fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Het strand als metafoor voor deze eeuw: een beschouwing over het werk van Kamel Daoud

Met zijn scherpe en lenige geest laveert de Algerijnse journalist en auteur Kamel Daoud (1970) behendig tussen de westerse en de islamitische cultuur. Hij noemt zich ondanks zijn kritische houding tegenover de islam nog steeds een kind ‘van de planeet van Allah’ en treedt daarnaast graag in dialoog met klassiekers uit de westerse literatuur. Zijn gedachtesprongen staan garant voor prikkelende verbanden en conclusies. Zo baden zon, zee en strand voor hem niet in een sfeer van zorgeloze vrijheid – noch in zijn debuutroman Moussa of de dood van een Arabier, noch in zijn recent verschenen literaire essay De schilder die de vrouw verslindt. Het strand voert hij in beide boeken namelijk op als een strijdtoneel, waar de verhoudingen tussen de Arabische en de islamitische wereld enerzijds en het Westen anderzijds op scherp worden gezet.

In zijn debuut Moussa of de dood van een Arabier (2015) keert hij terug naar het zonovergoten Algerijnse strand dat bij Albert Camus de plaats delict was in zijn roman De vreemdeling (1942).

In de zomer van 1942 schoot Camus’ hoofdpersonage Meursault, een in Algerije wonende Fransman, op dat strand een niet bij naam genoemde Arabier dood. Daoud haalt deze Arabier in zijn debuutroman uit de anonimiteit, door het woord te geven aan diens jongere broer Haroen. De inmiddels bejaarde Haroen doet zijn verhaal gedurende meerdere dagen in een bar in Oran, waar een jonge academicus en Camus-adept aan zijn lippen hangt. Uit Haroens relaas blijkt dat hij na al die jaren nog altijd geen afdoend antwoord heeft op de vraag hoe en waarom zijn broer Moussa destijds op het strand belandde en werd vermoord.

Meermaals is Haroen naar datzelfde strand getrokken. Telkens was dat een hele opgave gezien de angst die zijn moeder op hem heeft overgebracht, nadat haar oudste zoon er in nooit opgehelderde omstandigheden aan zijn einde kwam. Bovendien was het allemaal vergeefse moeite, want aanknopingspunten heeft Haroen er nooit gevonden.

‘Camus koppelt betekenis aan ogenschijnlijke zinloosheid en stelt dat je pas ten volle leeft, als je er vrede mee hebt dat het bestaan geen zin heeft.’

De vreemdeling herlezen heeft evenmin verduidelijking gebracht, want in Camus’ roman blijft de moord zonder motief, op de uitleg na dat Meursault de trekker overhaalde, omdat de brandende zon hem te veel was geworden. Die banale beweegreden klinkt als een aanfluiting van een mensenleven, maar in het licht van Camus’ theorie van het absurdisme zit er wel meer achter: Camus koppelt betekenis aan ogenschijnlijke zinloosheid en stelt dat je pas ten volle leeft, als je er vrede mee hebt dat het bestaan geen zin heeft.

Net als Meursault is Haroen een kind van die filosofie, maar ondanks zijn nihilistische kijk op de dingen blijft hij toch op zoek naar een minder banale verklaring voor de moord op zijn broer. Het langst staat hij stil bij de piste dat Meursault – net als Albert Camus een Algerijnse Fransman (een pied-noir) – er genoeg van had om rond te moeten zwerven in een land dat hem bekoorde, maar dat hem eigenlijk liever kwijt dan rijk was. Pleegde Meursault de moord, met andere woorden, omdat hij bedrogen was door de grond die hij niet kon bezitten? Haroen borduurt op deze gedachte voort en acht het daarbij heel goed mogelijk dat Meursaults frustratie over de grond die de zijne niet was, werd versterkt door de recente dood van zijn moeder.

Lees ook De dood van een Arabier: hoe The Cure zich liet inspireren door Albert Camus en in een controversiële storm belandde

In wezen liet haar overlijden hem koud – de hoofdreden waarom Meursault in De vreemdeling ter dood wordt veroordeeld. Maar, zo stelt Haroen, in de nasleep van zijn moeders dood bond weinig tot niets Meursault meer aan Algerije. Daarom suggereert Haroen dat Meursault ten prooi viel aan een gevoel van vervreemding en dit uitwerkte op de Arabier die ongegeneerd thuis was aan dat strand en de onbeschaamdheid had om er ’s middags wat te liggen dutten: ‘Wanneer zijn moeder doodgaat, heeft deze man, de moordenaar, geen land meer, en vervalt hij in ledigheid en absurdisme. Hij is een Robinson Crusoe die meent dat hij zijn lot kan veranderen door zijn Vrijdag te doden […].’

Zo slaat Kamel Daoud bij monde van Haroen een brug naar de kolonisatie van Algerije door Frankrijk. Wanneer hij het over kolonialisme heeft, is Robinson Crusoe overigens een terugkerend motief in de wereld van Daoud: de relatie tussen Daniel Defoes schipbreukeling en de zogenaamd primitieve inboorling aan wie hij zijn beschaving wilde opleggen, staat voor de schrijver model voor de brutale onderdrukking van volkeren in naam van het westerse imperialisme.

In zijn laatst verschenen literaire essay De schilder die de vrouw verslindt (2019) leiden de omtrekkende bewegingen van Daoud ook weer naar Robinson Crusoe én het strand.

De tentoonstelling ‘Picasso 1932, année érotique’ is de kapstok waar Kamel Daoud zijn bespiegelingen in dit essay met de ondertitel ‘Over de vrouw, het naakt en verlangen’ aan ophangt. Deze expo in het Picasso-museum in Parijs was opgevat als het erotische dagboek van de vijftigjarige schilder en Marie-Thérèse Walter, zijn minnares van halfweg de twintig. Op uitnodiging van het museum dompelde Daoud zich in oktober 2017 een nacht lang onder in Picasso’s orgie van kleuren en zowel sensuele als schetsmatige lijnen.

De auteur, voor wie erotiek een spil is in zijn wereldbeeld, bekeek Picasso’s ontwrichte beelden eerst door ‘de verrekijker van zijn cultuur’. Vanuit die optiek zag hij de duistere daad van het erotische verslinden en verslonden worden zoals die van Picasso’s doeken afspat als grof, monsterlijk en onbegrijpelijk.

Persoonlijk ervaart hij het anders. Als je de heerlijke dood door seks ondergaat, aldus Daoud, ‘deel je het lot van alle levende prooien sinds de met sterren bezaaide nacht der tijden, de jachttijd: je bent aan stukken gereten, je hoofd is niet meer verbonden met het hart, je ingewanden liggen bloot.’ Dit kannibalistische aspect van de passionele liefde brengt hem weer bij Daniel Defoes personage Robinson Crusoe.

Kannibalen van de omliggende eilanden deden namelijk van tijd tot tijd Robinsons strand aan om er hun gevangenen te doden en op te eten. Op een dag wist een van de gevangenen te ontsnappen. Hij werd door Robinson gered. Die ontmoeting maakte een eind aan Robinsons isolement, maar confronteerde hem vanwege het kannibalistische ritueel ook met wildheid in de overtreffende trap. Robinson voelde zich daarom geroepen om de zwarte onder zijn hoede te nemen. Hij gaf hem een naam, zijnde Vrijdag, leerde hem Engels, bekeerde hem tot het christendom en – last but not least – kleedde hem aan.

Robinson, de blanke westerling, nam met andere woorden aanstoot aan de in zijn ogen barbaarse naaktheid van de kleurling. Het ging Robinson daarbij om naaktheid in zijn meest ondubbelzinnige vorm, dit wil zeggen om de natuurlijke staat van ontkleed zijn. Nu, zo’n driehonderd jaar later, hoeft het (naakte) lichaam zich niet meer te verontschuldigen in de westerse, seculiere samenleving. Het is overal, ook in de publieke ruimte, waar het soms een erotische dimensie krijgt. De waarden van diepgelovige moslims rond de cultus van het lichaam durven evenwel met die tendens te botsen.

‘Het strand is volgens Daoud bij uitstek dé plek waar de strijd om het naakt wordt gestreden.’

Het strand is volgens Kamel Daoud bij uitstek dé plek waar de strijd om het naakt wordt gestreden. Westerse zonnekloppers trekken ter ontspanning massaal naar het strand en scheppen er hun eigen Eden. Strenggelovige moslims wantrouwen echter dit idee van een paradijs zonder god of martelaars. Uit de kleren gaan en luilekker zonnebaden bij het rustgevende ruisen van de zee is voor velen onder hen een afslag van de met ontbering, gebed en onderwerping geplaveide weg naar god. Meer nog, zo stelt Daoud, het wordt vanuit die hoek vaak in verband gebracht met ‘gefluister van de duivel, verleiding, de nauwelijks verholen balts van de seksuele losbandigheid’.

Dit pad, dat Daoud doet uitkomen bij de fundamentalistische islam, bewandelt hij in De schilder die de vrouw verslindt niet in zijn eentje. Hij laat zich vergezellen door zijn personage Abdellah, de verpersoonlijking van de radicaliserende moslim.

Door zijn visie op de fundamentalistische islam te vertolken via Abdellah heeft Kamel Daoud de onverschrokkenheid waarmee hij zijn standpunten pleegt uit te dragen enigszins gedempt. In het verleden hebben zijn uitgesproken meningen hem dan ook al ernstig in de problemen gebracht.

In december 2014 sprak een Algerijnse, salafistische imam een fatwa tegen hem uit. Daoud werd ervan beschuldigd een kruistocht te voeren tegen Allah, de Profeet, de Koran en daarmee tegen de Algerijnse moslimgemeenschap. Dit overkwam de schrijver nadat hij op de Franse televisie een islam-kritische houding had getoond. Zijn toonaard was nochtans vergelijkbaar met die in zijn in 2013 verschenen debuutroman en toen was hij er wel mee weggekomen.

Een jaar later belandde hij opnieuw in het oog van de storm, ditmaal vanwege zijn uitlatingen over de aanranding van vrouwen tijdens de oudejaarsnacht van 2015 in Keulen. Die incidenten kwamen hoofdzakelijk op het conto van jonge moslimmannen. In het stuk dat Kamel Daoud daaromtrent schreef in Le Monde associeerde hij de handtastelijkheden met de moeilijke verhouding van de moslimman tot zijn lichaam, seksualiteit en de vrouw. Het progressieve westerse kamp ergerde zich aan zijn uitspraken, met als standpunt dat Daoud er versleten clichés over moslimmigranten mee voedde. Fanatieke moslims waren dan weer verbolgen over zijn insinuatie dat er iets zieks was aan hun omgang met de wereld.

Zelf was Kamel Daoud in zijn jeugd ook actief in islamistische kringen. Op zijn achttiende brak hij echter radicaal met die achtergrond, dit in tegenstelling tot zijn personage Abdellah: ‘Net als Robinson destijds zal hij op basis van een vreemde gedachtegang in naam van een cultuur of een gedroomde identiteit concluderen dat naaktheid een schande is, een belediging.’ Abdellahs afkeer van de in zijn ogen goddeloze westerse wereld, balt zich samen in hoe hij een bezoek aan het strand ervaart. Hij raakt er in de war, meer nog hij voelt er zich ellendig. Hij weet niet wat hij met die onrust aan moet en maakt daarom van het strand de plaats van zijn eigengereidheid, van zijn duel met het leven, van zijn woede, zijn oorlog. ‘In mijn land wordt de heilige oorlog gevoerd op het strand,’ concludeert Daoud.

In Moussa of de dood van een Arabier voert Kamel Daoud in de voetsporen van Camus het strand op als een plek waar de spanningen opliepen tussen de Algerijnse moslims en het Franse koloniale bewind. Het strand, waar hij ons in zijn essay De schilder die de vrouw verslindt mee naartoe neemt, is dankzij zijn eigenzinnige redeneertrant op een nog meer uitgesproken manier een slagveld van ideeën, van theologische visies en van het extremisme van deze tijd. Daoud ziet het strand om die reden dan ook als een metafoor voor deze eeuw.

Verder lezen over Kamel Daoud?

In het Nederlands verschenen vertaald door Manik Sarkar Moussa of de dood van een Arabier (2015), Zabor (2018) en De schilder die de vrouw verslindt (2019) bij Ambo|Anthos. Benieuwd naar Zabor? De Groene Amsterdammer gaat naar aanleiding van het verschijnen van Zabor verder in op de repercussies van zijn opiniestuk in Le Monde. Ook over De schilder die de vrouw verslindt publiceerde De Groene Amsterdammer overigens een uitgebreide beschouwing.

Voor wie geen bezoek heeft kunnen brengen aan de tentoonstelling ‘Picasso 1932, année érotique’ in het Picasso-museum, kan alsnog een indruk krijgen van de tentoonstelling in dit fragment van Télé Matin (in het Frans).

Lees ook zeker ons portret van Albert Camus, man van het volk én intellectueel, en ons artikel over de controverse rondom het nummer ‘Killing an Arab’, waarvoor de Britse newwaveband The Cure zich liet inspireren door Albert Camus’ De vreemdeling.