Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Het illusoire Nice van Patrick Modiano: bezoek de parel van de Côte d’Azur aan de hand van zijn roman Zondagen in augustus

Patrick Modiano (1945) is een van Frankrijks meest gelezen en gelauwerde auteurs. Zijn hoogste onderscheiding, de Nobelprijs voor Literatuur, ontving hij in 2014. Als geen ander weet hij de plattegrond van een stad te verbinden met het verhaal dat hij vertelt alsook met de andere motieven die zijn oeuvre kenmerken: een verteller die zijn innerlijke rust verstoord ziet door schimmen uit het verleden; de onbetrouwbaarheid van het geheugen; over elkaar schuivende verhaallijnen en tijdsframes; de verdichting van elementen uit zijn persoonlijke verleden. De meeste van zijn ruim dertig romans spelen zich af in Parijs. In Zondagen in augustus (1986) voert Patrick Modiano ons evenwel naar Nice, langs plekken die perfect herkenbaar zijn, maar tegelijk zijn typisch ongewone twist krijgen door het ontregelende schimmenspel dat hij opvoert. Op naar de parel aan de Côte d’Azur voor een modianeske citytrip.

We vertrekken weliswaar in de buurt van Parijs, waar Jean, de verteller van Zondagen in augustus, Sylvia heeft ontmoet aan de oevers van de Marne. Zij lag er aan het strand van La Varenne te zonnebaden. Hij maakte er foto’s voor een boek over rivierstranden. Er sloeg een vonk over tussen de twee. Onder het mom dat hij nog informatie over La Varenne kon gebruiken stelde Sylvia hem voor aan haar partner Frédéric Villecourt en diens moeder.

‘Uit Modiano’s autobiografische werk Een stamboek (2005) weten we dat zijn vader zich net als Villecourt inliet met duistere zaken.’

De eersteklas zwendelaar Villecourt kon over weinig anders praten dan over het Zuiderkruis, een diamant met een stamboom, waarvoor hij een geschikte koper zocht. Uit Modiano’s autobiografische werk Een stamboek (2005) weten we dat zijn vader zich net als Villecourt inliet met duistere zaken en tijdens de Duitse bezetting een soortgelijke diamant kocht met de bedoeling er na de oorlog munt uit te slaan.

Villecourts plannen vielen in het water doordat Jean en Sylvia er onder hun tweeën vandoor gingen met zijn waardevolle edelsteen. Na een onbezorgde maand augustus in de badplaats La Baule, besloten ze hun toevlucht te zoeken in Nice, om vandaar verder te reizen naar Rome. Tegen hun verwachting in pakte Nice echter uit als een spookstad, waar de dagen buiten hun medeweten verstreken en ze maar geen vat kregen op hun leven.

Het liefst zochten de twee voortvluchtigen plekken op waar ze in de massa konden opgaan. Een vaste stek was het terras van café Queenie op de Promenade des Anglais, de strandboulevard die het uithangbord is van Nice. Op een avond bleven ze er langer zitten dan anders. Het werd donker. De straatlantaarns verspreidden een onzeker, zachtpaars licht. Aan een tafeltje vlak bij het hunne, schoof ondanks het late uur nog een koppel aan. In haar avondjurk en bontmantel leek zij op weg naar een soiree. Hij maakte een afgepeigerde indruk, maar opperde niettemin om samen nog iets te drinken.

Virgil Neal heette de man naar eigen zeggen. Hij was een Amerikaan, zijn echtgenote een Engelse, maar allebei hadden ze sinds lang een band met de Côte d’Azur. Toen de lichtjes op het met glas omgeven terras van café Queenie werden gedoofd, krasten ze noodgedwongen op. De Neals waren met de wagen gekomen en stelden Jean en Sylvia voor om hen thuis af te zetten.

Onderweg naar de Rue Caffarelli, waar Jean en Sylvia een gemeubelde kamer huurden, stopte het excentrieke echtpaar hen hun visitekaartje toe. Enerzijds wilde Jean graag contact met hen houden, anderzijds vertrouwde hij het niet helemaal. Onder andere het Corps Diplomatique-kenteken van hun wagen stemde hem achterdochtig, ook al beweerden ze dat ze de auto van vrienden hadden geleend.

Jean had geregeld het gevoel dat ze in Nice in de val zaten. Die onrust overviel hem zelfs in de bar van het prestigieuze belle époque-hotel Le Negresco op de Promenade des Anglais. Dit hotel met zijn roze koepel en melkwitte gevel prijkt op menig ansichtkaart. Ook de in livrei af en aan lopende portiers, die in de afgelopen honderd jaar talloze beroemdheden onder de gasten hebben zien passeren, spreken tot op vandaag tot de verbeelding. Jean liet zich door de grandeur van het pand echter niet van de wijs brengen.

Terwijl hij door het grote raam van de bar uitkeek op de palmen in de naburige tuin van het Musée Masséna, kwam het hem voor dat hij met Sylvia gevangenzat in een aquarium en nooit meer vrij zou kunnen ademen. Toen de avond viel, ebde zijn angst weg, maar niet voor lang: in een gedaante in een donkergrijs pak bij de lift in de hotellobby herkende hij Sylvia’s ex-partner Villecourt. Die liep naar buiten en slenterde vervolgens over de promenade weg in de richting van de Jardin Albert I.

Tot een rechtstreekse confrontatie met Villecourt kwam het later, toen Jean en Sylvia hem onder de okerrode arcaden van Place Masséna een krantenwinkel uit zagen lopen. Met wijdopen ogen en een starre blik bewoog hij zich tussen de talrijke voorbijgangers in hun richting. Jean en Sylvia hoopten hem af te schudden, maar Villecourt haalde hen in en probeerde hen de pas af te snijden. Jean wilde hem wegduwen, maar zijn armzwaai pakte te breed uit. Met zijn elleboog raakte hij Villecourts lippen.

Villecourts vreemde achtervolging, zijn halfslachtige dreigementen en het verbijsterende gemak waarmee hij hen had laten ontkomen, het had allemaal iets onwerkelijks. Zelfs het bloed op zijn kin had getrukeerd geleken. Jean en Sylvia probeerden dan ook om geen belang te hechten aan het incident.

Hooguit in het gezelschap van de Neals slaagden ze er enigszins in om de tovercirkel te doorbreken die hen van de buitenwereld afsneed en hen langzaam maar zeker verstikte. Maar ook dat duurde slechts tot Virgil Neal tijdens een lunch in een chic Italiaans restaurant in de Rue des Ponchettes, niet ver van Vieux Nice, interesse begon te tonen in Sylvia’s diamant – ze droeg hem altijd om haar hals, omdat ermee uitpakken haar de beste beveiliging tegen diefstal leek. Vooral aan Virgil Neals indiscrete vragen over de authenticiteit van de edelsteen stoorde Jean zich.

Na de lunch dronk hij met Sylvia de koffie bij de Neals. In de tuin van hun villa Château Azur bracht Virgil Neal het Zuiderkruis opnieuw ter sprake en wierp zich op als potentiële koper. Vanwege de verwaarloosde indruk die hun woonst maakte, geloofde Jean echter niet dat de Neals er het geld voor hadden.

‘Modiano’s poëtische ruimte is geënt op de stad en haar stratenplan, maar sporadisch vertekent de auteur het beeld.’

Modiano’s poëtische ruimte is geënt op de stad en haar stratenplan, maar sporadisch vertekent de auteur het beeld. Zo situeert hij Château Azur van de Neals op nummer 50bis op de statige met bomen omzoomde Boulevard de Cimiez. Hun villa zou zich zo’n vijftig meter van het kruispunt bevinden dat wordt beheerst door Excelsior Régina Palace, een voormalig winterverblijf van de Engelse koningin Victoria. Het is echter verloren moeite om er naar huisnummer 50bis te zoeken, de nummers springen op de licht hellende boulevard namelijk van 48 naar 52.

Door af en toe de reële en de gefictionaliseerde omgeving net niet helemaal te laten samenvallen brengt de auteur iets onbestemds in zijn werk, dat evenwel nauwelijks opvalt. Hetzelfde effect maar dan nadrukkelijker creëert hij door een ijl waas te leggen over cafés, restaurants, hotelkamers en andere plekken waar zijn personages zich ophouden, waardoor die locaties deel lijken uit te maken van een vagelijk onheilspellende droomwereld.

Een ronduit verontrustende sfeer hing er over Coco-Beach, waar de Neals met Jean en Sylvia op een avond gingen eten. Coco-Beach, een instituut in Nice, was het lievelingsrestaurant van Barbara Neal. Het verheft zich zo’n tien meter boven de Middellandse Zee, wat haar in combinatie met het raam rondom de gelagzaal steevast de indruk gaf op een schip te zitten. De hele Engelenbaai strekte zich tijdens het diner voor Jean en Sylvia uit. Schijnwerpers verlichtten het monumentale herdenkingsteken voor de oorlogsslachtoffers aan de voet van de Colline du Château. Verderop baadden de Jardin Albert I en hotel Le Negresco in het licht.

De locatie en het schitterende uitzicht stonden in schril contrast met Jeans onbehagen over de toon die Virgil Neal aansloeg. Jeans ongenoegen bereikte een hoogtepunt bij het dessert, toen Virgil Neal zich naar Sylvia toeboog, zijn wijsvinger over haar diamant liet glijden en daarbij een toespeling maakte op haar ‘glimmertje’. Hoewel de spanning vanaf dan te snijden was, stonden de Neals erop om nog samen naar Cannes af te zakken. Jean en Sylvia brachten tal van bezwaren in, maar tevergeefs. Het jonge stel belandde weer bij hen in de wagen en het ging richting Cannes. Tenminste, dat was het plan.

Bij de oude haven stapte Jean op verzoek van Virgil Neal nog even uit om sigaretten te kopen. Bij zijn terugkeer bleek de auto verdwenen. In de jaren die volgden is Jean de film van zijn verleden met Sylvia eindeloos blijven terugdraaien. Vanuit zijn stek in het voormalige, imposante hotel Majestic, precies in de bocht van Boulevard de Cimiez, zocht hij ook onophoudelijk de plekken op, waar hij had uitgehangen met Sylvia en de Neals. Zo hoopte hij ooit te achterhalen wie de Neals in werkelijkheid waren en met welke bedoelingen ze in zijn en Sylvia’s leven waren gekomen.

Een tipje van de sluier wordt opgelicht door een van die fotografen die het op de Promenade des Anglais op toeristen hebben gemunt. Die schildwachten die hun camera in de aanslag houden om passanten in een momentopname vast te leggen, noemt Jean dan ook niet voor niets de in de straten patrouillerende bewakers van de herinnering.

‘Als Patrick Modiano door een stad wandelt, zo schrijft zijn echtgenote Dominique Zehrfuss, dan kan hij eindeloos voor een gebouw blijven staan en ervan dromen om alle mensen die er hebben gewoond te laten verschijnen, als geesten.’

Of het nu door Parijs, Rome, Londen, of Berlijn is, als Patrick Modiano door een stad wandelt, zo schrijft zijn echtgenote Dominique Zehrfuss in haar poëtische beschouwing P.M., dan kan hij eindeloos voor een gebouw blijven staan en ervan dromen om alle mensen die er hebben gewoond te laten verschijnen, als geesten. In het beste geval doemen er beminnelijke spoken op, vaak gaat er evenwel een dreiging van ze uit. De mensen, hun namen en de tijd waarin ze hebben geleefd, neemt hij tijdens die locatie-onderzoeken op in zijn register, aldus Dominique Zehrfuss, ‘hij speldt ze vast, als een entomoloog, op een reusachtig spinnenweb waar die accumulatie van namen en plaatsen iets duizelingwekkends heeft, doordat ze de onvervulbaarheid benadrukt van de metafysische leegte’.

In de voetsporen van Patrick Modiano wordt ook Nice een stad met weerhaakjes: ze beklemt, maar is tegelijk in een zachte schemer gehuld en straalt iets bedwelmends uit, net als de geschiedenis die er zich in Zondagen in augustus ontvouwt.