fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Heel veel ambitie maar worstelen met een gebrekkige discipline: lees enkele brieven van Charles Baudelaire aan onder anderen Victor Hugo en Félix Nadar

In 1821, exact tweehonderd jaar geleden, werd de Franse dichter-schrijver Charles Baudelaire geboren, en dat wordt de komende maanden uitgebreid gevierd. Zo verschijnen er dit jaar heel wat heruitgaven van zijn werk, met onder anderen zijn bekendste werk Bloemen van het kwaad en Het spleen van Parijs.

Charles Baudelaire geldt als een van de belangrijkste dichters en denkers van de Franse literatuur van de negentiende eeuw (en voor velen ook ver daarbuiten). Zijn werk wordt doorgaans tot het symbolisme gerekend, maar bevat ook veel elementen uit de romantiek en het realisme. Dat maakt Baudelaire – hij bevindt zich letterlijk op het kruispunt van alle literaire genres uit die periode – een groot vernieuwer binnen de letteren. Zijn werk was dan ook van invloed op heel wat schrijvers en dichters uit latere periodes.

In Privé-domein verschijnt nu onder de titel Mijn hoofd is een zieke vulkaan een uitgave met de brieven van Charles Baudelaire. En dat is speciaal want het is maar voor het eerst dat er in een Nederlandse vertaling brieven verschijnen van de auteur die samen met Edgar Allan Poe en zijn vriend Gustave Flaubert de moderne literatuur inluidde.

Het veelbewogen en tragische leven van de Franse dichter, die met Bloemen van het kwaad de grote stad in al zijn glamour en afzichtelijkheid de verheven dichtkunst in schreef, komt op een markante manier naar voren in Mijn hoofd is een zieke vulkaan. De honderdvijfenzeventig hierin verzamelde brieven zijn gericht aan naasten als zijn moeder, zijn stiefvader en zijn broer, aan schrijfbroeders als Gustave Flaubert, George Sand, Victor Hugo en Charles Augustin Sainte-Beuve en aan kunstenaars als Édouard Manet, Richard Wagner en Félix Nadar. Enkele tientallen brieven zijn gericht aan Baudelaire of handelen over hem. Al met al leveren ze het rijkgeschakeerde beeld op van een kunstenaar vol ambities en plannen, met een druk sociaal leven en eindeloze perikelen rond geld, liefde en gezondheid.

Enkele van de brieven die zijn opgenomen in Mijn hoofd is een zieke vulkaan en vertaald werden door Kiki Coumans, mogen we met Karakters exclusief publiceren. We plaatsen de eerste brief die een toen nog jonge Baudelaire schreef aan zijn held Victor Hugo, een brief aan fotograaf Felix Nadar en een brief aan zijn vriend Gustave Flaubert (en diens korte reactie daarop).

Brief van Charles Baudelaire aan Victor Hugo (Parijs, dinsdag 25 februari 1840)

Geachte heer, Enige tijd geleden heb ik een opvoering van Marion de Lorme gezien; de schoonheid van dit drama heeft me zo aangegrepen en zo gelukkig gemaakt dat ik een sterk verlangen heb de auteur van het stuk te ontmoeten en hem persoonlijk te bedanken. Ik ben nog een scholier en wellicht bega ik een impertinentie zonder weerga; maar ik weet helemaal niets van de conventies van deze wereld en ik bedacht dat dat u wellicht mild zou stemmen jegens mij. – De loftuitingen en dankbetuigingen van een student zullen u nauwelijks raken, aangezien u er zo royaal mee wordt bedeeld door vele mensen met smaak. U heeft waarschijnlijk al zoveel mensen ontvangen dat u er niet op gebrand zult zijn een nieuwe, opdringerige persoon aan te trekken. – Maar u moest eens weten hoe oprecht en waarachtig de liefde van ons, jonge mensen, is – ik heb het gevoel (misschien is het hoogmoed) dat ik al uw werken begrijp. Ik hou van u zoals ik van uw boeken hou; ik geloof dat u een goed en edelmoedig mens bent, omdat u zich heeft ingezet voor de rehabilitatie van meerdere mensen; omdat u, in plaats van te zwichten voor de algemene opinie, die juist vaak op trotse en waardige wijze heeft hervormd. Ik stel me voor, Mijnheer, dat ik heel wat goede en grootse dingen van u zou kunnen leren; ik hou van u zoals men van een held of een boek houdt, zoals men puur en belangeloos van ieder mooi ding houdt. Misschien is het heel vrijpostig van mij dat ik u deze lofprijzingen ongevraagd via de post stuur; maar ik zou u nadrukkelijk en zonder omhaal van woorden willen zeggen hoeveel ik van u hou en u bewonder, en ik ben als de dood mezelf daarmee belachelijk te maken. Maar aangezien u ook jong bent geweest, Mijnheer, zult u vast begrip hebben voor de liefde die een boek kan oproepen voor de schrijver ervan, en voor de behoefte die ons bekruipt om hem in eigen persoon te bedanken en nederig zijn handen te kussen; zou u op uw negentiende hebben geaarzeld iets dergelijks te schrijven aan een schrijver tot wie uw ziel zich aangetrokken voelde, bijvoorbeeld Chateaubriand? Ik verwoord dit alles niet erg mooi, en ik denk beter dan aan mijn brief af te lezen is, maar ik hoop dat u, aangezien u ook jong bent geweest, de rest kunt raden, dat een zo nieuwe, zo ongebruikelijke stap u niet al te zeer zal choqueren; en dat u zo vriendelijk zou willen zijn mij met een antwoord te vereren: ik moet bekennen dat ik dat met een zeer groot ongeduld afwacht.
     Ongeacht of u deze goedheid zult hebben of niet, weest u overtuigd van mijn eeuwige dankbaarheid.

Ch. Baudelaire
59, Rue de Lille

Brief van Charles Baudelaire aan Nadar (16 mei 1859, Honfleur)

Waarde vriend, aangezien jij niet behoort tot degenen die de draak steken met lange brieven, krijg je waar voor je geld; want ik heb twee uur niets te doen. Allereerst wil ik je bedanken, niet alleen voor de 20 francs, maar vooral voor een uitstekende en aardige zin uit je brief. Dat is nog eens een echte en stevige vriendschapsverklaring. Ik ben niet gewend aan blijken van affectie.
     Mijn ijdelheid grijpt de complimenten die je me maakt aan om je een paar teksten te laten lezen die je waarschijnlijk nog niet kent en die samen met een paar andere ongepubliceerde gedichten mijn verlepte boek nieuw leven in zullen gaan blazen. Je zult constateren dat ik weinig naar kritieken luister, en dat ik me koppig in mijn onverbeterlijkheid wentel.
     Nu terug naar je brief.
     Als de gedichten van monsieur Karski echt mooi zijn, zou je mij een exemplaar moeten geven, maar ik begrijp dat het in Parijs niet te koop is.
     – Ja, ik hoop voor mezelf dat je succes hebt in de kwestie-Moreau, maar ik ben ervan overtuigd dat het voor jou wel zo fijn zou zijn om goede proeven te hebben, gebaseerd op die bijzondere schilderijen.
     Dus je kent die houtgravures naar tekeningen van RETHEL niet? Zijn Dodendans uit 1848 is op dit ogenblik voor 1 franc te koop (zes prenten). De dood als vriend en De dood als wurger kosten naar ik meen 7 francs. Dat alles bij een Duitse boekhandelaar die ook Duitse gravures verkoopt in de Rue de Rivoli, vlak bij het Palais-Royal. Ik hoorde van een paar mensen dat Rethel een kerk had versierd (misschien in Keulen); anderen vertelden me dat hij dood was; weer anderen dat hij in een gekkenhuis opgesloten is. Ik heb de hierboven genoemde werken in bezit en ik zou willen weten, in aanvulling op de biografische informatie, of er andere gravures zijn.
     Op de Duitse kunstenaar wiens naam ik niet weet ben ik gewezen door Ricard, die beweert dat hij een groot talent heeft voor illustraties en frontispices. We zouden diens Jacht eens moeten zien.
     En zeker heb ik aan [Gustave] Doré gedacht; en ik herinner me niet of ik hem na rijp beraad had verworpen vanwege de kinderachtigheid die zo vaak door zijn genie heen schemert, of vanwege de afkeer die hij Malassis inboezemt. Nogmaals, van dat laatste ben ik niet zeker.
     De verschillende boeken of brochures die binnenkort van mij uitkomen, zijn: alle kritische stukken over Poe; (hierbij een portret (ik zal zorgen dat het noodzakelijke voor het portret wordt aangeleverd) omgeven door allegorische figuren die de belangrijkste denkbeelden voorstellen, – een beetje als het hoofd van Jezus Christus te midden van de onderdelen van het lijdensverhaal) – in een bezeten romantische stijl, als dat mogelijk is;
     – Opium et haschisch: allegorisch frontispice dat de voornaamste
genoegens en kwellingen uitbeeldt die aan bod komen.
     – Het geheel van mijn kritische stukken over beeldende kunst en
literatuur
. Ik geloof dat Malassis geen frontispice wil.
     – De tweede editie van de Fleurs. Hierop komt een boomvormig
skelet met armen en benen die een stam vormen, de armen uitgestoken in een kruisvorm waar blaadjes en knoppen uit groeien, en meerdere rijen met giftige planten, trapsgewijs opgesteld in kleine potten, als in een plantenkas. – Dit idee kreeg ik toen ik de geschiedenis van de Danse macabre van Hyacinthe Langlois doorbladerde.
     Om terug te komen op Doré. Hij heeft een uitzonderlijk talent om wolken, landschappen en huizen een waarlijk bovennatuurlijke sfeer te geven: dit zou echt iets voor mij zijn; maar de figuren! Die hebben altijd iets kinderachtigs, zelfs zijn beste tekeningen. Wat de Divina commedia betreft, verbaas je mij enorm. Waarom heeft hij uitgerekend de meest ernstige en de meest treurige dichter gekozen? Je ziet trouwens dat ik terug wil naar het systeem van het klassieke frontispice, maar dan op een ultraromantische manier verbeeld.
     In alle eerlijkheid, van de namen die ik de revue heb laten passeren, spraken vooral die van Penguilly en Nanteuil me aan. Maar ik weet niet of Penguilly zou instemmen, en wat Nanteuil betreft ben ik bang dat hij flink wat water bij de wijn heeft gedaan en dat hij de sfeer van exuberantie die hij vroeger bij Victor Hugo gebruikte, niet meer niet kan bereiken. Toch hadden die twee namen voor mij het grote voordeel dat ze een romantische betekenis konden bieden die helemaal aansluit bij mijn voorkeuren en die met haar grootspraak een antwoord is op de ondankbaarheid en onverschilligheid van deze eeuw.
     Maar bovenal voel ik er niet voor een bezoek te brengen aan een voorname kunstenaar en die een klein maar lastig werk te laten maken zolang ik niet de zekerheid heb dat het fatsoenlijk wordt betaald.
     Met deze reserves in gedachten ben ik je bij voorbaat dankbaar als jij me informatie kunt geven zonder dat ik me ergens toe verplicht.
     Wat de Salon betreft, heb ik helaas een beetje tegen je gelogen, maar echt maar een beetje! Ik heb een bezoek gebracht, één enkel, op zoek naar nieuwigheden, maar ik heb er maar weinig gevonden; en voor alle oude namen of de bekende namen vertrouw ik op mijn oude geheugen, aangemoedigd door de catalogus. Die methode, ik zeg het nogmaals, is niet slecht, op voorwaarde dat je een goede kennis hebt van de bezetting.
     Tussen de werkelijk bijzondere andere dingen die niemand zal opmerken, moeten twee kleine schilderijen links achteraan in een grote vierkante zaal niet over het hoofd gezien worden, tussen hopen amusante religieuze voorwerpen.
     Het ene: nr. 1215, De zusters van barmhartigheid door Armand Gautier.
     Het andere: nr. 1894, Het angelus, van Alphonse Legros. – Het is geen enorm verheven stijl, maar het is wel heel indringend.
     Voor de afdeling beeldhouwen heb ik ook iets gevonden (in een van de paden van de Jardin des Tuileries, niet ver van een uitgang) dat je een romantisch-sculptuur-vignet zou kunnen noemen, en dat heel mooi is: een jong meisje en een skelet die oprijzen als Maria-Hemelvaart; het skelet omhelst het meisje. Voor de volledigheid moet ik zeggen dat het skelet maar gedeeltelijk is geschetst en in een lijkwade is gewikkeld, waaronder de contouren te raden zijn. – Wil je wel geloven dat ik de hele catalogus van de beeldhouwkunst driemaal regel voor regel heb doorgelezen, en dat ik nu niets kan vinden dat ermee overeenkomt? De stakker die dat mooie beeld heeft gemaakt heeft het vast Liefde en konijnenragout of iets dergelijks genoemd, iets dat er niets mee te maken heeft, in de trant van Compte-Calix, want ik kan het nergens in de catalogus vinden. Zou je het onderwerp en de naam van de beeldhouwer willen proberen te achterhalen?
     Wat de twee portretten van de hertogin van Alba betreft, zou ik willen herhalen dat, als je niet om geld verlegen zit, het goed zou zijn ze voor een redelijke prijs te pakken zien te krijgen.
     […]
     Voor alle persoonlijke leed, vriend: berusting, berusting. Als ik naar je toe kom, zal ik je over het mijne vertellen, dat zich opstapelt, en je zult met me te doen hebben. Ik geloof oprecht dat afgezien van een klein aantal intelligente, rijke jonge mensen (en zonder gezin!), die niet weten wat ze aan moeten met hun geluk, het leven een eeuwigdurend lijden moet zijn.

Geheel de jouwe.
C.B.

Brief van Charles Baudelaire aan Gustave Flaubert (Parijs, 24 januari 1862)

Mijn waarde Flaubert,
     Ik heb iets onbezonnens, iets heel doms gedaan, dat ik in mijn halsstarrigheid wil ombuigen tot een daad van wijsheid. Als ik genoeg tijd had gehad (en dan zou ik heel veel tijd moeten hebben), zou ik u zeer kunnen amuseren door u te vertellen over mijn bezoeken aan leden van de Académie française.
     Ik heb gehoord dat u goed bevriend bent met Sandeau (die een tijd geleden aan een van mijn vrienden vroeg: ‘Dus monsieur Baudelaire schrijft proza?’). Ik zou u oneindig dankbaar zijn als u hem zou willen schrijven hoe u over mij denkt. Ik ga binnenkort bij hem langs en dan zal ik hem de achtergrond van mijn kandidatuur uitleggen, die enkelen van de heren heeft verbaasd.
     Al geruime tijd wil ik u een brochure over Wagner sturen, en nog iets anders; maar hoe idioot het ook klinkt voor een kandidaat voor de Académie: ik heb geen enkel boek van mezelfbij de hand.
     Sainte-Beuve heeft afgelopen maandag in Le Constitutionnel een meesterlijk artikel over de kandidaten geschreven, een pamflet om je over te bescheuren.

Geheel de uwe. Uw toegewijde.
Ch. Baudelaire
22, Rue d’Amsterdam.

Brief van Gustave Flaubert aan Charles Baudelaire (Croisset, 26 januari 1862)

Mijn waarde Baudelaire,
     De eerste plicht van een vriend is een vriend te gehoorzamen. Zonder iets van uw brief te begrijpen, heb ik Sandeau dan ook zojuist geschreven en verzocht op u te stemmen. – Maar of we erop kunnen rekenen?
     Ik heb zoveel vragen voor u en ik was zo verbouwereerd dat zelfs een heel boek niet genoeg zou zijn!
     ik hoop u hier binnen een maand te zien
     tot dan veel succes
     en geheel de uwe
     Gve Flaubert

Over wie of wat heeft Charles Baudelaire het allemaal in de bovenstaande brieven?

Het toneelstuk dat Charles Baudelaire gezien heeft van Victor Hugo, is Marion de Lorme. Victor Hugo schreef het stuk al in 1828 en het is een toneelstuk in vijf delen. Het verhaalt over de gelijknamige en toen nog heel bekende Franse courtisane, die leefde onder het rijk van Louis XIII. Het werd voor het eerst opgevoerd in 1831 in het Théâtre de la Porte Saint-Martin.

Wanneer Charles Baudelaire aan Nadar schrijft over de kwestie-Moreau, doelt hij op een onderling conflict tussen Nadar en de belangrijke Franse kunsthandelaar Moreau.

Dus je kent die houtgravures naar tekeningen van RETHEL niet?‘ Daarmee doelt Baudelaire op de Duitse kunstenaar Alfred Rethel. De specifieke werken die Baudelaire aanraadt aan Nadar, kan je intussen allemaal bekijken: Dodendans, De dood als vriend en De dood als wurger

Gustave Doré is een Frans beeldend kunstenaar en graveur. Ook verzorgde hij boekillustraties en voorzag hij onder andere de werken Honoré de Balzac en Dante Alighieri van tekeningen. Ook werd hij gevraagd om de werken van Lord Byron te illusteren evenals die van Edgar Allen Poe.

Armand Gautier is een Frans kunstschilder en lithograaf. Samen met Henri de Toulouse-Lautrec zorgde hij voor de stijgende populariteit van de lithografie als druktechniek. Wie benieuwd is naar De zusters van barmhartigheid waar Baudelaire naar verwijst, kan dat hier bekijken.

Ook Alphonse Legros is een Franse schilder, maar in tegenstelling tot Gautier focuste hij daarnaast op de etstechniek. Het angelus van Legros is hier te bekijken.

Jules Sandeau is een Franse romancier en is vandaag vooral nog bekend vanwege zijn relatie met George Sand, die toen nog door het leven ging als Madame Dudevant. Samen schreven ze in 1831 de roman Rose et Blanche onder het pseudoniem J. Sand, waar George Sand inspiratie vond voor haar schrijversnaam. Sandeau was daarnaast lid van de Académie française.

De Académie française is een officiële Franse instelling op het gebied van de Franse taal. Ze vormt samen met vier andere academies het Institut de France. De Académie heeft twee functies: het toezien op de woordenschat en de grammatica van het Frans en het bevorderen van het gebruik van het Frans wereldwijd. Dit laatste doet men onder meer door het jaarlijks toekennen van ongeveer 60 literaire prijzen, waaronder de Prix de l’Académie française. De Académie is een zeer prestigieus instituut en heeft veertig leden.

Meer weten en lezen over Charles Baudelaire?

Doorheen de jaren is zo goed als het hele oeuvre van Charles Baudelaire naar het Nederlands vertaald. Naast De bloemen van het kwaad – waar op zichzelf al meer vijf verschillende vertalingen van bestaan – en Het spleen van Parijs, kan je in de meeste boekhandels of antiquariaten ook uitgaven van Onechte paradijzen: opium en hasjiesj en Arm België terugvinden.

De Belgisch-Nederlandse uitgeverij Voetnoot is daarnaast de hofleverancier van vertalingen van het werk van Charles Baudelaire, die binnen hun fonds een speciale plaats krijgen. Ze gaven onder anderen De Salon van 1859, De Salon van 1846, De schilder van het moderne leven en Mijn hart blootgelegd uit. Op hun website vind je een volledig overzicht terug van al hun uitgaven van Charles Baudelaire.

In 1867 schilderde Édouard Manet zijn bekende werk De begrafenis die hoogstwaarschijnlijk een weergave is van de begrafenis van Charles Baudelaire. Het schilderij kan je hier bewonderen.

Eind 2019 werd er in een exemplaar van Les fleurs du mal een extra strofe van het erotische gedicht ‘Les bijoux’ aangetroffen, geschreven door de dichter zelf. ‘Les bijoux’ bestaat uit acht strofen van vier verzen en daarbij heeft Baudelaire een negende strofe geschreven in één exemplaar van zijn bekendste werk.

Charles Baudelaire ondernam in zijn leven een aantal zelfmoordpogingen. In een van zijn brieven, schreef hij: ‘Als u dit leest, zal ik dood zijn. Ik kan niet meer leven. De vermoeidheid die ik voel als ik moet opstaan is onverdraagbaar.’ De oorspronkelijke brief werd in 2018 geveild voor maar liefst 230.000 euro. Om maar te zeggen welke waarde Baudelaire in de literatuurgeschiedenis.

Charles Baudelaire was een grote inspiratiebron voor veel schrijvers, bijvoorbeeld de Franse schrijvers Arthur Rimbaud en Paul Verlaine, maar ook de Duitse schrijver Rainer Maria Rilke en de Amerikaanse schrijver T.S. Eliot, die met Het barre land een van de belangrijkste werken van de Lost Generation schreef.

Baudelaire en De bloemen van het kwaad komen ook veelvuldig terug in de populaire cultuur. Zo bracht de band Marilyn Manson bijvoorbeeld een nummer uit dat The Flowers of Evil heet en is de dichtbundel in een aflevering van televisieserie Friends te zien.