fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Geen kilt noch doedelzak te bespeuren: tien Schotse auteurs om te ontdekken met onder anderen Ali Smith en Douglas Stuart

Schotland is meer dan een monster in een meer, zeker op literair vlak. Niet alleen de recente Booker Prizewinnaar Douglas Stuart is daarvan het bewijs. Robert Burns eiste al in de achttiende eeuw het recht op om zijn zielenroerselen in het sappige Schots op papier te mogen zetten. Daar plukken hedendaagse auteurs zoals Irvine Welsh en James Kelman nog steeds de vruchten van. Ook in standaard-Engels scoort Schotland de ene na de andere voltreffer. De quattro stagioni van Ali Smith worden overal gesmaakt, en Gail Honeyman zorgde onlangs voor een hit met haar debuut over de excentrieke Eleanor Oliphant. Benieuwd wat er volgt.

Sir Walter Scott heeft de Schotse literatuur lang geleden dan wel op de kaart gezet met zijn historische romans, de huidige generatie richt haar pijlen liever op hedendaagse maatschappelijke thema’s en schrijft zich een weg uit de miserie. Onderstaand lijstje bevat bijgevolg veel verslaafden – of het nu aan drugs of alcohol is – veel armoede en werkloosheid in grauwe industriële decors, maar ook evenveel absurde en prettig gestoorde onderwerpen gekoppeld aan een ongebreidelde fantasie. Alles kan, alles mag. Schotten kennen geen grenzen, vandaar hun antipathie jegens de Brexit misschien…

Voor we beginnen nog een noot over het Schots

Met Schots bedoelen we niet het Gaelisch, de Keltische taal die nog op enkele plaatsen in Schotland wordt gesproken, maar wel het amalgaam van Germaanse dialecten uit Schotland (en een stukje Noord-Ierland). Deze algemene Schotse omgangstaal is nauw verwant aan het Engels, maar toch heel verschillend qua woordenschat en uitspraak.

Niet alle onderstaande werken zijn naar het Nederlands vertaald, en sommige verhalen zijn vanwege het Schotse taalgebruik ook voor onderlegde anglofielen niet altijd even makkelijk. Gelukkig bestaan er woordenboeken. Het typische dialect van Glasgow werd vastgelegd door Michael Munro in The Complete Patter. Ondanks het feit dat dit boekje al enkele decennia meegaat, blijft het een uitstekende gids voor dat specifieke stedelijke dialect. De Concise Scots Dictionary is handig om heel literair Schotland beter te begrijpen. Voor wie het wat dunner wil, is er de Scots Dictionary: The perfect wee guide to the Scots language.

Shuggie Bain van Douglas Stuart: Thatcher en de moeilijke jaren tachtig

Vorig jaar veroverde Douglas Stuart uit het niets de Booker Prize, met een manuscript dat naar eigen zeggen eerst door tig uitgeverijen werd geweigerd. Nu wordt Shuggie Bain klaargestoomd in maar liefst achtendertig talen en sleepte dit levenswerk waar Stuart tien jaar aan schaafde nog een hele rist andere prijzen in de wacht.

Shuggie Bain is fictie, maar de gelijkenissen met Stuarts jeugd aan de zelfkant van Glasgow zijn groot. Als Shuggies vader thuis opstapt voor een andere vrouw, blijft zijn moeder, de trotse en knappe Agnes Bain, achter met drie kinderen en een fikse alcoholverslaving. Ondanks de titel draait het verhaal grotendeels rond Agnes, de tragische moederfiguur. Agnes had ooit grote dromen en dacht dat het leven meer voor haar in petto zou hebben. Helaas waren de jaren tachtig in Glasgow hoegenaamd geen pretje voor de arbeidersklasse. Onder Margaret Thatcher verdween alle zware industrie aan de Schotse westkust – staal, scheepvaart, kolen – en steeg het werkloosheidscijfer, samen met de misdaad en het drank- en drugsgebruik, tot duizelingwekkende hoogten. Niet eenvoudig voor een alleenstaande moeder. De Bains logeren een hele tijd bij Agnes’ ouders, maar zodra Agnes de kans ziet, gaat ze met haar nieuwe man en kinderen elders wonen. Al snel blijkt dat haar nieuwe buurt een nog grotere hellepoel is dan de oude wijk waar ze woonde, en haar nieuwe man een nog grotere rokkenjager dan haar vorige exemplaar. Shuggies broer en zus ontvluchten een voor een de ouderlijke woonst, maar de jonge Shuggie blijft alleen achter met zijn comazuipende moeder.

Je wordt er niet vrolijk van, maar het portret van een trotse moeder die niet meer te redden valt en haar zoontje dat dat op zijn eigen onhandige manier toch probeert, is bijzonder ontroerend. Dit politiek getinte familiedrama geeft een ontstellende kijk achter de schermen van het tegenwoordig erg hippe Glasgow, met zijn trendy koffiebars en dito wijken.

Douglas Stuart is geboren en getogen in Glasgow, maar woont al meer dan twintig jaar in New York en heeft zelfs een Amerikaans paspoort. De tedere manier waarop hij in Shuggie Bain Glasgow beschrijft, maakt hem niettemin Schots in hart en nieren. De opvolger, Young Mungo, zal in april 2022 de wereld bestormen. Shuggie Bain van Douglas Stuart werd in 2021 vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen en werd uitgegeven door Nieuw Amsterdam.

Het begon met Robert Burns, dichter van het Schotse volk

Het feit dat Douglas Stuart en vele andere Schotse schrijvers zo complexloos in hun eigen taal durven te schrijven, is onder anderen te danken aan Robert Burns (1759-1796), de nationale bard van Schotland. Hij leefde aan het einde van de achttiende eeuw, maar zijn liederen en gedichten worden tot op de dag van vandaag veelvuldig gezongen en voorgedragen tot ver buiten de landsgrenzen. Zijn beroemdste gedicht is ongetwijfeld ‘Auld Lang Syne’, dat traditioneel op Hogmanay, oudejaarsavond in Schotland, ten berde wordt gebracht. Burns stierf op 37-jarige leeftijd en liet naast zijn eigen werk talloze herwerkingen van Schotse volksliederen na, die hij nieuw leven wilde inblazen. Hij schreef voornamelijk in het Schots, maar soms ook in een meer toegankelijk Engels. Zijn stijl is authentiek, direct en spontaan, zonder al te veel franjes.

Burns groeide op in een boerderij dicht bij Ayr als oudste van zeven kinderen. Hij ging nauwelijks naar school, maar werd thuis grondig onderricht. Zijn vader slaagde er niet in om de boerderij succesvol te beheren, waardoor het gezin regelmatig moest verhuizen. Vanaf zijn vijftiende begon Burns te schrijven, ook al moest hij van jongs af zelf beginnen te werken om brood op de plank te brengen.

In 1786 publiceerde hij zijn eerste gedichten uit financiële noodzaak. Die debuutbundel, Poems, Chiefly in the Scottish dialect, ook wel het Kilmarnock Volume genoemd, bevat veel van zijn beste werk, zoals ‘The Twa Dogs’, ‘The Cotter’s Saturday Night’, ‘To a Mouse’ en ‘Epitaph for James Smith’. Door dit onverwachte succes verhuisde hij naar Edinburgh. Daar leerde hij onder andere Agnes ‘Nancy’ McLehose kennen, voor wie hij het bekende – en ook nu nog vaak gecoverde – liefdeslied ‘Ae Fond Kiss’ schreef, al had hij daarnaast talloze andere amoureuze escapades. In Edinburgh ontmoette hij ook James Johnson, een muzikant met een grote liefde voor oude Schotse volksliederen. Hij hielp Johnson aan meer dan zeshonderd teksten voor zijn edities van The Scots Musical Museum.

In 1788 verhuisde Burns met zijn vrouw naar de Ellisland Farm in Dumfriesshire, waar hij zijn beroemdste verhalende gedicht ‘Tam O’ Shanter’ schreef. Hij moest zijn boerderij echter al snel weer van de hand doen vanwege financiële moeilijkheden. Later schreef hij nog meer dan honderd liedjesteksten voor The Melodies of Scotland en verschillende bijdragen voor George Thomsons A Select Collection of Original Scottish Airs for the Voice.

Burns had radicale politieke ideeën en was een aanhanger van de Franse Revolutie. Ook de Schotse onafhankelijkheid lag hem na aan het hart, getuige zijn lied ‘Scots Wha Hae’, dat jarenlang het officieuze Schotse volkslied was. Hij fulmineerde tegen armoede en klassenverschillen, wat hem niet altijd in dank werd afgenomen door zijn werkgevers. Zijn bekendste protestlied ‘A Man’s a Man for A’ That’ was gebaseerd op The Rights of Man van Thomas Paine, een voorvechter van de Amerikaanse Revolutie. Burns durfde dit gedicht niet in eigen naam uit te geven en stuurde het in 1795 naar de Glasgow Courier, die het publiceerde. Dit lied werd uit volle borst gezongen door de Schotse politici bij de opening van het Schotse parlement in 1999.

Robert Burns was een romantische dichter avant la lettre, die een grote invloed uitoefende op de Britse romantici zoals Wordsworth, Coleridge en Shelley. Ook John Steinbeck haalde in 1937 de titel van zijn boek Of Mice and Men uit een regel van Burns’ gedicht ‘To a Mouse’. De auteur J.D. Salinger liet zich dan weer inspireren door ‘Comin’ Through the Rye’ van Burns voor zijn Catcher in the Rye, waarbij het hoofdpersonage Holden Caulfield Burns’ gedicht volledig fout interpreteert. Zelfs zanger en Nobelprijswinnaar literatuur Bob Dylan beweert dat ‘A Red, Red Rose’, een lied van Burns uit 1794, een bepalende invloed had op zijn werk en leven.

Elk jaar op 25 januari wordt Burns’ verjaardag uitgebreid gevierd op Robert Burns Day, een nationale Schotse feestdag waarbij het traditionele Robert Burns-avondmaal met haggis, neeps and tatties, en een goede scheut whisky, niet mag ontbreken. Tussen de gangen door wordt zijn literaire werk voorgedragen en gezongen.

Lanark van Alasdair Gray: bombastisch magnum opus over Glasgow

Alasdair Gray (1934-2019) is een nobele onbekende die Glasgow nochtans op de literaire wereldkaart heeft gezet. Zijn postmodernistische stijl wordt vaak vergeleken met die van Jorge Luis Borges, Franz Kafka, George Orwell en Italo Calvino. Vooral zijn debuut, Lanark, inspireerde andere Schotse literaire kanjers zoals Janice Galloway, Irvine Welsh, Alan Warner en Iain Banks.
Gray was behalve schrijver eveneens beeldend kunstenaar, die tentoonstelde in binnen- en buitenland. Hij maakte ook muurschilderingen, waarvan er een te bewonderen is in de metro van Glasgow. In zijn fictie vermengde hij realisme, sciencefiction en fantasy met eigen typografie en bombastische illustraties.

Gray schreef het eerste boekdeel ervan al op zijn achttiende, toen hij net begon te studeren aan de Glasgow School of Art. Dat boek heette aanvankelijk Portrait of the Artist as a Young Scot, waarin zijn grote literaire ambities, met de verwijzing naar Joyces Portrait of the Artist as a Young Man, en zijn Schotse aspiraties al duidelijk aanwezig waren. Gray was immers een overtuigd Schots nationalist. Hij vond echter geen uitgever voor zijn manuscript.

Het uiteindelijke boek Lanark bestaat uit vier delen, zoals de ondertitel A Life in Four Books doet vermoeden, en werd pas in 1981 uitgegeven. Gray heeft er bijgevolg dertig jaar aan gepolijst en er een waar magnum opus van gemaakt. Na de proloog volgen boek 3, 1, 2 en 4, in die welbepaalde volgorde. Enkele hoofdstukken voor het einde van het vierde boek verschijnt de epiloog al, omdat die volgens de auteur te belangrijk is om tot op het einde te bewaren.

Het derde boek, waarmee Lanark dus opent, is een dystopie waarin een aan geheugenverlies lijdende jongeman, die zichzelf Lanark noemt, ontwaakt op een trein op weg naar de fictieve wereld Unthank, een vreemde, donkere stad, waar de almaar slinkende bevolking aan vreemde ziekten lijdt. De stad, een deprimerende versie van Glasgow, wordt bestuurd door ‘The Institute’ en ‘The Council’, ondoorzichtige organen met absolute macht. Uiteindelijk vlucht Lanark weg. De daaropvolgende eerste twee boeken vormen een parallel – zij het veel realistischer – verhaal over de jonge kunstenaar Duncan Thaw, een soort alter ego van Gray, die opgroeit in het vooroorlogse Glasgow. Het boek eindigt echter met waanzin en de zelfmoord van het hoofdpersonage. In het vierde en laatste boek probeert Lanark in een soort visioen terug te keren naar Unthank, dat zich nu op de rand van een apocalyps bevindt.

Lanark sleepte verschillende prijzen in de wacht en Alasdair Gray werd door schrijver Anthony Burgess bejubeld als ‘de beste Schotse auteur sinds Walter Scott’. Nochtans was Gray zelf opgetogener over de opvolger van Lanark, het controversiële 1982, Janine, een boek boordevol pornografische elementen, ellenlange beschrijvingen van sadomasochistische praktijken en moeilijke typografische experimenten. Burgess’ idolatrie was daardoor een kort leven beschoren, aangezien hij dit nieuwe werk maar ‘kinderachtig’ vond. Lanark: een leven in vier boeken van Alasdair Gray werd in 2017 vertaald door David Grävling en uitgegeven door Koppernik.

De wespenfabriek van Iain Banks: realisme met weerhaken

De uit Fife afkomstige Iain Banks (1954-2013) werd op zijn dertigste een literaire ster met zijn debuut The Wasp Factory (1984). Nochtans was hij al vanaf zijn elfde aan het experimenteren met sciencefiction en had hij meerdere, ongepubliceerde sciencefictionromans geschreven, waarbij hij zijn inspiratie uit duistere denkbeeldige werelden haalde. Met De wespenfabriek trachtte hij een realistischere richting in te slaan, wat echter uitdraaide op een buitengewoon gruwelijk maar ontroerend verhaal, al verwacht je dat laatste niet meteen als je de korte inhoud leest.

De zestienjarige verteller Frank woont met zijn introverte vader op een afgelegen eiland, een soort droomwereld die niet zoveel verschilt van de buitenaardse scifiwereld. Totems met dode dieren en sjamanistische offerrituelen zijn er vaste prik. Frank heeft een machine ontwikkeld waarmee hij wespen doodt op de meest gruwelijke wijze, een wespenfabriek dus. Bovendien vertelt hij droogjes dat hij drie mensen heeft vermoord nog voor zijn tiende verjaardag (‘It was just a stage I was going through’). Franks moeder is afwezig. Er bestaat geen officieel document van zijn geboorte, waardoor zijn bestaan in twijfel te trekken valt. Bovendien wordt hij geplaagd door de traumatische herinnering aan een aanval van een hond tijdens zijn jeugd, waarbij hij zijn geslachtsdelen verloor. Je zou voor minder psychopathisch worden. Zijn oudere broer Eric is al even gestoord en blijkt aan het begin van het boek net ontsnapt te zijn uit een gesloten inrichting. Vol spanning wacht Frank op de terugkeer van zijn broer, terwijl zijn vader zich opsluit in zijn studeerkamer. De roman geeft Franks bizarre gedachtekronkels weer tijdens zijn zoektocht naar wie hij nu eigenlijk is, al is de ontluisterende ontknoping zo mogelijk nog buitenissiger.

Na het succes van De wespenfabriek kon Banks zich voltijds aan het schrijverschap wijden. Hij wisselde mainstreamromans af met sciencefiction. Dat laatste genre bleef zijn grootste liefde en ondertekende hij steevast met ‘Iain M. Banks’, terwijl hij op de omslagen van zijn andere romans gewoon ‘Iain Banks’ was. Hij stierf op zijn 59ste aan kanker en liet 29 boeken na. The Crow Road (Het kraaienpad), een moderne familiesaga over de McHoans, die geplaagd worden door bizarre overlijdens en een mysterieuze verdwijning, was ook een groot succes en werd verfilmd door de BBC. Het boek ontleende zijn titel aan een oud Schots gezegde ‘Away the crow road’, wat betekent dat iemand dood of stervende is. De wespenfabriek van Iain Banks werd in 1997 vertaald door Robert Vernooy en uitgegeven door Luitingh-Sijthoff.

The Trick is to Keep Breathing van Janice Galloway: vooral blijven ademen

The Trick is to Keep Breathing (1989) is het onconventionele, vaak droogkomische verslag van een depressieve jonge vrouw die na een moeilijke jeugd en dito relaties haar toevlucht zoekt in alcoholisme, anorexia en zelfverminking. Een kitchen sink drama-sfeertje dat perfect in het kraam past van een Schotse auteur, al maakt Janice Galloway er een geheel eigenzinnig relaas van met speelse typografische experimenten en afwijkende bladspiegels. En humor, dat ook natuurlijk.

Janice Galloway (1955) is geboren in Ayrshire en woont nog altijd in Schotland. The Trick is to Keep Breathing is haar debuutroman en wordt ondertussen beschouwd als een Schotse klassieker, al vielen ook haar latere boeken en bundels met korte verhalen meermaals in de prijzen in binnen- en buitenland. The Trick werd vertaald naar het Frans, Italiaans, Duits, Sloveens en Turks, maar nog steeds niet naar het Nederlands.

Kersvers Booker Prizewinnaar Douglas Stuart prees dit opmerkelijke debuut vorig jaar nog in een interview in The Herald als een van zijn drie favoriete boeken: ‘I can never forget the intimate power of The Trick is to Keep Breathing by Janice Galloway. It’s such a unflinching look at the mental struggle and slow disintegration of its heroine.‘ De 27-jarige dramadocente Joy Stone belandt in een zware depressie na de dood van haar getrouwde minnaar. Ze wil niet meer eten en sluit iedereen buiten. Ze drinkt te veel en verminkt zichzelf in een huis vol schimmel en herinneringen. Ook haar moeilijke jeugd eist haar tol. Dokters en huisbezoeken van maatschappelijk assistenten brengen geen soelaas. Uiteindelijk laat ze zich opnemen in een psychiatrische inrichting, waar ze wekenlang als een zombie ronddwaalt.

Joys grillige gedachtestroom wordt voortdurend onderbroken door flarden van flashbacks, lijstjes, krantenknipsels, al dan niet verzonnen dialogen en absurde situaties. In en rond de traditionele doorlopende tekst wemelt het ook van experiment en woordspel. Onverwachte witruimtes, cursivering, vetgedrukte letters, grote en kleine lettertypes, kaders, ‘verdwaalde’ woorden in de kantlijn, kapitalen en vreemde interpunctie zijn schering en inslag. Ze lardeert haar deprimerende verhaal met humor en ironie, met op het einde een – allesbehalve sentimenteel – sprankje hoop.

Galloway maakt een moeilijk maatschappelijk thema bespreekbaar in een eerder experimentele vorm, zonder zweverig of klef te worden. In deze tijden van over-psychologisering en wollige praatjes toont ze wat een depressie echt is: rauw, hard, verwarrend, ontregelend. The Trick is to Keep Breathing van Janice Galloway verscheen voor het eerst in 1989 bij Polygon en werd in 2015 opnieuw uitgegeven door Vintage (Penguin Books).

Trainspotting van Irvine Welsh: cultklassieker aan heroïne

Als er één schrijver is die Schotse literatuur wereldberoemd heeft gemaakt, dan wel Irvine Welsh. Zijn wieg stond in de marginale woonblokken van Leith, de havenwijk van Edinburgh, waar hij schoolliep en werkte als televisiereparateur. Na een werkongeval zocht hij een veiligere baan en trok hij – contradictorisch genoeg – naar de punkscene in Londen, waar hij meermaals in aanraking kwam met de politie. Eind jaren tachtig keerde hij terug naar Edinburgh én het rechte pad. Hij werkte, studeerde en begon te schrijven. Trainspotting was zijn allereerste roman.

Trainspotting speelt zich af midden jaren tachtig en bestaat uit een reeks losjes met elkaar verbonden korte verhalen over een vijftal personages – met klinkende namen als Rent Boy, Sick Boy en Spud – en hun wegkwijnende vriendschap, hun heroïneverslaving en hun pogingen om de verveling en de wreedheden van hun grauwe arbeidersbestaan te ontvluchten.

Het boek verscheen in 1993 en werd met succes verfilmd door regisseur Danny Boyle in 1996, met een cameo van Welsh zelf als de louche dealer Mikey Forrester. Ondertussen ging het boek alleen al in het Verenigd Koninkrijk meer dan een miljoen keer over de toonbank en werd het vertaald naar dertig talen. Ook voor de film het boek tot cultstatus verhief, kon Trainspotting al veel lezers bekoren. Het sprak zowel een traditioneel lezerspubliek aan vanwege interessante literaire technieken zoals de monologue intérieur, de afwisseling van dialecten en de non-lineaire vertelstructuur, als een minder belezen publiek van clubgangers en muziekfans die zichzelf in dit literaire werk herkenden.

Welsh borduurde later verder op het recept van Trainspotting in The Acid House, een verzameling korte verhalen rond dezelfde problematiek. In 2002 bracht hij Porno uit, een vervolg op Trainspotting. Jaren later, in 2012, waagde hij zich zelfs aan een prequel getiteld Skagboys, waar alle personages worden belicht op weg naar de verslaving. Welsh schreef nog meer boeken, theaterstukken en filmscripts, maar niets kon zijn succes van Trainspotting evenaren. De Schotse identiteit is de grote gemene deler in zijn gehele oeuvre.

Trainspotting van Irvine Welsh werd voor de eerste keer vertaald naar het Nederlands door Ton Heuvelmans in 1996. Twintig jaar later mocht hij die vertaling nog eens opfrissen, wat plots veel makkelijker ging, nu het junkiejargon en schuttingtaal algemeen aanvaard zijn: ‘Tegenwoordig heeft iedereen het over fuck.’

Morvern Callar van Alan Warner: raven met het boek van een ander

Morvern Callar (1995) is de eerste roman van de Schotse auteur Alan Warner, die daarna meer bekendheid verwierf met The Sopranos (1998). Morvern Callar werd bekroond met de Somerset Maugham Award en werd in 2002 verfilmd door Lynne Ramsay. Het is een uniek stukje Schotse literatuur, subtieler dan Trainspotting, met een beklijvende sfeer die vernuftig wordt neergezet.

Op kerstdag ontwaakt Morvern Callar, een 21-jarige jonge vrouw uit de Schotse Highlands, met het lijk van haar vriendje in een plas bloed naast haar op de keukenvloer. Hij heeft zelfmoord gepleegd. De lezer verwacht een hysterisch relaas van een door verdriet overmande vriendin, maar komt al vanaf de eerste zin bedrogen uit. De onderkoelde en bevreemdende schrijfstijl van Alan Warner creëert meteen een afstand tussen hoofdpersonage en lezer, maar ook het hoofdpersonage zelf lijkt zichzelf vanop een afstand te observeren. Nadat ze het lijk van haar vriend heeft ontdekt, pakt Morvern haar kerstcadeaus uit, maakt ze zich op en gaat ze naar haar werk. Ze weent wel, maar ze belt geen politie. Alsof ze verdoofd is. Dit is het begin van een woelig verhaal, waarbij Morvern het lichaam van haar vriend begraaft, het manuscript van zijn roman onder haar eigen naam publiceert en gaat reizen en raven met het geld.

Muziek speelt een belangrijke rol in dit boek. Morvern luistert voortdurend naar haar walkman – zo jaren negentig! – als een obscure soundtrack bij haar eigen leven. Ze maakt op minutieuze wijze compilatietapes voor elk uitstapje en lijst alle nummers uit haar mix nauwkeurig op. Voor de film heeft regisseur Lynne Ramsay zich dan ook door deze lijstjes laten inspireren, met muziek van Aphex Twin, Can, Holger Czukay, Broadcast, Stereolab, Lee Scratch Perry en the Velvet Underground, die perfect de verknipte sfeer van dit boek illustreren. Morvern Callar: kind van de raves van Alan Warner werd in 1997 vertaald door Joop van Helmond en uitgegeven door De Arbeiderspers.

Het seizoenskwartet van Ali Smith: tijdloze boeken over deze tijd

Ali Smith is geboren in Inverness, maar woont nu in Cambridge. Ze is schrijver, academicus en journalist met een uitgebreid palmares. Ze speelde al twintig jaar met het idee om romans te schrijven geschoeid op de leest van de tijd. Toen ze het manuscript van haar tweeluik How to Be Both (2014) ver na de deadline inleverde en haar uitgever er toch in slaagde om het binnen de zes weken in de winkelrekken te krijgen, wist ze dat dat kon. Net zoals de krantenfeuilletons van Charles Dickens, een schrijver naar wie ze in dit kwartet meermaals verwijst, schreef ze van 2016 tot 2020 vier romans die de actualiteit op de hielen zitten: Herfst, Winter, Lente en Zomer.

De actualiteit was ook niet min tijdens die periode: Donald Trump, Brexit, de vluchtelingen- en klimaatproblematiek, en om het rijtje met een knaller af te sluiten, de coronapandemie. Toch draaien de seizoensromans voornamelijk rond familie, vriendschap, liefde en de gemeenschap, en is de actualiteit niet zo nadrukkelijk aanwezig. Kunst daarentegen neemt wel een prominente plaats in. In elk boek komt een andere (vrouwelijke) kunstenaar aan bod, onder anderen Barbara Hepworth en Pauline Boty. Ook de seizoenen, het vlieden van de tijd en de cyclus van regeneratie zijn belangrijke motieven.

Herfst was genomineerd voor de Man Booker Prize in 2017 en verscheen vier maanden na het Brexit-referendum. De Brexit komt dan ook ruimschoots aan bod in dit verhaal over de onwaarschijnlijke vriendschap tussen een oude man, wiens leven rond kunst draait, en zijn buurmeisje. Kunst en Brexit spelen een even grote rol in Winter, al zijn de personages en het plot volledig verschillend. Een familie komt samen in een huis in Cornwall voor het kerstfeest. Discussies, ruzies en zaken uit het verleden zorgen voor een kruidige mengeling op kerstavond. Dan komt Lente, het seizoen van nieuw leven, al is dit boek donkerder en grimmiger dan de twee voorgaande. De polarisering van de maatschappij na het Brexit-referendum is er alleen maar groter op geworden, en ook de klimaatcrisis baart veel mensen zorgen. In Zomer bereikt de seizoenencyclus zijn voltooiing en keren verschillende personages uit de voorgaande episodes terug. Ondanks de vele problemen, zoals de lockdown, eindigt Smith toch met een uiterst voorzichtige boodschap van hoop. Het seizoenskwartet is op zich al een opsteker in bange dagen: het is een meticuleus geconstrueerd meesterwerk dat dicht bij de actualiteit aanleunt maar toch tijdloos is, opgeschreven in een taal vol woordspelingen en associaties, wars van alle clichés.

Herfst, Winter, Lente en Zomer van Ali Smith werden tussen 2016 en 2020 vertaald door Martine Vosmaer en Karina van Santen en uitgegeven door Prometheus. Lente werd bekroond met de Europese Literatuurprijs 2020, een prijs voor schrijver én vertalers.

Eleanor Oliphant is Completely Fine van Gail Honeyman: heldin zonder filter

Gail Honeyman is een nieuwe ster aan het Schotse schrijversfirmament, al is ze wel een laatbloeier. Honeyman groeide op in Stirling en studeerde Frans in Glasgow en Oxford. De klassieke identiteitscrisis op haar veertigste resulteerde bij haar in een boek. Eleanor Oliphant is Completely Fine won meteen de Costa First Novel Award 2017 (plus tal van andere prijzen) en werd vertaald in meer dan dertig talen. Honeyman werkt ondertussen aan een waardige opvolger voor dit succes.

Eleanor Oliphant, de heldin van het boek, is een dertigjarige vrouw zonder filters en zonder besef van sociale normen, wat haar ongewild komisch maakt ondanks haar problematische familieverleden. Ze heeft haar zaakjes goed op orde – elke dag dezelfde kleren, dezelfde maaltijd, hetzelfde feuilleton en elk weekend twee flessen wodka – al is ze best eenzaam, en echt gelukkig kun je haar ook niet noemen. Haar collega’s beschouwen haar als een sociaal gestoord schepsel en laten haar links liggen, tot Raymond van IT op een dag toenadering zoekt vanwege een toevallig incident op straat. Er ontstaat een voorzichtige, vaak klungelachtige, band tussen de twee. Verwacht geen stormachtige liefdesrelatie, maar een eenvoudige platonische vriendschap tussen een man en een ietwat excentrieke vrouw. Het zijn de kleine gebaren en tederheden die de muren rond Eleanors minutieus opgebouwde veilige leventje slopen. Het verhaal is tevens een ode aan Glasgow, de stad waar Honeyman nu al meer dan twintig jaar leeft en gelukkig is.

Gail Honeyman bedacht haar personage nadat ze een artikel had gelezen over eenzaamheid, waarin een twintigjarige vrouw vertelde hoe ze haar weekends doorbracht in totale isolatie. Oudere mensen die eenzaam zijn, dat had ze al vaker gehoord, maar jonge mensen die dagenlang met niemand een woord wisselen, daar keek ze van op. Toch wilde Honeyman haar hoofdpersonage niet als een zielig slachtoffer portretteren. Eleanor is een sterke vrouw die door omstandigheden buiten haar wil om eenzaam is, maar er ondanks alles het beste van probeert te maken.

Hollywoodactrice en producer Reese Witherspoon heeft de filmrechten op het boek gekocht en wil zelf Eleanor vertolken in de verfilming. Ik ben Eleanor Oliphant (met mij gaat alles goed) van Gail Honeyman werd vertaald door Hien Montijn en voor een eerste keer uitgegeven door Amsterdam/Cargo in 2017.

How Late It Was, How Late van James Kelman: letterlijk uitzichtloos

Dit lijstje eindigt zoals het begint: met een Schotse Booker Prizewinnaar, al was de overwinning van James Kelman in 1994 een van de controversieelste uit de Bookergeschiedenis, na die van John Berger en G in 1972.

Julia Neuberger, een van de toenmalige juryleden van de Booker Prize, dreigde ermee om op te stappen als Kelman zou winnen. ‘Frankly, it’s crap’, zijn haar beroemde woorden over dit boek. Ook boekhandelaren waren niet onverdeeld gelukkig met de prijs, omdat ze Kelmans donkere monologue intérieur niet commercieel genoeg vonden. Toch won Kelman, tot grote blijdschap van de jonge Douglas Stuart. Stuart vertelde in een interview dat zijn leven veranderd was door die overwinning van Kelman: ‘Het is zo’n krachtig boek, het proza en de stream of consciousness zijn heel ingenieus. Maar het is ook een van de eerste keren dat ik mijn gemeenschap, mijn dialect, op een pagina zag.’ Inderdaad, toen Kelman won, werden Schotse stemmen nog steeds beschouwd als storend en aberrant. Kelman, die zelf opgroeide in een Schots arbeidersgezin en sterk politiek en cultureel geëngageerd was, schreef daarover een essay ‘The Importance of Glasgow in My Work’, waarin hij betoogt dat het standaard-Engels in romans totaal onrealistisch is.

Everybody from a Glaswegian or working class background, everybody in fact from any regional part of Britain – none of them knew how to talk! What larks! Every time they opened their mouth out came a stream of gobbledygook. Beautiful! their language a cross between semaphore and Morse code; apostrophes here and apostrophes there; a strange hotchpotch of bad phonetics and horrendous spelling – unlike the nice stalwart upperclass English Hero (occasionally Scottish but with no linguistic variation) whose words on the page were always absolutely splendidly proper and pure and pristinely accurate, whether in dialogue or without. And what grammar! Colons and semi-colons! Straight out of their mouths! An incredible mastery of language. Most interesting of all, for myself as a writer, the narrative belonged to them and them alone. They owned it.

Het hoofdpersonage van How Late it Was, How Late is working class pur sang. Sammy, een 38-jarige ex-gedetineerde, wordt wakker in een steegje na een tweedaagse zuippartij en raakt slaags met enkele agenten. Als hij weer bijkomt, blijkt hij zwaargewond én blind te zijn. De Nederlandse vertaling heet dan ook Blind geschopt. Het verdere verhaal illustreert Sammy’s worsteling met die visuele handicap in de Schotse klassenmaatschappij, zeker voor iemand met een impulsief karakter zoals Sammy. Het is een voorbijdenderende monologue intérieur, waarbij je in het hoofd van Sammy belandt en er niet meer uit raakt. Het is een oncomfortabele rit vol paranoia, verwarring en onrecht, net zoals een blinde dronkaard zich wellicht moet voelen. Kelman speelt op een vooruitstrevende manier met vorm en taal, net als zijn voorgangers Samuel Beckett, James Joyce of Franz Kafka – toch ook geen ‘crap’.

James Kelman schreef meerdere korte verhalen en essays en een negental boeken, waaronder A Disaffection, dat eerder al genomineerd was voor de Booker Prize. In Translated Accounts, de opvolger van How Late It Was, How Late, experimenteert hij er verder lustig op los met taal. Het zijn 54 rauwe, bevreemdende monologen van mensen in opsluiting in een of ander niet nader gespecificeerd bezet land of oorlogsgebied. De monologen zijn vaak vertaald of getranscribeerd, want de protagonisten zijn geen Engelse moedertaalsprekers. Kelmans laatste boek Dirt Road, een verslag van een Amerikaanse roadtrip van een vader en een zoon die het verlies van hun vrouw/moeder proberen te verwerken, is zijn meest toegankelijke prestatie tot nu toe. Blind geschopt van James Kelman werd vertaald door Guido Golüke in 1996 en uitgegeven door de Bezige Bij.

Meer lijstjes en overzichten bekijken?

We publiceerden ook een overzicht met de leukste katten uit de literatuur. Als er één dier is dat de literaire pagina’s niet schuwt, maar zich er arrogant bovenop neervlijt en er parmantig doorheen wandelt, is het wel de kat. Japanse verhalen en katten zijn uiteraard onafscheidelijk, maar ook de Nederlandse literatuur zit er vol mee. In het overzicht onder andere aandacht voor de kat uit Kafka op het strand van Haruki Murakami en de duivelse kater uit De Meester en Margharita van Michail Boelgakov.

Naar aanleiding van het boekenweekthema ‘De moeder, de vrouw’ in 2019 maakten we een overzicht met interessante moederpersonages. In het overzicht onder andere het personage Marie uit Ik kom terug van Adriaan van Dis.

Ook publiceerden we diverse lijstjes met de favoriete boeken van bekende auteurs. Zo publiceerden we een overzicht met de lievelingsboeken van Samuel Beckett en een overzicht met de boeken die je volgens Ernest Hemingway gelezen moet hebben als jonge schrijver.