Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Fictie voorbij: 'Habara' van Ezra Hakze gebaseerd op Haruki Murakami

In de rubriek Podium verschijnt eens in de maand een stuk gloednieuwe fictie dat geïnspireerd is op reeds bestaande fictie. De auteur heeft zich laten leiden door een schrijver, verhaal of personage uit de wereldliteratuur, maar schrijft een geheel eigen verhaal.

Ezra Hakze werd zo bewogen door Haruki Murakami’s Scheherazade. Het korte verhaal uit Mannen zonder vrouw (2016) gaat over een man die nooit buitenkomt. Wekelijks deelt hij het bed met een getrouwde vrouw die hem naderhand een verhaal voorleest. Habara is losjes gebaseerd op dit personage.



Habara

Op een maandagmiddag tijdens het luchtalarm besloot Habara dat hij niet meer aan het leven meedeed. Zoals een acteur na de voorstelling het toneel verlaat, zo zou hij zijn leven verlaten. Voortaan ging hij op de tribune zitten en alles vanaf de zijlijn aanschouwen.
     Diezelfde dag nog nam Habara ontslag, zette zijn auto op Marktplaats (iemand die niet aan het leven meedoet heeft geen auto nodig) en maakte het uit met zijn vriendin. Zij leek een beetje overrompeld, maar niet echt aangedaan, wat Habara ondanks alles van zijn stuk bracht.
      ‘Betekent dit dat we een regeling moeten treffen voor de hond?’ vroeg ze. Habara wilde roepen dat er wel meer op het spel stond, maar hij hield zich in. Mannen die niet deelnemen aan het leven schreeuwen niet.
      ‘Neem jij de hond maar,’ zei hij benepen.‘Habara vond kordaatheid altijd een aantrekkelijke eigenschap in een vrouw en wist niet of hij nu onder de indruk of beledigd moest zijn.’
      Hij keek naar het beestje, dat hem met glazige ogen aankeek vanuit zijn mand. Eigenlijk was het een opluchting dat hij wegging; hij had ooit gelezen dat ze honden van zijn ras, de kooiker, zo ver doorfokken dat hun hersenen bijna uit hun schedel barsten, met constante hoofdpijn tot gevolg. Sindsdien kon Habara niet zonder schuldgevoel naar het dier kijken. Hij meende verwijt in zijn ogen te lezen.
      Zijn vriendin treuzelde niet met haar vertrek. Binnen een uur stopte ze wat kleding, toiletartikelen en boeken in een weekendtas. Ze bleef niet rondhangen tot ze een andere woning had gevonden, had duidelijk geen interesse in afscheidsseks. Habara vond kordaatheid altijd een aantrekkelijke eigenschap in een vrouw en wist niet of hij nu onder de indruk of beledigd moest zijn.
      ‘Ik laat mijn andere spullen nog ophalen,’ zei zijn vriendin voordat ze de galerij opliep. De hond drentelde achter haar aan, zijn pootjes tikkend op de tegelvloer.
      Toen was Habara vrij. Hij sloot de deur, ging op de bank zitten en dacht erover na wat hij als vrij man kon doen. Als kind kon hij zich urenlang vermaken met puzzels. Tijdens het spelen voelde hij zich gelukkig, alsof niet alleen de puzzelstukjes, maar ook alle onderdelen van zijn leven op hun plaats vielen. Zijn ouders stimuleerden hem om naar buiten te gaan en vriendjes te maken, maar hij vond puzzels interessanter dan zijn leeftijdsgenoten. Toen zij dat te weten kwamen, schakelden ze een kinderpsycholoog in. Vanuit een als huiskamer ingericht kantoor stelde hij Habara allerlei vragen, een clipboard om notities in te maken rustte op zijn schoot. De man had een zwarte sik en deed Habara denken aan professor Zonnebloem uit de Kuifje-strips.
      Professor Zonnebloem probeerde hem uit te leggen dat het leven geen puzzel is. Alsof hij dat nog niet begrepen had.
      ‘Ik weet best dat ik geen schutter uit de Gouden Eeuw ben,’ zei Habara, verwijzend naar zijn lievelingspuzzel De schutters onder kapitein Albert Bas van Govert Flinck. Hierop fronste de psycholoog zijn zwarte wenkbrauwen en maakte ijverig aantekeningen.
      Aan zijn ouders gaf de therapeut door dat Habara ‘ergens op het spectrum’ zat. Dit gebrek aan nauwkeurigheid had Habara verbaasd – een luchtverkeersleider nam toch ook geen genoegen met de aanwijzing dat een vliegtuig ‘ergens’ in het luchtruim verkeerde.
      Voor zijn ouders verklaarde de vage omschrijving desondanks alles. Voortaan zeiden ze niet meer dat hij normaal moest doen als hij zich geconcentreerd over zijn puzzels boog. Nee, in plaats daarvan deden ze iets veel ergers: ze wisselden een blik van verstandhouding met elkaar.

Net toen Habara in zijn boekenkast naar een puzzel wilde zoeken, ging de telefoon. Het rinkelende toontje herkende hij vaag; hij was in tijden niet gebeld. Bewegingloos bleef hij bij de boekenkast staan terwijl het ding twee, drie keer overging. Elke keer leek de toon nadrukkelijker te worden, als dat van een dreinend kind.
      Namen mensen zonder leven hun telefoon nog op? Misschien moest hij zijn abonnement opzeggen, maar eerst deze oproep afhandelen.
      ‘Hallo,’ zei Habara, het apparaat glibberde in zijn zweterige hand.
      ‘Dag,’ antwoordde een vrouw aan de andere kant van de lijn. ‘Ik bel even om een afspraak te maken. U had ons kortgeleden gebeld?’ De stem van de vrouw was monotoon, waardoor alles wat ze zei sarcastisch klonk. Habara had een hekel aan mensen die zo praatten, je wist nooit wat je aan hen had omdat ze een vraag eindigden met een uitroepteken en een uitroep met een vraagteken.
      ‘Ik denk dat u verkeerd verbonden bent,’ zei hij.
      ‘Laat me eens kijken…’ Habara hoorde geschuif met papieren. ‘Nee… Hier staat toch echt dit telefoonnummer.’
      ‘Hoe bedoelt u?’
      ‘Ik heb dit telefoonnummer doorgekregen met de opdracht om u vandaag te bellen. Dan kunnen we een afspraak maken.’
      Habara probeerde zich te herinneren of hij de afgelopen tijd zijn nummer aan iemand doorgegeven had. Zou zijn werkgever hiervoor verantwoordelijk zijn? Moest er nog iets formeel afgehandeld worden omdat hij zo onverwacht ontslag genomen had?
      ‘Waar gaat dit over?’ vroeg Habara. ‘Ik heb eerlijk gezegd geen flauw idee.’
      De vrouw slaakte een zucht. ‘Ik heb geen zin in gedoe, dit werk is al ingewikkeld genoeg. Luistert uw vrouw mee of zo?’
      ‘Ik heb geen vrouw,’ kapte Habara haar af. ‘Wel een vriendin, maar haar heb ik net verlaten, dus eigenlijk moet ik ex zeggen.’
      ‘Mijn inkomen wordt betaald door mannen die verlaten zijn of hun vrouw betrapten met de buurman, dus dat verbaast me niks,’ zei de vrouw.
      ‘Mijn vriendin is niet bij me weggegaan,’ corrigeerde Habara haar. ‘Het is andersom.’
      ‘Dat zal best,’ zei de vrouw, ‘maar toch verlangt u naar gezelschap.’
      Het begon Habara te dagen wat voor iemand dit was. ‘Om eerlijk te zijn heb ik een beetje haast,’ zei ze. ‘Zullen we nu een tijd afspreken? Dan kunnen we het ook nog hebben over uw voorkeuren en eisen.’
      ‘Wat voor eisen?’
      ‘Of u vooraf ergens wilt dineren bijvoorbeeld, in een restaurant of bij u thuis. Verder kan ik ook helpen met huishoudelijke taken. Daar zijn natuurlijk wel extra kosten aan verbonden.’
      ‘Huishoudelijke taken?’
      ‘Ja, sommige klanten vinden dat prettig en wij geven hen graag… net dat beetje extra.’ Als de vrouw al haar best had gedaan de sarcastische toon te onderdrukken, had ze dat nu echt opgegeven.
      ‘Wat kunt u dan doen qua… taken?’
      ‘Nou, ik ga niet de badkamer voor u schoonmaken, of de ramen zemen of uw kamer stofzuigen.’
      ‘Uiteraard niet.’
      ‘Maar ik kan wel inkopen doen en koken, als u dat wilt.’
      ‘Zijn er veel mannen die daarom vragen?’
      ‘Het is een populair verzoek.’
      Habara zag een vrouw voor zich die met volle boodschappentassen voor de deur stond, ze zorgvuldig uitpakte zodra ze binnengelaten werd en zich vervolgens uitkleedde. Wat voor mannen zouden haar uitnodigen? Misschien waren ze net als hij en hadden ze daarom de huishoudelijke taken opgegeven. Verdwijnen uit je eigen leven betekende immers het elimineren van factoren.
      De vrouw liet een stilte vallen. ‘Wat dacht u van morgenavond?’ vroeg ze na een tijdje.
      Habara aarzelde even. ‘Dat is goed,’ zei hij tenslotte. Hij hoorde dat de vrouw een pen over papier bewoog.
      ‘Morgenavond, acht uur.’ Het klonk niet als een vraag. ‘Welke naam kan ik opschrijven?’
      ‘Habara,’ zei hij. ‘Noteer maar Habara.’
      ‘Een schuilnaam, dat is ook goed.’
      Hij wilde haar corrigeren, maar bedacht zich.


      ‘Habama?’ vroeg ze. ‘Zoals de Bahama’s, maar dan met twee letters verwisseld?’
      ‘Habara,’ herhaalde hij, ‘met een “r”. Het Japanse woord voor roos.’
      ‘Bijzonder, zei de vrouw, ‘bent u Japans?’
      ‘Nee, ik kende dit woord toevallig. Wat is uw naam eigenlijk?’
      ‘Wat doet het ertoe hoe ik heet? Als u me ziet, weet u dat ik het ben. Zoveel wildvreemde vrouwen zullen er niet bij u aankloppen.’
      ‘Daar heeft u een punt,’ zei hij.

Nadat Habara de telefoon ophing, pakte hij zijn agenda en bladerde naar de juiste datum. ‘Afspraakje’ noteerde hij bij gebrek aan meer informatie. Dat hij haar naam niet kende en zij Habara met een schuilnaam verwarde, beviel hem wel.
      Hoe zijn ouders op die naam gekomen waren was hem nog steeds een raadsel. Met Japan hadden ze geen speciale band, ze waren er zelfs nooit geweest. ‘Het klonk mooi’, hadden ze wel eens als verklaring gegeven, maar veel meer wilden ze er niet over kwijt. Bij voorstelrondjes moest hij de naam steevast herhalen voordat mensen hem goed verstonden. Habara, Habara, Habara. Misschien was het daar allemaal mee begonnen. Had hij zichzelf met die naam al buitengesloten, nog voordat mensen wisten wie hij was. Dat probleem was nu opgelost, realiseerde hij zich. Nu hoefde hij zich nooit meer aan iemand voor te stellen.

Wow, je heb het einde van deze categorie bereikt!