fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Twee mannen en hun fatale klik met een stervende vogel: De reiger van Giorgio Bassani en De vogels van Tarjei Vesaas

Zowel in de roman De reiger van de Italiaanse Giorgio Bassani (1916-2000) als in De vogels van de Noorse schrijver Tarjei Vesaas (1897-1970) vereenzelvigt een getormenteerde man zich met een uit de lucht geschoten vogel. Wie waren deze beide mannen? En wie waren de twee schrijvers, die de mentale leefwereld van hun hoofdpersonage lieten beheersen door respectievelijk een reiger en een houtsnip?

Giorgio Bassani (1916-2000) was een joods-Italiaanse auteur. Hij woonde tot zijn zevenentwintigste in de Noord-Italiaanse stad Ferrara, die hij heeft vereeuwigd in een reeks verhalen, novellen en romans: Il Romanzo di Ferrara. Het bekendst is de roman De tuin van de familie Finzi-Contini (1962), een boek waarover we eerder ook al een artikel gepubliceerd hebben. In het boek blikt de naamloze verteller tegen de achtergrond van de in november 1938 afgekondigde anti-joodse rassenwetten terug op zijn jeugd en dan vooral op zijn onbeantwoorde liefde voor Micòl Finzi-Contini.
     Toen Bassani in 1939 afstudeerde aan de Letterenfaculteit van Bologna, zag hij hoe uiteenlopend de joden omgingen met hun verbittering over hun maatschappelijke uitsluiting. Velen keken verlamd toe hoe ze werden afgezonderd, sommigen emigreerden, en wie de moed had, vocht tegen het fascisme. Dat laatste deed Bassani. Van 1937 tot 1943 was hij actief in het verzet. Hij noemt die periode de meest intense en daarom de beste tijd van zijn leven. Zonder die fundamentele jaren was hij naar eigen zeggen wellicht zelfs nooit schrijver geworden. In 1943 kwam hij in het vizier van de geheime diensten, die hem van mei tot juli vasthielden in de gevangenis van Ferrara. Na zijn vrijlating wachtte hij ondergedoken in Rome de bevrijding af. Zo goed als zijn hele verdere leven heeft hij in de Italiaanse hoofdstad gewoond.

Ferrara is in Bassani’s Il Romanzo meer dan een plek op de landkaart. De verhaallijnen maken van de stad ook een geestestoestand, en wel een van beklemming. In deze innerlijke gevangenis worstelen de personages met hun tijdsgewricht en hun plaats daarin, zo ook in De reiger (1968). In deze roman zijn het de dagen van de vijfenveertigjarige, joodse Edgardo Limentani die door diepe radeloosheid worden getekend.
     Limentani, advocaat en eigenaar van een groot landbouwbedrijf bij Ferrara, vindt geen aansluiting meer bij zijn omgeving, noch bij zijn vrouw en familie, noch bij de naoorlogse samenleving. We schrijven eind jaren veertig. De politieke spanningen die Italië tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben verdeeld, zijn nog lang niet weggeëbd. Ze bezwaren ook Limentani’s relatie met vrienden en kennissen van vroeger.
     Door tussen kerst en nieuw op traditionele vogeljacht te gaan hoopt Limentani zijn zinnen enigszins te verzetten. Veel vertrouwen in het welslagen van de dag heeft hij echter niet. Het weer is koud en guur, waardoor hij ertegen opziet om naar Codigoro te rijden, een stadje zo’n veertigtal kilometer van Ferrara, dicht bij de Adriatische Zee. Toch zet hij door, want het hele plan afblazen zou er maar op neerkomen dat hij nog dieper wegzinkt in zijn bittere gevoel van vervreemding. Bovendien wordt hij in Codigoro verwacht door de man die hem zal begeleiden tijdens de vogeljacht. De jacht vindt plaats op de kleine eilandjes tussen de kustmeren van de Po-delta. Grote tonnen zijn er verankerd in de modder, om vandaaruit vogels neer te schieten. Eenmaal in zijn ton blijft Limentani echter met zijn geweer in de hand gewoon kijken naar de overvliegende vogels. Zijn begeleider heeft er wel schik in: niet alleen eenden en meerkoeten haalt hij neer, ook een reiger, die nieuwsgierig in hun buurt bleef.
     De aangeschoten reiger waadt met zijn slepende vleugel door het water naar de ton waar Limentani in zit en drukt zich ertegenaan. Limentani hoopt dat het dier weer wat op krachten zal komen, zijn vleugels uitslaan en wegvliegen. De zieltogende vogel doet daadwerkelijk nog een poging om te ontkomen, maar valt uiteindelijk ten prooi aan Limentani’s begeleider.
     Later op de dag ziet Limentani weer voor zich hoe de ogen van de ten dode opgeschreven reiger dof werden. De vogel moet zich van alle kanten ingesloten hebben gevoeld, bedenkt hij. Zelf gelooft hij ook niet meer in de mogelijkheid om uit te breken. Daardoor identificeert hij zich in die mate met de reiger, dat hij zich voorneemt om zichzelf later op de avond het verlossende genadeschot te geven.

Ruim tien jaar eerder dan Bassani creëerde de Noor Tarjei Vesaas in De vogels (1957) eveneens een hoofdpersoon die zijn lot vastklonk aan dat van een stervende vogel. De verbondenheid tussen man en vogel, meer bepaald een houtsnip, gaat merkelijk verder dan bij Bassani. Dit heeft te maken met het kinderlijke karakter van Vesaas’ hoofdpersonage, maar ook met de diepe affiniteit van de schrijver met het Noorse landschap en de natuur. Anders dan bij de Italiaan is het overigens niet één welbepaalde plek die een psychologische lading krijgt, maar wel het Noorse landschap algemeen.
     Tarjei Vesaas (1897-1970) was dan ook een buitenmens. Hij werd geboren in het landelijke Vinje in het zuiden van Noorwegen en bracht er bijna zijn hele leven door. Alleen voordat hij in 1934 trouwde, verbleef hij gedurende een achttal jaren in verschillende Europese steden, voornamelijk in Duitsland. Hogere studies had hij niet gevolgd. Na de lagere school beperkte zijn verdere opleiding zich tot een winter op een kostschool. Tegen de traditie in had hij als oudste van drie zonen geweigerd om de familieboerderij verder te zetten, omdat hij zich op zijn schrijverschap wilde concentreren. Hij schreef vooral romans, maar ook gedichten en kortverhalen. Voor zijn roman Is-Slottet (1963), vertaald als Het ijspaleis (2019), ontving hij in 1964 de Nordic Council Literature Prize, in de Noordse landen de belangrijkste literaire erkenning na de Nobelprijs.

In De vogels staat Mattis centraal, een zevenendertigjarige, zwakbegaafde man met een poëtische verbeelding. Soms ziet hij de dingen op zijn kinderlijke manier best scherp, maar aan zijn scherpte hebben volwassenen weinig boodschap.
     Zijn steun en toeverlaat is zijn drie jaar oudere zus Hege. Ze wonen samen in een huisje, gelegen in een moerassig klein dal aan een helling die uit het meer oprijst. Hege zou Mattis graag wat zien helpen bij de boeren in de buurt. Dan kan hij zijn steentje bijdragen aan het huishoudbudget, dat zij nu met haar breiwerk bijeengaart. Mattis’ hoofd en handen staan echter niet naar werk op het veld. Hij probeert het wel, maar telkens weer draait het op een fiasco uit.
     Op een avond zit hij op het stoepje voor hun huis te piekeren, wanneer er een vreemde kreet weerklinkt in de lucht. Meteen volgen er een paar korte, fladderende vleugelslagen en enkele zachte lokroepen, in een hulpeloze vogeltaal. De houtsniptrek, hoopt Mattis. Hij blijft ademloos wachten, wetende dat als zijn vermoeden klopt, de baltsende houtsnip opnieuw zal komen. Wanneer de vogel nog een paar keer volgens dezelfde route op en af vliegt, kan Mattis zijn geluk dan ook niet op.
     In de komst van de houtsnip ziet Mattis een voorbode van mooie dingen. Een eerste bewijs is de heerlijke droom die de bossteltloper hem brengt, een droom waarin hij sterk en onbevreesd is en de juiste dingen zegt tegen een meisje. Een ander voorteken is de boodschap die de houtsnip voor hem heeft. ‘Jij bent jij’ ruist het door het bos, zo hoort Mattis. En zo leest hij het ook in de talloze ronde, diepe prikgaatjes van de snavel, die de houtsnip diep in de grond steekt op zoek naar iets lekkers of ook wel, naar Mattis meent te weten, om al prikkend iets te schrijven.
     Gezien worden voor wie hij is, is voor de onzekere man iets groots en waardevols. Vanwege die ‘jij bent jij’-boodschap wil hij de houtsnip heel graag een keer ontmoeten. Uit angst dat er iets kapot zou gaan wat absoluut niet stuk mag gaan, weerstaat hij echter aan de verleiding om hem op te wachten. En zo prikken de houtsnip en Mattis dagelijks een groet voor elkaar in de bruine, gladde bodem van de greppel in het bos.
     Maar dan gaat het fout: doordat Mattis zo vol is van de vogel en er bijgevolg niet over kan zwijgen, heeft hij een van de zongebruinde, opgeschoten dorpsjongens attent gemaakt op de houtsnip. Die ziet er een jachttrofee in. Mattis is er diezelfde avond tijdens de houtsniptrek niet gerust op en loopt waakzaam in een cirkel om zijn huis. Wanneer een schot hem opschrikt, vreest hij het ergste. En ja, de houtsnip komt uit de lucht tuimelen en smakt op een paar passen van hem vandaan op de grond. Mattis strijkt ontredderd de verfomfaaide vleugels van de vogel glad en overtreft vervolgens zichzelf door het dode dier niet af te geven aan de jagende dorpsjongen.
     Wanneer Mattis’ wereld korte tijd later in duigen valt, zal de houtsnip, zijn bondgenoot die nu elders is, zijn wegwijzer worden. Het begin van de neerwaartse spiraal was een houthakker, die uit het niets opdoemde toen Mattis op het meer tijd als veerman was beginnen zoek te maken. Mattis had de houthakker overgezet en zijn zus had de onverwachte passant een bed voor de nacht aangeboden. De houthakker bleef en stal gaandeweg het hart van Hege. Daardoor wist Mattis niet meer van welk hout pijlen maken. Zij was er immers altijd voor hem geweest, voor hem en niemand anders – althans in zijn beleving. In zijn zoektocht naar een uitweg uit de impasse, vraagt hij zich af waarom hij de houtsnip niet zou volgen in de dood. Daarop beslist hij vrijwel meteen om zijn leven in handen van het lot te leggen. Met een lekke boot gaat hij het meer op en wacht af of hij wel of niet naar de bodem zal worden gebracht.

De omstandigheden die maken dat Mattis en Limentani geen kant meer op menen te kunnen, liggen mijlenver uit elkaar – een ontredderde kinderziel in het lichaam van een volwassene, versus een door de oorlog getekende jood, die het lood van de vertwijfeling niet langer aan kan. Eenzelfde dramatiek wekt evenwel in hen beiden het verlangen om een vogel te volgen, die hen is voorgegaan in de dood.