Cees Nooteboom over zijn bezoek aan de Australische stad

Het oeuvre van Cees Nooteboom is er een om iedere letter van te lezen, te koesteren en door te geven van de ene op de andere generatie. Die mening is ook de verschillende uitgevers van Nooteboom toebedeeld, want in afwachting van eventueel nieuw werk van de schrijver die we tot een van ‘onze’ belangrijksten mogen rekenen, werden al verschillende van zijn werken opnieuw uitgegeven of gebundeld. Zo verschenen in 2019 nog zijn gebundelde reisverhalen over Japan en iets recenter nog een nieuwe druk van zijn dichtbundel Monniksoog evenals het compleet nieuwe Afscheid. Nu verschijnen zijn gebundelde reisverhalen over Australië, het onmetelijke land aan de andere kant van de wereld.

In die reisverhalen schrijft Nooteboom over diverse avonturen die hij down under heeft meegemaakt en kom je in aanraking met Nootebooms zeldzame talent: zijn niet-aflatend vermogen tot verwondering. Dat zorgt ervoor dat je je als lezer volledig kan inleven in de verhalen en je jezelf ook echt in Australië waant – of het nu het Australië van nu is of van lang vervlogen tijden. Want ook dat verwerkt Nooteboom telkens in zijn reisverhalen; Nooteboom neemt in zijn reisverhalen hier en daar zijsprongen om je mee te nemen doorheen de rijke geschiedenis van het land met als doel je zo de cultuur van het land nog beter te kunnen laten voelen. Maar het interessantste zijn misschien nog de inkijkjes in Nootebooms persoonlijke gedachtegangen, want zoals het een literair schrijver betaamt, neemt hij je ook mee in zijn eigen wereld.

Cees Nooteboom (1934) is een van de belangrijkste schrijvers die Nederland ooit heeft gekend. Nooteboom debuteerde in 1954 met de roman Phillip en de anderen en publiceerde sindsdien een omvangrijk oeuvre dat bestaat uit romans, dichtbundels, essays, reisverhalen en vertalingen van onder andere Pablo Neruda. Tot zijn bekendste werken behoren Rituelen – dat zijn internationale doorbraak betekende –, Allerzielen en ’s Nachts komen de vossen. Zijn oeuvre werd bekroond met onder andere de P.C. Hooftprijs, de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren en in 2020 nog met de felbegeerde internationale Prix Formentor die eerder door Jorge Luis Borges en heel wat auteurs (zoals Samuel Beckett en Saul Bellow) die kort daarna ook de Nobelprijs in ontvangst mochten nemen. Voor die laatste prijs, wordt Nooteboom al enkele jaren tot een reële kanshebber gerekend.

Om de publicatie van zijn gebundelde reisverhalen over Australië te vieren, en omdat we jullie graag in aanraking laten komen met het werk van Cees Nooteboom, publiceren we exclusief zijn reisverhaal ‘De engelen van Perth’ over zijn bezoek aan de Australische stad naar aanleiding van een uitnodiging die hij ontving voor een literair festival.

De engelen van Perth

Wanneer heb ik voor het laatst over engelen nagedacht? Of heb ik nooit echt nagedacht, omdat ik ze al vanaf mijn prille jeugd gezien heb? Overal waren ze, in kerkboeken, op glas-inloodramen, als je katholiek werd opgevoed kon je ze niet ontlopen. Een engel kwam aan Maria vertellen dat ze de moeder van God zou worden, een engel met een vlammend zwaard stuurde Adam en Eva uit het Paradijs, Lucifer was een gevallen engel, en zelf had je, als het goed was, een engelbewaarder die je voor allerlei onheil zou behoeden. Je had ze in soorten, dat leerde je ook nog, Serafijnen en Cherubijnen, Tronen en Machten, gewone engelen en aartsengelen. Voor je gevoel waren het mannen, maar dan wel mannen in min of meer vrouwelijke kleren, op een geheimzinnige manier nooit oud (een engel van een jaar of vijftig zou ondenkbaar zijn), ze hadden eerder lokken dan haren, geen schoeisel, brillen natuurlijk al helemaal niet, maar wel dat eigenaardige anatomische extra: vleugels. Er is altijd een ogenblik waarop iets wat heel gewoon is plotseling raadselachtig wordt, een raadselachtigheid die alleen maar te bestrijden is met domme vragen. Heeft iemand ooit het skelet van een engel gezien? Heeft iemand ooit geprobeerd het te tekenen? Ik zou me kunnen voorstellen dat Da Vinci, die zo in de techniek van vliegen geïnteresseerd was, het geprobeerd heeft. Hoe zitten die vleugels nu eigenlijk anatomisch aan de rest van het lichaam vast? Engelen zijn denkbeeldige wezens, maar dat heeft niemand verhinderd ze af te beelden – je zou het luchtruim kunnen verduisteren met de engelen van Rafael, Botticelli, Giotto, Fra Angelico, Rubens, Rembrandt, Zurbarán. Van de laatste herinner ik me de Graflegging van de heilige Catharina, twee reusachtige, zeer mannelijke engelen die het in een zijden lijkwade gehulde lichaam van de heilige langs het gruwelijke martelwerktuig met messen manoeuvreren waarop ze geradbraakt is, waarbij je je niets anders kunt voorstellen dan een groot geflap van vleugels om in evenwicht te blijven en elkaar in die kleine ruimte niet te hinderen, en ineens wil je dan weten wat voor veren dat nu eigenlijk zijn en hoe zo’n engel er dan in volle vlucht zou uitzien, hoeveel lucht ze verplaatsen met die mansgrote vleugels, raadsels die zowel met heiligheid als met aerodynamica te maken hebben, en die deze week in deze uithoek van Australië met grote kracht bij me terugkwamen, omdat ik op een middag wel twaalf engelen gezien heb, waarvan er toch zeker zeven of acht vleugels hadden. Perth ligt in het zuidwesten van Australië, de dichtstbijgelegen stad is Adelaide, dat een paar duizend kilometer verderop ligt, als je het over land wilt doen moet je langs zee of door een verzengende woestijn. Melbourne, Brisbane en Sydney liggen een heel continent verderop, en daardoor krijgt Perth iets van een letterlijke uitzondering, het is de hoofdstad van West-Australië maar het hoort er ook een beetje niet echt bij, het ligt aangenaam aan een grote rivier die vlak voor hij in zee uit mondt nog een wellustige slinger maakt, het heeft een poging gedaan om op een echte grote stad te lijken met een aantal wolkenkrabbers die op wolkenkrabbers lijken, het is er aangenaam, een beetje Engels en een beetje tropisch, met veel groen en uitgebreide parken en buitenwijken met lage huizen in tuinen vol bloemen, alles zeer aangenaam in een hitte die het tempo tempert, niet echt een plek waar je engelen zou verwachten aan het begin van het derde millennium, maar ik had sowieso al een eigenaardige week achter de rug, van de ijzige koude in Nederland naar de tropen en de heiligheid van Bali, en vandaar weer naar de aangeharkte Angelsaksische parken van het Australische continent, waar zodra je de steden verlaat een wildheid en een geheimzinnigheid heersen die je zo nergens anders vindt. Ik was in Perth voor een literair festival, dat zelf weer onderdeel was van een groter geheel met tentoonstellingen en internationaal theater. Ik had een gruwelijke Italiaanse Julio Cesare gezien van Romeo Castellucci, waarin Caesar niet gewoon met twaalf messteken vermoord werd maar volgens de rites van de postmoderne Latijnse onzin als een versuft naakt oud mannetje uit een geriatrisch pornotijdschrift met elektriciteitsdraden vastgebonden onder begeleiding van letterlijk oorvernielende elektronische muziek, dat alles in een tempo alsof de klok vol zand zat en tegen een oorlogskleurige achtergrond die gestolen was van Anselm Kiefer. Het enige wat overeind bleef was de tekst van Shakespeare die boven het gebeuren onbekommerd verder liep, meesterlijk. Ook van Strindberg bleef de volgende avond niet veel over. Bob Wilson was er met het Droomspel vandoor gegaan in een statische, schitterend verbeelde serie van wat nog het meest op tableaux vivants leek, allemaal prachtig, maar waar was Strindbergs esoterische narrigheid, wat moet ik ermee als zijn hysterische ongerijmdheid plotseling vertaald wordt in drie heren die een paar reusachtige plastic koeien melken, ritmisch begeleid door mechanische geluidseffecten? Shakespeare en Strindberg zullen het wel overleven, maar de gretige armoe waarmee theatermakers teksten plunderen, weglaten of toevoegen is onuitstaanbaar. De troost van de week waren het Nederlands Danstheater en de vier (!) avonden durende Chinese opera, The Peony Pavilion, een episch liefdesverhaal uit de zestiende eeuw, met 25 auteurs in 160 rollen, 550 kostuums, echte snaterende eenden in de vijver rond het paviljoen, een apotheotisch happy end met de overwinning van goed over kwaad, dat alles met koorstemmen en instrumenten uit een andere wereld, een droombeeld dat nog om me heen hing toen ik de volgende dag met mijn zoektocht naar de engelen begon.

Hoe doe je zoiets? Mij was verteld dat ik alleen moest komen, dat ik een parcours moest volgen, en dat ik mij om 14.40 moest melden op de tiende verdieping van Wilsons Parkeergarage in Hay Street. Hoogzomer, bloedheet, veertig graden, en parkeergarages niet mijn meest geliefde vorm van architectuur. Maar daar stond ik, op het dak, Perth aan alle kanten beneden me, de Swan River, de Indische Oceaan van waaraf Nederlanders de eerste vreemde blik op dit continent geworpen hadden en het al gauw daarna voor gezien hielden. Geen goud, geen nootmuskaat, rare dieren, en de verdere ontvangst ook niet echt vriendelijk. Ik trof het beter. Een jongeman scheen te raden wat ik kwam doen en gaf mij een boekje met de weg die ik te volgen had. Drie uur had ik op zijn minst nodig, zei hij, en deed mij over aan een donkere jongen die mij met een auto naar een oude legerbarak zou brengen, en tegelijkertijd wilde weten of ik vond dat hij een uitnodiging moest aannemen om zes maanden in Brussel te komen logeren bij iemand die hij niet echt graag mocht. Altijd doen, zei ik, namens hem vastbesloten, en stapte uit bij een bakstenen gebouw waar een zwijgende man een deur voor me openhield en me vervolgens alleen liet. Een stoffig trappenhuis, wat rotzooi op een overloop, binnengewaaide, opgedroogde eucalyptusbladeren, oude kranten, de traptreden roodbruin geverfd. Stilte. Een lege ruimte, een opengeslagen slaapzak, een paar foto’s in een vensterbank. Betekent dit iets? Volg ik een spoor? Een vage plattegrond, maar niet van iets wat ik herken. Luchtfoto’s. Spinrag. Van buiten het geluid van de highway. Zesdubbel hier, dat zie ik door een vuil raam. Waar komen al die auto’s vandaan? Zo groot is Perth nu ook weer niet. Ik hoor mijn eigen voetstappen. Als er iets is wat ik heb moeten zien heb ik het gemist. Als ik weer buiten ben lees ik de bronzen plak: dit was van 1863 tot 1966 een british military establishment. Alleen de poort staat er nog, de rest is afgebroken voor de Mitchell Highway. Alles moet weg, hier ook. Ik steek de straat over naar een raar beeldje, een mannetje met een petje, iemand die in een al vergeten tijd iets met foto’s en kranten te maken had.

Er staat een verheven tekst bij dat beeld, ‘only with hindsight can the future be lucidly inhabited’, maar dat geldt wat mij betreft nog meer voor die vergane vorm van toekomst die wij het verleden noemen. Hindsight, heerlijk om voor zo’n begrip maar één woord te hoeven gebruiken. Hedendaagse werkelijkheid was eens profetische verbeelding, dat staat er ook nog, maar ook dat betwijfel ik, en bovendien is het te heet, en ik sta tegenover de kerk van Christ Scientist. Wanneer komt de eerste kerk voor Albert Einstein? Nu moet ik van de Barracks Arch naar links de heuvel aflopen tot 240 St. George’s Terrace, gewoon, als een voetganger tussen voetgangers, niemand kan iets aan me zien. Links en rechts zeer hoge gebouwen. Nu is er van alles te zien waar ik anders niet naar gekeken zou hebben. Een kale ruimte met wat mismaakte opschriften. Anne in which corner are you? Etiam ne nescis? Een hoop oude bladeren, spaken, een portiek, een gesloten metalen deur, en dan, ineens, hangend aan een getralied hek, een paar strofen uit Paradise Lost van
Milton. Adam en Eva die net het Paradijs zijn uitgestuurd door de Engel, en nu nog één keer omkijken:

In either hand the hast’ning Angel caught / Our lingring Parents; and to th’Eastern Gate / Led them direct; and down the Cliff as fast / To the subjected Plain; then disappear’d…

en het klopt, voor mij ligt een armzalig stuk niemandsland, een oude verroeste ijskast, dode takken, zand, onkruid, een kale betonnen muur, en achter mij is het al niet veel beter, een gat waar ooit een lift geweest is, dode elektriciteitsdraden uit een gat, gestorven energie, en nergens een engel. Paradise Lost. Ik heb het gevoel dat ik word gadegeslagen, kijk of ik ergens een videocamera zie, maar niets, ik moet het opgeven of het parcours verder volgen: ga naar de Paragon Foyer, neem de lift naar level 5, ga de trappen op naar level 6. Leeg is het daar, een ontruimde kantoorverdieping, stof op de vloer, een rij metalen kasten in het gelid, anderhalve meter van elkaar, ik tel er 29. In de leegte, onzichtbaar voor elkaar 2 kooien met elk 2 vogels. Er hangt een half afgescheurd label aan waar niets op staat. De vogels en ik kijken naar elkaar zoals dat gaat tussen mensen en dieren, de zinloze blik van de onoverbrugbare ruimte. Dan loop ik er weer uit langs iets wat ooit een keuken geweest is of zou kunnen zijn, ga de metalen trap op naar boven, hoor hoe hol dat klinkt, kom weer in eenzelfde lege ruimte, nu geen kasten maar een enorme metalen bak vol boeken met God en heiligen in de titel, rooms leven uit vergane tijden. Verderop een andere bak vol witte veren, dons, engelen moeten toch ergens beginnen, iemand heeft een sloop vol putti uitgeschud. Als ik eruit ga krijg ik een briefje in de hand gedrukt. En route to Bank West. Please Call in at the Hay Street Shop, between Croissant Express and Ecucina Café. Dat doe ik, nu ben ik vlak naast mijn hotel maar alles ziet er ineens anders uit, ik mag geen gewone voorbijganger zijn, ik zie mijzelf schrijven op een videocamera, onaangenaam. Take an apple staat er uitnodigend. Een kist vol. Ik voel me als Eva en neem er een, na mij de Zondvloed. In het gebouw van Bank West is het zeer koel, met die plotselinge kou van airconditioning in de tropen, een meisje in het blauw staat op en neemt me nog net niet bij de hand. Bij de lift drukt ze op 46. De mannen in witte hemden die onderweg instappen hebben er niets mee te maken, maar als ik boven kom staat eenzelfde soort man op van achter zijn bureau, doet een deur voor me open en sluit die weer achter me, ik sta alleen in een directeurskamer en hoor het geluid van een overstromende fax, eindeloze slingers wit papier, als ik een van die sluiers oppak zie ik weer de regels van Paradise Lost. Er liggen mappen over projecten op een tafel, de tekst op de laptop verschiet en zegt If you will come I will put out fresh pillows for you, this room and this springtime contain only you en gaat dan over in de hiërarchie van het engelenrijk, Archangels, Powers, Virtues… come soon, Death is demanding: we have much to atone for before little by little we begin to taste of eternity. In a bed of roses the Seraphim slumber… en nog steeds niet smakend naar eeuwigheid sta ik aan het raam en zie de eindeloze stroom auto’s op de freeway. Als ik de kamer uit ga, stoot ik plotseling op de Ierse schrijver Colm Tóibín. Dit kan de bedoeling niet zijn. We kijken elkaar schuldig aan en leggen tegelijkertijd de vinger op de lippen. Hij gaat de ruimte in die ik net verlaten heb, ik ga weer naar beneden, naar buiten, een andere draai – deur, een andere marmeren ruimte binnen. Een jurk. Weer een lift, weer de lucht in, weer Perth aan mijn voeten met de dierbare oude Engelse laagbouw en de wolkenkrabbers die me van alle kanten aanstaren, maar ook een mooie vrouw in een lange rok die mijn blik ontwijkt. Is dit dan een engel? Ze loopt rond alsof de ruimte van haar is, balanceert wat met haar plastic fles met water, kijkt weg over de heuvels en de zee in de verte, en plotseling dringt het absurde van de situatie tot me door. Wat is mijn legitimatie, wat doe ik hier op deze lege kantoorverdieping vol lage bakken met primula’s, ben ik op inspectie van het leegstaande onroerend goed, waarom laat ik me leiden aan deze onzichtbare draden? Maar ik ben ermee begonnen en wil nu niet meer ophouden en word beloond: in de lage, een beetje sullige, verdwergde kerk waar ik elke dag langs kom zie ik de eerste twee echte engelen op het koor zitten, een eind van elkaar af. Geen twijfel, dit zijn echt mannen, maar met vleugels. Ik zit in het gedempte glas-in-loodlicht, staar naar de engelen, en de engelen staren terug, niemand zegt iets, al ben ik ervan overtuigd dat deze engelen Engels spreken. Ze schikken wat aan hun vleugels, zoals mussen of zwanen dat ook doen, en na een tijdje ga ik maar weer naar buiten, de shopping mall in waar ik al honderd keer doorheen gekomen ben, alleen moet ik nu een nauw doodlopend straatje in dat uitkomt op een binnenplaats met torenhoge vuilnisbakken. Boven een van die bakken staat het onaanzienlijkste plastic memento dat ik ken: Harry Lester’s Corner, erected in recognition for his dedicated service, 31.12.96. Nooit zou ik dat gezien hebben als ik niet op deze zoektocht hierheen gestuurd was, en terwijl ik dat bedenk zie ik plotseling mijn derde engel, een man met kortgeknipt haar achter gevlochten ijzerdraad, een hemelse gevangene in een vervallen ruimte vol kartonnen dozen. Hij zit op zijn hurken, en alweer is er dat zwijgende vis-à-vis, nog erger dan bij de vogels. Nog vijf zal ik er zien die middag, een Aziatische engel die in een leeg bad gehurkt zit, een zwart meisje met zeer kleine vleugels dat, hoe lang ik ook blijf staan, doodstil op de vloer van een kast blijft liggen, haar gezicht naar de muur. Twee uur ben ik al onderweg, de ene na de andere ruimte ga ik binnen, een verlamde engel in een rolstoel, deze zonder vleugels, in stilte uitkijkend over de stad die ik nu langzamerhand goed van boven ken, een tweetal donkere vrouwen in een vensterbank, die met de houding van hun lichamen aangeven dat ze eigenlijk toch vleugels hebben, een liggende man waar ik bijna over struikel, zijn ontwapenende blote voeten over elkaar, zijn witte vleugels op de vuilgrijze vloerbedekking uitgespreid. Voortdurend worden er sporen aangereikt, tekens, teksten, I am deeply sorry for any pain you may be feeling due to my thoughtless behaviour, please, call, maar wie, en waar, de boodschap al even zinvol als de la met veren, het vergeelde exemplaar van de West Australian, Maandag, 19 september 1983, de rozenkrans van Ethelbert Nevin, de roze snijsels, het dak vol wit zout dat ik beneden me zie en waarop ik even later zelf zal lopen. Ik buk, proef, en het klopt, echt zout dat eruitziet als harde sneeuw. Van hieraf zie ik de ruimtes waar ik die middag geweest ben, de wolkenkrabbers boven me, de kerk beneden me, maar het is nog niet afgelopen, ik moet eindigen waar ik ben begonnen, en weer sta ik op de tiende verdieping van de parkeergarage. Nu is het een andere jonge man die me opwacht. Hij vraagt me hoe ik het heb gevonden en ik zeg dat het goed was maar dat ik moe ben, en dan zegt hij zoiets van maar het is nog niet over, en dan, terwijl ik vanaf die hoogte langzaam de horizon rondkijk, zie ik op het dak van Her Majesty’s Theatre in de verte een engel staan met zeer lange, zwarte vleugels. Op die afstand kan ik zijn gezicht niet onderscheiden, maar aan zijn houding zie ik dat hij me ziet, en dan draai ik me om, plotseling onttoverd, gewoon iemand die een lift binnengaat, die misschien wel net zijn auto geparkeerd heeft, die niets weet van het leger engelen dat deze stad bezet houdt die voor mij nooit meer dezelfde stad kan zijn. Iemand heeft iets aan de zichtbare werkelijkheid verschoven, op de met zout besneeuwde daken boven mij, achter alle vierkante weerkaatsende spiegelramen van die kantoorgebouwen kunnen engelen zitten, boodschappers van het onzichtbare die een stad in een gedicht kunnen veranderen.

Meer weten en lezen over Cees Nooteboom?

Van het werk van Cees Nooteboom zijn er (intussen weer) heel wat in druk. Zo kan je naast zijn gebundelde reisverhalen over Japan en Australië bij de boekhandel ook zijn bekendste roman Rituelen vinden evenals ’s Nachts komen de vossen, Brieven aan Poseidon, 533, een dagenboek en Venetië.

Ook in druk zijn de twee dichtbundels Monniksoog uitgegeven door het charmante Karaat en zijn meest recente bundel Afscheid dat verscheen bij Koppernik. Voor de verschijning van die bundel gaf Nooteboom een zeldzaam interview in De Standaard.

Cees Nooteboom was in 2017 ook te gast op de Nacht van de Poëzie uiteraard in zijn hoedanigheid als dichter. Van zijn optreden die avond zijn de opnames intussen online te bekijken.

In 2019 was Cees Nooteboom te gast bij Boek & Meester in Rotterdam voor een uitgebreid publiek interview. De hele captatie is hier te bekijken.