Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Van literaire ster tot exilschrijver: het onwaarschijnlijke levensverhaal van de Duitse schrijfster Irmgard Keun

Irmgard Keun (1905-1982) raasde aan het begin van de jaren dertig als een wervelwind door de Duitse letteren. Haar opmars werd echter gestuit toen haar boeken na de machtsovername door Hitler in 1933 als niet volkseigen werden bestempeld en op de zwarte lijst kwamen te staan. In de zomer van 1936 verliet ze Duitsland en bracht eerst een paar maanden door in Oostende. Na vier jaar her en der in ballingschap te hebben geleefd en geschreven, keerde ze terug naar haar thuisstad Keulen en dook daar samen met haar ouders onder. Haar zevende en laatste roman verscheen in 1950. Daarna geraakte ze in vergetelheid, tot ze rond haar zeventigste werd herontdekt. Wie was deze schrijfster die in de woelige jaren dertig zovele lezersharten veroverde en door tijdgenoten werd getypeerd als naïef maar briljant, als grappig en tegelijk wanhopig, als melancholiek en vurig?

Irmgard Keun werd in 1905 geboren in Berlijn, maar groeide op in Keulen. Als jonge theateractrice met schrijfambitie woonde ze begin 1931 een voordracht bij van Alfred Döblin (1878-1957). De schrijver-arts las voor uit zijn roman Berlin Alexanderplatz (1929). Irmgard Keun en Alfred Döblin werden die avond aan elkaar voorgesteld en konden het meteen met elkaar vinden. Hij liet zich door haar rondleiden in de oude binnenstad van Keulen en toen ze afscheid namen, zo wil de overlevering, vertrouwde hij haar toe: ‘Als u slechts half zo goed schrijft als u praat, vertelt en observeert, dan wordt u de beste schrijfster die Duitsland ooit heeft gekend.’

In oktober 1931 was het zover: met haar debuut Gilgi, een van ons (oorspronkelijke titel: Gilgi, eine von uns) werd Irmgard Keun in één klap een ster aan het literaire firmament. De door haar in het leven geroepen Gilgi wil net als vele jonge vrouwen in de Weimarrepubliek (1918-1933) in haar eigen levensonderhoud voorzien en daarnaast nog iets kunnen spenderen aan mode, film, concerten en ander vertier. Om die reden gaat ze aan de slag als typiste. De sleur van die kantoorbaan vreet aan haar, maar ze wil vooruit en geeft niet op. Tot twee onverwachte gebeurtenissen haar aan het wankelen brengen. Eerst is er haar eenentwintigste verjaardag waarop ze verneemt dat ze is geadopteerd. De zoektocht naar haar echte ouders wordt er ook een naar haar sociale afkomst, waarmee Irmgard Keun de kloof tussen burgerij en arbeidersklasse belicht. Vervolgens valt Gilgi halsoverkop voor de veel oudere Martin, een schrijver-avonturier. Na verloop van tijd botst de nonchalante stijl van deze charismatische bon vivant echter zodanig met haar ingebakken discipline dat ze met hem breekt, ook al verwacht ze een kind van hem. Ze verlaat Keulen en gaat in Berlijn haar geluk beproeven.

Gilgi, een van ons sloeg in als een bom. In een jaar tijd werden er dertigduizend exemplaren van gedrukt.’

De roman vatte de tijdgeest en sloeg in als een bom. In een jaar tijd werden er dertigduizend exemplaren van gedrukt. Irmgard Keun schreef verder op hetzelfde elan en oogstte nog meer bijval met haar opvolger Het kunstzijden meisje (2006, oorspronkelijke titel: Das kunstseidene Mädchen, 1932). Die roman is het overrompelende relaas van de achttienjarige Doris, die spreekt zoals ze denkt, en schrijft zoals ze spreekt. Vaak is dat in springerige, kromme zinnen en treffende beelden die vaak ongemeen grappig zijn.

Doris heeft genoeg van haar job als typiste op een advocatenbureau. Niet alleen is haar dagtaak een worsteling met komma’s en punten, ze heeft het ook gehad met haar pokdalige werkgever die zijn handen niet thuis kan houden. Wanneer ze zijn avances afwijst en daarbij geen blad voor de mond neemt, wordt ze ontslagen. Via haar moeder, die garderobejuffrouw is in de schouwburg, slaat ze een heel andere weg in: ze wordt figurante en begint algauw te dromen van een filmcarrière. Ze trekt naar Berlijn in de hoop er ‘een glans’ te worden. Het summum van glans en cachet is in haar ogen een bontmantel, zoals ook zijdelings blijkt uit de eerste indruk die Berlijn op haar maakt:

‘Berlijn daalde op me neer als een doorgestikt dekbed met vurige bloemen. Het westen is voornaam met hoogwaardig licht – als prachtige stenen heel duur met zo’n gewaarmerkte zetting. We hebben hier overdadig veel lichtreclame. Om me heen gefonkel. En ik met mijn pels. En chique mannen als meisjeshandelaren, zonder dat ze nu direct in meisjes handelen, wat tenslotte niet meer bestaat – maar ze lijken erop omdat ze het zouden doen als het iets opleverde. Heel veel glanzende zwarte haren en nachtogen zo diep in het hoofd. Opwindend. Op de Kurfürstendamm zijn veel vrouwen. Die lopen alleen maar. Ze hebben zeer onverschillige gezichten en veel mollenbontjassen – niet echt eersteklas dus – maar toch chic – met van die benen en een waas om hen heen. Er is een ondergrondse, die is als een verlichte doodskist op rails – onder de aarde en muf, en je wordt geplet. Daarmee rijd ik. Het is heel interessant en gaat snel.’

De roaring twenties galmen nog volop na in het bruisende Berlijn van Doris. Nergens in de stad wordt er zo uitbundig gefeest als in het intussen legendarisch geworden Resi. Wat Doris nog het meest fascineert aan deze enorme danshal is de buizenpost waarmee bezoekers contact met elkaar kunnen leggen: ‘dan schrijf je brieven die je in buizen stopt en in een gat in de muur, dan komt er een luchtstroom die ze naar de plaats van bestemming zuigt.’

Charmant als ze is windt Doris nu en dan een man om haar vinger, wat helpt om het in Berlijn een tijdje uit te zingen. Toch komt ze uiteindelijk telkens weer alleen en onbemiddeld op straat te staan. Tussen de regels worden dan ook de gevolgen voelbaar van de economische crisis, die vanaf 1933 mee het pad heeft geëffend voor Hitlers dictatuur. Door de beurscrash van 1929 was Duitsland immers in de problemen gekomen met de herstelbetalingen die het na de Eerste Wereldoorlog verschuldigd was aan onder meer het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Een periode van relatieve welvaart liep daardoor stilaan op zijn einde. Die neerwaartse spiraal wordt in Het kunstzijden meisje aangeraakt, zij het slechts terloops, zo bijvoorbeeld in een opmerking van Doris over Alexanderplatz: ‘daar zijn alleen maar werklozen zonder hemd en echt talloze.’

‘Omdat Irmgard Keun de grootstad in de kijker zette, kreeg haar werk onder Hitler het stempel ‘Asphaltliteratur’’

Omdat Irmgard Keun de grootstad in de kijker zette, kreeg haar werk onder Hitler het stempel ‘Asphaltliteratur’. In de nazi-ideologie waren steden immers oorden van verderf en vervreemding. Bijgevolg werd de grootstadliteratuur, in tegenstelling tot de brave volksroman, gecatalogeerd als anti-Duits en beneden alle normen van fatsoen en goede smaak. In zijn rede tijdens de boekverbranding op de Opernplatz in Berlijn in 1933, noemde Joseph Goebbels de asfaltliteratuur in één adem met joodse schrijvers. Irmgard Keun had evenwel geen joodse roots. Toch werd ze geviseerd: in de herfst van 1933 werd de resterende voorraad van haar succesdebuut Gilgi, eine von uns vernietigd; de opvolger Het kunstzijden meisje verdween in Duitsland eveneens uit de rekken.

Maar niet alleen de door haar geportretteerde grootstad was een doorn in het oog van de nazi’s, ze hadden het evenmin begrepen op Irmgard Keuns jonge, knappe, ambitieuze hoofdrolspeelsters die streefden naar onafhankelijkheid, respect en een maatschappelijke positie die zich niet beperkte tot huis en haard. Het maakte voor de partijfunctionarissen geen verschil dat haar vrijgevochten vrouwen het ondanks hun strijdbaarheid in de praktijk amper konden redden zonder mannelijke hulp.

Strijdbaar was de schrijfster overigens zelf ook. Zo diende ze in oktober 1935 wegens inkomensderving een klacht in bij de Reichsschrifttumskammer, de overheidsinstantie die haar proza als onwenselijk had beoordeeld. Zoals ze wel had verwacht, kreeg ze nul op het rekest. Om haar carrière maar ook haar persoonlijke veiligheid te waarborgen, besloot ze in 1936 in ballingschap te gaan. Haar omzwervingen begonnen in Oostende, waar het kruim van de exilschrijvers, onder wie Stefan Zweig (1881-1942) en Joseph Roth (1894-1939), toen een zomer lang de dreiging van de Tweede Wereldoorlog probeerde te verdringen.

Als magneten werden Joseph Roth en Irmgard Keun naar elkaar toe gezogen – ‘Mijn huid zei meteen “Ja”,’ zou ze later optekenen. Joseph Roth was al langer van huis toen ze kennismaakten en vroeg haar de kleren van het lijf over de politieke toestand in Duitsland. Maar ook haar privébeslommeringen konden hem wel boeien.

Irmgard Keun was sinds 1932 met de drieëntwintig jaar oudere schrijver en theaterman Johannes Tralow getrouwd. Van liefde was er intussen echter geen sprake meer: zijn opportunistische houding tegenover het autoritaire naziregime botste met haar overtuigingen. Een minnaar had ze gevonden in de joods-Duitse arts Arnold Strauss. Hij was naar de Verenigde Staten geëmigreerd en hoopte dat ze zou overkomen en hem haar ja-woord zou geven. Van een huwelijk wilde zij eigenlijk helemaal niet weten, van het geld dat hij haar toestuurde daarentegen wel. Zodoende hield ze hem aan het lijntje.

‘In Oostende deelden Irmgard Keun en Joseph Roth binnen de kortste keren een kamer in Hôtel de la Couronne.’

In Oostende deelden Irmgard Keun en Joseph Roth binnen de kortste keren een kamer in Hôtel de la Couronne, vlak bij het station en de oude haven. Schrijven, de heilige plicht van een auteur in ballingschap, aldus Roth, deden ze in hun vaste bistro aan het Wapenplein. Ze hielden er een ware ‘schrijfolympiade’ – de Olympische Zomerspelen werden in 1936 in Berlijn gehouden en werden onder de exilschrijvers druk becommentarieerd, vooral vanwege de manier waarop Hitler de spelen gebruikte om zijn ideologie in een positief daglicht te stellen.

In hun vaste bistro werkte Irmgard Keun aan een tafeltje bij het raam aan haar roman Nach Mitternacht. Dieper achterin, zo ver mogelijk weg van de zon, zwoegde Roth aan Het valse gewicht, een beknopte roman waarin hij uiting geeft aan zijn heimwee naar de verloren wereld van de Habsburgse dubbelmonarchie. Ze riepen elkaar geregeld iets toe over een inval en volgden met gezonde argwaan elkaars vorderingen.

Allebei waren Roth en Keun stevige drinkers. In een van haar brieven aan haar minnaar in Amerika had Irmgard Keun het over het bier dat ze in België niet te drinken vond, over de aperitieven die haar te zoet waren en de sterke drank die duur en bijna altijd waardeloos was. Eén tot twee flessen fatsoenlijke droge champagne zou je als schrijver dagelijks moeten kunnen drinken, vond ze, zeker in de laatste rechte lijn naar een romaneinde: ‘Men moet gedachten aan het ineenstorten van een wereld, de komende zondvloed, oorlog enzovoort verdringen als men schrijven wil. Daar heeft men alcohol voor nodig. Het komt er alleen maar op aan goed en verstandig te drinken.

Irmgard Keun kreeg het voor elkaar dat er in hun schrijfcafé ondanks het alcoholverbod toch geestrijke drank werd geschonken. Wel moest ze erop toezien dat Stefan Zweig er niet achter kwam. Die kon namelijk niet aanzien hoe Roth zich de vernieling in dronk. Net omwille van het alcoholverbod had hij Roth voor de zomer naar Oostende gelokt, een hele opgave, want een badplaats was allerminst Roths favoriete biotoop. In zee ging hij nooit. Vissen gaan tenslotte ook niet op café, counterde hij opmerkingen daaromtrent. Stefan Zweig had hem toch over de streep getrokken door Oostende voor te stellen als een échte stad, een plek die zelfs ‘caféhäuslicher’ was dan Brussel.

‘Irmgard Keun had al van kindsbeen af een klik met Oostende, doordat ze er met haar ouders op vakantie ging.’

Irmgard Keun had al van kindsbeen af een klik met Oostende, doordat ze er met haar ouders op vakantie ging. In de Koningin der Badsteden laat ze de roman Kind van alle landen (2016, oorspronkelijke titel: Kind aller Länder, 1938) beginnen. De tienjarige Kully brengt daarin verslag uit over haar rusteloze leven als kind van emigrantenouders. Peter, haar vader, heeft veel weg van Joseph Roth. Om voorschotten los te krijgen van zijn buitenlandse uitgevers, bluft hij over het vlotten van zijn manuscripten. Hij is in de weer met de vertaal- en filmrechten van zijn werk en probeert munt te slaan uit reclame-ideeën. Zodra hij wat geld heeft, jaagt hij het erdoor: hij kan de drankduivel niet op afstand houden en woont liever in hotels dan in een eigen stek – onder meer omdat hij er van portiers geld kan lenen.

Uiterst pakkend is de kinderlijke logica waarmee de pientere Kully zich uit uitzichtloze situaties redeneert die worden beheerst door angst, honger, geldzorgen, om nog maar te zwijgen over paspoorten en visa die beginnen te verstrijken van zodra ze zijn uitgereikt. Over landsgrenzen concludeert ze bijvoorbeeld dat ‘het iets is wat zich in een trein afspeelt, met behulp van mannen die ambtenaren zijn.’

Net als Kully kwam Irmgard Keun na haar tijd in Oostende nog terecht in Brussel, Amsterdam, Parijs, Marseille, Bordighera, Nice, en zelfs in de Verenigde Staten. Het langst verbleef ze in Amsterdam. Meteen al in de herfst van 1936 ging ze erheen met Joseph Roth vanwege de complicaties rond de publicatie van haar satirische roman Nach Mitternacht. Daarin is de hoofdrol weggelegd voor Susanne Moder, Sanna voor de vrienden. Zij registreert hoe de nationaalsocialistische ideologie in het leven van alledag sluipt en de propaganda alomtegenwoordig wordt. Ze is negentien en begrijpt lang niet alles wat ze hoort en ziet. Die naïeve blik en nauwelijks oordelende houding zorgt voor een lichtheid die ongemeen fel contrasteert met het heersende schrikbewind van de nazi’s.

Sanna beschrijft twee dagen in het voorjaar van 1936 in Frankfurt. Hoogtepunt van dag één is het bezoek van de Führer. Al geeft de brief die ze van haar geliefde neef Franz uit Keulen heeft gekregen haar eigenlijk nog meer te denken. Welke plannen heeft hij met haar na vier maanden stilzwijgen? Tot voor twee jaar woonde ze bij Franz en zijn moeder in Keulen, maar ze ging er weg nadat ze op aanstoken van haar tante door de Gestapo werd verhoord wegens ongepaste uitlatingen over de schreeuwerige radiotoespraken van Göring en het optreden van de Führer. Onderdak vond Sanna daarna bij haar oudere stiefbroer Algin en zijn vrouw Liska in Frankfurt. Dag twee staat in het teken van het feest dat Liska bij hen thuis organiseert. Er is nochtans weinig reden tot vieren. Algin is een succesvol schrijver, maar zijn carrière wordt bemoeilijkt door de censuur van de nazi’s. Algin en Liska hebben daarenboven heel wat joodse vrienden. Hoe hun levens worden gedwarsboomd sinds de invoering van de rassenwetten in 1935, komt naar voren in gesprekken tijdens het feest, dat grimmiger wordt naarmate de avond vordert.

Irmgard Keun | Maarten Streefland | Karakters

De Nederlandse uitgeverij Allert de Lange, die vanaf 1933 vanuit Amsterdam Duitse exilschrijvers uitgaf, had toegezegd om Nach Mitternacht te publiceren, maar zag daar onder druk van de Duitse overheid te elfder ure van af. Het beeld waarmee het uitvoerig beschreven bezoek van Hitler aan Frankfurt wordt afgerond, zal ongetwijfeld een van de struikelblokken zijn geweest: de Führer, die rechtop staand in zijn langzaam rijdende auto langs de mensenmassa glijdt, als prins Carnaval in zijn praalwagen, al was hij niet zo grappig en vrolijk, hij gooide geen snoep in het publiek, hij hief slechts een lege hand.

Uiteindelijk verscheen Nach Mitternacht in 1937 bij Querido, de andere toenmalige exiluitgeverij in Amsterdam. Nog in 1937 werd Irmgard Keuns scheiding met Johannes Tralow uitgesproken. Het eind van de jaren dertig bleef op privévlak een bewogen tijd voor de schrijfster. Tussen haar en Joseph Roth waren de spanningen tegen januari 1938 zo hoog opgelopen, dat ze het niet langer met hem uithield en met hem brak. Daarna reisde ze naar de VS en verbleef er onder meer een tijdje bij haar minnaar Arnold Strauss.

Van trouwen was er in haar hoofd nog altijd geen sprake, wat zeer naar de zin was van zijn ouders. In januari 1939 waren zij erin geslaagd om vanuit Duitsland eveneens de wijk te nemen naar Nederland. Zodoende volgden ze een tijdlang het doen en laten van hun mogelijk toekomstige schoondochter vanop de eerste rij. Hoe graag ze Irmgard Keun ook mochten, ze vonden haar geen goede partij voor hun zoon. In hun brieven probeerden ze hem dan ook wakker te schudden:

‘We kregen van Irms pension het bericht dat ze ervandoor is gegaan zonder te betalen. Ze is buitengewoon slim, begaafd, amusant, grappig, onderhoudend, warmhartig, maar dat alles verbleekt bij haar andere eigenschappen. Bijna elk woord is gelogen, ze weeft een web van leugens. Je zal misschien zeggen dat ze veel fantasie heeft of het amusant vinden, zolang je in de ban van haar bent, maar in het leven van alledag en onder intelligente mensen, zijn het leugens, niets meer of niets minder. Ze is onbetrouwbaar, een mens zonder verantwoordelijkheidsbesef, niet te vertrouwen. Maar het ergste van al is haar drankzucht.’

Ondanks hun voorbehoud konden ze evenwel niet ontkennen dat Irmgard Keun zo ontwapenend was, dat je wel van haar moest houden. Dat het contact tussen ‘Irm’ en hun zoon zou uitdoven hebben ze evenwel zelf niet meer meegekregen. In het najaar van 1940, kort na de Duitse bezetting van Nederland, pleegden ze radeloos zelfmoord.

Rond diezelfde periode ging het gerucht dat ook Irmgard Keun zich in Amsterdam van het leven had beroofd. Of zijzelf het bericht de wereld instuurde dat op 16 augustus 1940 door de The Daily Telegraph werd opgepikt, is nooit opgehelderd. Alleszins kon de schrijfster dankzij dit nieuws onder de radar verdwijnen.

‘Onder een valse naam keerde ze terug naar Keulen. Ze was al langer ongerust over haar moeders gezondheid. Samen met haar ouders dook ze onder.’

Onder een valse naam keerde ze terug naar Keulen. Ze was al langer ongerust over haar moeders gezondheid. Samen met haar ouders dook ze onder. In de bouwval, waar ze het oorlogseinde had afgewacht, werd ze in 1946/1947 gevonden door medewerkers van de Nordwestdeutsche Rundfunk (NWDR), een Duitse publieke radio-omroep. Ze zat op een kist aan een tafel op een typemachine te schrijven, toen ze haar aantroffen. Of ze niet voor de radio wilde werken? In eerste instantie toonde ze geen interesse, later kwam ze daarop terug.

De humoristische radiosketches die ze schreef voor ‘Kabarett der Zeit’ voor de NWDR werden heel populair. Cabaret was de kunstvorm waarin er na de oorlog weer met alles mocht worden gelachen. Het lachen verging Irmgard Keun echter bij het wederzijdse onbegrip tussen de Duitsers die voor of tijdens de oorlog waren gevlucht en diegenen die waren gebleven. Daar had ze het na de oorlog uiterst moeilijk mee, net als heel wat anderen, onder wie de eveneens gewezen exilschrijver Alfred Döblin, die haar carrière bijna twintig jaar eerder een duwtje in de rug had gegeven. Dat voormalige nazi’s daarenboven opnieuw sleutelposities kregen bij de democratische wederopbouw van Duitsland botste hevig met haar gevoel voor rechtschapenheid. De moedeloosheid die haar als gevolg daarvan terneerdrukte, tekent ook Ferdinand Timpe, de protagonist in haar laatste roman Ferdinand, der Mann mit dem freundlichen Herzen (1950). Ferdinand is na WOII uit gevangenschap teruggekeerd naar Keulen en wil eigenlijk liefst van al geen rol meer spelen, niet op maatschappelijk vlak, niet voor zijn verloofde, noch voor andere naasten. Zijn doelloosheid gaf weinig richting aan deze ironische roman, die dan ook weinig ophef heeft gemaakt.

Irmgard Keun werd voortdurend achtervolgd door een neiging naar depressiviteit. Ze bleef ook na de oorlog worstelen met haar verslaving aan alcohol en pillen. Toen ze in 1951 op haar zesenveertigste ongehuwd moeder werd, richtte ze zich op haar dochter en verdween ze helemaal van het literaire toneel.

In de late jaren zeventig werd haar werk echter van onder het stof gehaald. Haar herontdekking knoopte aan bij de oorlogsverwerking die in Duitsland vanaf het eind van de jaren zestig op gang kwam. Tot dan was er over de rol van daders en slachtoffers onder de tirannie in nazi-Duitsland geen echt maatschappelijk debat gevoerd geweest. Over schuld en schaamte was er altijd gezwegen, tot de kinderen van de oorlogskinderen begonnen te graven in de wonden die WOII in Duitse families had geslagen. Het levendige tijdsbeeld dat Irmgard Keun had geschilderd, kwam daarbij van pas.

Christoph Buchwald (1951), toentertijd werkzaam bij de Duitse uitgeverij Claassen, was een van de drijvende krachten achter de heruitgave van haar romans. Zijn tot de verbeelding sprekende kennismaking met Irmgard Keun tekende hij in de late jaren zeventig op – deze tekst is het nawoord bij Kind van alle landen. ‘Jongen, mijn huid zegt ja tegen je!’, waren de woorden die ze sprak toen hij amper binnen was in haar kleine zolderappartement. In precies dezelfde termen had ze dertig jaar eerder aangegeven hoe ze in Oostende voor Joseph Roth was gevallen! Geen wonder dus dat de samenwerking met Christoph Buchwald van de grond kwam.

In 1980 vierde de stad Keulen de zeventigste verjaardag van Irmgard Keun. Eigenlijk was de schrijfster toen al vijfenzeventig. Het leugentje over haar leeftijd ging al terug tot 1931, toen ze zich voordeed als een eenentwintigjarig debuterend wonderkind, maar in werkelijkheid vijf jaar ouder was. Een gegeven waar ze de laatste jaren van haar leven echter op geen enkele manier omheen kon, was de diagnose van longkanker. Op 5 mei 1982 overleed ze aan de ziekte. Vergeten is ze sindsdien geenszins. Ze leeft door in haar beste romans, die vuur en weemoed verbinden, die geestig doordenderen ondanks de wanhoop die eruit spreekt en die net als de schrijfster zelf soms naïef klinken, maar in al hun speelsheid briljant zijn.