Zoeken
Bekijk alle artikelen van

De wolven van Arnon Grunberg: over Goede mannen en twintig jaar Grunberg lezen

Hij is al weer een poosje uit, de nieuwe Grunberg. Goede mannen gaat over de Pool, brandweerman, eigenlijke naam Geniek Janowski. Maar niemand noemt hem zo. Zelfs zijn eigen vrouw niet. Na het overlijden van zijn oudste zoon, door zelfdoding, gaat hij op zoek naar troost – bij de pony die zijn zoon achterliet, de vrouw van een collega, een kippenhok en uiteindelijk een jongere vrouw uit Oekraïne. Het is kortom – en het wordt nu zelfs bijna vermoeiend om dát in besprekingen te lezen – weer een typische Grunbergroman. De Pool is een man bij wie daadkracht en werkethos hoog in het vaandel staan, om uiteindelijk ten onder te gaan aan zijn eigen verlangens. Het zijn de variaties op het Bijbelboek Job waarin Grunberg zich de laatste jaren heeft gespecialiseerd: we beginnen in het midden, of er net iets onder of boven, maar eindigen altijd op de bodem.



Ergens in het begin van de roman vindt de Pool een vrouw op de zolderkamer van de boerderij waar de pony van zijn zoon wordt gehouden. De vrouw zit vastgebonden aan haar bed, ze communiceert met haar man door middel van kloppen. Eén keer kloppen betekent ik houd van je, twee keer ik haat je. Geestig. Maar tekenend is dat Grunberg vervolgens inzoomt op een bord met een plak ontbijtkoek: ‘De koek was met boter of margarine besmeerd, het mes lag er nog naast. De Pool moest de neiging om te kokhalzen onderdrukken en dat terwijl hij niets tegen ontbijtkoek had, maar hoe het daar lag, zo armoedig, zo oud, zo onaangeroerd, daarvan werd hij misselijk.’ Prima, zou je denken. De misselijkmakende werking van de werkelijkheid. Maar dan komt daar nog achteraan: ‘Het bord was gebroken geweest, iemand had de moeite genomen de twee helften weer aan elkaar te lijmen.’ Hier gebeurt op microniveau wat de roman op macroniveau zo onevenwichtig maakt: de plak ontbijtkoek is niet genoeg, het moet óók nog op een gebroken bord liggen. Grunberg doseert niet. Dat zorgde er in zijn eerste paar boeken voor dat je soms tot tranen toe kon lachen. Het zorgt er nu voor dat zijn romans, hoewel het ze nooit aan humor ontbreekt, ongeremd zijn in hun misère.

Ergens onder het aforistische en thematische geweld van Goede mannen schuilt een ontroerende roman over een huwelijk dat het overlijden van een kind probeert te verwerken. Als de Pool en zijn ‘lieve vrouw’ Wen met behulp van een voorlichtings-dvd weer wat tederheid in hun seksleven proberen te brengen en hoe dat hoofdstuk eindigt in het bed van hun overleden jongen, of als het wantrouwen bij de Pool toeslaat over de oprechtheid van zijn Oekraïense vrouw, valt er emotie te bespeuren. Maar telkens wordt het onderbroken door het absurde. Daar is Grunberg het beste in, dus écht storen doet het nooit. Toch vraag je je af hoe een Grunbergroman met de rem er een beetje op uit zou zien. Dit betekent overigens niet dat er geen subtiliteiten te bespeuren zijn: aan het begin van de roman, als zijn zoon en de pony van zijn zoon nog leven, haalt de Pool shoarmavlees voor de brandweerploeg en staan er thuis biologische worstjes op tafel. Nadat de pony naar de paardenslager is geweest, is hij vegetariër. De link wordt nooit direct gelegd, waardoor er voor de lezer nog echt iets te ontdekken valt. Dat is knap.




Wat Goede mannen in structuur anders maakt dan zijn voorgaande romans is bijvoorbeeld de tijdsprong in het begin, van het heden naar het verleden, of de brief als intermezzo. Dit soort dingen zijn even zeldzaam als de perspectiefwisselingen in Huid en Haar (2010) dat waren. De Grunbergroman is een geraamte geworden dat steeds anders aangekleed wordt – maar wat ís het toch een geraamte. En als je goed kijkt, zijn er altijd kleine dingen te vinden die het wederom de moeite waard maken. Als de Pool naar zijn oudste zoon kijkt, ziet hij ‘een echte Nederlander’, wat heel voorzichtig iets over zijn identiteit als Pool zegt. Op een gegeven moment hoort de Pool een viool bij de buren, of is het een cello? – verwijst Grunberg hier subtiel naar de thematische overeenkomsten met Tirza (2006)? Ook zijn er de visitekaartjes van boerderijhulp Ruud, met daarop mensenknecht en een doorgestreepte naam en later het bedrijf Het Menselijk Verlengstuk. Het doet aan als opvulling, maar zegt veel over het identiteitsthema en jezelf uitwissen om een ander te troosten – en aan de hilarische visitekaartjes van Broccoli uit Figuranten (1997) of de gekapitaliseerde bijnamen uit Fantoompijn (2000).

In Goede mannen valt wederom genoeg te genieten. Toch blijf je je afvragen hoe een écht nieuwe Grunbergroman zou lezen. Joost de Vries komt in zijn essay ‘De mensendokter: over Arnon Grunberg’ in Vechtmemoires (2014) tot dezelfde conclusie: ‘[het is hoogst onwaarschijnlijk] dat hij nog met een boek zal komen dat je in onderwerp, toon, stijl, personages of iets anders enorm zal verrassen. Zijn wereldvisie, tenminste die die hij in zijn romans uiteenvouwt, is uitgekristalliseerd: de mens is een wolf.’ Zo zijn de personages van Grunberg al bijna twintig jaar wolven in verschillende schaapskleren. Zijn romans draaien erom dat de wolven zich langzaam ontdoen van die kleren, laag voor laag, totdat er niets meer dan een nihilistische naaktheid overblijft. Voor de lezer blijft dit elke roman weer een verslavend proces, zó verslavend dat ook daar de leegte doorheen begint te sijpelen. Dat is de afgelopen twintig jaar Grunberg lezen: de smaak blijft hetzelfde, maar de tolerantie is te hoog geworden.

Maar er is hoop. Of misschien is hoop een groot woord, er is een tederheid waarneembaar in datzelfde, latere werk. Hoe dat zich binnen zijn romans laat categoriseren verschilt, maar helemaal op de voorgrond is het nooit. Meer dan in zijn vroegere werk – en dan tel ik zo’n beetje alles vóór De asielzoeker (2003), wat volgens mij een schakelroman is – wordt er naar troost gezocht, geven personages toe aan hun verlangens, worden armen gestreeld en haren geroken. Seks is nog steeds het slagveld waar de waarheid boven tafel komt en ook in Goede mannen komen weer veel pijnlijke scènes voor die dit onderschrijven, maar tussen de regels door voel je toch een warmte. Het einde van Moedervlekken (2016) leek daartoe een opmaat te zijn: psychiater Kadoke besloot van het niet-doodgaan het leven te maken. Dat einde verschilt wezenlijk van het ‘pechmagnetisme’ waarin deze roman eindigt: een bijna gratuite scène tijdens een brandweerfeest die de bodem nog even dichterbij moet brengen. Het is dan ook geen verrassing dat zowel de mens als God aan het einde van Goede mannen weer smeerlappen zijn.