fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Een duizendpoot in woord en beeld: het wondere levensverhaal van de Finse schrijfster Tove Jansson

Zowel in Finland als in Zweden wordt de schrijfster Tove Jansson (Helsinki, 1914-2001) op handen gedragen. Haar faam dankt ze in de eerste plaats aan haar kinderboeken, die zich afspelen in de door haar verzonnen Moeminvallei. Deze vallei is genoemd naar het Moemingezin dat er woont. Voor wie nog niet eerder kennis heeft gemaakt met Moem en zijn ouders: het zijn witte, aaibare figuren met een staart, afgeronde puntoren en een snuit, die hen iets nijlpaardachtigs geeft. Let wel, Tove Jansson ergerde zich aan de nijlpaardvergelijking: wie niet verder keek dan dat, vond ze tactloos. En gelijk had ze, want per slot van rekening zijn Moemins net als mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken.

De avonturen van de Moemins en hun vrienden wortelen in Tove Janssons eigen leven, angsten en verlangens. Dankzij haar innemende illustraties en fijne karakterschetsen die zijn overgoten met humor en spanning, zijn de verhalen een feest voor jong en oud. In 1966 kreeg de van huis uit Zweedstalige Finse schrijfster er de prestigieuze Hans Christian Andersenprijs voor.

Vanaf de jaren vijftig hebben de Moemins in vertaling een dertigtal landen veroverd. In 1970 liet Tove Jansson haar Moeminwereld los, om meer tijd vrij te houden voor kortverhalen en romans. Veel van dat werk is autobiografisch geïnspireerd, zo ook het onlangs opnieuw verschenen Zomerboek. Dit boek bestaat uit tweeëntwintig vignetten waarin de kleine Sophia met haar vader en grootmoeder overzomert op een eilandje voor de Finse kust. Tussen neus en lippen door geeft de grootmoeder levenslessen mee aan haar pientere kleindochter.

Met Karakters nemen we je mee voor een blik achter de schermen van het leven en werk van de veelzijdige Tove Jansson.

Tussen pen en penseel

Tove – klinkt als “Toewe” – Jansson (1914-2001) groeide op in Helsinki in een kunstenaarsgezin. Haar vader was een gerenommeerd beeldhouwer, haar moeder was grafisch kunstenares en illustratrice. Al heel vroeg werd duidelijk dat hun dochter het tekenen in de vingers had. Toch voelde Tove Jansson van jongs af aan ook de drang om zich uit te drukken in woorden, al was het maar om zich af te zetten tegen de almacht van het beeldend werk dat het leven van haar ouders beheerste.

Ze volgde van 1930 tot 1933 in Stockholm tekenkunst aan het Technisch Instituut, nu de University of Arts, Crafts and Design, waar ook haar moeder had gestudeerd. Nadien verfijnde ze haar schildertechniek door net als haar vader les te volgen aan de kunstacademie Ateneum in Helsinki. In 1934, na haar eerste semester, beweerde ze met klem dat papier was bedoeld om op te tekenen, niet om op te schrijven. Toch verscheen in datzelfde jaar haar verhaal ‘De Boulevard’ in een lokale krant.

Tove Jansson voelde zich niet helemaal naar waarde geschat aan het Ateneum. Haar talent werd wel erkend, maar als het erop aankwam, werd het werk van haar mannelijke medestudenten toch hoger geacht. Met lede ogen aanzag ze bijvoorbeeld dat hun schilderijen een prominentere plaats kregen op tentoonstellingen. Ook de inhoud van de lessen vond Tove Jansson getuigen van de paternalistische visie van de academie. Uiteindelijk besloot ze, samen met nog enkele andere progressieve studiegenoten, om het Ateneum te verlaten. Met drie van haar medestanders stampte ze een kunstenaarscollectief uit de grond. Ze huurden een ruimte in Helsinki en vormden die om tot bohemien werkplek.

‘Mijn eerste studio’, verzuchtte Tove Jansson in een dagboeknotitie over haar bezoek aan het atelier op een winterse zondagochtend. In geuren en kleuren ging ze verder: ‘De kleine hal is donker omdat we het niet nodig vinden om een lamp te kopen. Het ruikt er naar vloeibare lijm. Wanneer ik de deur naar de studio open, doet de tocht een sluier van tabaksrook trillen. Het daglicht verspreidt zich onzeker en grijs in de werkruimte onder het schuine dak. Het is er erg koud. Tegen de muren staan de reeds geprepareerde canvassen. De ezels vullen een hoek van het atelier.’

Een autobiografie heeft Tove Jansson nooit geschreven. Wel vatte ze ooit in zes bladzijden de cruciale periodes in haar leven samen. De tijd in de studio samen met de anderen van het kunstenaarscollectief haalde ze daarin expliciet aan vanwege de vrijheid blijheid die zowel gold in de zoektocht naar nieuwe stijlen, technieken en expressievormen als in de amoureuze escapades waaraan de creatieve bende zich overgaf.

In de lente van 1938 studeerde ze met een beurs in Parijs. Daarna reisde ze door naar Italië. Ze bleef er tot de op handen zijnde Tweede Wereldoorlog haar vroeger dan haar lief was terug naar Finland dwong. De oorlogsjaren in Helsinki vielen haar zwaar. De stad werd immers meermaals gebombardeerd door de Sovjettroepen. Daarnaast was ze ook voortdurend ongerust over vrienden en verwanten aan het Fins-Russische front. Onder hen waren onder meer haar oudere broer en haar toenmalige minnaar, de kunstschilder Tapio Tapiovaara (1908-1982).

Mannen herleid tot kanonnenvlees

Als kind had Tove Jansson gezien hoe haar vader harder was geworden na zijn terugkeer uit de Finse burgeroorlog – dit conflict had er in het voorjaar van 1918 toe geleid dat de Russische invloedssfeer over Finland werd vervangen door de Duitse. Haar vader was door zijn rol in de oorlogsmachine trouwens niet alleen verhard, hij had er daarenboven sympathieën voor het Duitse Rijk aan overgehouden. Viktor Jansson zag Duitsland na de burgeroorlog namelijk als de bevrijder en kwam daar niet op terug, toen het land mettertijd in de greep raakte van het nazisme.

Dat hij achter een natie stond die Jodenhaat propageerde, was tijdens WO II nefast voor de band tussen hem en zijn dochter, temeer omdat verschillende van haar beste vrienden Joodse roots hadden. Een van hen, Eva Konikoff, een in Rusland geboren fotografe, zag zich vanwege de Tweede Wereldoorlog zelfs genoodzaakt om van Finland naar de VS te vluchten. In het verzorgd uitgebrachte Letters from Tove (2019) geven de openhartige brieven van Tove Jansson aan haar vriendin veel prijs over hoe de schrijfster in het leven stond.

Tove Jansson | Karakters | Maarten Streefland

In meer dan een van haar epistels zette Tove Jansson uiteen hoe ze dacht over het huwelijk (een schijnvertoning vond ze het) en kinderen (een te mijden keuze). Haar oordeel was in hoofdzaak gebaseerd op wat ze in haar moeders leven had zien gebeuren. In het volgende citaat uit een brief van 1 november 1941 zijn “Faffan” en “Ham” de roepnamen voor respectievelijk haar vader en haar moeder: ‘Ik zie hoe Faffan, de meest hulpeloze, de meest kortzichtige van ons allemaal, het hele huis tiranniseert, ik zie dat Ham ongelukkig is, omdat ze altijd ja heeft gezegd, de gemoederen heeft bedaard, een stap opzij heeft gezet. Ze heeft haar leven opgeofferd en krijgt niets in ruil, behalve kinderen die sneuvelen in de mannenoorlog of er verbitterd uitkomen.’

Tove Jansson merkte dat haar generatiegenoten die in de jaren 1941-1944 naar het Fins-Russische front werden gestuurd, eenzelfde superioriteit ontleenden aan hun militaire, patriottische inzet als haar vader in zijn tijd. En dat stoorde haar, net zoals hun gebrek aan respect voor andermans gevoelens, dat in haar ogen een gevolg was van het morele overwicht dat ze zich aanmaten. Tegelijkertijd had ze te doen met al die jonge mannen die ook maar in een rol werden geduwd, waar ze niet zelf voor kozen.

Een man die tijdens WO II zijn brede, genereuze lach niet verloor, was Atos Wirtanen (1906-1979), een journalist, filosoof, aanhanger van Nietzsche, links politicus en enfant terrible in het Finse parlement. Tove Jansson ontmoette hem halfweg de Tweede Wereldoorlog. Zijn levenslust maakte voor haar alles ‘rijker, warmer en intenser’. Ze omschreef hem als de man die ze in haar laatste uur bij zich wilde hebben. Maar kinderen zag ze ook met hem niet zitten, zo klonk het in augustus 1945 in een brief aan Eva Konikoff: ‘Deze oorlog heeft me één ding geleerd. Nooit zonen. Nooit soldaten. Het heeft misschien iets van een idee-fixe, maar ik heb te veel gezien om ooit het risico te nemen.’

Een voorzichtige coming-out

Atos Wirtanen en Tove Jansson hadden een latrelatie. Die zat haar als gegoten, omdat ze warmte bood, maar ook ruimte liet voor zichzelf en haar werk. Hun band was echter niet bestand tegen de heftige gevoelens waardoor ze werd overrompeld in het najaar van 1946. Haar jongere broer Lasse vond al langer dat ze eens kennis moest maken met de theaterregisseur Vivica Bandler (1917-2004). Op een dag bracht hij haar mee naar de studio van zijn zus. Tove Jansson was ogenblikkelijk in de ban van haar rijzige, donkere verschijning. Korte tijd later, op een feestje bij Vivica Bandler thuis, sloeg er een vonk over die Tove Jansson verraste, maar die ze ook meteen met heel haar wezen omarmde. Na amper drie weken moest Vivica Bandler vanwege haar werk echter naar Parijs.

Telefoongesprekken en brieven – waarvan er ook zijn opgenomen in Letters from Tove – voedden hun liaison. Zo kroop Tove Jansson op 1 januari 1947 in haar pen, na vierentwintig uur lang uitbundig oud en nieuw te hebben gevierd – er ging haar niets boven een goed feestje om aan de harde werkelijkheid te ontsnappen. De brief in kwestie opende met de woorden: ‘Het is de eerste dag van het nieuwe jaar, een jaar dat ik al zie als het “onze”.’ Een maand of zes later doofde de amoureuze steekvlam evenwel, omdat Vivica Bandler besloot om haar echtgenoot niet te verlaten. Eens het stof wat was gaan liggen, werden de twee vrouwen vriendinnen voor het leven.

Tove Jansson richtte zich na dit verwarrende intermezzo weer helemaal op Atos Wirtanen. Toen die rond kerst 1947 voor politieke doeleinden op rondreis was in Europa, vroeg ze hem zowaar per brief of het geen goed idee zou zijn om te trouwen. Zij, die altijd een koele minnares was geweest van het huwelijk! Maar in één adem voegde ze aan haar aanzoek toe, dat mocht een huwelijk hem niet zinnen, ze tot de gewone orde van de dag over konden gaan, zodra hij weer thuis was. Zijn laconieke antwoord heeft ze geciteerd in een brief aan Eva Konikoff: ‘Tove, is het waar dat wij nog niet getrouwd zijn? Ik dacht dat we dat al waren, we moeten dat op een of andere manier over het hoofd gezien hebben. Het is natuurlijk slechts een formaliteit. Maar laat ons er binnen afzienbare tijd toch maar eens werk van maken. De mensen zouden wel gaan denken dat we het niet met elkaar kunnen vinden.’ Bij zijn terugkeer bleek Atos Wirtanen echter nog altijd niet bijster trouwlustig. Er zaten daarenboven belangrijke verkiezingen aan te komen en die gingen voor. Van uitstel kwam afstel en uiteindelijk scheidden hun wegen zich alsnog.

Atos Wirtanens invloed op Tove Jansson en haar werk was evenwel onmiskenbaar. Onder zijn invloed hadden haar schilderijen na de oorlog weer aan kleur gewonnen. Daarenboven had hij oog voor haar schrijftalent. Mede daardoor kon ze haar ideeën rond de Moeminwereld in 1947/1948 kwijt in een strip in de door hem uitgegeven krant Ny Tid. En in 1945 was De Moemins en de grote overstroming verschenen, het eerste boek van een reeks van negen.

Tove Jansson en de Moeminkoorts

In De Moemins en de grote overstroming gaat Moem met zijn moeder op zoek naar de vermiste Papamoem. Ze trekken door bossen en bergen, trotseren een grote zondvloed, waarna ze Papamoem vinden in een weelderige vallei en het gezin dus herenigd is. Hoezeer Tove Jansson zich ook kritisch uitliet over het gezin als de hoeksteen van de maatschappij, in haar Moeminboeken is het steevast een warm en veilig nest. Niettemin spelen ook donkere thema’s als vlucht, rampspoed en dakloosheid in dit eerste boek een grote rol. Die apocalyptische en duistere sfeer is duidelijk ingegeven door de oorlog en zal slechts met de jaren vervagen. Andere thema’s die de schrijfster bezighielden en wel blijvend zijn terugkeren in de Moeminverhalen: zin voor avontuur, de veranderende plaats die we innemen in onze familie alsook het moeilijke evenwicht tussen nood aan afzondering en behoefte aan verbinding.

Tove Jansson | Karakters | Maarten Streefland

Als wezen ontstond Moemin al ergens in de jaren dertig, toen Tove Jansson en haar oudste broer waren verwikkeld in een heftige filosofische discussie over vrijheid: bij het op een rijtje zetten van haar argumenten belandde er een getekende Moemin op de muur van het toilet in hun zomerhuis. De naam Moemin had Tove Jansson van haar Zweedse oom Einar, zo heeft ze meermaals verteld. Die had er haar namelijk eens op betrapt dat ze ’s nachts als kind de voorraadkast had geplunderd. Hij wees haar toen op het bestaan van de “Moemintrollen”: die woonden achter tegelkachels, maar als er ‘s nachts een meisje passeerde dat op de loop was met buit gemaakte jam of leverpastei, kwam zo’n Moemintrol tevoorschijn, om in het donker met zijn ijzige neus tegen haar benen te wrijven.

Nog voor ze Moeminverhalen schreef, tekende Tove Jansson aan het begin van de jaren veertig een voorloper van het witte wezentje in het Finse satirische magazine Garm. Het blad richtte zijn pijlen vaak op totalitaire ideologieën, meer bepaald op het communisme en alle vormen van fascisme. Ze was amper vijftien, toen ze haar allereerste cartoon in het magazine gepubliceerd zag. Dat Garm haar als tiener al aan boord verwelkomde, kwam doordat de jonge Tove Jansson haar drukbezette moeder al vroeg met tekenwerk voor het magazine had geholpen. Haar “Snork”, zo noemde ze de Moeminvoorloper, dook eerst op rond haar handtekening. Gaandeweg kreeg hij soms een meer inhoudelijke rol in haar cartoons. In de vijftien jaar waarin ze voor het blad actief was, groeide Tove Jansson uit tot een hoog aangeschreven stem in de politiek geëngageerde kunst in haar thuisland.

Drie boeken hadden haar eigenlijke Moemins nodig, vooraleer kinderen en recensenten in Finland en Zweden overstag gingen. Toen hun belevenissen in de jaren vijftig ook in het Engels als krantenstrip verschenen, begonnen ze gestaag de wereld te veroveren. In en rond de Moeminvallei leefden overigens nog andere fantasiefiguren. Sommige van hen vertonen trekjes van mensen uit Tove Janssons entourage. Zo zijn de drie grote liefdes van haar leven – Atos Wirtanen, Vivica Bandler en de kunstenares Tuulikki Pietilä, over wie zo dadelijk meer, respectievelijk in de personages Snuisterik, Thingumy en Too-Ticky geslopen.

De dingen die Tove Jansson bezighielden kon ze op de Moemins projecteren. Maar niet alleen dat, de Moemins bezorgden haar ook naambekendheid en ze brachten meer geld in het laatje dan haar schilderijen – ook als schrijfster-illustratrice was Tove Jansson blijven schilderen, niet alleen op doek, ze maakte ook fresco’s in publieke gebouwen en scholen. Met de jaren werden de Moemins echter een zegen en een vloek tegelijk. De strips brachten veel druk met zich mee en ook allerhande nevenactiviteiten legden beslag op haar tijd: de Moemins kwamen tot leven op het toneel, werden in opera’s opgevoerd en verschenen eveneens als gadgets op de markt. Deze regelrechte Moeminkoorts leidde ertoe dat Tove Jansson de krantenstrips rond 1960 overdroeg aan haar jongere broer Lasse. Groot was haar opluchting na die zet, zoals blijkt uit opmerkingen als ‘het einde van een uitgewoond huwelijk’ tot ‘herademen na zeven jaar tandpijn’. Nieuwe Moeminbelevenissen voor kinderboeken is ze wel nog blijven bedenken tot 1970.

Fair play: een roman over dertig jaar van werken, vreugde en opschudding

Een keerpunt in het leven van Tove Jansson was haar ontmoeting met Tuulikki Pietilä (1917-2009), een grafisch kunstenares. Ze leerden elkaar kennen op een kerstfeestje in 1955, waarop ze samen de muziek kozen. De twee artistieke duizendpoten klonken bijna meteen erna hun levens aan elkaar. Werken deden ze wel graag elk op hun eigen terrein. Tuulikki Pietilä kocht een studio die via een lange gang was verbonden met het atelier van Tove Jansson. Die was bijzonder gehecht aan het pand, waar ze al in 1944 in was getrokken, ook al lagen de ramen, muren, kachels en radiatoren destijds grotendeels in puin door de oorlogsbombardementen. Nadat haar studio was verbonden met Tuulikki Pietilä’s werkplek werd hij haar alleen nog maar dierbaarder.

Hoe de twee ieder aan een kant van een appartementencomplex bij de haven van Helsinki woonden, komt ook terug in Tove Janssons Fair play, een van haar ruim tien boeken voor volwassenen. Fair play (oorspronkelijke titel: Rent spel, 1989) balanceert op het snijvlak tussen roman en verhalenbundel. In de omslagtekst van de oorspronkelijke uitgave noemde Tove Jansson het boek zelf een ‘vriendschapsroman’ over twee vrouwen die al dertig jaar een leven van ‘werk, vreugde en opschudding’ delen.

Mari, de schrijfster-illustratrice in Fair play, en Jonna, de kunstenares/filmmaakster, zijn in hun nopjes met de zolder die als ‘een onpersoonlijk niemandsland’ tussen hun ateliers ligt, waardoor ze elk op hun eigen domein ongestoord kunnen werken. Van samen reizen genieten ze wel, en in hun vrije tijd zijn ze ook graag onder hun tweeën alleen thuis. Bezoekers die gevraagd of ongevraagd komen opdagen, veroorzaken dan ook steevast een rimpeling in hun vredige leven, ongeacht of ze Mari en Jonna thuis in Helsinki opzoeken of afzakken naar het eiland Klovharun in de Pellinki archipel, waar de twee een zomerhuis hebben.

Tove Janssons liefde voor de Finse eilanden hangt samen met haar passie voor de zee. In 1947 bouwde ze eigenhandig een houten vissershuisje op het eiland Bredskär, ‘om mijn vrienden te ontvangen en mijn eenzaamheid te beschermen,’ zoals ze schreef aan Eva Konikoff in de VS. Ze huurde het eiland voor vijftig jaar, maar nood aan nieuwe horizonten bracht haar halfweg de jaren zestig naar het eiland Klovharun.

Zomerboek: levenslessen in minatuurvorm

In Zomerboek (oorspronkelijke titel: Sommarboken, 1972) brengt een grootmoeder samen met haar zoon en haar kleindochter Sophia een zomer door op een eiland voor de Finse kunst. Sophia is gemodelleerd naar Tove Janssons nichtje, de dochter van haar broer Lasse. Achter de grootmoeder schuilt haar in 1970 overleden moeder Ham.

Net als Ham is Sophia’s oma in Zomerboek geboren in 1882 en is ze in haar jonge jaren leidster geweest bij de padvindsters, wat opmerkelijk is omdat jeugdbewegingen voor meisjes toen verre van gangbaar waren. Sophia’s oma steekt tijdens de rustig voortkabbelende dagen geregeld een sigaret op. Ze scharrelt rond op haar stramme benen en raakt in het openingsverhaal haar kunstgebit kwijt tussen de pioenrozen. Maar bovenal beschikt ze over een levendige fantasie. Die komt haar van pas om subtiel het zelfvertrouwen van haar kleindochter te sterken, om Sophia’s kinderangsten te bezweren en soms ook om de woede van het meisje te bekoelen, zoals die keer dat ze een zeevogel aantreffen die in de fleur van zijn leven is gestorven. Sophia kan die te vroeg gekomen dood niet plaatsen, meer nog, ze wordt er opstandig van, waarop haar grootmoeder verzachtende scenario’s uit haar mouw schudt rond wat er de vogel zou kunnen overkomen zijn.

Allebei voelen ze zich kwetsbaar door hun leeftijd: Sophia doordat ze voortdurend nieuwe prikkels op zich af ziet komen, haar grootmoeder door het besef dat vele dingen voorbij zijn en niet meer terugkomen. Af en toe botst het tussen de twee, maar over het algemeen houden ze elkaar op een toegenegen manier in evenwicht.

Tove Jansson kantte zich tegen illustraties in Zomerboek, omdat ze het duidelijk wilde afgrenzen van haar werk voor kinderen. Onder druk van haar uitgever zwichtte ze, met dien verstande dat er geen gezichten zouden te zien op de tekeningen. Zomerboek ademt dezelfde warme, troostvolle sfeer als haar Moeminverhalen. Meer dan met de illustraties heeft die verwantschap te maken met de tijdloze waarden en levenslessen die Tove Jansson bijna achteloos laat doorschemeren in al haar werk.

Meer weten en lezen over Tove Jansson?

Wie zich wil verdiepen in het leven en werk van Tove Jansson, begint beter met het lezen van de uitgebreide biografie Tove Jansson: Love, Art, Words van de Zweedse professor in de literatuurwetenschappen Boel Westin.

Of natuurlijk met de boeken van Tove Jansson zelf. Van haar romans zijn Zomerboek (vertaald door Cora Polet) en Fair Play (vertaald door Kim Liebrand) op dit moment in druk bij De Geus. Dat laatste boek bevat bovendien een voorwoord van de Britse schrijfster Ali Smith die een groot liefhebber is van het werk van Tove Jansson.

Wil je je liever onderdompelen in de wereld van de Moemins? Een aantal van Janssons Moeminboeken zijn beschikbaar bij Clavis. In november verschijnt er bij Volt overigens nog het voorleesboek Verhalen uit de Moominvallei. De verhalen zijn gebaseerd op de klassiekers van Tove Jansson, maar speciaal voor een jongere leeftijd bewerkt.

Interessant is ook dit interview met Sophia Jansson, de dochter van Tove Janssons broer Lasse, over het eiland Klovharun, haar tantes zomerparadijs en dat het decor vormt in onder andere haar roman Zomerboek.

In de jaren zestig illustreerde Tove Jansson de Zweedse en Finse versies van J.R.R. Tolkiens De Hobbit en van Lewis Carrolls De avonturen van Alice in Wonderland. Vooral die laatste opdracht vond ze een hele uitdaging, omdat de illustraties van de originele uitgave zo krachtig waren. Het was ook koorddansen omdat de uitgever prenten voor ogen had die de idylle onderstreepten, eerder dan het horroraspect, dat Tove Jansson dan weer erg boeide. ‘Ik raak er meer en meer van overtuigd dat de enige geschikte illustrator voor deze pathologische nachtmerrie Hiëronymus Bosch zou zijn geweest,’ schreef Tove Jansson dan ook in augustus 1965 aan haar vriendin Maya Vanni – de echtgenote van een van haar ex-geliefden, de schilder Sam Vanni.

Wie meer beeldend werk van Tove Jansson wil bekijken en bewonderen, kan daarvoor terecht op de officiële website van Tove Jansson.

Het traditionele idee van het gezin als veilige haven heeft Tove Jansson veel kopzorgen opgeleverd. Daarvan getuigt ook haar schilderij ‘The Family’. Het werk ontstond aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Ze had een tafereel voor ogen dat harmonie en eensgezindheid uitstraalde, maar wat ze ook probeerde, op het doek bleven haar moeder, haar vader, zijzelf en haar oudste broer helemaal verkrampt. Alleen haar jongere broer, die het verste afstond van de oorlogsellende, leek op de zachte jongen die hij was, schreef Tove Jansson in december 1941 aan Eva Konikoff. Ze stelde ‘The Family’ tentoon in de lente van 1942. Na de lauwe kritiek, had ze genoeg van het werk, maar in 1944 belandde het toch opnieuw op haar schildersezel.

Tove Jansson doneerde in 1986 onder meer haar originele Moeminmanuscripten en -illustraties alsook driedimensionele tableaus van de hand van Tuulikki Pietilä aan het kunstmuseum in de stad Tampere in het zuidwesten van Finland. Het werk was er tentoongesteld tussen 1987 en 2016. In 2017 werd de Moeminwereld ondergebracht in een apart Moeminmuseum. Verder is er in Finland ook een themapark gewijd aan de Moemins.

In 2020 verschijnt bovendien nog de biopic Tove die ook bij ons in de bioscoop te zien zal zijn en waarvan je de trailer hier kan bekijken. De actrice Alma Pöysti vertolkt in deze biopic Tove Jansson en vertelt in dit interview over wat dat voor haar betekent.

De Japanse filmregisseur Hayao Miyazaki, de oprichter van het wereldberoemde Studio Ghibli, rekent de Moeminboeken van Tove Jansson tot de beste kinderboeken die ooit zijn geschreven. Andere auteurs die op lof van Miyazaki mogen rekenen, zijn Antoine de Saint-Exupéry, Astrid Lindgren, Ursula Le Guin en Mark Twain.