fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Glooiende heuvelruggen en geurende lavendelvelden: een inkijk in het leven van Jean Giono en zijn pacifistische idealen

Jean Giono (1885-1970) is een vreemde eend in het landschap van de Franse letteren van de twintigste eeuw. Terwijl het literaire leven zich kristalliseerde rondom flamboyante persoonlijkheden in Parijs, koos Giono er altijd voor om in zijn geliefde Manosque te blijven wonen. Het Zuid-Franse Manosque en de omgeving van dat stadje blijken een onuitputtelijke inspiratiebron voor zijn oeuvre, waarin hij de kracht van de natuur en het platteland met zijn charmante bewoners prijst. Jean Giono moest Manosque verlaten tijdens de Eerste Wereldoorlog, die hem voor eeuwig zal tekenen en waarna hij een verwoed pacifist werd. Een vredevol leven in harmonie met de natuur leek even in werkelijkheid te bestaan: jaarlijks kwam een groep literatuur- en natuurliefhebbers samen in de Provence om er te leven in de natuur en volgens de pacifistische idealen die de schrijver ook in zijn romans uitte. Toch komt Jean Giono kortstondig, door een misstap tijdens de Tweede Wereldoorlog, op de zwarte lijst van collaborateurs te staan. In dit artikel geven we een inkijk in het leven van Jean Giono, getekend door twee wereldoorlogen en doordrongen van bewondering voor de Provençaalse natuur, en gaan we samen op wandel naar het Plateau van Contadour, waar de poëtisch-pacifistische samenkomsten rondom de schrijver plaatsvonden.

Jean Giono en de Grote Oorlog

Jean Giono wordt geboren in 1885 in het Provençaalse stadje Manosque. Hij is de zoon van een schoenmaker en een strijk- en wasvrouw. Zijn weinig Frans klinkende familienaam is afkomstig uit het Italiaanse Piemonte: zijn grootvader was een verbannen Italiaanse carbonaro, een revolutionaire vrijheidsstrijder voor de eenmaking van Italië en tegen de macht van de paus. Giono’s vader was op zijn beurt een overtuigd, maar zachtaardig anarchist, die onderdak bood aan verbannen en vogelvrijverklaarde zielen. Giono groeit dus op in een geëngageerd, maar bescheiden milieu. Toen de inkomsten van zijn vader niet meer volstonden om het gezin te onderhouden, moest Jean Giono in 1911 aan de slag als bankbediende, nog voor het behalen van zijn eindexamen op de middelbare school.

In 1915 wordt de toen twintigjarige Giono ingelijfd in het 159e infanterieregiment van Briançon in de Alpen, maar al snel zal hij heel Frankrijk en zelfs Vlaanderen zien. Hij vecht in de loopgraven van Verdun, waar hij er samen met slechts tien anderen van zijn compagnie levend vanaf komt, hij wordt gemobiliseerd in de strijd bij de beroemde Chemin des Dames, staat op het slagveld bij de Somme, waar meer dan 400 000 soldaten sneuvelden, en overleeft in 1918 een gasaanval op de Kemmelberg. Daarmee heeft de jongeman op zijn vijfentwintigste al onmenselijk leed en gruwelijk geweld van dichtbij meegemaakt en dat zal hem voor altijd tekenen. Twintig jaar na het uitbreken van de oorlog schrijft hij in zijn pacifistisch manifest Refus d’obéissance (1934): ‘De verschrikking van die vier jaar is nog steeds diep in mijn geheugen gegrift.’

Na het trauma van de oorlog sterft in 1920 de vader van Jean Giono, aan wie de schrijver liefdevolle herinneringen overhoudt en die zal optekenen in Jean Le Blue (1932), zijn vijfdelige jeugdherinneringen. In de jaren twintig begint Giono met zijn eerste schrijfsels, geïnspireerd door zijn ijverige lectuur van de klassieken: hij verslindt zowel de Griekse epen van Homerus als de Latijnse bucolische poëzie van Vergilius. In 1927 weigerde de uitgeverij Grasset zijn eerste werk Naissance de l’Odyssée. Niet omdat de kwaliteiten van het antiek geïnspireerde werk te wensen overlieten, maar omdat de uitgever een groot talent zag in Giono en van mening was dat zijn eerste werk beter meteen een hoogvlieger kon zijn. Die hoogvlieger wordt Heuvel (1928) waarmee Giono succesvol debuteert.

Met Heuvel krijgt Jean Giono meteen nationale erkenning: de Franse schrijver en latere Nobelprijswinnaar André Gide was een liefhebber van Giono’s eerste werk en spuide te pas en te onpas citaten uit de korte roman rond, waardoor de bescheiden provincieschrijver ook bekendheid verwierf in Parijse literaire kringen. De carrière van Giono komt in een stroomversnelling en in 1930 heeft hij bij de twee grote Franse uitgeverijen, Grasset en Gallimard, een meerjarig contract lopen, waardoor hij zich, tot zijn grote vreugde, volledig aan het schrijven kan wijden en zijn baan bij de bank vaarwel kan zeggen. Aan zijn goede vriend en schrijver Lucien Jacques schrijft hij: ‘Ik ben werkelijk stomverbaasd […], ik heb een ontembaar verlangen om met jou te huilen en te lachen.’ Met de inkomsten van zijn debuut kocht hij Le Paraïs, zijn woning in Manosque, waar hij samen met zijn vrouw Elise en zijn dochters Aline en Sylvie zal leven tot zijn dood.

Een pacifist in 1939, beschuldigd van collaboratie in 1944

De literaire productiviteit van Jean Giono in de jaren dertig lag hoog. Hij publiceert de Pan-trilogie (1930), waarin de Griekse god van de bossen en andere woudbewoners centraal staan en ook De grote kudde (1931). Al die werken zijn doordrongen van herinnering aan Giono’s eigen jeugd op het platteland: de gemoedelijke herders en landbouwers van de Franse Voor-Alpen bevolken zijn verhalen, de glooiende heuvelruggen en kruidig geurende velden vormen het decor. In 1935 verschijnt Que ma joie demeure dat de weldaden van de natuur en de harmonie van een kleinschalige landbouwgemeenschap bezingt. Het werk slaat aan bij de jeugd, die in een steeds meer geïndustrialiseerde stadsomgeving leeft. In navolging van het samenlevingsideaal uit Que ma joie demeure ontstaan Les rencontres du Contadour (De ontmoetingen bij de Contadour), een pacifistisch en collectivistisch project waar liefhebbers van natuur en poëzie samenkomen.

De deelnemers van de ontmoetingen prezen een harmonieus leven, met gedeelde idealen en goederen. Voor de buitenwereld leken de ontmoetingen een extreemlinkse, commune-achtige onderneming, met Giono als ideologische leider en zijn mede-Contadouriens als volgelingen. De oprichter van de rencontres wees echter iedere ideologische classificatie af. In het begin van de jaren dertig vertoefde hij inderdaad in de kringen van overtuigd marxisten zoals André Malraux en André Gide, zijn grote bewonderaar, maar reeds in 1936 schrijft Giono in zijn dagboek dat hij de communisten haat en dat zijn afscheuring van de beweging aanstaand is. In 1937 verwierp hij hun gewelddadige oorlogsretoriek in Refus d’obéissance en beklemtoonde hij zijn keuze voor een resoluut pacifistische houding tegenover de opkomende vijand in Europa: het fascisme.

De eerste geruchten van een nieuwe oorlog, aangezwengeld door het fascistische Duitsland, betekenen het einde van de ontmoetingen. Jean Giono, die diepe grieven overhield aan de Eerste Wereldoorlog, riep openlijk op tot vrede. Maar zijn pacifistische activiteit werd door de Franse staat beschouwd als landverraad en leidde tot zijn aanhouding en opsluiting in 1939. André Gide schreef opnieuw ten voordele van zijn oude vriend en bekwam zo zijn vrijlating. Jean Giono was genoopt zich terug te trekken tijdens de oorlogsjaren, waarin hij een dagboek bijhield dat onpartijdig de gruwel van zowel de Duitsers als de verzetsstrijders beschrijft. In 1944 publiceert Giono enkele teksten in de tijdschriften Signal en La Gerbe. Beide tijdschriften propageren uitgesproken nazisympathieën en een anti-Joodse gezindheid. Ook al bevatten de teksten zelf geen enkele aanwijzing van genegenheid voor de fascistische zaak, toch zal deze flagrante misvatting van Giono zijn verdere carrière beïnvloeden.

Tijdens de bevrijding wordt Jean Giono opnieuw gevangengenomen, dit keer op verdenking van collaboratie door zijn publicaties in fascistische tijdschriften. De maanden in de gevangenis, van oktober 1944 tot januari 1945, tekent hij ook op in zijn dagboek. Hij schrijft dat hij vreest voor zijn familie, maar ook voor zijn eigen leven: door de willekeur van de cipiers jegens de gevangenen dreigt er een bloedbad onder de collaborateurs. Giono is echter nooit officieel beschuldigd van collaboratie… Zo biedt hij tijdens de bezetting in zijn huis in Manosque onderdak aan artiesten op de vlucht voor het naziregime, zoals Lou Ernst, de echtgenote van de surrealistische schilder Max Ernst, en ook zijn eigen werk passeert niet altijd langs de fascistische censuur: Le voyage en calèche (1943) werd verboden. Jean Giono verschijnt toch op de zwarte lijst na de Tweede Wereldoorlog, wat hem tot een intellectueel ballingschap dwingt. Pas in 1947 zal zijn werk opnieuw worden gepubliceerd in Frankrijk, met succes.

De heuvel, meer dan een idyllisch decor: over het debuut van Jean Giono

Heuvel, het debuut van Jean Giono, is kenschetsend voor zijn hele oeuvre: de natuur is méér dan een decor alleen, ze wordt haast een volwaardig personage. De titel van het werk toont dat de heuvel een agerende factor is in het verhaal: er staat geen lidwoord. Er staat enkel Heuvel, een naam, zoals Sylvie van Gérard de Nerval of zoals Madame Bovary van Gustave Flaubert. De roman draagt de naam van een van zijn personages. Het is niet verwonderlijk dat de natuur zo een prominente plaats krijgt. De glooiingen van de Provençaalse lavendelvelden waren de omgeving van Giono’s eigen jeugd en verdere leven. Terwijl het literaire leven zich tijdens het interbellum voornamelijk afspeelt in Parijs, kiest Giono bewust voor een toevluchtsoord in het Provençaalse Manosque. Zijn liefde voor de Provence en haar bewoners keren steeds terug in zijn werk.

Heuvel situeert zich in een klein dorpje met twaalf bewoners, plus de dorpsgek Gagou ‘die ze op het ongeluksgetal brengt’. Deze allusie op het getal dertien is de aankondiging van allerlei sinistere voortekens. Op het eerste gezicht lijken de personages er een rustig, eenvoudig bestaan te leiden in harmonie met de natuur rondom de binnenplaats waar ze lief, leed en zelfgestookte absint delen, totdat de dorpsoudste, Janet, onheilspellende waanbeelden en visioenen krijgt. De daaropvolgende reeks verdachte gebeurtenissen schudt de dorpsgemeenschap dooreen: het dochtertje van een van de bewoners wordt ernstig ziek, de bron op de binnenplaats komt droog te staan en tot overmaat van ramp breekt er een apocalyptische brand uit. In het dorp zijn ze ervan overtuigd dat ze in de greep worden gehouden door een duistere kracht… In die van de bazelende Janet, of in die van de natuur?

Het magische verhaal is een ode aan de gonzende, soms brutale oerkracht van de natuur. De heuvel wordt beschreven als een moeder: het is een borst, een voedende bodem voor gewassen en een veilige haven voor de landbouwer, maar ze is ook een vernietigende en woeste furie. Net zoals de rest van Giono’s oeuvre, stelt Heuvel de verhouding van de mens tot de schijnbaar ontembare natuur in vraag. De heuvel zou zich namelijk wreken tegen het geweld dat de mens met zijn wapens en werktuigen pleegt tegen haar dieren, planten en grondstoffen. De natuurkracht in Heuvel wordt beschreven in een poëtische taal: ‘Terwijl ik Heuvel schreef, wou ik een roman schrijven, maar ik heb toen helemaal geen roman geschreven: ik heb een gedicht geschreven!’ zei Giono ooit zelf. Toch is de stijl niet lyrisch of complex, het blijft de taal van de eenvoudige plattelandsmens, waarbij de moeilijkheid schuilt, voor de moderne lezer althans, in de namen waarmee landbouwgereedschappen en -technieken met precisie worden benoemd.

Giono’s werk van voor de Tweede Wereldoorlog is doordrongen van bewondering en eerbied voor de Provençaalse natuur en haar bewoners. Na het korte schrijfverbod bij de bevrijding, wijdt hij zich aan een grote historische romancyclus, de Ruitercyclus. In 1953 schrijft hij echter opnieuw een korte roman waarin de natuur centraal staat en die hem internationale beroemdheid oplevert. In De man die bomen plantte volgen we het merkwaardige levensverhaal van de herder Elzéard Bouffier die overal waar zijn schapen grazen eikels in de grond poot en zo op eigen houtje, over en tijdspanne van dertig jaar, een kale bergflank terug bosrijk maakt. Het werk wordt in meer dan dertig talen vertaald en in evenveel landen gepubliceerd. Het kleine boekje is volgens sommigen de voorbode van het hedendaagse milieuactivisme.

De terugkeer naar de natuur: over Les rencontres du Contadour

Na Que ma joie demeure (1935) wilden enkele enthousiastelingen dat het fictieve agrarische landleven uit de romans van Jean Giono in werkelijkheid vorm kreeg. Het wordt de aanleiding voor de eerste samenkomst op het plateau van Contadour. Het plateau ligt 1200 meter hoog in het Zuidoosten van Frankrijk, in de Provençaalse Alpen (in het departement Alpes-Hautes-de-Provence), niet ver van Giono’s thuishaven Manosque. Het plateau, waar de onstuimige mistralwind vrij spel heeft en dat een vergezicht biedt op de Mont Ventoux, de top van de Lure en de vallei van de Luberon, heeft voor eeuwig bekendheid verworven door de ontmoetingen die er van 1935 tot 1939 plaatsvonden. Geïnspireerd door Jean Giono en zijn oeuvre, kwamen er ieder jaar een vijftigtal deelnemers bijeen die er logeerden in tenten, op verlaten hooizolders en in leegstaande schaapstallen. Gelijklopend met het literaire project van Giono, gebeuren de ontmoetingen in een sfeer van poëzie en pacifisme.

Het initiatief ontstond eigenlijk uit een stom toeval: Giono gidste een wandeling in de Provençaalse Alpen voor jongeren en sympathisanten van de communistische afdeling van de Auberges de Jeunesse, de Franse vereniging van jeugdherbergen. De schrijver zou hen op sleeptouw nemen tijdens een voettocht doorheen het gebergte van de Lure om er de boeren en de herders, personages van zijn romans, te ontmoeten. Het plateau van Contadour is de eerste etappe van de karavaan, maar de magie van die plaats, de uitputting van de wandelaars en het ‘dwaze accident’ waarbij Giono zelf zijn knie bezeerde, dwingen de groep ertoe zich langer te installeren op het plateau. Uiteindelijk blijven ze twee weken ter plaatse en geven ze op die manier geboorte aan een project dat vijf jaar zal duren en ongeveer negen keer zal plaatsvinden: Les rencontres du Contadour.

In de periode van Pasen tot het einde van de zomer, verzamelen de vrienden, en later ook nieuwe deelnemers, zich telkens rondom de schrijver en delen ze twee weken lang pacifistische idealen, liefde voor poëzie en een ‘simpel leven’ in de wijde natuur, met aandacht voor de rijkdommen van de aarde en de hemel, die ze (her)ontdekten aan de hand van teksten van Giono. De romantische operatie zetten ze extra toon bij door een draagbare grammofoonplaat met hendeltjes mee de berg op te sleuren en er muziek van Bach, Mozart en Händel te spelen. De deelnemers waren voornamelijk intellectuelen en stadsmensen, die het contact met de natuur al lang waren verleerd, maar die de drang ernaar voelden opflakkeren door het lezen van Giono’s werk.

In 1936 verschijnt het tijdschrift Cahiers du Contadour met werk van Giono en zijn gasten op het plateau. Velen zagen in deze publicaties een ideologisch manifest, maar zoals eerder vermeld, keerde Giono zich af van iedere politiek georiënteerde stempel die men op zijn werk probeerde te drukken. De laatste ontmoeting vindt plaats in 1939, maar moet abrupt worden gestaakt door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Ook al blijft Giono zich publiekelijk verzetten tegen de oorlog en aanhoort de Franse staat zijn dienstweigering, de brutale heropflakkering van geweld en leed in Europa betekent het einde van de pacifistische utopie, zowel op het plateau van Contadour, als in het hart van Jean Giono.

Meer weten en lezen over Jean Giono?

In 2020 verscheen de vertaling van Jean Giono’s debuut Heuvel in een vertaling van Kiki Coumans bij Uitgeverij Vleugels. Margot Dijkgraaf, een specialiste in de Franse letteren van wiens hand we al een artikel over George Sand publiceerden, schreef op haar blog een kleine bespreking over de vertaling van Coumans.

Daarnaast is De Grote Kudde is verkrijgbaar bij De Bezige Bij in een vertaling van Liesbeth van Nes. Op zoek naar andere werken in het Nederlands van Jean Giono? Dan ga je best naar je favoriete antiquariaat. Wie het Frans machtig is, kan terecht bij Grasset en Gallimard, de uitgeverijen waar Giono van in het begin werd uitgegeven en waar zijn gehele oeuvre beschikbaar is.

Jean Giono bleef zijn hele leven lang in Manosque wonen. Zijn huis met tuin, natuurliefhebber als hij was, en enorme boekenkast met ongeveer 8000 werken, kan je bezoeken. Het is de zetel van de organisatie Les Amis de Jean Giono (De vrienden van Jean Giono), die jaarlijks tentoonstellingen, evenementen en zelfs wandelingen in de voetsporen van de schrijver organiseert.

Vanaf de jaren vijftig raakt Jean Giono erg geïnteresseerd in cinema. Hij maakt scenario’s voor films en kortfilms, bijvoorbeeld voor L’Eau vive (1958) van François Villiers, dat een Golden Globe won voor beste buitenlandse film. Na een tijdje wordt hij ook zelf regisseur. In 1960 schrijft en regisseert hij Crésus, waarin de toen internationaal gelauwerde acteur Fernandel de hoofdrol speelt. In 1961 wordt Jean Giono zelfs juryvoorzitter van het Filmfestival van Cannes, waar Luis Buñuel en Sofia Loren toen in de prijzen vielen. Tot lang na zijn dood blijven zijn werken een inspiratiebron voor (kort)filmmakers, zoals voor de korte animatiefilm van de Canadese regisseur Frédéric Back, die gebaseerd is op De man die bomen plantte. Deze film won in 1987 de Oscar voor beste geanimeerde kortfilm.

Geboeid door Franse schrijvers? Met Karakters publiceerden we eerder artikels over Françoise Sagan, Gustave Flaubert of Émile Zola.