fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Van een geestelijke wellness tot kuren bij de uitvinder van cornflakes: een overzicht van de belangrijkste sanatoriumromans

De bekendste sanatoriumroman is en blijft ongetwijfeld De toverberg van Thomas Mann. De Duitse Nobelprijswinnaar is echter lang niet de enige auteur die het sanatorium als een boeiende romansetting ziet. Het sanatorium inspireert fictieschrijvers omdat er een bijzondere sfeer heerst. Die wordt in de hand gewerkt door de afzondering van de patiënten, hun wegebbende tijdsbesef, hun koortsdromen en hun existentiële angsten vanwege de op de loer liggende dood. Door dit alles vervaagt de grens tussen droom- en waaktoestand en biedt het sanatorium aan schrijvers een kader om over de dagelijkse realiteit een betoverende laag te leggen. Die laag kan filosofisch zijn, ze kan ook poëtisch, melancholisch of komisch uitpakken, of zelfs uitdraaien op ronduit demonische fantasieën.

Om je te laten kennismaken met de sanatoriumroman in al zijn vormen, maakten we een overzicht met negen romans die in een sanatorium verhalen. Met naast De toverberg ook nog aandacht voor werk van onder anderen F. Scott Fitzgerald en David Vogel.

De toverberg van Thomas Mann: een geestelijke wellnesskuur

In 1912 wordt de echtgenote van Thomas Mann vanwege een aandoening aan haar luchtwegen opgenomen in een bergsanatorium in het Zwitserse Davos. De schrijver gaat haar opzoeken en wordt er wegens een kuchje ook zelf onderzocht. De diagnose? Een verdacht vlekje op een van zijn longen. Prompt raadt de hoofdarts hem een ligkuur aan van een halfjaar, maar Thomas Mann pakt na drie weken zijn biezen en besluit zijn indrukken neer te schrijven in De toverberg.

Vooral jonge, niet doodzieke, mensen komen in een luxueuze sanatoriumomgeving door de voorgeschreven rust en de afzondering binnen de kortste keren buiten de tijd en de werkelijkheid te staan, zo stelde hij vast. Precies die vervreemdende atmosfeer maakt dan ook de kern uit van De Toverberg.

De roman opent met de treinreis van rijkeluiszoon Hans Castorp. Twee dagen slingert hij door berg en dal om zijn neef Joachim Ziemssen in sanatorium Berghof in Davos te bezoeken. Omdat Joachim ondanks zijn tuberculose een springlevende indruk maakt, gaat Hans ervan uit dat hij samen met hem terug zal reizen. Er is echter geen haar op Joachims hoofd dat daaraan denkt: ‘Jij met je “over drie weken weer naar huis”, dat zijn ideeën van het laagland.

Maar liefst zeven jaar zal Hans Castorp doorbrengen in de als betoverd aandoende wereld, die de sanatoriumgasten kortweg omschrijven als ‘hierboven’. Losgezongen van het reilen en zeilen in het ‘laagland’ valt Hans voor de Russische met de ‘Kirgiezenogen’ en werkt hij met de hulp van een paar leermeesters aan zijn geestelijke ontwikkeling. Zo dwingen de verschillende opvattingen van de Italiaanse humanist Settembrini en de jezuïet Naphta hem er onder meer toe om zich te buigen over thema’s als individuele vrijheid en waardigheid. In wezen is De toverberg dan ook een bildungsroman. Hans Castorps jacht op kennis over tijd, leven, dood, liefde, filosofie en kunst komt evenwel abrupt ten einde met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Gelittekende harten van Max Blecher: een ligkuur in harnas

Ook in Gelittekende harten van de Roemeense auteur Max Blecher (1909-1938) spoort de hoofdpersoon, in dit geval de chemiestudent Emanuel, met een boemeltreintje naar een sanatorium. Voorts is de insteek van de Roemeen evenwel totaal verschillend van die van Thomas Mann. Gelittekende harten is namelijk geen filosofische roman, het is een boek waarin Max Blechers eigen fysieke lijdensweg vanwege bottuberculose voelbaar is.

Op zijn negentiende, wanneer hij in Parijs geneeskunde studeert, valt zijn eigen diagnose. De volgende zeven jaar brengt Max Blecher grotendeels al liggend door in sanatoria. Eerst zoekt hij zijn heil in Berk-aan-Zee aan de Opaalkust. Later verblijft hij nog in het Zwitserse kuuroord Leysin en in Techirgiol aan de Zwarte Zee. De laatste drie jaren van zijn leven trekt hij zich terug in een huisje dat zijn ouders in Roemenië voor hem hebben laten inrichten. Hij overlijdt er op zijn achtentwintigste.

Al meteen vanaf zijn eerste roman, Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid (1936), hoort Max Blecher bij de meest vooraanstaande Balkan-schrijvers van zijn generatie, samen met onder meer Eugène Ionesco. Aan elk van de drie kuuroorden waar hij verbleef, wilde hij een boek wijden. Twee van die drie zijn onvoltooid gebleven. Wel zijn ze postuum verschenen als Het verlichte hol. Gelittekende harten is de sanatoriumroman die Max Blecher een jaar voor zijn dood nog gepubliceerd zag worden.

Het verhaal speelt zich af in Berk-aan-Zee, een Frans kuuroord dat plaats biedt aan niet minder dan vijfduizend patiënten met bottuberculose. Het merendeel ligt geïmmobiliseerd te bed in een korset van gips. Zo’n harnas is bedoeld om weerbarstige wervels te stabiliseren. Liggend in speciale rijtuigen gaan de patiënten naar de duinen, het strand of de kroeg. Een rijtuig met paard staat in Berk-aan-Zee vrijwel gelijk met de luxe van een Rolls-Royce. Armere patiënten moeten het stellen met brancardbedden op wielen.

In de eetzaal van het sanatorium tafelen de gasten liggend, waardoor Emanuel zich er steevast op een banket uit de oudheid waant. Aan een nachtelijk feestje, dat ontaardt in een slemppartij, houdt hij enkele vrienden over. Flirten fleurt de dagen op, maar houdt de dood niet weg. Soms wordt Emanuel overvallen door de ‘volmaakte nutteloosheid van een prachtige dag’, maar vaker voelt hij zich minder dan zichzelf in dit ‘souterrain van de werkelijkheid’.

In het sanatorium van David Vogel: camaraderie en hartstocht

De Joodse auteur David Vogel (1891-1944) groeit op in het Oost-Europese Podolië, dat nu tot Oekraïne behoort. In 1912 verlaat hij zijn geboortestreek voor Wenen. Als leraar Hebreeuws probeert hij er de eindjes aan elkaar te knopen, maar de toekomst waar hij van droomt is die van schrijver. Hij maakt zijn droom waar, al is hij niet meteen een ronkende naam. Nochtans wordt hij vaak vergeleken met Franz Kafka en Arthur Schnitzler. Alle drie staan ze namelijk bekend om hun focus op de existentiële worsteling van de moderne mens in de snel veranderende maatschappij.

David Vogel verhuist in 1925 van Wenen naar Parijs en begint er aan zijn meest bekende roman, Huwelijksleven. In diezelfde periode schrijft hij de novelle In het sanatorium. Die is gebaseerd op zijn eigen ervaringen in het sanatorium van Merano, waar hij een jaar eerder in behandeling was voor tuberculose. Aan het eind van de jaren twintig emigreert hij naar Palestina, in de hoop dat het warme klimaat zijn gezondheid ten goede zal komen. Algauw mist hij Europa en verkast opnieuw naar Parijs. In 1939, met de oorlogsverklaring van Frankrijk aan Hitler-Duitsland, wordt David Vogel als ‘vijandig staatsburger’ geïnterneerd. In 1944 volgt deportatie naar Auschwitz. Dat wordt zijn dood.

Imre Orniek, een student handelseconomie, is de hoofdpersoon van In het sanatorium. Hij lijdt aan tuberculose, maar heeft ook last van heel wat andere ongemakken en pijntjes. Zijn lotgenoten in het sanatorium voor mindervermogenden in het Albanodal in Zuid-Tirol steken goedmoedig de draak met zijn gewoonte om voortdurend zijn koorts te meten en nauwgezet zijn gezondheidstabel bij te houden. Toch is het lang niet allemaal kommer en kwel. Het gezelschap telt enkele gangmakers die de (studentikoos aandoende) sfeer er weten in te houden. Woorden en grapjes vliegen over en weer op de balkons waar de goed ingeduffelde patiënten zich in rustbedden dagelijks laven aan de zon en/of de berglucht. Meer vurige contacten zijn voor de koppelavonden en de gezamenlijke wandelingen. Wanneer de pittige Gretty haar aandacht op Orniek richt, neemt de levensvreugde van de student hand over hand toe. Tot hij begrijpt dat haar belangstelling niet veel meer is dan een spel.

Het verhaal ‘Sanatorium Clepsydra’ van Bruno Schulz: gemorrel met de tijd

Een streek- en generatiegenoot van David Vogel is de Joodse woordsmid Bruno Schulz (1892-1942). Tekenen, schilderen, en schrijven, hij heeft het allemaal in de vingers. De verhalenbundel Sanatorium Clepsydra, die in 1936 in het Pools verscheen, heeft hij zelf geïllustreerd.

In het titelverhaal gaat Józef op bezoek bij zijn vader in het sanatorium. Dat bezoek ontaardt langzaam maar zeker in een hallucinatoire nachtmerrie. Doordat de tijd in het sanatorium is teruggezet leidt zijn vader, die in het nu is overleden, toch nog een leven. Zo heeft hij in het stadje een pand gehuurd waarin hij, net als vroeger, een stoffenwinkel runt. Józef stelt het op prijs dat hij nog met zijn vader kan samen zijn, maar tegelijkertijd huivert hij bij de kunstmatige opwinding in diens surrogaatleven. Alles bij elkaar genomen ervaart hij het gemorrel met de tijd dan ook als een valstrik.

Langzaamaan wordt ook de dreiging van het nazisme voelbaar. Een teken aan de wand zijn de vele zwarte honden die opduiken rond het sanatorium: ‘Verschillend van grootte en vorm scheren ze tijdens de schemering langs de grond over alle wegen en paden, bezig met hun hondenzaakjes.’ En dan is er nog de reusachtige wolfshond, die aan de achteringang van Sanatorium Clepsydra aan een ketting ligt. Die waakhond heeft Józef van begin af aan onrustig gestemd. De viervoeter brengt hem écht helemaal buiten zinnen van angst, wanneer hij een menselijke gedaante aanneemt tijdens de revolutie die door het stadje rolt. Józefs onbehagen slaat daardoor om in een politiek getinte angst, die wel heel wrang aanvoelt in het licht van Bruno Schulz’ eigen lot: in 1942 is hij een van de tweehonderd Joden die in het Oekraïense provinciestadje Drohobytsj, zijn geboorteplek, door de SS op straat worden doodgeschoten.

Teder is de nacht van F. Scott Fitzgerald: portret van een tragisch huwelijk

Teder is de nacht (1934) van de Amerikaan en Lost Generation-auteur F. Scott Fitzgerald (1896-1940) speelt zich hoofdzakelijk af aan de broeierige Franse Rivièra in de roaring twenties. Beginnen doet de geschiedenis evenwel in een sanatorium bij het meer van Zürich.

In die kliniek voor rijke, psychisch lijdende patiënten ziet de jonge, Amerikaanse psychiater Dick Diver het labiele meisje Nicole Warren voor het eerst. Ze wordt er behandeld voor schizofrenie. Dick en Nicole treffen elkaar vlak voordat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog in opdracht van het Amerikaanse leger vertrekt naar het front in Frankrijk. De brieven die ze na hun ontmoeting uitwisselen, blijken naderhand voor Nicole bijzonder heilzaam te zijn geweest. Zij is tijdens de oorlog bij Dicks collega-arts en vriend Franz in behandeling gebleven. Op zijn verzoek komt Dick na de Eerste Wereldoorlog opnieuw bij Nicole langs. Zijn bezoek mondt uit in een huwelijk, dat mettertijd ontspoort ondanks de glamoureuze façade.

Zowel zijn eigen leven als dat van Nicole hoopt Dick in de loop der jaren weer op de rails te krijgen door ver weg van de decadente Franse Rivièra opnieuw als psychiater aan de slag te gaan. Samen met zijn vriend Franz neemt hij een kliniek over aan het meer van Zug in Zwitserland. Met hun twee kinderen wonen Dick en Nicole naast dat moderne sanatorium – ‘niet langer een enkel donker, onheilspellend gebouw, maar een klein, verspreid, maar toch bedrieglijk geïntegreerd dorp.’ De mix van overspel, het financiële onevenwicht vanwege Nicoles familiefortuin, geestelijke leegte en een teveel aan alcohol zal het koppel uiteindelijk finaal de dieperik in drijven.

Er tekenen zich duidelijke parallellen af met hoe het F. Scott Fitzgerald en zijn echtgenote Zelda (1900-1948) is vergaan. Ook zij gingen ten onder aan de glitter en glamour van de Jazz Age. Zelda werd bovendien net als de mooie maar kwetsbare Nicole vanwege schizofrenie in psychiatrische instellingen opgenomen. Er zijn brieven teruggevonden die ze tijdens die rustkuren aan haar man schreef. Daarin vallen gelijkenissen op met de soms waanzinnige liefdesbrieven die de jonge Nicole in de roman naar Dick aan het front stuurt.

Afscheid van Juan Carlos Onetti: wat is feit, wat is verzinsel?

Juan Carlos Onetti (1909-1994) is geboren in de Uruguayaanse hoofdstad Montevideo. In 1975 ontvlucht hij de militaire dictatuur in zijn thuisland en vestigt zich in Madrid. Samen met Gabriel Gárcia Márquez, Jorge Luis Borges en Mario Vargas Llosa behoort hij tot de groten van de Latijns-Amerikaanse literatuur.

In de fascinerende novelle Afscheid (1954) laat hij door de ogen van de verteller een portret tot stand komen van een voormalige basketballegende, die vecht tegen tuberculose. De verteller is de uitbater van de winkel annex dranklokaal en postpunt in een vakantieoord in de Argentijnse bergen, waar tbc-patiënten komen aansterken. Wie slechts milde symptomen heeft kan terecht in een hotel, voor ernstigere gevallen is er het eigenlijke sanatorium een eindje verderop.

De winkeluitbater gaat er prat op dat hij de kuurgasten bij hun aankomst in het dorp slechts zijn zaak hoeft te zien betreden, om te weten welke kant het met ze zal opgaan. Op basis van de houding en de blikken van de basketbalspeler is zijn eerste indruk dat die bedeesde man van een jaar of veertig geen idee heeft waar hij de wilskracht vandaan moet halen om te herstellen: ‘Niet dat hij denkt dat het onmogelijk is om beter te worden, maar hij gelooft niet in de waarde, in het belang van beter worden.

De verteller werkt zijn beeld van de zieke verder uit door af te gaan op zijn quasi woordeloze contacten met de gesloten man, op diens post die hij ziet passeren, alsook op de roddels van het hotelpersoneel. Die achterklap draait om gissingen rond het drankgebruik en om de vermeende veelwijverij van de zieke. Zo spint de verteller een web van feiten en voor feiten doorgaande verzinsels.

De kliniek van Ahmed Bouanani: een dijk van een tragikomedie

De van Casablanca afkomstige filmmaker en auteur Ahmed Bouanani (1938-2011) is een van de belangrijkste culturele figuren van zijn generatie in Marokko. Hij studeerde in Parijs aan het prestigieuze Insititut des Hautes Études Cinématographiques. Daarna keerde hij naar zijn vaderland terug, zette zich ruim dertig jaar in voor de promotie van de Marokkaanse film en werd een toonaangevende stem in de artistieke wereld.

Ahmed Bouanani krijgt in de herfst van 1967 tuberculose en verblijft een halfjaar in een ziekenhuis in Rabat. Uit brieven aan zijn echtgenote Naïma komt naar voor hoe hij er te lijden heeft onder de eentonigheid en de bittere kou. Die ijzige kilte waart eveneens door de roman De kliniek (1990): ‘Het is hier ook koud, net als in mijn geheugen. Onmogelijk om weg te kruipen in de zachte schoot van een illusie.

Met uitzondering van de verteller en een tweedejaarsstudent geneeskunde zijn alle patiënten analfabeet – maar niettemin ongemeen welbespraakt! De verteller wijt dat aan hun geheugenbibliotheek. Die bevat fragmenten uit de Koran, de vertellingen van Duizend-en-een-nacht, oude volksverhalen en uit De geurige tuin (een literaire, Arabische handleiding in erotiek, in de vijftiende eeuw geschreven door Umar Ibn Muhammed Al-Nefzawi, afkomstig van een Berberstam uit Tunesië). De patiënten zijn kruiers, sjouwers, kruideniers, werklozen, smokkelaars en verschoppelingen allerhande, allemaal ‘koortsig en verloren, met in hun bagage de stille seizoenen en grove taal waar de geur van koemest en maïsbrood nog aan hangt.

De dood zit in de kliniek mee aan tafel, lacht wanneer de patiënten lachen en doet mee met hun streken. Er wordt ondanks het eentonige en uitzichtloze heden best wat lol getrapt. Zo vermaken de zieken zich met het geanimeerd ophalen van herinneringen, waarvan sommige waargebeurd zijn en andere slechts vaagweg aanleunen bij de realiteit.

De kliniek is tegelijk een nachtmerrie, een tijdloos labyrint en ‘een ijskoud lichaam, met muren waar je ook maar kijkt.’ Als gevangenis staat de kliniek ook symbool voor Marokko. Wanneer De kliniek in 1990 verschijnt is het er immers moeilijk ontsnappen aan de ijzeren hand waarmee koning Hassan II al bijna dertig jaar regeert. Ahmed Bouanani snijdt de impact van het dictatoriale regime terloops aan. Dat doet hij bijvoorbeeld in een opmerking over hoe je als burger best op je hoede bent omdat het zomaar zou kunnen dat de buurtkapper of de taxichauffeur een spion is voor de politie of een inspecteur bij de inlichtingendienst. Ahmed Bouanani’s personages zijn schalkse spoken die bij daglicht wankelend, spuwend en scheldend worstelen met een verkommerend bestaan en dito land.

De weg naar Wellville van T.C. Boyle: kuren bij de uitvinder van cornflakes

Het volgende boek in de lijst van sanatoriumromans is geschreven door de Amerikaanse T.C. Boyle (1948). Met hem gingen we eerder in gesprek over zijn recentste roman Praat met mij, waarin een jonge chimpansee tijdens een taalexperiment de harten steelt van zijn onderzoekers.

In De weg naar Wellville (1993) maakt T.C. Boyle zich vrolijk over de rage van gezonde voeding die aan het begin van de negentiende eeuw opkwam. Het boek draait om Dr. John Harvey Kellogg, de uitvinder van cornflakes en oprichter van het gerenommeerde kuuroord The Battle Creek Sanitarium. Een groot aantal verzonnen personages deelt het podium met Dr. Kellogg, onder wie Will en Eleanor Lightbody. Zij is een echte ‘Battle Freak’. Will gaat mee met haar kuren, deels om zijn huwelijk te redden en deels om van zijn spijsverteringsproblemen af te komen. Die zijn veroorzaakt door de drank en een huisremedie waarmee Eleanor hem hoopte te genezen.

Omdat Venus op de dag dat ik werd geboren een alpenviooltje passeerde van Mona Høvring: identiteitscisis hoog in de Noorse bergen

Tot slot stippen we nog de recent verschenen roman aan van de Noorse Mona Høvring (1962). Martha en Ella, twee zussen van iets over de twintig, trekken zich daarin terug in een kuurhotel hoog in de Noorse bergen. Martha wil er herstellen van een aanslepende zenuwinzinking. De afzondering in het winterse landschap creëert eerst een dromerige sfeer, maar gaandeweg raakt de stemming verstoord door verwarrende identiteitsvragen die de zussen niet langer uit de weg kunnen gaan.

Hun verhaal wordt verteld door Ella. In haar zoektocht vindt ze steun bij de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig, meer bepaald bij diens novelle Verwirrung der Gefühle (1927), die gaat over een seksueel gekleurde identiteitscrisis. Ook de existentiële en innerlijke queeste van Ella en Martha woelt ontregelende, erotische gevoelens op. Door hun contacten met andere hotelgasten worden die nog extra aangewakkerd.

Mona Høvring (1962) debuteerde in 1998 als dichter en publiceerde sindsdien nog vijf poëziebundels en vier romans. Met Omdat Venus op de dag dat ik werd geboren een alpenviooltje passeerde brak ze in 2018 in Noorwegen definitief door. In 2021 werd ze bekroond met de Dobloug-prijs, de prestigieuze onderscheiding van de Zweedse Academie voor literatuur en literatuurwetenschap. In haar motivatie stelt de jury onder meer dat Mona Høvring filosofisch en poëtisch inzicht in mensen, vooral vrouwen, verweeft tot een literair universum waarin realisme en sprookjesachtige dromen samenkomen. De inspiratie voor de betoverende laag die in haar laatste roman over de dagelijkse realiteit ligt, is sterk verbonden met de beslotenheid van het kuurhotel hoog in de bergen. Daarmee illustreert ze dat het sanatorium als romansetting nog altijd leeft.

Meer lezen en weten over sanatoriumromans en andere overzichten bekijken?

Pas in 1882 werd de bacterie ontdekt die tuberculose veroorzaakt. Tot dan werd tuberculose wel eens de ‘romantische ziekte’ genoemd vanuit de vaststelling dat veel kunstenaars, waaronder heel wat dichters en schrijvers, eraan ten prooi vielen. Onder meer Anton Tsjechov, John Keats, Franz Kafka, George Orwell – van wie we een essay exclusief publiceerden – en Katherine Mansfield overleden aan tuberculose. Meer geluk had de Amerikaanse Katherine Anne Porter, die er wel van herstelde.

Aan het begin van De toverberg, komt sanatorium Schatzalp ter sprake. Dat ligt nog hoger dan het fictieve sanatorium waar de roman zich afspeelt. Het uiterst luxueuze Art Nouveau sanatorium Schatzalp bestond echt en ontving patiënten tussen 1900 en het begin van de jaren 50. Vanaf dan kon tuberculose met antibiotica worden behandeld en kregen de sanatoria veelal een nieuwe functie. Rond 1954 werd Schatzalp een hotel. De website besteedt veel aandacht aan de geschiedenis van het sanatorium.

Van De toverberg zijn er twee Nederlandse vertalingen. Hoe die sommige gemoederen verhitten lees je in het artikel dat we met Karakters aan de vertaalrel hebben gewijd.

Afscheid is het eerste in een reeks van zeven werken van Juan Carlos Onetti dat uitgeverij Kievenaar wil uitgeven. Het volgende, De dood en het meisje, staat gepland voor februari 2022.

In David Vogels novelle In het sanatorium wordt de stad Merano niet bij naam genoemd, maar tal van details wijzen erop dat het kuuroord zich daar bevindt. Er is bijvoorbeeld de wandelpromenade die overgaat in het Tappainerpad, ‘dat kronkelend tegen de helling omhoogloopt langs de diepe rotsspleet van de Passer, tussen groene, zuidelijke planten door die een scherpe reuk uitscheiden.’

F. Scott Fitzgerald maakte ooit een overzicht van de boeken die je volgens hem absoluut een keer gelezen moet hebben. Leuk detail: hij maakte het overzicht oorspronkelijk voor zijn verpleegster op het moment dat hij opgenomen was.