Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Portret: Michail Boelgakov

Achtergrond

Ondanks het feit dat Stalin fan was van het werk van Boelgakov, was er in de Sovjet-Unie geen plaats voor zijn werk en werd zijn werk nauwelijks opgevoerd of gepubliceerd.
Nationaliteit Russisch
Bekendste werk De meester en Margarita (1967)
Debuut De witte garde (1925)
Geboortedatum 15 mei 1891
Overleden op 10 maart 1940
In juni is het precies vijftig jaar geleden dat The Rolling Stones door Boelgakovs duivel werden bezeten en met vlammende ogen ‘Sympathy For The Devil’ opnamen.

Please allow me to introduce myself

Op deze aarde heb je schrijvers… en je hebt Russische schrijvers. En volgens de Russen zelf heeft Michail Boelgakov het beste boek aller tijden geschreven – dan heb je dus wel met iemand te maken. Maar hoezeer Boelgakovs werk ook brandt in het leven van ieder die hem heeft gelezen, toch knettert zijn naam tegenwoordig wat minder dan voorheen. Dat past misschien ook wel bij de woeste golven waardoor het werk van de schrijver al bijna honderd jaar wordt meegesleurd: het kreeg te maken met groeiend succes, heftige censuur, werd bestempeld als nationaal erfgoed en daalde weer langzaam af richting de underground.

Boelgakovs meesterwerk De meester en Margarita wordt door de Sovjetcensuur pas zesentwintig jaar na zijn dood voor het eerst gedrukt en het mythische en tijdloze verhaal slaat in als een bom. Eind jaren zestig lijkt het wel of er een nieuwe literaire dimensie is ontdekt. Boelgakov zet met zijn cultroman onder anderen Mick Jagger in lichterlaaie, die in een creatieve uitbarsting een muzikaal hoogtepunt uitspuwt met ‘Sympathy For The Devil’.

Dat zal Boelgakovs lezers vast niets verbazen – er zit namelijk iets onverklaarbaars in zijn werk. Het bezit occulte krachten, geeft nieuwe inzichten en veroorzaakt ervaringen waarvan je niet wist dat ze in taal verborgen konden zitten. Luister nog eens naar ‘Sympathy For The Devil’, het nummer waarin al Boelgakovs talenten en frustraties samen lijken te komen: van de sissende teksten, de onheilspellende percussie, de gesmoorde kreten, de sidderende maracas tot en met die smerige en duivelse gitaarsolo. De samenkomst van een Russisch leven vol oorlog, censuur, theater, literatuur, armoede, afwijzingen en een alsmaar brandende creativiteit.

Tekst: Ricardo Jupijn Illustraties: Mirjam Vesters

Michail Afanasjevitsj Boelgakov wordt geboren op 15 mei 1891 in Kiev, destijds onderdeel van het Russische Rijk. In een gezin van zeven en als oudste van drie broers groeit hij op in een intellectuele omgeving vol muziek, literatuur en theater. Zijn hoogopgeleide moeder Varvara is voormalig docente en vader Afanasiy is naast professor-assistent aan de Theologische Academie van Kiev een prominent Russisch-orthodox essayist, denker en vertaler van religieuze teksten.

Al vanaf zijn jeugd wordt Boelgakov aangetrokken door het theater en schrijft hij komedies waarin zijn broertjes en zusjes de hoofdrollen vervullen. Op het gymnasium ontwikkelt hij een diepe liefde voor Russische en Europese opera, theater en literatuur; met Gogol, Pushkin, Dostojevski en Dickens als zijn grote voorbeelden. In een relatief rustige periode in het Rijk ontdekt de schrijver het leven, de kunst en zichzelf.

In 1907 komt zijn vader te overlijden aan een nierziekte en staat zijn moeder er plots alleen voor. De jonge Boelgakov behaalt niet veel later toch zijn diploma, gaat medicijnen studeren aan de universiteit van Kiev en trouwt in 1913 met Tatiana Lappa. Amper een jaar later breekt de Eerste Wereldoorlog uit en meldt de toekomstige schrijver zich als vrijwilliger bij het Rode Kruis. Boelgakov wordt naar het front gestuurd, waar hij twee keer flink gewond raakt en een morfineverslaving ontwikkelt. Niet zonder enige slag of stoot weet hij daar in 1918 van af te komen en hij gebruikt zijn ervaringen in 1926 zelfs als inspiratie voor de novelle Morfine.

Ondertussen is hij in 1916 afgestudeerd aan de universiteit en wordt in de provincie aangesteld als arts. Dan stuurt men hem naar een ziekenhuis in de buurt van de stad Smolensk, maar al snel wil hij koste wat het kost naar huis. Hij verafschuwt de kortzichtige plattelandsbevolking en wil meer gaan schrijven. Daarnaast is de Russische Revolutie in volle gang en Boelgakov maakt zich ernstige zorgen over zijn familie. Over deze periode schrijft hij Aantekeningen van een jonge arts, dat nu ook als miniserie op Netflix is verschenen. In 1918 weet hij Kiev eindelijk weer te bereiken, waar hij zijn eigen privékliniek opent en midden in de Russische Burgeroorlog terechtkomt.

De ene na de andere coup wordt gepleegd voor de neus van de jonge Boelgakov, een groot deel van zijn familie is ondertussen geëmigreerd naar Parijs en hij ziet zijn broers met De Witte Garde vertrekken om tegen de ‘Rode’ Bolsjewieken te strijden. Begin 1919 wordt hij zelf gemobiliseerd als legerarts in de noordelijke Kaukasus. Tijdens deze oorlog lijdt hij verschrikkelijk aan de tyfus. Door de Franse en Duitse overheden wordt hij gevraagd om te emigreren, maar hij mag het land niet verlaten door zijn ziekte. De jonge arts blijft achter in de Kaukasus en vindt een baantje als journalist.

Tijdens zijn ziekte verandert er iets in Boelgakov, want na zijn herstel besluit hij definitief te stoppen met het uitoefenen van zijn beroep als arts en zet hij alles aan de kant om ruimte te maken voor het schrijven. Hij heeft al die jaren aan verhalen gewerkt, maar krijgt de smaak echt te pakken wanneer hij in 1919 in een nachttrein het kortverhaal Toekomstperspectieven schrijft. Hij stuurt het op naar een krant, die het wil publiceren. Hij begint meer verhalen te publiceren, maar om zijn carrière naar een hoger plan te tillen gaat hij in 1921 naar Moskou.

Eenmaal in de hoofdstad aangekomen blijken de omstandigheden daar erbarmelijk te zijn. Het is praktisch onmogelijk om er een fatsoenlijk bestaan op te bouwen. Na lang zoeken weet Boelgakov een plekje te bemachtigen als journalist op een aantal redacties, terwijl zijn literaire werk steeds meer tijd begint op te eisen en hier en daar wordt gepubliceerd. In 1924, het jaar waarin de schrijver zijn semi-autobiografische roman De Witte Garde afrondt, begint dat echter steeds moeilijker te worden. De roman zou in 1925 in delen verschijnen in het blad Rossiya, maar dat verdwijnt voordat de serie is afgerond. Het boek wordt door de ingetreden censuur pas ruim veertig jaar later in zijn geheel gepubliceerd.

In hetzelfde jaar schrijft hij De eieren der Rampp-spoed, dat nog wel gepubliceerd wordt door de uitgever Nedra, en in 1925 volgt het boek Hondehart. Het verhaal gaat dat er een regeringsspion aanwezig is bij de eerste lezing van het verhaal, die vervolgens een negatief advies rapporteert aan de geheime dienst. De roman wordt gecensureerd voordat het gepubliceerd kan worden en in 1926 wordt het manuscript – samen met al Boelgakovs dagboeken – in beslag genomen tijdens een huiszoeking. Een paar jaar later krijgt hij zijn papieren terug, maar in 1987 verschijnt Hondehart in Rusland pas voor het eerst.

In deze vroegere boeken is al goed te zien welke weg Boelgakov in zijn latere werk in zou slaan: ze staan vol bitterzoete en satirische verhalen, gekleurd door surrealisme en sciencefiction. Levensechte karakters tegenover absurde gebeurtenissen, die worden beschreven alsof ze net hebben plaatsgevonden, ethische en filosofische thema’s gewikkeld in een magisch realistisch jasje – en dat allemaal met een creativiteit en een fantasie die iets bovennatuurlijks heeft.

Midden jaren twintig boekt de auteur echter wel successen in het theater met toneelstukken als Zoja’s appartement, Het paarse eiland en De dagen der Toerbins. Boelgakov bouwt een goede naam op, omzeilt de censuur, maar ziet de donkere wolken ondertussen al samentrekken. Van alle 301 recensies die hij over zijn werk uit de ‘pers’ verzamelt, ontdekt hij ondanks de klaarblijkelijke populariteit van zijn werk slechts drie positieve kritieken. De tegenslagen bereiken een hoogtepunt als Stalin tegen het eind van het decennium zijn ware gezicht laat zien. Het wordt voor Boelgakov praktisch onmogelijk om nog werk gepubliceerd of opgevoerd te krijgen.

De schrijver zakt financieel steeds verder in de put en de leefomstandigheden in Moskou verslechteren onder de Sovjetbureaucratie: alles staat stil. Uit wanhoop besluit Boelgakov om in 1930 de Sovjetregering te schrijven, met het verzoek of hij het land mag verlaten of een betrekking kan krijgen als regisseur in een theater. De grote leider is ironisch genoeg namelijk fan van de Sovjetkritische schrijver en hij bezoekt Boelgakovs toneelstuk De dagen der Toerbins volgens de overlevering zelfs vijftien keer…

Toch koestert de schrijver weinig hoop. Een paar dagen later schrikt hij tijdens een middagdutje echter wakker van de telefoon. Aan de andere kant van de lijn: Stalin. Hij vraagt zich af wat het probleem precies is. De schrijver valt van verbazing half van zijn stoel: hij is in een heuse conversatie met de besnorde leider beland. Diep van binnen wil Boelgakov zijn nog altijd geliefde Rusland helemaal niet verlaten en Stalin kan hem simpelweg ook niet zomaar laten gaan. Stalin vraag zich af wat de schrijver graag zou willen doen. Is een baantje in het Moskous Kunsttheater toevallig wat? Stalin zegt tegen Boelgakov dat hij nog eens contact op moet nemen met het theater. Je raadt het al: hij krijgt een baan aangeboden als regieassistent, librettist en vertaler.

Maar wat een mooie geste lijkt, blijkt creatief weinig voor te stellen. Hoe dicht hij ook op het vuur zit in zijn nieuwe functie, hij krijgt geen enkel nieuw werk op de planken, enkel wat bewerkingen van oude stukken. Om hem heen worden bevriende schrijvers gearresteerd en verbannen en Boelgakov begrijpt dat hij toch wat voorzichtiger moet zijn. Niet in de laatste plaats met de eventuele verspreiding van zijn werk in de samizdat, de ondergrondse publicaties van verboden literatuur. Toch houdt hij niet op met schrijven en gezien de vele kritische verhalen van Boelgakov is het een wonder dat hij deze jaren overleeft. In 1936 is hij het echter beu om afgewezen te worden op de creatieve begraafplaats die zijn werk geworden is en neemt ontslag. Aan een vriend schrijft hij in die periode: ‘De afgelopen zeven jaar heb ik zestien verschillende werken geschreven en allemaal zijn ze verloren gegaan. Ik werk hard maar het heeft geen enkele zin. Daarom bevind ik mij in een toestand van apathie.’

Door de jaren dertig heen lijdt Boelgakov aan depressies, slapeloosheid en paniekaanvallen. Hij verdient weinig, staat stijf onder de continue stress door de afwijzingen van al zijn verhalen en – met de vorige huiszoekingen van de geheime dienst nog in het achterhoofd – werkt hij in het geheim ook nog eens aan een uiterst gevaarlijke roman waar hij bijna niemand over kan vertellen. Het is onder meer de steun van zijn derde vrouw Elena Sergeevna Silovskaja die hem door deze periode heen sleept. Ze helpt hem door te zetten met schrijven, ondersteunt hem in zijn kwalen en tovert hun huis om in een broeinest voor gelijkgestemde kunstenaars, waar werk en gevoelens gedeeld kunnen worden.

Want dat is het enige wat de schrijver nog enigszins op de been houdt, het verhaal waar hij al sinds 1928 mee bezig is: een kolossale roman over Christus en de duivel. Een krankzinnig verhaal waarvan hij weet dat het niet gepubliceerd gaat worden en waarop hij zijn creativiteit volledig los kan laten. De roman drijft Boelgakov tot waanzin, hij verbrandt een vroege versie van het manuscript, pakt toch de draad weer op en blijft tot het einde van zijn leven als een bezetene aan het verhaal werken, tot hij in 1940 overlijdt aan dezelfde nierziekte als zijn vader. De enige hoop op zijn sterfbed is zijn vrouw Elena, die er uiteindelijk voor zal zorgen dat zijn meesterwerk decennia later in al zijn glorie wordt gepubliceerd.

‘Manuscripten branden niet.’

De meester en Margarita is een cultroman die steevast ‘een van de beste romans van de twintigste eeuw’ wordt genoemd en met weinig in de literatuur te vergelijken is. Het is een complex werk waar de intelligentie vanaf spat en dat zich lastig laat omschrijven. Bijna alsof je een blind persoon uit moet leggen hoe een roze-oranje zonsondergang eruitziet in een aardbeienveld in Zuid-Frankrijk.

Het is een combinatie van allerlei elementen die het boek zo magisch maken: de lichtvoetige en glasheldere taal, de tastbare karakters, de geestige situaties, de onnavolgbare structuur, de kronkelende verhaallijnen, de filosofische inzichten en een religieuze bovennatuurlijkheid. Het is zo inventief, zo creatief en zo anders dan alles wat je ooit gelezen hebt. Het blijft onvoorstelbaar dat iemand met alleen letters en interpunctie zo’n kleurrijke en diepzinnige wereld vol absurde details tot leven kan wekken. Boelgakov schept met De meester en Margarita haast een nieuw evangelie.

Het verhaal in het kort

Vooropgesteld dat Boelgakov een goede schrijver is, overtreft hij zich mateloos met De meester en Margarita, een roman die uit elkaar barst van ambitie, grote thema’s en waarin fantasie, satire, historie, filosofie, religie en maatschappijkritiek een rol spelen. En al begint het als een zwierige komedie, je hebt als lezer direct door dat je aan de voet van een monumentaal verhaal staat en al snel word je ring voor ring dieper in het mysterieuze verhaal gezogen. Onderweg beginnen de vele verhaallijnen door elkaar te lopen, raak je verstrikt in de bedrieglijke vorm van het boek en word je tureluurs van de weergaloze structuur. Het is haast onbegonnen werk, maar in grote lijnen zou je De meester en Margarita als volgt kunnen samenvatten.

Het boek begint in de jaren twintig van Moskou: een wereld waar aan alles een gebrek is, een angstig en wantrouwend klimaat heerst en waar religie is verboden. Deze broeierige stad is voor de duivel de ideale setting om zijn Lentebal te organiseren en hij gaat op zoek naar een gastvrouw die de voornaam Margarita draagt. De naam van deze satan is Woland en hij heeft een bende bandieten meegenomen om de feestvoorbereidingen te treffen: woordvoerder Fagot, een boef met een slagtand genaamd Azazello, de zwarte sprekende reuzenkater Behemoth, de blinde Abadon en Gella de heks. Een ontregelend gezelschap verantwoordelijk voor moorden, brandstichtingen en ontvoeringen. De bende houdt zich ook bezig met zwarte magie en maakt het leven van bureaucraten, hebzuchtigen en kruimeldieven zuur. Toch is Woland niet zozeer een duivel die hel en verdoemenis naar de aarde brengt, maar blijkt een rechtvaardig man die ijdele mensen op de proef stelt en straft voor hun zwakheden.

De tweede verhaallijn zie je niet een-twee-drie aankomen. Hij is magisch, historisch en evangelisch tegelijk en speelt zich af in Jeruzalem, waar Jezus is gearresteerd en voor Pontius Pilatus wordt gebracht. De gearresteerde wint het vertrouwen van Pilatus, die er alles aan doet om de in zijn ogen onschuldige en bescheiden man te sparen. Zijn terdoodveroordeling is echter bezegeld en het lukt Pilatus niet om Jezus vrij te krijgen, waarop de procurator wordt gekweld door zijn geweten en verschrikkelijke hoofdpijnen.

Bekijk hier een korte animatiefilm gebaseerd op De meester en Margarita

De derde verhaallijn draait om de liefde van de Meester en Margarita. De Meester heeft een betoverende roman geschreven over de berechting van Jezus door Pontius Pilatus, een verhaal dat door een van de aanwezigen – Woland – in het tweede hoofdstuk van het boek wordt beschreven. De roman wordt echter compleet afgefakkeld door critici, waarop de Meester doordraait, het manuscript verbrandt en in een gekkenhuis belandt zonder dat Margarita weet waar hij is. Terwijl zij alsmaar wanhopig op zoek is naar haar geliefde, komt niet geheel toevallig Woland om de hoek kijken, die haar een voorstel doet: in ruil voor haar aanwezigheid op het Lentebal brengt hij haar geliefde terug.

Structuur

Toegegeven: het klinkt nogal ongeloofwaardig dat iemand een geniale roman kan schrijven waarin verhaallijnen over politiek, geschiedenis, religie, kunst, een duivelse bende, communistisch Moskou, een liefdeskoppel en de veroordeling van Jezus Christus door elkaar lopen. En dat allemaal in de stijl van een satire, een parodie, een allegorie én een zelfportret.

Als je nu denkt ‘Hoe zit dit boek dan in hemelsnaam in elkaar?!’: maak je niet druk, je kunt je niet voorbereiden op de achtbaan waarin je terechtkomt nadat je de eerste bladzijde hebt gelezen. Lean back and enjoy the ride. Langzaam maar zeker begin je verbanden te ontdekken en zie je hoe deze verschillende hoofdstukken virtuoos in elkaar gevlochten zijn. De plotselinge verschijning van een nieuwe verhaallijn tot en met het uitblijven daarvan: het drijft je tot waanzin. De balans is op een demonisch weegschaaltje gewogen en maakt je tot een ware Boelgakov-junkie.

Thema

De meester en Margarita is geschreven tijdens de meest gewelddadige periode van Stalins bewind en had toen alleen al om al zijn duivelse en religieuze verhalen nooit mogen verschijnen. Hoewel er genoeg subtiele kritiek in het boek is verweven, zet Boelgakov vooral de samenleving in de Sovjet-Unie en de literaire wereld in Moskou te kakken. De verhalen richten zich op menselijke zwakheden als hebberigheid, narcisme, ontrouw en materialisme. In de basis gaat de roman over de capaciteit van de mens om het juiste levenspad te bewandelen, verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden, om te gaan met macht en lonkende gemak- en hebzucht te weerstaan.

Waar sommigen liefde, sensualiteit, vrijheid en moed een belangrijke rol in de roman toedichten, stellen andere critici en onderzoekers de tweestrijd van Pilatus centraal als hoofdthema van de roman: de studie naar goed en kwaad en de vraag wat de waarheid nu eigenlijk is. Maar ook dit zijn slechts een aantal van de vele opvattingen over dit eindeloos bestudeerde boek. Hoeveel onderzoek er ook naar dit boek en zijn geschiedenis is gedaan, geen enkele visie is helemaal sluitend. Dat kan gewoon niet en het mooie is: dat hoeft ook niet. Het boek is niet rechtlijnig en er is geen eenduidige manier om het te lezen: iedereen haalt er zijn eigen waarheden uit.

Verschijning

In een turbulente Sovjetperiode is er ineens in 1966 en 1967 een kans om het manuscript van De meester en Margarita in twee delen te publiceren in het tijdschrift Moskva. Binnen korte tijd zijn de teksten al onderweg naar een Parijse uitgever en verspreidt het boek zich als een olievlek over Europa.

Zo goed als meteen wordt de roman bestempeld als een lang verloren Russische parel. Niet geheel verrassend zijn de eerste westerse recensies terughoudend en weet de pers niet zo goed wat ze met Boelgakovs werk aan moeten. Maar intrigerend is het wel! In een aantal artikelen komt men tot een omschrijving van de inhoud, maar vaker wordt er geconcludeerd dat dit omvangrijke en gedetailleerde boek verder geanalyseerd moet worden om tot de kern ervan te komen.

In de Sovjet-Unie ligt het ietwat anders: de jaren zestig zijn zwaarbeladen politieke jaren en daar worden minder malse meningen uit de molen gedraaid. Objectief zijn deze niet, want het boek wordt een soort speelbal van conservatieve en progressieve recensenten. Zo zou Jezus vergiffenis prediken in plaats van actie, zou de Meester vluchten voor zijn sociale plichten en zou het boek de materialistische Sovjetmens ondermijnen. Anderen zien het weer als ware kunst en als een fabuleuze aanklacht tegen Stalins regime.

Bij het Russische en westerse publiek gaat De meester en Margarita er hoe dan ook in als zoete koek en wordt het direct een hit. Bijna niemand wist al die jaren dat dit manuscript überhaupt bestond en ineens is het daar, geschreven tijdens die intrigerende regeerperiode van Stalin en de grote zuiveringen die er in het land plaatsvonden. Het wordt een schandaalsucces, blaast mensen van hun sokken en haast niemand kan geloven dat de roman in die bijzonder roerige Sovjetperiode is gepubliceerd. Door de hele Sovjet-Unie – evenals het Westen – gonsde het van de geruchten, speculaties, interpretaties en werd het boek verslonden. Nog steeds een mysterie, nog steeds een inspiratie.

Interview met vertaler Aai Prins: ‘De diepere lagen van Boelgakov zitten voor mij niet zozeer in hoe hij schrijft, maar in wat hij schrijft’

Al die artikelen over Boelgakov en zijn magische roman De Meester en Margarita zijn natuurlijk fantastisch, maar zonder vertaling hadden wij – de mensen die geen Russisch kunnen lezen – het boek nooit kunnen ervaren. Daarom zoeken we Aai Prins op, iemand die het boek door en door kent. Samen met Marko Fondse maakte zij in de jaren negentig de huidige Nederlandse vertaling van De Meester en Margarita.

Terwijl de zon zachtjes over Amsterdam valt zitten we aan Prins’ keukentafel, terwijl zij op zoek is naar haar Boelgakov-vertalingen. De koffie pruttelt en door de opengeslagen deuren komt een zacht briesje dat langs de muur vol boeken glijdt. Al snel wordt de collectie paarsrode Van Oorschot-banden op tafel gelegd en loopt Prins naar het aanrecht voor de koffie. ‘Mijn Boelgakov is misschien een beetje roestig’, zegt ze. ‘Al met al heb ik het boek zeker een keer of tien gelezen voor de vertaling, maar daarna heb ik het ook in de kast laten staan. Dat doe ik meestal als ik een boek vertaald heb. Dan weet ik het wel.’

Een flinke indruk heeft de roman echter wel gemaakt op de vertaalster, want tijdens het gesprek haalt Prins zonder problemen talloze scènes en details voor de geest. Zo weet ze nog precies wanneer ze het voor de eerste keer las. ‘In 1982 kreeg ik het boek in Rusland via via in handen. Het circuleerde destijds in de samizdat, een ondergronds circuit waarin mensen zelf boeken overtikten, kopieerden en verspreidden. Toen ik aan het boek begon zei een vriendin tegen mij: ‘O, wat ben ik jaloers op jou!’ Waarop ik zei: ‘Hoezo dan?’ ‘Nou, omdat je het boek voor de eerste keer leest.’ ‘Inderdaad, ik vond het een schitterend en ongelooflijk origineel boek.’

De Meester en Margarita
Prins wordt halverwege de jaren negentig betrokken bij een nieuwe vertaling van De Meester en Margarita omdat de oorspronkelijk vertaler, Marko Fondse, niet blij meer is met zijn versie uit de jaren zestig. ‘Hij had er destijds zeer weinig tijd voor, was een beginnend vertaler en er waren minder middelen om iets gemakkelijk op te zoeken of na te vragen. Daarnaast was zijn brontekst niet ideaal, omdat de eerste versie van de roman niet helemaal compleet was door de censuur’, vertelt Prins. ‘In die tijd werd er door vertalers ook nog wel aardig met de peperbus gestrooid om dingen op te leuken, dus hij wilde deze vertaling graag opfrissen. Alleen was Marko al wat ouder en zijn gezondheid liet het een en ander te wensen over. Destijds had ik net de eerste verhalen van Boelgakov vertaald voor Van Oorschot en zodoende werd ik bij het project betrokken.’

‘Dat was nog best spannend, want ik was toen nog een beginnend vertaler, terwijl Marko al een bekende naam was, onderscheiden met de prestigieuze Martinus Nijhoff Vertaalprijs’, herinnert Prins zich. ‘Maar dat ging allemaal goed, het proces zelf was een stuk omslachtiger. Marko woonde in Griekenland en al onze correspondentie ging via de post. Met een pennetje ging ik langs elk woord, elke zin en ik stuurde dan de teksten naar hem op. Door zinnen die ik niet goed vond zette ik een streep. Als ik mijn vertaling beter vond, markeerde ik de tekst groen en mijn suggesties kleurde ik blauw. Marko hakte dan met dat hele manuscript en al die aantekeningen de knopen door. Later kwamen we samen op de redactie, waar we achter zo’n grote computer de definitieve correcties doorvoerden.’

‘Secretaris’ of ‘geheimschrijver’?
Inhoudelijk worden er ook nog wat robbetjes gevochten. ‘Het begon met de details. In het verhaal over Jezus en Pilatus weet ik nog dat in de eerste vertaling de secretaris een ‘geheimschrijver’ werd genoemd. Dat was vroeger een synoniem en Marko hield van dat soort woorden. Maar ik begreep dat niet, waarom zou je dat doen? Als je de vertaling op alle niveaus ook maar ietsje smeuïger maakt, dan verwijdert het eindresultaat zich exponentieel van de brontekst.’

‘Dat boek heeft dat ook helemaal niet nodig. De taal van Boelgakov is kraakhelder en met simpele middelen weet hij een krankzinnige wereld te scheppen. Daarom is het niet zonde om het geheel met de vertaling exotischer te maken. Als vertaler wil ik mij ondergeschikt maken aan de taal. De diepere lagen van Boelgakov zitten voor mij niet zozeer in hoe hij schrijft, maar in wat hij schrijft’, vertelt Prins.

‘Neem nou de duivel in het boek, Woland, dat vind ik zo’n prachtig en levendig personage. Maar ook de thematiek en die situaties in het schrijvershuis en het variététheater zijn schitterend. Hij kan mensen op zo’n satirische en genadeloze manier fileren, van die stukken heb ik echt genoten. Boelgakov is heel vilein, maar ook grappig en filosofisch. Al vind ik zijn boek De Witte Garde misschien wel nog mooier. Of mag ik dat niet zeggen voor dit verhaal?’

Wow, je heb het einde van deze categorie bereikt!