fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

De diva van de dicht- en briefkunst: een portret over het leven en werk van de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann

In 1954, op haar achtentwintigste, haalde Ingeborg Bachmann (1926-1973) de cover van het invloedrijke weekblad Der Spiegel, waarmee haar faam als ‘diva van de dichtkunst’ in Duitsland en Oostenrijk werd bevestigd. Twee jaar later meende ze de geheimen achter het schrijven van goede poëzie grotendeels te doorzien en koos ze voor proza om zich uit te drukken. Eerst schakelde ze over op verhalen en vervolgens werkte ze aan haar romancyclus ‘Doodsoorzaken’, die ze door haar onverwachte overlijden in 1973 evenwel niet voltooide. Gedreven door haar hunkering naar woorden die haar verankerden in de wereld, voerde ze haar hele leven lang eveneens bevlogen briefwisselingen.

Haar meest tot de verbeelding sprekende correspondentie was die met de Roemeens-Joodse dichter Paul Celan (1920-1970). De twee literaire grootheden hielden per brief contact tussen 1948 en 1967, nadat ze elkaar in Wenen hadden ontmoet en hij kort nadien naar Parijs verhuisde. Zij was de dochter van een overtuigd naziofficier, hij was een slachtoffer van Hitlers Jodenhaat. Uit hun briefwisseling komt pijnlijk scherp naar voren hoe die achtergrond een schaduw wierp op hun verstandhouding ondanks de vonk, die in 1948 in Wenen tussen hen was overgesprongen.

Het deze maand verschenen Oorlogsdagboek draait om haar eerdere contact met Jack Hamesh (1920-1987), die eveneens Joodse roots had. Vanaf mei 1945 was hij in opdracht van het Britse leger een jaar als tolk gestationeerd in de buurt van Bachmanns woonplaats in Karinthië. Na hun korte maar intense vriendschap verhuisde hij naar Palestina. Alleen zijn kant van hun nadien gevoerde correspondentie is bewaard gebleven, maar daaruit valt ook heel wat af te leiden van de teneur van haar brieven.

Samen met Marlen Haushofer en Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek geldt Ingeborg Bachmann tot op vandaag als een van de grootste naoorlogse schrijfsters van Oostenrijk. In dit artikel krijg je een inkijk in het leven van deze gepassioneerde (brief)schrijfster.

Het literaire parcours van Ingeborg Bachmann

Ingeborg Bachmann (1926-1973) studeerde filosofie, germanistiek, kunstgeschiedenis en rechtswetenschap. Al sinds haar jeugd schreef ze verhalen en gedichten. In 1952 las ze uit eigen werk voor op een bijeenkomst van het schrijverscollectief Gruppe 47, een in hoofdzaak door mannelijke auteurs gestuurde vereniging ter ondersteuning van de Duitstalige naoorlogse literatuur. Ze debuteerde in 1953 met de poëziebundel Tijd in onderpand (Die gestundete Zeit). Drie jaar later, na de publicatie van de bundel Aanroeping van de grote beer (Anrufung des grossen Bären, 1956), voelde ze de noodzaak niet langer om poëzie te schrijven en begon ze zich toe te leggen op proza. Ondanks haar literaire succes zag ze zich in die tijd genoodzaakt om bij te klussen als hoorspelauteur en radioredactrice.

In 1961 verscheen Het dertigste jaar (Das dreissigste Jahr), haar eerste verhalenbundel. Pas tien jaar later kwam de schrijfster met nieuw proza naar buiten, maar in de tussentijd werkte ze wel aan alle drie de romans die ze onderbracht in haar cyclus ‘Todesarten’. ‘Doodsoorzaken’ staat voor manieren van sterven en stoelt op haar overtuiging dat iemand op de nonchalantste wijze, pakweg door een woord of een blik, dodelijk kan worden geraakt. Daarbij legt Ingeborg Bachmann de focus op vrouwen die door hun partner tot wanhoop worden gedreven en zo de vernieling in worden gejaagd. Malina (1971) is de enige voltooide roman van haar drieluik rond dit thema. Verderop in dit artikel volgt er meer over dit boek en de betekenis die de hoofdrolspeelster erin hecht aan brieven.

De twee overige delen van ‘Doodsoorzaken’, Het geval Franza en Requiem voor Fanny Goldmann, bleven onaf, mede door Bachmanns onverwachte dood in 1973. Uit het voorlopige manuscript van Het geval Franza (Der Fall Franza) las ze in 1966 al voor, wat doet vermoeden dat het boek toen al grotendeels op punt stond. Franza uit de titel is Franziska Ranner. Zij is getrouwd met een psychiater, die haar analyseert met zijn beroepsblik en daarbij een dermate ondermijnende toon hanteert dat er gaandeweg niets meer van haar overblijft.

In 1978 kwam Het geval Franza postuum uit als onvoltooide roman. Er bestaan ook edities waar de nagelaten fragmenten van Requiem voor Fanny Goldmann (Requiem für Fanny Goldmann) aan zijn toegevoegd. Hierin is de eens gevierde theateractrice Fanny Goldman het slachtoffer van haar echtgenoot. Hij, een would-beschrijver, verlaat haar en rekent met haar af in een roman, waarna zij zich volledig uitgehold en vernederd overlevert aan de drank en wegzinkt in het niets.

Het steekspel tussen de ex-partners waarrond Requiem voor Fanny Goldmann draait, is geen ver-van-mijn-bedshow voor Bachmann. Tussen 1958 en 1962 waren zij en de succesvolle Zwitserse auteur Max Frisch (1911-1991) hét liefdeskoppel in de Duitstalige literatuur. Na elkaar in Parijs te hebben ontmoet, verliet ze haar stek in Rome en ging bij hem in Zürich wonen. In 1960 verhuisden ze samen naar Rome. Mettertijd sloop er ontrouw, overspel en jaloezie in hun omgang met elkaar. Hij snuisterde bijvoorbeeld in haar brieven en zij ging op haar beurt op zoek naar zijn dagboek, las het en liet het vervolgens in vlammen opgaan.

Daar waar zij onder invloed van hun hoog oplopende twisten nauwelijks iets op papier kreeg, belette hun onenigheid Max Frisch geenszins om goed op te schieten met zijn roman. Het resultaat, genaamd Gantenbein (Mein Name sei Gantenbein), verscheen in 1964. Op het moment van de publicatie waren hij en Ingeborg Bachmann al ruim een jaar uit elkaar. Toch kwam zijn roman nog hard bij haar aan, omdat het haar overduidelijk was dat ze model had gestaan voor de ijdele, narcistische en ontrouwe actrice Lila, die Frisch erin opvoert.

‘In haar proza geeft Ingeborg Bachmann veel weg van het gevecht dat haar leven was.’

In datzelfde jaar 1964 ontving ze de Georg-Büchner Preis, de belangrijkste literatuurprijs in Duitsland, en in 1968 werd ze met de Grote Oostenrijkse Staatsprijs voor Literatuur onderscheiden. Die blijken van erkenning hielpen haar weliswaar niet om over haar gestrande relatie met Max Frisch heen te komen. Over hun breuk heeft hij naderhand gezegd dat ze die overigens geen van beiden goed waren doorgekomen. In haar geval betekende dat verschillende opnames in psychiatrische klinieken en het begin van een drank- en pillenverslaving.

Ondanks haar lijdensweg liet haar romancyclus ‘Doodsoorzaken’ haar niet los. Een aantal van de personages geeft ze ook een plek in haar verhalenbundel Simultaan (Simultan, 1972). Zo wierp ze een nieuw licht op sommige van haar karakters en weefde ze verder aan haar oeuvre, tot ze in 1973 op zevenenveertigjarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een brand, die in haar appartement in Rome ontstond door een niet gedoofde sigaret.

In haar proza geeft Ingeborg Bachmann veel weg van het gevecht dat haar leven was. Die strijd blijkt ook uit de verschillende briefwisselingen die ze vanaf haar twintigste fervent heeft gevoerd. Een rode draad daarin is haar nood aan echt contact en de moeilijkheid om dat tot stand te brengen.

Jack Hamesh, de jongeman achter de mooiste zomer van haar leven

Het net verschenen Oorlogsdagboek opent met de vertaling van de aantekeningen die Ingeborg Bachmann maakte in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog en meteen na de bevrijding. In deze aantekeningen lezen we onder meer hoe ze kort voor haar negentiende verjaardag met de zes jaar oudere, Joodse Jack Hamesh kennismaakte, toen ze aan de vooravond van de zomer van 1945 een persoonsbewijs ging aanvragen in zijn militaire post in haar woonplaats, het Karinthische Hermagor.

Het eerste contact verliep wat stug. Ze vond hem klein en eerder lelijk dan knap. Ook zijn spottende houding stond haar tegen. Wel was ze onder de indruk van het gemak waarmee hij Duits met een Weens accent sprak. Toen ze hem in afwachting van haar aangevraagde persoonsbewijs een tweede keer ontmoette, viel hij haar merkelijk beter mee. Ze kwam erachter dat hij vanaf zijn zesde in een weeshuis in Wenen was opgegroeid. Toen Oostenrijk in 1938 bij nazi-Duitsland werd aangesloten, kreeg een oom het op de valreep voor elkaar dat de toen achttienjarige Hamesh met het laatste kindertransport naar Palestina kon. Palestina was toen een Brits protectoraat. Vandaar dat hij in opdracht van het Britse leger aan het eind van de Tweede Wereldoorlog als tolk terugkeerde naar Oostenrijk.

Op 14 juni 1945 kwam Hamesh onaangekondigd bij Bachmann thuis aanzetten. Algauw bleek dat ze allebei hielden van het werk van schrijvers als Thomas Mann, Stefan Zweig, Arthur Schnitzler en Hugo von Hofmannsthal. Over de door hun vriendschap gekleurde zomer van 1945 schreef zij in haar dagboek: ‘Het is de mooiste zomer van mijn leven, en ook al word ik honderd jaar oud – het zal de mooiste lente en zomer blijven. Van vrede merk je niet veel, zegt iedereen, maar voor mij is het vrede, vrede!’ Die laatste uitroep weerspiegelt het opmerkelijke van hun verbondenheid: Ingeborg Bachmann was de dochter van een naziofficier die naar het Oostfront trok.

In het voorjaar van 1946 keerde Jack Hamesh terug naar Palestina. Een tijdlang bleven ze elkaar schrijven. Van haar brieven aan hem is geen spoor meer te vinden, de zijne zijn opgenomen in Oorlogsdagboek. De naweeën van de oorlog en de racistische haatgevoelens waarmee die gepaard was gegaan, waren nooit veraf in de boodschappen die ze uitwisselden. Zo betreurt hij in een brief van 1 november 1946 dat zij het moeilijk heeft en ‘zo lijdt, zo alleen vecht in het gewoel van onze gruwelijke tijd.’ Al lijkt ze de omstandigheden wel het hoofd te bieden, want even later verheugt hij zich erover dat ze zich niet door pessimisme laat meeslepen: ‘[Het] is een teken van jouw kracht, jouw levenswil en niet in de laatste plaats jouw vaste geloof dat het anders moet worden want daarom heb je besloten te leven, daarom kon je dat gevecht met jezelf doorstaan.’

Iets van haar toenmalige kijk op de historische context en hun persoonlijke situatie licht op in de aanhef van de volgende passage uit een van zijn brieven: ‘en helaas heb jij in je laatste brief nog de zin toegevoegd dat het voor jou is alsof alle bruggen achter je zijn ingestort. Heb ik weer met illusies geleefd? Was ons samenzijn slechts een toevallige episode? Ik heb het veel dieper gevoeld, misschien neem ik de dingen te serieus. Maar voor mij was het niet louter een ontmoeting, voor mij was het een bewijs dat er, ondanks alles wat er over onze beide volkeren losbarstte, nog een weg is – die van de liefde en van het begrip.’

Zijn brieven maken deel uit van Bachmanns privénalatenschap. Ze hechtte dus zeker waarde aan hun vriendschap, maar tegelijk is de kans reëel dat Hamesh het bij het rechte eind had, toen hij een jaar na zijn vertrek meende dat zij hem uit het zicht verloor. Voor de toen twintigjarige Bachmann was er immers een nieuw hoofdstuk aangebroken: ze ging in Wenen filosofie studeren en vond haar weg naar de literaire scene. Zo ontmoette ze in de lente van 1948 de dichter Paul Celan. Het was de start van een relatie die schipperde tussen liefde en vriendschap, zoals is gebleken uit hun in 2009 gepubliceerde briefwisseling.

De tragische liefde tussen Ingeborg Bachmann en Paul Celan

Paul Celan (1920-1970) was afkomstig van Czernowitz, een stad die tot 1918 behoorde tot de Donaumonarchie Oostenrijk-Hongarije en nu Oekraïens is. In zijn tijd was de Joodse gemeenschap er de grootste. Czernowitz bleef dan ook niet gespaard van de Jodenvervolging. Celans ouders werden in 1942 gedeporteerd en in een concentratiekamp omgebracht. Hijzelf werd van juli 1942 tot februari 1944 als dwangarbeider in Moldavië ingezet.

Celan, die verschillende talen beheerste, werd door de gruwel van de Holocaust met stomheid geslagen en hoopte dat de poëzie hem zou redden van die sprakeloosheid. Dat bleek echter niet zo eenvoudig, mede omdat hij als schrijver-dichter na de Tweede Wereldoorlog volhardde in het Duits, de taal van zijn ouders én van hun moordenaars. Het vervreemdende effect daarvan manifesteerde zich in zijn duistere, meerzinnige, soms hortende manier van schrijven.

In 1948 verscheen zijn bekendste gedicht, het bezwerende, beeldende ‘Fuga van de dood’ (‘Todesfuge’). Een Duitse kampleider draagt er Joodse gevangenen in op om graven te delven terwijl anderen op viool ten dans moeten spelen.

‘Paul Celan en Ingeborg Bachmann worstelden voortdurend met het vinden van de juiste woorden en hulden zich vaak in stilzwijgen.’

Rond kerst 1948, een half jaar nadat Paul Celan en Ingeborg Bachmann elkaar ontmoetten in Wenen, verhuisde hij naar Parijs en begon hun briefwisseling, die in 2010 in het Nederlands is uitgegeven onder de titel Een dramatische liefde, brieven (Herzzeit: Ingeborg Bachmann, Paul Celan, Der Briefwechsel, 2009).

Zij berichtte daarin vaak over haar stappen om zijn werk te promoten bij uitgevers en literaire organisaties. Maar bovenal vertrouwde ze hem in wisselende bewoordingen toe hoezeer haar gedachten naar hem uitgingen, dat niemand haar zo na stond als hij en dat ze slechts leefde bij de gratie van zijn genegenheid voor haar. Hij was doorgaans iets killer en terughoudender. Allebei worstelden ze overigens voortdurend met het vinden van de juiste woorden en hulden ze zich bijgevolg soms voor kortere of langere tijd in stilzwijgen.

In de zomer van 1949, een jaar na hun hartstochtelijke kennismaking, schreef ze dat ze hem een paar dagen wilde komen opzoeken in Parijs, maar dat hij haar niet mocht vragen naar het hoe en waarom van haar verlangen om hem te zien. In zijn antwoord raakte hij de onzekerheid aan die mee aan de basis lag van zijn neiging tot zwijgen: ‘Misschien is het zo dat we elkaar precies op het punt ontwijken waar we elkaar zo graag zouden ontmoeten, misschien ligt de schuld bij ons allebei. Alleen zeg ik soms bij mezelf dat mijn zwijgen misschien begrijpelijker is dan dat van jou, omdat het donker dat mij ertoe dwingt ouder is.’

Wat volgde was een soort knipperlichtcorrespondentie, waarna in het voorjaar van 1952 een voor Bachmann bittere tijding kwam: Celan had besloten om te trouwen met de Parijse Gisèle de Lestrange (1927-1991), een grafisch kunstenares.

Ingeborg Bachmann leerde hun platonische vriendschap te omarmen en bleef zich in literaire kringen onverminderd voor Celans werk inzetten. In de herfst van 1957 blies een ontmoeting in Duitsland hun band alsook hun beider afhankelijkheid van hun correspondentie weer nieuw leven in. Hij was daarna zowel haar als haar werk openlijker toegenegen. In hun per brief voortgezette gesprekken gaf ook hij makkelijker aan dat hun bijzondere band hem veel waard was. Hij dreef het tempo van zijn brieven op en voegde er vaak gedichten bij. Het ging zo hard dat Bachmann er niet altijd meer toe kwam om ze te beantwoorden.

En toch bleven de oorlogsverschrikkingen altijd ergens tussen hen in staan, maar ook tussen hemzelf en het leven vormden ze een permanente hindernis. De duisternis die hem gaandeweg meer en meer insloot en dus onvermijdelijk ook zijn brieven kleurde, was voor een deel te wijten aan plagiaatbeschuldigingen. Naderhand bleken die loos te zijn, maar ze hadden hem niettemin tot in zijn ziel geschaad. Verder leed hij onder de antisemitische stemmen die hij in de literaire kritiek meende te horen. Naar aanleiding van zijn dichtbundel Sprachgitter (1959) had een criticus namelijk geopperd dat Celan tegenover de Duitse taal een grotere vrijheid had dan zijn collega-dichters. In die context haalde de recensent het ruim tien jaar oude gedicht ‘Fuga van de dood’ aan en beweerde dat de Roemeens-Joodse Celan – die, let wel, in het Duits was opgegroeid – nauwelijks werd gehinderd door het communicatieve aspect van de taal en zich zodoende makkelijker kon overgeven aan de lokroep van de leegte.

In een brief aan Bachmann van november 1959 schreef Celan daarover dat zij wist, of alleszins ooit had geweten, dat het gedicht een grafschrift en een graf was, en dat hij een aanval daarop dan ook als niets minder dan grafschennis ervoer. De kritiek en het wantrouwen aan zijn adres maakte dat hij zich niet alleen fanatieker ging vastklampen aan zijn rol als slachtoffer van de Holocaust, de diepe wonden begonnen ook zijn verstandhouding met Bachmann aan te tasten.

Eind september 1961 drong hij aan op een gesprek met haar. Hij wilde uitpraten wat het was, dat hen uit elkaar leek te spelen. In zijn ogen kon het slechts een misverstand zijn, een moeilijk te ontwarren misverstand, maar ook niet meer dan dat. In Een dramatische liefde, brieven volgt er daarop een lange brief van haar, waarin ze alludeert op wat haar tegenzit. Ze heeft de brief evenwel nooit verzonden.

‘Je wilt slachtoffer zijn, maar het ligt aan jou het niet te zijn,’ schreef ze in die brief. En ook dat hetgeen hem kwelde voor een groot deel binnen in hem zat. ‘Jij wilt degene zijn die te schande gemaakt wordt, maar ik kan dat niet goedkeuren, want je kunt het veranderen,’ drukte ze hem op het hart, om hem vervolgens aan te sporen om boven dit alles uit te stijgen en zich te concentreren op al wie hem en zijn werk wél gunstig gezind was.

In diezelfde brief vermeldde ze voorts een bitterheid die ze jegens hem was gaan voelen. Tussen de regels van een niet nader genoemd gedicht meende zij namelijk te horen dat ze door hem van moord werd beschuldigd in de context van de Holocaust. Mogelijk was haar interpretatie overtrokken door haar eigen worsteling met het feit dat haar vader tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de kant van de daders had gestaan. Na de oorlog brak hij weliswaar met de nazi-ideologie en was Bachmanns band met hem verre van slecht. Toch heeft de historische schuldvraag rond zijn positie, samen met een amalgaam van persoonlijke pijn, angst en vertwijfeling een blijvend ontregelend effect op de schrijfster gehad.

Een maand later liet ze Paul Celan weten dat ze het niet verstuurde epistel wilde meebrengen naar Parijs, want net als hij vond ze dat ze elkaar moesten zien, om de dingen verder uit te klaren. Maar zover kwam het niet. En ook hun briefwisseling doofde uit, om in 1967 definitief te eindigen met een kattebelletje. Daarin bedankte Celan haar ervoor dat ze hem bij de Duitse uitgeverij Piper naar voren had geschoven als vertaler van de Russische dichteres Anna Achmatova – de uitgever heeft haar advies evenwel in de wind geslagen.

De rest is geschiedenis: vanaf het midden van de jaren zestig werd Paul Celan meermaals in psychiatrische instellingen opgenomen. In 1970 zag de sinds ruim twintig jaar in Parijs wonende schrijver geen uitweg meer uit zijn depressies. Hij pleegde zelfmoord door verdrinking in de Seine.

Brieven en briefgeheim in de roman Malina

Paul Celan waart rond in de roman Malina, waaraan Ingeborg Bachmann werkte, toen het bericht van zijn zelfmoord haar bereikte. In het daarin opgenomen sprookje ‘De geheimen van de prinses van Kagran’, brengt ze hem in herinnering als de vreemdeling die ‘de eerste doorn al in haar hart [had] gedreven’ en als een afstammeling van een in alle windrichtingen verstrooid volk, ‘ouder dan alle volkeren ter wereld’. Naar het einde toe laat de ik-vertelster zich ontvallen dat haar leven ten einde is, ‘want hij is tijdens het transport in de rivier verdronken, hij was mijn leven. Ik had hem meer lief dan mijn leven.’

Malina is het enige voltooide deel van haar drieluik ‘Doodsoorzaken’ over telkens een andere vrouw die door haar partner wordt kapotgemaakt. In deze cyclus werkt Bachmanns op de klippen gelopen relatie met de Zwitserse auteur Max Frisch zwaar door. Ook speelt de brutaliteit mee, waarmee Hitler in 1938 het stille, vredige Karinthië van haar kindertijd was binnengevallen. De dreiging die uitging van het dictatoriale naziregime had haar als tiener namelijk voor het eerst een vorm van doodsangst doen ervaren. De schrikbarende combinatie van macht en misbruik ontwaarde ze later eveneens in de intimiteit tussen man en vrouw.

Malina is de man met wie de labiele ik-vertelster in de gelijknamige roman samenleeft. Omdat de helende woorden van de van afkomst Hongaarse Ivan haar helpen om haar desintegrerende persoonlijkheid bijeen te houden, raakt ze evenwel ook aan hem verslaafd:

‘Want hij is gekomen om de medeklinkers weer vast en duidelijk te maken, om de klinkers weer te openen en ze hun volle klank te geven, om de woorden weer over mijn lippen te laten komen, om de eerste verstoorde verbanden te herstellen en de problemen uit de weg te ruimen, en daarom zal ik geen duimbreed van hem wijken, […]’

‘Mede doordat Bachmann haar roman Malina zelf een geestelijke, imaginaire autobiografie noemde, is de wreedheid van de vaderfiguur jegens zijn dochter al voer voor veel discussie geweest.’

De tijd wijst echter uit dat Ivan toch niet diegene is die haar die ene zin zal aanreiken die haar zekerheid kan geven in de wereld. Ivan en Malina kunnen geen van beiden haar onvervulbare nood stillen, maar ze zijn niet de eigenlijke oorzaak van het probleem, zo suggereert het veelbesproken middelste hoofdstuk ‘De derde man’. Daarin deelt de ik-vertelster met Malina dromen, waarin ze het slachtoffer is van haar vaders agressie. De fictieve vader sluit haar alter ego onder meer op in een gaskamer, heeft losse handjes en geeft meermaals aan met haar te willen slapen. Mede doordat de schrijfster haar roman Malina zelf een geestelijke, imaginaire autobiografie noemde, is de wreedheid van de vaderfiguur jegens zijn dochter al voer voor veel discussie geweest, vooral omdat zij het zelf best goed met haar vader kon vinden ondanks diens naziverleden.

Hoe dan ook, de trauma’s die de vader in Malina bij de ik-vertelster heeft ingeplant, hebben haar innerlijke zekerheid voorgoed aangetast. Het fundamentele gebrek aan aarding dat hiervan het gevolg is, maakt haar niet alleen afhankelijk van Ivan en Malina, haar radeloosheid zet haar er ook toe aan om brieven te schrijven. Bij honderden schrijft ze ze, niet per se aan mensen die haar na staan, eerder aan verdere contacten. Omdat haar pijn er uiteindelijk niet door wordt verzacht, gooit ze het radicaal over een andere boeg: ze verstuurt nauwelijks nog brieven en laat de binnenkomende post grotendeels links liggen. Op die manier oefent ze zich in het briefgeheim, althans in haar interpretatie daarvan. Haar nieuwe aanpak is ingegeven door de zaak Kranewitzer, genoemd naar de postbode Otto Kranewitzer, die in haar geboortestad Klagenfurt van de ene op de andere dag niet meer in staat was om de post rond te brengen, omdat de bedeling ervan gepaard ging met ‘een latente angst, een seismografisch opvangen van schokken’.

Heel andere brieven dan voorheen schreef ze wel nog na de zaak Kranewitzer, ‘meestal laat in de nacht, tot acht uur ’s morgens. Die brieven, die ik geen van alle verstuurde, zijn essentieel voor mij. Ik moet in die vier, vijf jaar zo’n tienduizend brieven hebben geschreven, alleen voor mezelf, waar alles in stond.’

Haar tanende geloof in de kracht van over en weer gaande woorden en brieven om de innerlijke leegte te vullen, markeert het begin van het einde. Het slot van de roman wordt ingeluid door een op het eerste gezicht onschuldige scène, waarin Malina haar geen blik waardig gunt. Die verwijdering, die ze erger vindt dan elke ruzie, noemt ze moord. ‘Het was moord’ zijn ook de laatste woorden van het boek. Ze sluiten aan bij de door de vertelster als volgt geformuleerde overtuiging van Ingeborg Bachmann: ‘De samenleving is het allergrootste moordtoneel. Op de nonchalantste wijze zijn in haar van oudsher de kiemen gelegd voor de ongelooflijkste misdaden, die de rechtbanken van deze wereld voor altijd onbekend blijven.’

Of het nu om proza of brieven ging, voor Ingeborg Bachmann was schrijven een noodzaak. Het was een vorm van innerlijke emigratie uit de trauma’s waarmee de Tweede Wereldoorlog haar had belast. Briefwisseling was daarnaast een manier om waardevolle verbindingen met anderen tot stand te brengen en te onderhouden. Die waren voor haar onmisbaar om haar zelftwijfels te bezweren en zodoende als persoon overeind te blijven. Haar gevecht met het ontoereikende van de taal is daarbij een voortdurend weerkerend thema. Dit balanceren op de rand van het onzegbare komt heel uitgesproken terug in haar correspondentie met Paul Celan, en nog het sterkst van al in de níet verzonden brieven of de allusies erop.

Meer weten en lezen over Ingeborg Bachmann?

Het enige werk van Ingeborg Bachmann dat op dit moment in druk is, is het zopas verschenen Oorlogsdagboek verschenen bij Koppernik en dat vertaald werd door Machteld Bokhove. Wie andere werken van Ingeborg Bachmann wil lezen, moet even een antiquariaat binnenwandelen.

Haar bekendste roman Malina verscheen in 2014 bij Van Gennep en werd vertaald door Paulus Jacobus Maria Beers. Haar briefwisseling met Paul Celan, Een dramatische liefde verscheen dan weer bij Meulenhoff in 2010 en werd eveneens vertaald door Paulus Beers. Beers vertaalde heel wat jaren eerder ook nog Het dertigste jaar (1992) en de bij Amber verschenen dichtbundels Aanroeping van de Grote Beer (1989) en Tijd in onderpand (1988). Een jaartje eerder verscheen Simultaan.

Wie Ingeborg Bachmann wil leren kennen door de ogen van een andere schrijfster, moet het werk van de in het Italiaans schrijvende Zwitserse schrijfster Fleur Jaeggy (Zürich, 1940) lezen. In haar verhalenbundel Ik ben de broer van XXdat verscheen bij Koppernik – ontbreekt het de personages aan geloof, hoop en liefde, ongeacht of het fictieve karakters zijn of mensen uit de entourage van de schrijfster, zoals Ingeborg Bachmann, met wie Fleur Jaeggy in de jaren zestig in Rome vriendschap sloot.

Zo vertelt de ik-figuur in ‘De steriele kamer’ dat ze het met Ingeborg een keer had over samen oud worden. Ingeborg wekte daarbij de indruk geen toekomst te verwachten. Aan het einde van het amper één bladzijde tellende verhaal zijn er jaren verstreken en is een gezamenlijke toekomst effectief dode letter geworden: ‘Ik ging elke dag naar het Sant’Eugenio, afdeling ernstige brandwonden. Twee keer betrad ik een kamer die steriel moest blijven’. Deze twee slotzinnen verwijzen naar de onverwachte dood van Ingeborg Bachmann. In het ziekenhuis Sant’Eugenio overleed zij immers in 1973 op haar zevenenveertigste aan de gevolgen van de brandwonden, die ze opliep door het vuur dat bij haar thuis was ontstaan door een niet gedoofde sigaret.

Er zijn nog heel wat correspondenties van Ingeborg Bachmann die niet vertaald zijn naar het Nederlands. Een van die correspondenties is die met de componist Hans Werner Henze (1926-2012) die in 2004 verscheen bij haar vaste Duitse uitgeverij Piper. Haar correspondentie met dichter, essayist en romancier Hans Magnus Enzensberger (1929) werd daarnaast in 2018 uitgegeven onder de titel Schreib alles was wahr ist auf – maar ook deze verscheen nog niet in het Nederlands.

Ter afsluiting nog een goed bewaard geheim, want dat zijn de brieven tussen Ingeborg Bachmann en Max Frisch. In het Max Frisch-Archiv in Zürich bevinden zich tweehonderdvijftig overwegend handgeschreven brieven van Ingeborg Bachmann aan hem, alsook zijn deel van hun correspondentie. Van de meeste van zijn brieven maakte hij namelijk een kopie, naar eigen zeggen omdat hij zijn geheugen niet vertrouwde en wilde kunnen reconstrueren wat hij eerder wel of niet had geschreven. Deze uiterst persoonlijke briefwisseling is tot op vandaag echter niet vrijgegeven voor publicatie.