Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Wat had James Joyce met Triëst (en andersom)? Een zoektocht waarom ze niet alleen in Dublin Bloomsday vieren

Wie James Joyce zegt, zegt Dublin. Met enige zin voor overdrijving stelde de in de Ierse hoofdstad geboren schrijver dan ook dat hij in zijn roman Ulysses een compleet beeld van Dublin wilde geven, zodat de stad aan de hand van zijn boek heropgebouwd zou kunnen worden, mocht ze ooit door een ramp van de kaart worden geveegd. Nochtans waren zijn gevoelens tegenover de stad dubbel en bleef hij er slechts wonen tot hij voor in de twintig was. Daarna trok hij naar het Europese vasteland. Van 1905 tot 1915 was het Noord-Italiaanse Triëst zijn thuishaven. Wat heeft Triëst tot op de dag van vandaag met de Ierse schrijver, maar vooral: wat had James Joyce met Triëst?

Triëst gaat er prat op dat James Joyce (1882, Dublin – 1941, Zürich) er de laatste hand legde aan zijn roman Een portret van de kunstenaar als jongeman (1916) en er ook begon aan zijn magnum opus Ulysses (1922). De stad eert de schrijver in de eerste plaats met haar Joyce Museum, dat de tijd die de auteur in Triëst doorbracht uitvoerig documenteert. Aan het Canal Grande prijkt een standbeeld van Joyce en verder heeft de stad een rijke traditie aan festiviteiten rond Bloomsday, de dag waarop James Joyce in literaire kringen wereldwijd wordt gevierd.

‘Op een dag in juni 1904 liep James Joyce door de Dublinse straten toen hij als een blok viel voor een jonge, roodharige vrouw. Ze heette Nora Barnacle.’

Even terug naar de oorsprong van Bloomsday. Op een dag in juni 1904 liep James Joyce door de Dublinse straten toen hij als een blok viel voor een jonge, roodharige vrouw. Ze heette Nora Barnacle (1884-1951) en kwam uit Galway, een ingeslapen stad op het Ierse platteland. Ze werkte in Finn’s Hotel als kamermeisje. Na een eerste in het water gevallen afspraak troffen de twee elkaar opnieuw op donderdag 16 juni.

Tijdens hun avondwandeling langs de rivier de Dodder knoopte ze zonder enige schroom Joyce’ broek open – ‘You made me a man’, zou hij haar nadien schrijven. Die ontmoeting was zo bepalend voor hem, dat hij jaren later 16 juni 1904 zou kiezen als de datum waarop zijn modernistische meesterwerk Ulysses zich afspeelt. Vrienden van de schrijver riepen na de publicatie van Ulysses Bloomsday in het leven. Dit met een knipoog naar de hoofrolspeler Leopold Bloom, een advertentieverkoper die op die dag door Dublin doolt en in gedachten onder meer stilstaat bij de ontrouw van zijn vrouw Molly. Vijfentwintig jaar nadat Joyce en Nora elkaar ontmoetten, vond in Joyce’ toenmalige woonplaats Parijs de eerste groots opgezette Bloomsday-viering plaats. Nog eens vijfentwintig jaar later, in 1954, werd 16 juni voor het eerst herdacht in Dublin. Intussen vindt daar jaarlijks een heus Bloomsday-festival plaats met tal van lezingen, wandelingen en re-enactments van scènes uit Ulysses. Maar ook de Noord-Italiaanse havenstad Triëst houdt die traditie levendig.

James Joyce droeg Triëst dan ook in zijn hart. Dat hij daar terechtkwam was evenwel toeval. In de herfst van 1904 wilde hij weg uit het katholieke, oerconservatieve Ierland. Hij voelde zich er in zijn artistieke vrijheid beknot en daarenboven was een openlijk beleden romance tussen een dichter en een kamermeisje er taboe. Collega-dichters en vrienden kwamen met geld over de brug voor zijn overtocht naar het Europese vasteland, want de immer berooide schrijver kon die zelf niet bekostigen.

In oktober 1904 namen Joyce en Nora de boot in Dublin. Ze scheepten apart in omdat Joyce werd uitgewuifd door zijn familie en vooral zijn vader niets mocht weten van Nora’s bestaan. Na een tussenstop in Parijs arriveerden ze in Zürich. Van de beloofde baan bij de Berlitz School bleek daar echter geen sprake te zijn. Wilde Joyce met lesgeven zijn brood verdienen, dan moest hij met Nora doorreizen naar Pula op het schiereiland Istrië. Goed vier maanden later, in maart 1905, werd hij overgeplaatst naar de Berlitz School in Triëst.

Toen Joyce in Triëst woonde was het de belangrijkste haven van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. De stad was bijgevolg een smeltkroes van talen en culturen op het kruispunt tussen oost en west. Vanwege haar kosmopolitische karakter sprak de stad de schrijver dan ook meteen aan. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ontstonden er echter spanningen onder de verschillende bevolkingsgroepen. Daarom zocht Joyce in 1915 met Nora en hun twee kinderen een veiliger onderkomen in Zürich, in het neutrale Zwitserland.

In hun tien jaar in Triëst verhuisden Joyce en Nora geregeld. Hun eerste stek lag vlakbij de levendige Piazza Ponterosso aan het Canal Grande, waar nu het standbeeld van de schrijver staat. Vanuit hun flat zagen ze er dagelijks imposante zeilschepen uit Istrië en Veneto aanleggen om de fruit- en groentemarkt te bevoorraden. ‘De altaren der kramers zijn met de eerste vruchten getooid: groengevlekte citroenen, juwelige kersen, schaamachtige perziken met gerafelde bladeren’, aldus Joyce in zijn prozagedicht Giacomo Joyce, waarover dadelijk meer.

Vervolgens woonden ze samen met hun zoon Giorgio (1906) en hun dochter Lucia (1907) in de Via S. Caterina, een zijstraat van de belangrijkste winkelstraat Corso Italia. Na twee jaar verkasten ze naar de Via della Barriera Vecchia, in het verlengde van de brede boulevard Via Carducci, nog altijd een van de drukkere verkeersaders van de stad. Ze betrokken er een flat boven Farmacia Picciòla, een apotheek, die nog altijd bestaat. De verdiepingen erboven behoren tot hotel Victoria, dat een graantje meepikt van de Joyce-bedevaartsfeer door zich op de kaart te zetten als literair hotel. Schuin tegenover de apotheek biedt Caffè Pasticceria Pirona, net als in de tijd van Joyce, een ruim assortiment van verfijnde zoetigheden aan.

‘Van zijn pen kon James Joyce destijds niet leven, daarom bleef hij Engelse les geven, zowel als privéleraar als in de Berlitz School.’

Van zijn pen kon hij destijds niet leven, daarom bleef hij Engelse les geven, zowel als privéleraar als in de Berlitz School. Voor de klas durfde hij zich wel eens kras uit te laten over de modale Dublinner die de nacht graag doorbracht in pubs en hoerententen. Hij deed dan uit de doeken hoe die zich tegen de ochtend zwaar beneveld op de tast een weg naar buiten baande en eenmaal op straat verder steun zocht door met zijn kont tegen de huizen aan te schurken. ‘Arsing along’, gaf hij zijn studenten mee als geijkte term voor deze dronkenmansgang.

Vanuit het oude stadsgedeelte rond de voet van de kathedraal San Giusto is Joyce in Triëst zelf meermaals op deze manier terug naar vrouw en kinderen gestrompeld. Aan louche cafés en bordelen was er in de rosse buurt rond de Via di Cavana geen gebrek. Zijn acute reuma-aanval in 1907, waardoor hij een maand het bed moest houden, schreef Joyce dan ook onomwonden toe aan enkele koude nachten waarin hij in de goot had liggen ontnuchteren.

In zijn laatste drie jaren in Triëst begon hij op de vierde verdieping van het herenhuis in de Via Donato Bramante 4, op een boogscheut van het hoerenkwartier, aan Ulysses en rondde er het eerste deel af. In tussentijd werd Dublinezen na verschillende mislukte pogingen alsnog uitgegeven, voltooide hij Een portret van de kunstenaar als jongeman en schreef hij het eerdergenoemde Giacomo Joyce.

Giacomo Joyce is een sterk autobiografisch prozagedicht, waarin een leraar-schrijver van om en bij de dertig in een vijftigtal fragmenten zijn onbeantwoorde liefde voor een van zijn studentes schetst. Joyce-biograaf Richard Ellmann vond het manuscript in de nalatenschap van Stanislaus Joyce, de broer van de schrijver. Zelf heeft James Joyce het werk nooit ter sprake gebracht. Hij leek dus niet bepaald zinnens het uit te geven. Opvallend is wel de zorg die hij aan de uiterlijke vorm van het manuscript besteedde. In schoonschrift schreef hij de prozaschetsen op bladen tekenpapier, die hij in een blauw schoolschrift stak. In andermans handschrift stond er in de linkerbovenhoek van de kaft ‘Giacomo Joyce’. Dat hij wel degelijk belang hechtte aan het prozagedicht blijkt ook uit het feit dat heel wat van de passages, die drijven op klankeffecten, toon en melodie, terugkomen in Een portret van de kunstenaar als jongeman en in Ulysses.

Het autobiografische karakter spreekt onder meer uit de namen Jamesy en Jim – als Jim sloot Joyce graag zijn brieven aan Nora af. Ook zij wordt in het prozagedicht genoemd. Maar wie is de andere jongedame die zijn hoofd op hol bracht?

Dit is wat de openingsregels weggeven:

‘Wie? Een bleek gezicht met weelderig zwoel-geurend bont omkranst. Haar bewegingen nerveus en verlegen. Zij gebruikt een face-à-main.
Ja: een korte lettergreep. Een kort lachje. Een kort knippen der oogleden.
Ragfijn schrift, spits en ijl getekend vol verholen dédain en berusting: een meisje van goeden huize.’

Nu eens doet ze ‘de eenvoudigste dingen met distinctie’, dan weer wordt haar ‘onbeholpen gratie’ benadrukt. Ze wekt bij de ik-figuur wellust op – ‘lange liederlijk lonkende lippen: roodbloedige weekdieren.’ Hij laat haar zijn werk lezen, waarop zij pertinent reageert: ‘Zij zegt dat indien The Portrait of the Artist slechts openhartig is om der wille der openhartigheid, zij mij gevraagd zou hebben waarom ik het haar had laten lezen.’ Waarop er enigszins ironisch volgt: ‘Nee toch? Een literaire joffer.’

‘Dat James Joyce zijn held in Ulysses zegent met de voornaam Leopold, is wellicht een indicatie van de waarde die de schrijver hechtte aan zijn band met Leopoldo Popper en diens gezin.’

In 1959 meende Joyce’ biograaf Richard Ellmann in de jonge vrouw Amalia Popper te mogen herkennen. Zij was een van de twee dochters van Leopoldo Popper, een gedistingeerde zakenman met joodse roots. Dat James Joyce zijn held in Ulysses zegent met de voornaam Leopold, is wellicht een indicatie van de waarde die de schrijver hechtte aan zijn band met Leopoldo Popper en diens gezin. Als inspiratiebron voor Leopold Bloom wordt overigens ook Italo Svevo (1861 – 1928) genoemd. De in Triëst geboren schrijver was bevriend met James Joyce. Mede dankzij diens steun brak hij in 1923 internationaal door met Bekentenissen van Zeno, het verhaal van een rookverslaafde hypochonder.

Bij de Poppers kwam James Joyce vanaf het najaar van 1907 tot juli 1908 een keer of drie per week aan huis om Engelse les te geven. Ondanks zijn status van armoedzaaier was hij een graag geziene gast in de ruime villa van het gezin in een zijstraat van de Via Michele, die steil afdaalt naar de kathedraal San Giusto. Op zondagen werd hij geregeld op familiefeestjes uitgenodigd. Dan gebeurde het dat vader Popper vioolspeelde en de muzikaal aangelegde Joyce hem begeleidde op piano.

‘Was Joyce’ schrijverscarrière niet van de grond gekomen, dan was hij misschien wel operazanger geworden.’

Was Joyce’ schrijverscarrière niet van de grond gekomen, dan was hij misschien wel operazanger geworden. In Triëst was hij vaak te vinden in het Verdi Theater. Het geld om voor operavoorstellingen te betalen had hij niet, maar collega-journalisten van het lokale dagblad Il Piccolo stopten hem vaak gratis tickets toe – zelf schreef Joyce voor de avondeditie van Il Piccolo en wel in vlekkeloos Italiaans.

Nora was overigens nooit van de partij. Noodgedwongen leefde ze erg teruggetrokken. Omdat ze niet waren getrouwd – pas in 1931 werd hun verhouding officieel bezegeld – was het niet evident voor het koppel om samen aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Kwam daarbij dat zij vanwege hun voortdurende geldnood maar een armetierige garderobe had. Om die reden kwam ze trouwens ook nooit bij de Poppers.

Giacomo Joyce werd in 1968 op aansturen van Richard Ellmann postuum gepubliceerd. Amalia Popper had hij niet te spreken gekregen in de tien jaren tussen de vondst van het manuscript en de publicatie ervan. Haar echtgenoot, schrijver en journalist Michele Risolo, zou het contact hebben tegengewerkt. Hij was er dan ook geenszins van overtuigd dat zij (als enige) model zou hebben gestaan voor Joyce’ onbeantwoorde liefde.

Volgens hem zouden Joyce en Amalia elkaar nooit onder vier ogen hebben ontmoet. Na 1909 zouden de twee zelfs helemaal geen contact meer met elkaar hebben gehad, op uitzondering van een eenmalig over en weer gaande briefwisseling. De aanleiding was Amalia’s verzoek uit 1933 om verhalen uit Joyce’ bundel Dublinezen te mogen vertalen naar het Italiaans. Of hij zich misschien zijn oud-studente nog kon herinneren? Joyce antwoordde van wel en maakte een toespeling op de brieven die zij via hem liet afleveren bij een tante die het aanlegde met een vijftien jaar jongere man en daarom uit de gratie van Leopoldo Popper was gevallen.

‘Dit hart is bedrukt en bedroefd. Liefdesverdriet?’, werpt de ik-figuur in het prozagedicht op. Toch is het maar de vraag of James Joyce werkelijk ziek was van liefde voor de jongedame. Mogelijk schreef de taalkunstenaar zich zelfbewust in een roes van verliefdheid om zijn pen te scherpen. En mogelijk was er meer dan één meisje dat daarbij als muze fungeerde. Volgens het James Joyce Museum in Triëst is de tweede meest waarschijnlijke kandidate Emma Cuzzi, afgaande op de foto’s een vrijgevochten vrouw, die paardreed en rookte. Een derde kandidate die naar voor wordt geschoven is ene Annie Marie Schleimer. Zij kreeg les van Joyce in 1905 en 1906 en had een fascinatie voor paraplu’s, wat de eindspreuk van Giacomo Joyce zou kunnen verklaren: ‘wie mij lief heeft, neme mijn paraplu voor lief.’