Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Voorpublicatie: lees een hoofdstuk uit de roman Aswoensdag van Hanneke Hendrix

Hanneke Hendrix (1980) is schrijver, hoorspel- en podcastmaker. Ze debuteerde in 2012 met de roman De verjaardagen, die werd genomineerd voor onder meer de Academica Literatuurprijs en de Dioraphte Literatuurprijs. Met haar tweede roman De dyslectische-hartenclub (2014) werd de auteur genomineerd voor de BNG Literatuurprijs.

Deze maand verschijnt bij uitgeverij De Geus Aswoensdag, Hendrix’ nieuwe roman. In Aswoensdag is Marit bezig met een laatste ivf-poging, wanneer ze terugkeert naar haar Limburgse geboortedorp. Ze gaat voor haar moeder met alzheimer zorgen, maar ziet op tegen de confrontatie met de kille vrouw die getekend is door een rampzalige gebeurtenis uit de geschiedenis van het dorp. Wij publiceren alvast een hoofdstuk uit het boek.


 

Aswoensdag


De deurbel ging.

     ‘Dat is Frits’, zei Marit. ‘Die komt voor de ketel.’
     Het was mevrouw Dings met een nog warme dampende cake.
     ‘Marietje’, zei ze.
     ‘Och, mevrouw Dings’, zei Marit. ‘Ik wilde zelf al langskomen.’
     Mevrouw Dings pakte haar vast, de cake onhandig tussen hen in en drukte een kus op haar wang.
     ‘Het is niet gemakkelijk geweest, Marietje’, zei ze. ‘Het is niet gemakkelijk geweest. Voor jou waarschijnlijk ook niet.’
     Ze lieten elkaar weer los.
     ‘Ach’, zei Marit.
     ‘Hoe gaat het hier?’ Ze drukte Marit zonder verdere uitleg de cake in handen.
     ‘Het gaat prima’, zei Marit, terwijl ze achter mevrouw Dings aan de woonkamer in liep.
     ‘Ha, Stans’, zei de buurvrouw.
     Ze gaf Marits moeder een dikke kus op de wang, Rudy een hand, pakte de cake weer terug en liep naar de keuken. Weer ging de bel.
     ‘Dát is Frits’, zei Marit.
     ‘Er is nog steeds geen warm water!’ riep mevrouw Dings.
     ‘Dat is Frits’, riep Marit. ‘Die komt voor de ketel.’
     ‘Dat werd tijd!’ riep mevrouw Dings. ‘Wil hij ook koffie?’
     ‘Koffie?’ vroeg Marit toen ze Frits binnenliet.
     ‘Zeg ik nooit nee tegen’, zei Frits. ‘Ik zeg altijd: de koffiekan is de enige die ik graag een hand geef.’
     Hij schoof zijn gereedschapskist onder de kapstok en liep de woonkamer in. Haar moeder kreeg drie kussen, Rudy een klap op zijn schouder en daarna plofte hij op de bank.
     ‘Hoe is het, jong?’ zei Frits. ‘Druk met op de bank zitten en koffiedrinken? Zwaar leven.’
     ‘Gaat goed’, zei Rudy.
     ‘Koolzaadveld’, zei haar moeder. ‘Handvet. Koud handvet. Altijd wangen geven.’
     Marits moeder gaf drie kussen in de lucht. Mevrouw Dings zette een dienblad met koffie en gesneden cake op tafel. ‘Kijk eens aan’, zei Frits.
     Uiteindelijk zakte mevrouw Dings naast haar moeder en Frits op de bank. Rudy zat nog steeds op zijn favoriete krukje. Ze pakten alle drie tegelijk een kopje koffie, roerden, dronken, namen een plakje van het schaaltje op de tafel. Mevrouw Dings gaf haar moeder stukjes cake aan, blies over haar kopje om de koffie af te koelen. Kauwend keken ze Marit aan.
     Marit manoeuvreerde zich achterwaarts naar de rookstoel en ging voorzichtig zitten.
     ‘Nou Marietje’, zei Frits. ‘Lang niet gezien, je ziet er goed uit. De zeelucht zeker. Getrouwd? Kindertjes?’
     ‘Geen kindertjes, wel getrouwd.’
     Frits knikte.
     ‘Koophuis?’
     ‘Koophuis.’
     ‘In de Randstad?’ zei Frits met een Hollands accent.
     ‘Aan de rand van de Randstad.’
     ‘Toe maar.’
     Marit knikte.
     ‘En is die dikke Mercedes ook van jou?’
     ‘Die ouwe bak?’ zei Marit. ‘Ja, die is ook van mij.’
     Mevrouw Dings legde de zoom van haar rok goed.
     ‘Hoe is het met Wanda?’ vroeg Marit. ‘Wat doet die tegenwoordig?’
     Frits haalde een schouder op.
     ‘Meh’, zei hij. ‘De enkelbanden gescheurd, hè. Die kan niet fietsen. Niet goed lopen. Maar goed, die deed toch al alles met de bus. Vroeger ook: jullie allemaal op fietsjes in de regen naar de middelbare school en Wanda daar maar staan, bij de bushalte. Veel te dik nog steeds. Voor alles afgekeurd. Maar verder een vrolijk meisje. Heeft twee kindjes, getrouwd met Mike. Woont bij ons achter. Gaat prima. Gaat prima.’
     ‘Leuk’, zei Marit.
     ‘Nou, zo leuk is het niet meer hier’, zei Frits. ‘Er wordt elke week wel ergens ingebroken. Er zijn twee keer zoveel huizen, maar de helft staat leeg. Tegenwoordig krijg je je ouwe kiet niet kwijt. De huizen zijn nou allemaal zo goedkoop, dat trekt zelfs Hollanders aan. Hiertegenover, ook Hollanders. Het mag allemaal niks kosten.’
     ‘Alsof het vroeger wel wat mocht kosten’, zei mevrouw Dings.
     ‘Ja, nee, maar toen kóstte het ook wat. Ook al mocht dat niet. En nou gaan ze allemaal in de stad naar de winkel’, zei Frits.
     ‘De markt zag er vanochtend druk uit’, zei Marit.
     ‘De markt, de markt’, zei mevrouw Dings.
     ‘De markt is wel oké’, zei Rudy.
     ‘Ja, de markt is wel oké’, zei Frits. Hij leunde achterover. Veegde de cakekruimels van zijn borst.
     ‘En de puinberg trekt volk, natuurlijk’, zei Rudy.
     ‘Om te skiën.’ Frits trok een vies gezicht.
     ‘Op de berg’, zei mevrouw Dings.
     ‘Er zit een luik onder de keukentafel’, zei Marits moeder.
     ‘Wat zeg je, sies?’ zei mevrouw Dings.
     ‘Een luik. Va komt uit het luik, onder de keukentafel.’
     ‘Zit er een luik in de keuken?’ zei mevrouw Dings.
     ‘Er zit geen luik in de keuken’, zei Marit.
     ‘Volgens mij ook niet’, zei Frits.
     ‘Dat zegt ze vaker’, zei Rudy. ‘Wat is er met het luik, Stans?
     ‘Va, natuurlijk. Boterham. En ik bak een ei.’
     ‘Va is er niet meer!’ zei mevrouw Dings luid en duidelijk articulerend. ‘Stanske? Va is er niet meer. Jij bent volwassen! Kijk, je dochter is er.’
     Rudy gebaarde naar mevrouw Dings en schudde zijn hoofd.
     ‘Je moet meegaan in wat ze zegt’, fluisterde Rudy tegen Marit. ‘Nooit zeggen dat er mensen dood zijn of dat ze oud of dement zijn. Dan schrikken ze. Worden ze onrustig. Gewoon meespelen.’
     ‘Gewoon meespelen’, herhaalde haar moeder, ook fluisterend.
     ‘Ze denkt dat jouw opa nog leeft’, zei mevrouw Dings met luide stem tegen Marit.
     ‘Stientje, kom nou. Werk even mee’, zei Rudy.
     ‘Ik heb het toch niet over dood. Ik heb het over weer leven. Dat mag toch wel?’
     ‘Va?’ vroeg Marit.
     ‘Ja, zo noemde ze je opa altijd.’
     ‘O’, zei Marit.
     ‘Va. Of ôs Va.’
     Het was even stil.
     ‘Nee, het is niet gemakkelijk geweest’, zei mevrouw Dings. ‘Nooit niet.’
     ‘Maar de skibaan trekt dus volk’, probeerde Marit van onderwerp te veranderen.
     ‘Meer dan genoeg volk’, zei Frits. ‘Belachelijk ding. Ze hebben er een soort Tiroler stube van gemaakt. Met dirndls. En pullen lauw bier. De Zwaan is ook zo goed als over de kop daardoor. Sneeuwpark Nazareth heet het. Echt waar. Sneeuwpark Nazareth. Alsof het kindeke Jesu er zelf op een ezel is heen gereden. Alsof die berg aan het begin van de jaartelling al berg was, in plaats van afval van een kolenmijn. Alsof het altijd niks dan gezelligheid was. Terwijl, we weten allemaal wat er in de mijn gebeurd is.’
     Er viel een stilte. 

Weinig herinnerde nog aan de mijn. Na de sluiting was alles afgebroken, met beton volgestort en hermetisch afgesloten. De pijlers en schachten zelf zouden vol water staan. Toen Marit hier als kind speelde, getuigden alleen drie immense luiken nog van het bestaan ervan. Daaronder was nog één begaanbare pijler, op een meter of honderd afstand van de voet van de berg. De aanwezigheid van een zeldzaam padje had ervoor gezorgd dat de enige pijler die uit zichzelf droog bleek te blijven staan niet was volgestort met beton. Zolang Marit zich kon herinneren waren er actiegroepen die de lange claustrofobische gang dicht wilden laten gooien en actiegroepen die er juist een toeristische attractie van wilden maken. De eerste groep omdat er iedere paar jaar wel een ongeluk in de ondergrondse gang plaatsvond. De andere wilde de pijler juist behouden, omdat het een schande was dat de tastbare overblijfselen van het mijnverleden helemaal waren uitgewist. Zoveel mannen hadden zich letterlijk kapotgewerkt en niets was er meer van te zien. Alsof het nooit was gebeurd.
     En ondertussen stookten jongeren er fikkies, soms werd er een illegaal feest gegeven. De laatste keer was vijf jaar geleden. Toen was het uit de hand gelopen en waren er twee jongens na een brand in het ziekenhuis beland. Er waren gedeeltes ingestort en er zou zomaar meer kunnen instorten. Toch bleef de gang aantrekkelijk. Daarom nam de urgentie toe om hem vol te storten. Het had zelfs op de agenda van de gemeenteraad gestaan, maar het ging op het laatste moment niet door vanwege dat beestje dat je niet zomaar mocht wegjagen. Op provinciaal niveau was nog geprobeerd om hier en daar wat te smeren, zoals men doet in Limburg. Als iets niet linksom ging, dan kon het vast wel rechtsom. Ons kent ons. Maar het was niet gelukt. Nu ja, ook niet erg. Dan de mijnschacht maar doodzwijgen was de redenering. Geen bordje, geen plaquette die wat informatie verschaft e over de mijnen, de productie, met cijfers en tekeningetjes van karretjes op rails. Niets over de mannen die hier stoflongen hadden gekregen, de broers van Marits moeder die er het leven hadden gelaten.

Het was stil in de kamer.
     Iedereen dacht aan de jongens.
     ‘Het is inderdaad belachelijk’, zei Rudy na een lange tijd. ‘Je kunt er ’s ochtends voor bijna gratis ontbijten.’
     ‘En ze hebben happy hours’, ging Frits verder, alsof er niet zojuist nog een beladen stilte had gehangen. ‘Ik ga er weleens heen, er is echt niks aan, maar iedereen gaat erheen. Ook de Hollanders. Misschien vind jij het wel leuk, Marit. Met de vastelaovend hebben ze er een band. Goeie band.’
     ‘Welke band?’ vroeg Rudy.
     ‘Romeo’, zei Frits.
     ‘Vind ik de beste band met de vastelaovend’, zei Rudy.
     ‘Iedereen vindt Romeo de beste band’, zei Frits. ‘Romeo ís ook de beste band. De skiberg zal wel goed betalen.’
     ‘Nog twee weken’, zei Rudy.

Marit dacht aan alle keren dat ze carnaval had gevierd. Het was het heerlijkste, maar soms ook het eenzaamste feest. Confronterend. Als kind had ze er niks aan gevonden. Ze zat daar dan maar, ergens in een hoekje snoep te eten met een pakje aan. Haar moeder deed de gordijnen dicht en zette de televisie wat harder. Van haar vader kreeg Marit dan een tientje om het dorp mee in te gaan. Ze had weleens gevraagd of hij meeging, maar hij wilde bij haar moeder blijven. Anders zat die ook maar alleen.
     Toen Marit was gaan drinken was ze het leuk gaan vinden. Vastelaovend zonder de roes is geen vastelaovend. Vastelaovend zonder gevoel voor melancholie is geen vastelaovend. En als kind ben je heus weleens melancholisch, alleen heb je dan bij god nog geen idee waarom je je zo rot voelt. Pas later ga je dat snappen. Als er iemand je hart een keer heeft gebroken, als je iemand hebt verloren.

     Ik bin zoë einzaam en ik vuel mich zoë verlaote.
     
Kom heej det ik dich knoevel.
     
En bisse gerös, as ik dich kös.

Bij nader inzien was het een feest bij uitstek voor haar moeder geweest. Maar die bleef op de bank zitten. Roerloos, tot de joekskapellen zwegen.

‘Maar waar wil je dan heen?’ vroeg haar moeder.
     ‘Naar zee.’
     ‘Naar zee.’
     ‘Ja.’
     ‘En dan?’
     ‘Studeren.’
     ‘Studeren?’
     ‘Ja.’
     ‘Wat dan? Wat ga je studeren dan?’
     ‘Dat weet ze nog niet’, zei haar vader.
     ‘Weet ik wel’, zei Marit.
     ‘Nou’, zei haar moeder. ‘Het klinkt alsof je er heel goed over hebt nagedacht. En waar ga je wonen?’
     Marit haalde haar schouders op.
     ‘Ik wens je veel succes.’
     Als mensen je succes gaan wensen moet je hun woorden wantrouwen. Je hebt het of nodig, of ze willen het van je afnemen door het te noemen. Eigenlijk is heel ons leven noemen. Benoemen en liefhebben. Jij. Jij. Kom hier. Kom hier. Je bent van mij. Je mag niet weg. De kunst van het benoemen hebben we zo doorgevoerd dat zwijgen ook een benoemen is. De afwezigheid van benoemen. De afwezigheid van. Van. Jij. Jij. Kom hier. Kom hier.
     ‘De bodem’, zei Marit.
     ‘De bodem?’ zei haar moeder.
     ‘Ja, ik ga de aardkorst bestuderen. De bodem. En stenen. En lava.’
     ‘Wat iedereen toch altijd wegloopt met die mijnen’, zei haar moeder. ‘Ik zal het nooit begrijpen.’
     ‘Ik heb het niet over de mijnen. Juist niet over de mijnen.’
     ‘Je moet niet denken dat je beter bent dan iemand anders’, zei haar moeder. Marit dacht weleens dat ze daar nooit mee bezig zou zijn geweest, met dat zich beter voelen dan de rest, als haar moeder er niet steeds over begonnen was. Door haar was ze zich langzaamaan beter gaan voelen dan de rest, dan het dorp, dan haar moeder, steeds beter, met elke keer dat haar moeder dat zei. Zoveel beter dat ze de deur van haar ouderlijk huis dichtsloeg en vertrok. Haar vader wuifde haar uit.
     ‘Dag sieske’, zei hij.

Marit lachte scheef naar Frits.
     ‘Ik kom hier niet voor de vastelaovend’, zei ze. ‘Of Romeo.’
     ‘Nee’, zei mevrouw Dings.
     ‘Ja, wat zijn de plannen eigenlijk?’ zei Frits.
     ‘De ketel moet gemaakt’, zei Marit.
     ‘Nee, met jou en Stanske?’
     ‘We gaan kijken of ze snel kan worden opgenomen.’
     ‘Is dat al nodig?’ zei Frits.
     ‘Vind jij dat het te vroeg is?’ zei mevrouw Dings.
     ‘Nou, ze zit er toch nog prima bij?’
     ‘Het was een puinhoop toen ik aankwam’, zei Marit.
     ‘Ik kan niet alles bijhouden’, zei mevrouw Dings.
     ‘Zo bedoelde ik het niet’, zei Marit.
     ‘En blijf jij dan zolang hier?’ zei Frits.
     ‘Daar heb ik eigenlijk nog niet echt over nagedacht’, zei Marit.
     ‘Nou ja, als je toch geen kindjes hebt.’
     ‘Ik heb ook werk.’
     ‘In de bodemsanering.’
     ‘Ja’, zei Marit verbaasd.
     ‘Iets met bodemonderzoek’, zei Frits tegen Rudy. ‘Kolen. Mijnen. Leuk vind ik dat.’
     ‘Hoe weten jullie dat nou?’ zei Marit. ‘En juist niet met mijnen.’
     ‘Ik weet niet meer van wie ik het weet’, zei mevrouw Dings. ‘Van Jeannie?’
     ‘Die spreek ik nooit’, zei Marit geërgerd. ‘Echt nooit.’
     ‘Het moet Jeannie zijn.’
     ‘Zo erg is het toch niet? Je hebt gestudeerd, je hebt goed werk, dat mogen de mensen toch wel weten?’ zei Frits.
     Hij vouwde zijn armen voor zijn borst. Marit vouwde ook haar armen. Mevrouw Dings streek weer over de plooi van haar rok.
     ‘Ik ben ook de jongste niet meer’, zei mevrouw Dings. ‘Dit kan echt allemaal lang gaan duren.’
     ‘Jij hoeft niks meer te doen. Ik ga dit regelen’, zei Marit.
     Met de beste bedoelingen. Alles altijd met de beste bedoelingen. Mevrouw Dings schudde haar hoofd.
     ‘Er is hier niks veranderd’, zei Marit.
     ‘Marietje Marietje Marietje’, zei Frits.
     ‘Nou, ga je nog wat doen?’
     ‘Ja!’ zei Frits. ‘Maar het is ook altijd zo gezellig, ik zou bijna vergeten waarvoor ik kom.’
     ‘En Va’, zei Marits moeder. ‘Va komt ook nog. Door het luik. Met zijn zaag. Ik ga onder de kapstok zitten. Ja? Ja?’
     Rudy knikte dat het goed was.