fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Kiezen voor de liefde: het verhaal achter De poort van Soseki Natsume en waarom het boek uitgroeide tot een klassieker in Japan

Daar sta ik dan, voor ‘de poort’. Het is voorjaar 2016 en de statige, imposante tempelpoort in kwestie behoort toe aan de Engakuji in Kamakura. In de roman De poort (Mon 門, 1910) van Soseki Natsume wordt de zentempel waar Sosuke, het hoofdpersonage, zijn toevlucht zoekt niet bij naam genoemd, maar het staat vast dat de auteur zich voor de beschrijvingen baseerde op zijn eigen bezoek aan de Engakuji in 1894. In december gaat Soseki Natsume (1867-1916) daar op zoek naar geestelijk heil, sluit vriendschap met een aantal monniken, maar gaat zowat een maand later weer weg, net als Sosuke met een gevoel van mislukking.

De Engakuji, gesticht in 1282, is nog steeds een belangrijk tempelcomplex van de Rinzai-school. Het bevat tientallen gebouwen, verspreid over een uitgestrekt, heuvelachtig terrein. In zijn debuutroman Ik ben een kat (1905-1906) vermeldt Soseki deze tempel eveneens (ditmaal wel bij naam) en wijst hij op de nutteloosheid en zelfs de gevaren van zen in een humoristische conversatie over Dokusen, een oude studiegenoot van het baasje van de kat.

Op reis naar Kamakura

‘Twee mensen hebben dankzij Dokusen daadwerkelijk hun verstand verloren.’
     ‘Wie dan wel?’
     ‘Wie dan wel? Nou, de ene is Tozen Rino. Door toedoen van Dokusen ging hij dwepen met de zenleer en vertrok naar Kamakura, waar hij uiteindelijk gek werd. Voor de Engakujitempel heb je die overweg, ja? Nou, hij sprong dus voorbij de slagboom en ging in meditatiehouding op de sporen zitten. Met veel bravoure beweerde hij dat hij eens zou laten zien hoe hij de aankomende trein ging tegenhouden. De trein kwam gelukkig op tijd tot stilstand, zodat hij het er levend vanaf bracht, maar als gevolg ging hij nu verkondigen dat hij een onverwoestbaar lichaam had, dat niet verbrandde in vuur en niet verdronk in water. Hij stapte de lotusvijver van de tempel in en liep bubbels blazend rond op de bodem.’
     ‘En dat werd zijn dood?’
     ‘Ook toen had hij geluk. Een priester uit het opleidingscentrum kwam toevallig langs en redde hem. Daarna keerde hij terug naar Tokio, waar een buikvliesontsteking hem dan fataal werd. Hij stierf dus aan een buikvliesontsteking, maar die was veroorzaakt door al de rijst met gerst en de ingelegde groenten die hij in de tempel at. Met andere woorden: indirect heeft Dokusen hem vermoord.’
     ‘Overdreven geestdrift is niet altijd een goede zaak, hè.’ Mijn baasjes gezicht verraadt enige angst.

Kamakura ligt zo’n vijftig kilometer ten zuidwesten van Tokio. Vanaf eind twaalfde tot midden veertiende eeuw was het shogunaat er gevestigd en de streek telt veel tempels. De stad is dus van historisch belang, maar ten tijde van De poort was het, ook bij buitenlandse toeristen, een populaire badplaats geworden door het openen van een nieuwe spoorverbinding met Tokio in 1890. Vandaar Oyones spottende opmerking wanneer Sosuke zegt dat hij een reisje daarnaartoe wil maken. De openingsscène van Soseki’s roman Kokoro: de wegen van het hart speelt zich overigens ook af op een strand in Kamakura.

Als ik in 2016 zelf een bezoek breng aan de Engakuji, een halfuur lopen van het stadscentrum, herken ik om te beginnen de overweg bij het stationnetje van Kita-Kamakura. Ik stel me er meteen Tozen Rino uit Ik ben een kat bij voor, in meditatiehouding op de sporen. Aan de overkant wacht me een vrij brede stenen trap, afgezoomd door struiken en hoge ceders, en dan volgt natuurlijk de fameuze poort, een massieve houten constructie, waarvan de eigenlijke doorgang maar een betrekkelijk klein onderdeel uitmaakt. Het gedeelte erboven is veel groter, zodat je in feite tot nederigheid wordt gedwongen als je er onderdoor loopt.

Hier voorbij volg ik de beschrijvingen in De poort en loop rechts het kronkelende pad omhoog, tot ik bij het gebouw kom waar Soseki logeerde. Ik kan er niet naar binnen, want het is niet toegankelijk voor het publiek, maar op een pilaar bij de ingang staat ‘Soseki no Kai’ (De Soseki-kring). Eronder is, achter glas, een boek uitgestald: Soseki Natsume en de Kigen’in. Kigen’in is de naam van deze bijtempel. Er bevindt zich naar verluidt ook een stenen plaat met een haiku van Soseki (hij zou er in 1912, dus na het verschijnen van De poort, nog terugkeren). De koan waar Sosuke zich in de roman het hoofd over breekt, bestaat ook echt.

Daarna vind ik ook mijn weg naar de lotusvijver die in De poort en Ik ben een kat wordt vermeld. De vijver is omheind en er staat een bordje: ‘Gevaar. Gelieve niet te betreden.’ Ook nu doemt een beeld op van Tozen Rino, die nog net van de verdrinkingsdood wordt gered. Aan de overkant zie ik halverwege de heuvel het gebouw waar vermoedelijk de ontmoetingen met de roshi plaatsvonden en het pad dat ernaartoe leidt. Ik bezoek ook andere, wel vrij toegankelijke gebouwen en stukjes tuin. De hele wandeling probeer ik me een eeuw terug in de tijd te verplaatsen. Dat valt mee omdat hier, zeker in het achterste gedeelte, vrij weinig toeristen ronddwalen, in tegenstelling tot beneden in de stad, en vooral dan bij het reusachtige Boeddhabeeld dat tegenwoordig de grootste attractie van Kamakura is (en waar van stilte en zen bijgevolg allerminst sprake is).

Honderd jaar later nog steeds immens populair

Ruim een eeuw na zijn dood blijft Soseki Natsume bijzonder populair in Japan. Zo publiceerde de krant Asahi in 2014, naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de eerste uitgave, zijn bekendste roman Kokoro opnieuw in dagelijkse afleveringen, net zoals dat oorspronkelijk gebeurde. De ontvangst was zo enthousiast dat ook andere van zijn werken weer in feuilletonvorm verschenen. Vanaf 21 september 2015 was het de beurt aan De poort.

Soseki wordt in 1867 geboren als Kinnosuke Natsume, in een samoeraifamilie met bestuurlijke functies. Zijn ouders zijn dan al veertigers en het gezin telt nog zeven andere kinderen (van wie twee uit een eerder huwelijk van zijn vader). Na een jaar wordt hij om die reden ‘geadopteerd’ door het echtpaar Shiohara (een niet ongewone praktijk in die tijd). Nadat de Shiohara’s scheiden, keert hij in 1876 terug naar zijn eigen ouders. Pas in 1888 zal zijn familienaam echter weer officieel ‘Natsume’ worden. Maar iedereen in Japan kent de auteur als ‘Soseki’, het pseudoniem dat hij voor het eerst aannam in 1889, toen hij een aantal Chinese gedichten schreef. Die naam betekent letterlijk ‘spoelsteen’, naar een personage in een Chinees verhaal dat de woordvolgorde van een bekende uitdrukking door elkaar haalt en verklaart dat hij ‘zijn hoofd op stromend water zal laten rusten en zijn mond zal uitspoelen met stenen.’ Wanneer hij wordt gecorrigeerd, blijft hij koppig volhouden dat hij wel degelijk meende wat hij zei. Soseki identificeert zich dus met deze dwarsligger.

De Chinese invloed is overigens niet toevallig. Soseki studeert eerst Chinese literatuur en hij blijft daar altijd een voorliefde voor koesteren. Maar onder invloed van de moderne tijdsgeest kiest hij aan de Keizerlijke Universiteit van Tokio voor Engels (volgens sommige bronnen is het niet echt een vrije keus, maar wordt hij veeleer in die richting geduwd door docenten). Daarop geeft hij een aantal jaren Engelse les aan middelbare scholen op diverse plekken in Japan, maar dankzij zijn uitstekende studieresultaten (en ook wel omdat er nog weinig concurrentie is; hij is in 1893 pas de tweede die afstudeert in de opleiding Engels) wordt hij in 1900 door de overheid geselecteerd om met een beurs naar Engeland te gaan. Zijn vrouw is op dat moment zwanger van hun tweede kind. Het wordt een confronterende ervaring, want Soseki stelt vast dat zijn kennis van de Engelse taal ontoereikend is en dat de Britten bovendien maar matige belangstelling tonen voor die ‘rare Aziaat’. Hij sluit zich een groot deel van de tijd op in zijn kamer, waar hij heel veel boeken leest. Maar het sociale isolement eist zijn mentale tol en ook na zijn terugkeer naar Japan in 1903 blijft Soseki last hebben van psychische problemen. Daardoor valt het werk aan de universiteit, waar hij inmiddels is aangesteld als docent Engelse literatuur, hem zwaar. Hij ziet het schrijverschap als een uitweg. Al voor zijn vertrek naar Engeland publiceerde Soseki haiku’s en essays, en de brieven die hij tijdens zijn verblijf daar naar de dichter Shiki Masaoka, zijn beste vriend, stuurde, werden gepubliceerd in diens tijdschrift Hototogisu.

‘Soseki ontwikkelt zich tot de eerste echt belangrijke moderne Japanse schrijver. Haruki Murakami, om maar iemand te noemen, steekt zijn bewondering niet onder stoelen of banken.’

Na vier jaar aan de universiteit neemt Soseki in 1907 dan ook de drastische beslissing om de academische wereld de rug toe te keren en te gaan werken voor de krant Asahi, waar hij de belofte krijgt dat hij zich kan toeleggen op eigen prozawerk. Naast romans blijft hij trouwens ook essays en toonaangevende literatuurtheorie schrijven, evenals poëzie, zowel haiku als gedichten in de traditionele Chinese stijl (kanshi). En zo ontwikkelt Soseki zich tot de eerste echt belangrijke moderne Japanse schrijver. Haruki Murakami, om maar iemand te noemen, steekt zijn bewondering niet onder stoelen of banken. Onder andere in zijn essaybundel Romanschrijver van beroep (2015) roemt hij Soseki om de functionele manier waarop hij personages in zijn verhaal introduceert. Critici hebben overigens al gewezen op de gelijkenissen tussen protagonisten als Sosuke in
De poort en het typische Murakami-hoofdpersonage, onder andere in de gelatenheid waarmee ze gebeurtenissen over zich heen laten komen.

Aangezien Soseki maar een decennium of wat actief was als auteur van romans, zit De poort dus precies halverwege dat oeuvre. Vooraan hebben we Ik ben een kat (1905-1906) en bijna helemaal achteraan Kokoro (1914), de twee boeken die eerder in Nederlandse vertaling uitkwamen, het ene een satirische blik op het moderniserende Japan door de ogen van een eigenwijze kater en het andere een psychologisch drama over de verscheurende keuzes van het hart en hun gevolgen. Wie alleen deze twee leest, kan zich afvragen of ze wel van dezelfde auteur zijn. De poort zit er ook op dat vlak ergens tussenin. Het is nog niet zo donker als Kokoro en bevat nog de nodige humor, al is die van een heel andere aard dan de grappen en grollen in Ik ben een kat. Veel heeft te maken met Soseki’s fysieke en mentale toestand. Fysiek kreeg hij gaandeweg meer last van zijn maagproblemen (een maagzweer zou hem uiteindelijk fataal worden). In Ik ben een kat wordt daar nog flink de draak mee gestoken, en ook in De poort zit er een verwijzing naar, wanneer Sosuke in de zentempel verblijft.

Soseki’s gezondheidstoestand had trouwens een directe invloed op de ontstaansgeschiedenis en de ontwikkeling van dit verhaal. Zoals vaak in die tijd verschenen Soseki’s romans dus eerst als feuilleton in een krant of een tijdschrift, in dit geval Asahi. Er was afgesproken dat de nieuwe Soseki zou beginnen in maart 1910, nadat een verhaal van Kafu Nagai afliep. Door zijn maagproblemen komt Soseki echter niet aan schrijven toe. Maar de redactie dringt in elk geval aan op een titel, zodat ze het verhaal alvast kunnen aankondigen. Bij een bezoek aan de specialist Duitse literatuur Toyotaka Komiya, die model stond voor het personage Sanshiro in de gelijknamige roman uit 1908, bladert die door Nietzsches Aldus sprak Zarathoestra en komt met het woord ‘poort’ op de proppen. Met zo’n titel kun je qua inhoud nog alle kanten uit, zei Komiya naar verluidt. Soseki heeft zich dus in zekere zin laten leiden door die titel om tot de symbolische passage aan het eind te komen, waarin Sosuke zichzelf ziet als een man die er niet in slaagt door de poort te gaan, maar zich daar evenmin zomaar bij kan neerleggen.

Ook tijdens het verschijnen heeft Soseki moeite om het tempo te volgen; hij kan maar korte stukjes schrijfarbeid na elkaar aan. En na de voltooiing op 12 juni (na 104 afleveringen) wordt hij direct opgenomen in het ziekenhuis, waar hij meer dan een maand zal verblijven. Dat De poort niet overloopt van vrolijkheid is in die context dus niet zo verwonderlijk.

Bestel je unieke exemplaar van het allereerste Karaktersboek

‘Murakami’s leermeester is na een eeuw nog steeds verrassend modern.’ – de Volkskrant ★★★★

Bestel je unieke exemplaar

Het belang van De poort

De poort wordt vaak genoemd als het derde deel van een trilogie, met als andere delen Sanshiro (1908) en Sore kara (1909) (beide nog niet in het Nederlands vertaald). De drie boeken hebben andere protagonisten (telkens een stukje ouder en pessimistischer), maar delen wel de thematiek van het individu dat het recht opeist om de vrouw van wie hij houdt voor zich te winnen, ook al veroorzaakt dat pijn of ongenoegen bij anderen.

De poort bevat ook een aantal narratieve elementen die in het latere Kokoro (uitgebreider) weerkeren: de moeilijke familiebanden na het overlijden van de vader, de amoureuze driehoeksverhouding, een dramatische gebeurtenis uit het verleden die sporen blijft nalaten, en natuurlijk ook het conflict tussen het (moderne) individu en de (traditionele) sociale verplichtingen in het snel veranderende Japan. Keizer Meiji was op de troon gekomen in 1868, toen de shogun van het bewind werd verdreven en de keizerlijke macht werd hersteld. De hele hofhouding verhuisde toen van Kioto naar Edo, dat meteen ook werd omgedoopt tot Tokio (‘Oostelijke Hoofdstad’). Rond diezelfde tijd werd tevens een lange periode van nationale isolatie afgesloten. Meer dan twee eeuwen mochten buitenlanders Japan niet in en Japanners hun land niet uit. Het opheffen van dat verbod luidde meteen ook de modernisatie in. Westerse kennis werd nu gretig overgenomen. Dat gebeurde op allerlei vlakken: wetenschappelijk, technologisch, ideologisch, cultureel… Voor sommigen ging het echter te snel en bij hen bekoelde algauw het aanvankelijke optimisme en enthousiasme over het aanbreken van de moderne tijd, waardoor er een tegenreactie kwam.

Soseki zelf, wiens levensloop nagenoeg samenvalt met de regeerperiode van Meiji, worstelde eveneens met de ingrijpende veranderingen die de modernisering en de verwestersing met zich meebrachten. Mede door zijn verblijf in Engeland werd hij zich pijnlijk bewust van de eenzaamheid en de vervreemding aan de keerzijde van het gepredikte individualisme en het verguizen van de traditionele sociale structuren. In De poort wordt dat voor het eerst erg duidelijk. Naast de passage in de tempel bevat De poort nog een aantal autobiografische elementen. Het huis van Sosuke en Oyone ligt in het huidige stadsdeel Shinjuku. Soseki woonde de laatste negen jaar van zijn leven zelf in deze buurt, met name in Waseda Minamicho (op die plek ging een Soseki-museum open in 2017, honderdvijftig jaar na zijn geboorte). Hij kreeg daar tot zesmaal toe het bezoek van een inbreker, net als de huisbaas Sakai. Het is moeilijk voor te stellen dat dit nu zo drukke deel een eeuw geleden nog echt het uiteinde van de hoofdstad was, waar nieuwe woonwijken verschenen. Die wijken kwamen er trouwens dankzij de aanleg van tramlijnen. In 1910 reed de tram, die in De poort meermaals aan bod komt, pas zes jaar in Tokio. Ook de advertenties die Sosuke in de tram leest, verwijzen naar de ‘moderne tijd’, evenals de vermeldingen van een ‘riksja met rubberen banden’ en een ‘machinaal gesponnen kimono’ aan het begin van het boek of oliemotors elders. De eindhalte van de tram waarmee Sosuke van zijn werk komt, is Edogawabashi. Waseda Minamicho ligt inderdaad op een kleine twintig minuten lopen daarvandaan. Tante Saeki woont overigens een paar kilometer verderop in Naka Rokubancho, in het stadsdeel Kojimachi (vanaf 1947 Chiyoda genoemd).

‘Je professionele toekomst en sociale banden opofferen voor de liefde was in Soseki’s tijd allesbehalve een evidente keus.’

Soseki was in 1909 ook zelf op reis geweest naar Mantsjoerije en Korea. Meer nog: hij was in de stad Harbin amper een maand voor Hirobumi Ito er werd doodgeschoten door een Koreaanse nationalist. Een reisverslag verscheen in de krant Asahi, maar het incident werd dus ook verwerkt in De poort. Ito was een van de belangrijkste politieke figuren van het moderniserende Japan, ook al was zijn rol ten tijde van de moord zo goed als uitgespeeld. Hij was in 1885 de allereerste premier (en werd dat tot viermaal toe), en van 1905 tot 1909 was hij resident-generaal van Korea, nadat Japan daar een protectoraat van had gemaakt. De titel van prins kreeg hij in 1907. Zijn beeltenis op het briefje van duizend yen werd in 1984 uitgerekend vervangen door die van Soseki (die er tot 2007 op prijkte).
Het is niet moeilijk enige symboliek te zien in de rotswand die de huizen van Sosuke (beneden) en Sakai (boven) van elkaar scheidt, met constante vrees voor instortingsgevaar. Sakai is universitair, vermogend en gezegend met een kroostrijk gezin; al de dingen die Sosuke niet is (wat ze wel gemeen hebben is een goede komaf en een jongere broer). En dat alles is het gevolg van een keus uit het verleden. Een persoonlijke keus voor de liefde. Zonder die keus had Sosuke net zoals Sakai kunnen worden en alles kunnen hebben wat zijn huisbaas heeft. Nu woont hij in een bescheiden huur- huis, met een karig loon voor een saaie baan, en door omstandigheden (een vloek?) is hij kinderloos gebleven. Maar toch voelt hij geen spijt of jaloezie, precies omdat het zijn eigen keus was.

Je professionele toekomst en sociale banden opofferen voor de liefde was in Soseki’s tijd allesbehalve een evidente, of zelfs gangbare, keus. Het huwelijk was doorgaans gearrangeerd. Een van de populairste thema’s in de premoderne Japanse literatuur is dat van shinju, te omschrijven als de dubbele zelfmoord van geliefden van wie de relatie door hun omgeving niet wordt aanvaard. Dat fenomeen verdween niet zomaar in de moderne tijd (de populaire auteur Osamu Dazai was in 1948 nog een spraakmakend geval). In De poort is zo’n ‘liefdesdood’ evenwel niet aan de orde. De geliefden trekken zich terug op zichzelf, in hun eigen gesloten wereld. Al zijn ze uiteraard niet helemaal afgesloten. Elk maatschappelijk contact is echter pijnlijk, inclusief de confrontaties met het verleden die eraan gekoppeld zijn.

De poort is geen Hollywoodscenario. Opvallend veel blijft onuitgesproken, en de stiltes zijn vaak veelzeggend. Wat is er destijds precies gebeurd tussen Sosuke, Oyone en Yasui? Wat was de relatie tussen Oyone en Yasui? Waarom moest Sosuke verhuizen van de Universiteit van Tokio naar die van Kioto? Waarom ging hij van Hiroshima naar Fukuoka? Een hedendaagse westerse lezer (en wellicht ook wel een hedendaagse Japanse) verwacht tevens dat er als climax een weerzien komt tussen Sosuke en Yasui. Maar nee, Sosuke gaat dat uit de weg en trekt in de plaats naar een zentempel. En ook hier is Soseki’s aanpak eerder verrassend. Zen blijkt namelijk geen oplossing te bieden (net zomin als de oude wijsheden van Confucius). Al honderd jaar geleden toonde Soseki dus aan dat het stereotiepe westerse beeld van de serene Japanner bij wie zen in het bloed zit, volkomen fout is. De moderne stadsjapanner heeft zelfs geen flauw idee (de premoderne landbouwer natuurlijk al evenmin). En gezien Soseki’s eigen gemoedstoestand wordt een overdreven happy end-gevoel meteen gerelativeerd door de uitspraak dat het ‘voor je het weet weer winter wordt’.

De verwijzingen naar de natuur en de seizoenen zijn trouwens een belangrijke invloed uit de klassieke Japanse (en bijgevolg ook Chinese) literatuur. Niet toevallig begint de roman op een mooie herfstdag en eindigt hij op een mooie lentedag, met een barre win- ter ertussenin. Het afsluitende gesprek over de Japanse struikzanger is niet zonder belang. Die vogel is van oudsher een belangrijk symbool van de lente in prenten en gedichten. Ook elders vinden we dergelijke referenties, die voor iedere Japanner (althans in Soseki’s tijd) duidelijk zijn. Hetzelfde geldt voor de vele nieuwjaarsgebruiken en andere seizoensgebonden activiteiten, zoals het wisselen van winter- en zomerkleren, het luchten van voorwerpen, het vieren van een blijde gebeurtenis (Sosukes loonsverhoging in dit geval) met rode rijst en vis (Soseki hoeft zelfs niet te zeggen dat de vis op Sosukes bord een zeebrasem is; dat weet een Japanner, vanwege de associatie van de benaming ‘tai’ met het woord ‘medetai’ om te feliciteren).

Sommige dingen kunnen vreemd lijken: dat Sosuke ondanks zijn penibele financiële situatie een meid heeft bijvoorbeeld. Maar dat was gebruikelijk, en ze werkt uiteraard tegen kost en inwoning. Ook zal de westerse lezer soms de wenkbrauwen fronsen bij bepaalde uit- spraken of handelingen die naar zijn normen seksistisch en vrouwonvriendelijk overkomen. In het Japan van Meiji heersten nu eenmaal andere regels in de omgang tussen de geslachten. Van gelijkheid in de opvoeding was geen sprake. Mannen konden naar de universiteit. Vrouwen, als ze al naar school gingen, moesten ‘goede echtgenotes en wijze moeders’ worden; daar werden zelfs strenge overheidscampagnes rond gevoerd. De verloofde van Yasunosuke gaat naar Jogakkan, maar zij is een uitzondering en ook in die particuliere meisjesschool is het curriculum behoorlijk anders dan aan de Keizerlijke Universiteit van Tokio of Kioto. Sosuke gaat dus uit werken, Oyone doet het huishouden, helpt hem bij het omkleden, legt het beddengoed klaar. Sosuke zegt wel tegen zijn jongere broer dat hij met een en ander moet helpen, maar zelf doet hij niets. Dat is in deze sociale context echter perfect normaal. Het was ook niet vanzelfsprekend dat een vrouw zomaar mee aan tafel zit als er bezoek was. Dat Oyone dat wel doet, suggereert juist intimiteit tussen de twee echtelieden.

Maar ondanks die historische en socio-culturele verschillen zit de kracht van een psychologische roman als De poort natuurlijk voor een flink stuk in de herkenbaarheid van de geestelijke dilemma’s en emotionele conflicten, ook voor de westerse lezer een eeuw later. Zo is ook hier en nu het kiezen voor de liefde niet altijd even evident, en blijft die keus evenmin zonder gevolgen.

Meer lezen over en van Luk Van Haute?

Bovenstaand essay van Luk Van Haute werd gepubliceerd als nawoord in De poort van Soseki Natsume, de allereerste uitgave van Karakters Uitgeverij in een niet eerder verschenen vertaling van – uiteraard – Luk Van Haute. Benieuwd naar De poort? Bestel hier een exemplaar. Verder lezen over Soseki Natsume? Lees dan het uitgebreide portret, inclusief interview met Luk Van Haute, dat we over Soseki Natsume schreven.

Luk Van Haute begon in 1980 aan een studie Japanologie – Engels was ‘te voor de hand liggend’, Frans of Duits ‘te saai’ – aan de Universiteit Gent en kreeg een studiebeurs van de Japanse overheid om zich aan de Universiteit van Tokio verder te ontwikkelen. Luk Van Haute woonde uiteindelijk tot 1992 in Japan en werkte bij een filmproductiemaatschappij. Sindsdien verbleef hij nog vele malen en in diverse hoedanigheden in Japan: als tolk, als toerist, als schoonfamilie, als academicus, als journalist, als literair vertaler. De afgelopen dertig jaar leverde hij voor kranten, tijdschriften, radio en televisie regelmatig bijdragen over de Japanse cultuur en samenleving en gaf hij lezingen over die onderwerpen.

Het mag duidelijk zijn dat Luk Van Haute niet stil ziet. Hij behaalde zijn doctoraat – over het werk van de Nobelprijswinnaar literatuur Kenzaburo Oë – en doceerde daarna onder meer aan de universiteiten van Leiden, Leuven en Gent en aan de Hogeschool Gent. Hij publiceerde het boek De revival van de Japanse film (AUP 2002), was betrokken bij filmprojecten in of over Japan en deed podiuminterviews met Japanse regisseurs op verschillende filmfestivals. Zo is Luk Van Haute al 11 jaar een vaste waarde van Japan Square, een jaarlijks filmfestival in Studio Skoop in Gent.

De laatste jaren is Luk Van Haute vooral actief als literair vertaler en vertaalde verschillende werken van Soseki Natsume, maar ook een behoorlijk aantal van Haruki Murakami en verscheidene andere Japanse auteurs zoals Kenzaburo Oë, Yasunari Kawabata en Takashi Hiraide. Hij ontving in 2015 de Filter Vertaalprijs de bloemlezing Liefdesdood in Kamara en andere Japanse verhalen, dat hij samenstelde en vertaalde. In mei 2019 verscheen bij Uitgeverij Lannoo het non-fictie boek Japan: schetsen uit het leven, gebaseerd op ervaringen, belevenissen en ontmoetingen in Japan en waarin hij optekent hoe divers de Japanse maatschappij eigenlijk is.

Kijk en luister ook naar Luk Van Haute in een video waarin hij aan het woord is over Japans en zijn werk als vertaler.