Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Yves Petry

"Iedereen roemt de uitzonderlijke prestaties van de sportman, maar de prestaties van de schrijver moeten daar niet voor onderdoen." Gesprek door Juicy Dune IJsselmuiden Foto: Joris Casaer

Yves Petry hoopt op een crisis. Op een catastrofe zelfs. Op een gebeurtenis die de grondvesten van de maatschappij van België en Nederland, en, met uitbreiding, de hele wereld, doet daveren. Waarom? Je leest het hieronder, in dit interview naar aanleiding van zijn nieuwe roman ​De geesten​.
     Hoofdpersonage ​Mark Oostermans vertrekt als derdewereldarts naar een vluchtelingenkamp in West-Afrika, na een pijnlijke breuk met zijn vriendin. Op het kamp wordt hij geconfronteerd met Jeroen Ullings, het eigenzinnige hoofd van het medische team. Jeroen is een ex-jezuïet met provocerende opvattingen over liefde, wetenschap, moraal en de verlichte medemens van tegenwoordig.

Karakters: Kun je je het moment nog herinneren waarop je wist: dit boek ga ik schrijven?

Yves Petry : Ik vermoed dat het ergens in de herfst van 2014 was, nog voor mijn vorige boek [​Liefde bij wijze van spreken, ​2015, uitgegeven bij De Bezige Bij] ​werd uitgegeven. De aanleiding van het boek was een zeker ongenoegen over de manier waarop in België, en ook in Nederland, het debat wordt gevoerd rond morele kwesties. Vooral morele kwesties met betrekking tot onze verantwoordelijkheid ten aanzien van vluchtelingen en de derde wereld, et cetera. Er heerst een verregaande splitsing tussen twee morele kampen. Rechts: een reactionair, bot kamp, waar ik niet zo van hou. En aan de andere kant, links: een zuur en moreel pretentieus kamp, waar ik ook niet zo van hou. Ik voelde me tot beiden kampen niet aangetrokken. Ik zie mezelf niet als bijzonder goed mens. Ik ben geen overtuigde humanist en voel mij niet moreel verantwoordelijk voor de gang van zaken in de wereld. Aan de andere kant hoor ik ook niet bij de onverschilligen, degene die alles goedpraten, de semi-fascistische rechterkant. Ik hoor nergens bij. Dat is de reden dat ik een boek besloot te schrijven rond ontwikkelingshulp, om zelf een weg zoeken in de debatvoering rond morele kwesties. Een verhaal verteld vanuit het perspectief van een personage dat geconfronteerd wordt met de onvermijdelijke dubbelzinnigheden die het werken als ontwikkelingsarts inhouden. In de herfst van 2014 stond mij de beginscène van het boek haarscherp voor de ogen: iemand die terugkeert, halsoverkop, na iets verschrikkelijks te hebben meegemaakt op de hulppost in Afrika. Op een of ander manier heeft het personage daar een inzicht verworven of het idee gekregen dat hij een ander mens is geworden. Dat was, en is nog altijd, het begin van ​De geesten​.

Vanuit het ongenoegen op zoek naar een manier naar hoe het wel moet.‘Ik wil geen eigen standpunt vertolken, niet in mijn boeken.’

In mijn boek staat niet hoe het wel moet. Elk personage doet het daar juist op zijn manier. Ik heb wiskunde en filosofie gestudeerd en ken relatief weinig literaire termen, maar stuitte laatst op de term dialogische roman, dat wil zeggen een roman waarin er geen centraal schrijversbewustzijn is, geen alwetende verteller. Met andere woorden, geen schrijver die precies weet hoe het allemaal zit, maar een boek waarin meningen botsen, wedijveren, vechten. Er is geen standpunt die bepaalt wie gelijk heeft en wie niet. Dostojevski heeft dit genre in zijn tijd opnieuw leven ingeblazen. En dit is precies wat ik ook doe. Ik wil geen eigen standpunt vertolken, niet in mijn boeken. Ook niet achteraf, eigenlijk. Ik zie niet in hoe je op die manier een roman kunt schrijven. Dan schrijf je geen roman, maar een pamflet. Als schrijver ben in ik staat om verschillende standpunten gestalte te geven. Ook extreme standpunten, zoals dat van personage Jeroen Ullings. Blijkbaar leeft dat allemaal in mij, al moet ik mij voor de een iets meer concentreren dan voor de ander.

Hoe ontstaan de standpunten van de personages?

Van Mark, de verteller van het verhaal en het personage dat in het eerste hoofdstuk in paniek terugkeert, was mij vrij snel duidelijk dat hij een kleurloos figuur is. Pas op, dat is niet negatief bedoeld, hij is even kleurloos als de gemiddelde mens die ik hier op straat zie lopen. Mark is een weifelende figuur: vlees noch vis, nergens radicaal in. Hij heeft opvattingen die niet echt onderbouwd zijn en die mooi klinken wanneer het hem goed uitkomt, maar ze hebben weinig te betekenen in zijn meer oprechte momenten: hij gaat niet naar Afrika omwille van puur idealisme. Hij trekt naar Afrika omdat hij zijn ex-vriendin iets wil bewijzen.
     Daartegenover staat een radicaal idealist, Margot. Ze is een mens die veel harder liegt omtrent zichzelf. Mark en Margot zijn collega’s op het kamp in Afrika. Zij is een van de oprichters en gelooft in de in haar ogen onbetwistbare hulp die ze bieden. Ze is zeer plichtbewust en principieel en klampt zich vast aan haar rigide handels- en denkwijze.
     Daar weer tegenover staat Jeroen Ullings. Iemand die op zijn manier ook idealistisch is, en helemaal niet cynisch, zoals in de pers weleens wordt beweerd. Zijn moraal is er een die tegenwoordig niet meer veel gehoord wordt, maar die vroeger veel gebruikelijker was: je draagt in de eerste plaats zorg voor jezelf. In zijn geval houdt die zorg in: een bepaalde verhouding tot de dood creëren. Die verhouding wordt hier bemiddeld door Christus: hij is een echte jezuïet. De opvatting van Jeroen is zeer ongewoon, daar moet ik mij mee voor inspannen en een zeker schroom overwinnen om zo’n personage te creëren. Toch denk ik met terugwerkende kracht dat het hele boek een kader is waarin iemand als Jeroen Ullings aan het woord kan en mag komen.‘Voor Jeroen moest ik de drang tot een zeker conformisme overwinnen.’

Bij Jeroen Ullings krijg ik het gevoel dat hij als held wordt neergezet. Mag hij de held van het verhaal worden genoemd?

Hij is in ieder geval de meest ongewone figuur. Voor Jeroen moest ik de drang tot een zeker conformisme overwinnen. Om dit personage te creëren moest ik tegen de tijdgeest in denken. Is hij een held? Ik denk het wel. Maar dan alleen dankzij Mark, de verteller. Als Mark er achteraf niet was geweest om te vertellen hoe hij was, dan was hij geen held geweest. Dan was hij ‘een idioot geweest die zichzelf had opgeofferd om het kamp te redden, terwijl ze evengoed de aanvallers hadden kunnen afkopen.’ Vrienden van Mark in België uiten zich laatdunkend over Jeroen: ‘Een fikse som geven, dan waren de daders ook wel vertrokken en had hij zijn leven niet moeten inzetten.’ Die zien hem helemaal niet als held, eerder als onnozelaar. Het is de verteller die het mogelijk maakt dat de lezer in dit verhaal in Jeroen Ullings een held kan zien.

‘Wie het woord ik uitspreekt, stuurt een leugen de wereld in. Maar zonder die leugen heeft geen enkele wereld ook maar enige zin.’ is een van de eigenzinnige uitspraken van Jeroen.

Deze uitspraak past bij Jeroens betoog tegen onze materialistische, van de wetenschap afgeleide manier van denken over onszelf en andere mensen. Voorbeeld: de uitspraak het ik is een illusie ​wordt gepresenteerd als een wetenschappelijke uitspraak. Dat is het niet. De wetenschap doet geen uitspraken in die trant en heeft zelfs niets over het ​ik ​te zeggen, want het​ ik is geen wetenschappelijk gedefinieerd concept.Een analyse van de zin laat zien dat er iets ontbreekt. Een illusie ​is een stand van zaken die er bedrieglijk uitziet voor de waarnemer. De waarnemer houdt de stand van zaken voor iets anders dan dat het is. Dus als je de uitspraak ‘het ik is een illusie’ aanhoudt, moet je je de vraag stellen: voor wie is het een illusie? Als je geen antwoord hebt op die vraag, dan heeft de uitspraak geen inhoud. Het statement is geheel zinloos. Toch gaan dat soort uitspraken door als wereldwijsheid en zelfs als rationeel mensbeeld. Heel tegenstrijdig: je kunt niet tegelijk het ik ​ontkennen en toch het humanisme blijven aanhangen, toch pleiten dat elk mensenleven gered moet worden. Maar die consequentie wordt nooit getrokken. Ik begrijp die tegenstrijdigheden in het hedendaagse denken niet: waarom aan de ene kant wel heel nihilistisch doen ten aanzien van de waarde van een individu, maar als een miljoen mensen dreigen om te komen van hongersnood, is het plotseling een probleem? Een miljoen keer niks is nog altijd niks. Tegen die hypocrisie verzet Jeroen zich op vele manieren. Als je jezelf niet serieus leert te nemen heb je geen reden om anderen serieus te nemen.

Mark vraagt zich in het boek af: ‘Was het inderdaad niet volstrekt belachelijk om in een ver continent het leven van onbekenden te willen redden, terwijl je met je eigen persoonlijke bestaan weinig aan weet te vangen.’ Ik herken een link naar het schrijverschap.‘Misschien moet het economische gestel eens een goede krak krijgen, misschien moet er maar eens een goede crisis komen.’

Je boet inderdaad in aan persoonlijk bestaan door te schrijven, dat is wel zo. Ik denk dat ik geschikt zou zijn een gevuld persoonlijk bestaan te hebben. Fatsoenlijk werk, een leuk gezin, dat zou allemaal gelukt zijn als ik niet toch schrijver had willen worden. Pas op, het is niet dat ik geen persoonlijk leven heb, ik zou niet zonder kunnen, maar schrijven vraagt wel een bepaalde toewijding. Je moet de mentale kracht opbrengen om een zekere buitenmaatschappelijke positie te hebben. Veel aanzien heeft de schrijver niet. Tenzij hij heel veel verkoopt, maar dat is een verkeerd soort aanzien. Iedereen roemt de uitzonderlijke prestaties van de sportman, maar de prestaties van de schrijver moeten daar niet voor onderdoen. Schrijven is ook een kwestie van discipline, volharding, jezelf dingen opleggen. Dingen waar de wereld niet om vraagt. Voor literatuur in het geheel is weinig erkenning. Ze zou maatschappelijk veel relevanter kunnen zijn. Schrijvers geven personages, ideeën en opvattingen een plek om te bestaan. Als mensen meer met dat fenomeen in aanrakingen komen, zouden ze misschien wat meer dingen tegenkomen waar ze zichzelf en anderen in herkennen. Je kunt daarvan leren. Ik denk dat de wereld beter zou zijn met literatuur prominenter op de voorgrond. En dan niet om commerciële redenen, maar om de intrinsieke waarde. Dat gebeurt nu te weinig. Daar kan geen enkele schrijver op zich iets aan doen, dat is een maatschappelijke ontwikkeling, die weer kan keren. Misschien moet het economische gestel eens een goede krak krijgen, misschien moet er maar eens een goede crisis komen. Dan ontstaat er misschien opnieuw nood aan verdieping en inkeer tot het zelf bij mensen. Dan zullen dingen als literatuur meer waarde krijgen. Dat is mijn ultieme hoop: een milde catastrofe in de nabije toekomst.