fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Wat is de overeenkomst tussen Özcan Akyol en een Renault Twingo? Een beschouwing over Özcan Akyol en zijn imago

De auteur is vandaag de dag weer helemaal terug. Na eerder dood te zijn verklaard in iconische teksten als Roland Barthes’ ‘La mort de l’auteur’, vliegt nu de ene na de andere schrijversbiografie de deur uit. Wolkers, Campert, Lucebert, ze gaan als warme broodjes over de toonbank. Nu de auteur niet langer wordt genegeerd binnen de literatuurwetenschap verschijnen er met regelmaat studies naar de manier waarop deze auteurs zich profileren in de wereld der letteren. Hun zogenoemde zelfrepresentatie geldt eveneens voor veel studenten Nederlands als populair scriptieonderwerp; te kiezen uit een rijk scala auteurstypen met bijbehorende karakteristieken. Denk aan Mulisch de dandyschrijver met bijbehorend gesoigneerd krulhaar, pijp en piekfijn op elkaar afgestemde kleding. Of aan Lucebert, het enfant terrible, die uitgedost in keizerskostuum de Poëzieprijs in ontvangst komt nemen. Zelf besloot ik een meer recente, nog levende auteur als casus te nemen, omdat ik al veel te veel van mijn medestudenten ten prooi had zien vallen aan de ‘De Grote Drie’ en hun oeverloze oeuvre. Maar of dat slim was…

Alle wegen leiden naar Eus

 

‘Ik wil mijn scriptie schrijven over de literaire identiteit van Özcan Akyol,’ legde ik mijn professor Moderne Letterkunde voor.
‘Over wie?’ vroeg ze.
‘U weet wel, die Turks-Nederlandse tafelheer van DWDD met dat ringbaardje.’
Ik haalde mijn iPhone uit mijn broekzak, tikte zijn naam in en toonde zijn foto aan mijn professor.
Ze kneep bedachtzaam met haar ogen en zei: ‘Zegt me niks, maar hij schrijft dus ook?’
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Tot dusver twee autobiografische romans, Eus en Turis. Over zijn tumultueuze jeugd in Deventer. Foute vrienden, slechte keuzes, vadercomplex, u kent het wel.’
Ze knikte.
‘Goed,’ zei ze. ‘Als jij een volwaardige scriptie over hem denkt te kunnen schrijven, kun je wat mij betreft aan de slag gaan.’

Twee weken later ontving ik een mailtje van mijn professor met daarin de volgende anekdote:

Een paar jaar geleden kwam mijn zoon langs in zijn nieuwe auto. Een klein groen wagentje. Toen ik hem vroeg wat voor auto het was, reageerde hij verbaasd. Of ik dat dan niet zag. Een Twingo natuurlijk. Maar daar had ik nog nooit van gehoord. Nadat mijn zoon mij attendeerde op het bestaan van dit type auto, zag ik de Twingo overal rijden. Iets soortgelijks voltrok zich nadat jij twee weken terug je scriptievoorstel pitchte. Er gaat sindsdien vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik Akyol aantref op de televisie, in een krant of tijdschrift.

Afijn, ik dook bovenop de auteur die in 2012 met veel bombarie de Nederlandse letteren betrad. Zijn levensverhaal in het kort: een crimineel ontdekt in de bajes zijn liefde voor de literatuur en besluit schrijver te worden. Overheerlijk voer voor een talkshow, zo blijkt wanneer hij zijn boek mag komen presenteren bij De Wereld Draait Door. Op brutale maar eveneens komische wijze beschimpt hij de schrijverselite en collega-auteurs, waarbij met name Kader Abdolah het moet ontgelden. Van straatschoffie tot literair talent; het publiek smult van zijn misantropische attitude. Dat tijdens de uitzending over het boek vrijwel niet wordt gesproken en de critici de dagen daarop weinig lovend schrijven over zijn debuutroman, lijkt niemand iets uit te maken. Uitgever Mai Spijkers kan weer eens in zijn vuistje lachen, Eus wordt een bestseller.

Niet vies van een relletje hier en daar, en recht voor zijn raap. De nieuwbakken auteur ontwikkelt zich algauw tot graag geziene gast. En over literatuur hoeft er allerminst gesproken te worden; Akyol schuift net zo graag aan als voetbalanalist, Turkije-expert en als ambassadeur van de fanclubs van Frank Boeien en Herman Brusselmans. Daarnaast schrijft hij in rap tempo columns voor zowel de Nieuwe Revu als het AD. Langzaamaan wordt hij, zoals Paul Witteman hem eveneens aankondigt in zijn show, een ‘man met mening’. Akyol blijkt van alle markten thuis te zijn. Een Peter R. de Vries 2.0. Waar ik eerst slim dacht te zijn door mij te verschuilen voor het omvangrijke oeuvre van ‘De Grote Drie’, sleet ik mijn dagen nu met het updaten van mijn Akyolverzameling. Youtube-filmpjes kijken, interviews transcriberen, columns printen. ‘Want,’ zo zei mijn professor, ‘je hoeft niet alles te gebruiken, maar het is wel handig om alles door te nemen.’

‘Moet je kijken wie er vandaag bij Taarten van Abel te gast is,’ en: ‘Ik las in de VPRO-Gids dat Eus een serie gaat maken over Turkije.’ Mijn vrienden en familie voelden zich kennelijk genoodzaakt alle Akyol-gerelateerde artikelen, linkjes en printscreens aan me door te sturen. Aardig bedoeld natuurlijk, maar ik kon op den duur geen Akyol meer zien. Ik ging met Eus naar bed en stond ermee op. Zo af en toe had ik zelfs het genoegen hem in mijn droomwereld te mogen ontvangen. Hij was werkelijk overal. Opgelucht en verheugd was ik dan ook nadat ik de eindversie van mijn scriptie in mijn professors postvakje legde. Ik reisde voldaan en afgestudeerd af naar de Griekse zon. Wég met de scriptiestress en wég met Akyol. Althans, dat dacht ik…

Ons vakantiehuisje bevond zich in een aanminnig bergdorpje, geïsoleerd van het drukke bestaan en 4G-netwerken. Omdat ik ondanks de komkommertijd toch even mijn Whatsapp en het nieuws wilde checken, tufte ik op mijn scooter naar een nabijgelegen restaurant. Ik bestelde een Mythos en verbond mijn telefoon met de Wifi. In mijn inbox zat, naast enkele op hol geslagen groepsapps, alleen een appje van mijn vader. Met daarin een linkje, meer niet. Ik klikte op de link en las de ondertitel terwijl het filmpje nog aan het bufferen was: ‘Pittige discussie tussen Özcan Akyol en Klaas Dijkhoff’. Zo snel als ik kon zette ik mijn iPhone uit, atte mijn biertje en reed terug naar het huisje. Aldaar opende ik mijn koffer en pakte het boek dat ik als student Nederlands altijd uit de weg ben gegaan, De ontdekking van de hemel, en las het in één ruk uit.