fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Tijs Goldschmidt

"Je denkt steeds, wat moet iemand anders hiermee? Vind ik mezelf zo belangrijk dat ik anderen hiermee wil lastigvallen? Het antwoord is, vrees ik, ja." Gesprek door Maaike Broere, Lotte Krakers en Irene Roemer Foto: Marjan Lammers

Een brievenboek ouderwets? Niet voor bioloog Tijs Goldschmidt, van wie afgelopen mei het boek Onvoldoende liefdesbrieven verscheen. In deze moderne variant op het genre vinden we een selectie uit Goldschmidts emailarchief. Dat leverde een openhartige en humoristische bundeling op: ‘Het boek heeft iets verslavends,’ aldus NRC-recensente Judith Eiselin: ‘brief na brief wil je meer weten van wat er omgaat in [Goldschmidts] hoofd.’

Goldschmidt (Amsterdam, 1953) maakt naam in de biologie door zijn studie naar cichliden in het Victoriameer. Dit onderzoek vormt de basis voor de bestseller Darwins hofvijver (1994), waarin Goldschmidt op een toegankelijke manier verslag doet van zijn wetenschappelijke bevindingen. Hierna volgen de essaybundels De andere linkerkant (2003) en Vis en bad (2014)

Net als in zijn eerdere werk is er in Goldschmidts brieven en emails een grote rol voor de biologie weggelegd: de lezer leert hoe een zebra aan zijn strepenpatroon komt, en hoe dieren omgaan met gehandicapte soortgenoten. Maar het boek is vooral onderscheidend omdat Goldschmidt laveert tussen de wetenschappen en de kunsten: hij schrijft niet alleen aan academici, maar ook kunstenaars en schrijvers zoals Henk van Woerden, Menno Wigman en Joyce Roodnat.

Speciaal voor Karakters kroop Goldschmidt opnieuw achter zijn computer, voor een interview in stijl: per email.

‘Het was bevrijdend om niet gebonden te zijn aan gortdroge, strikt logische wetenschappelijke formuleringen.’

Karakters: U debuteerde in 1994 met Darwins hofvijver. Vanwaar de keuze om voor een groot publiek over dit onderzoek te schrijven?

Eerlijk gezegd had ik verwacht dat een andere schrijver een boek zou wijden aan de snelle veranderingen in het ecosysteem van het Victoriameer – want het is wel een goed verhaal. Europese onderzoekers komen terecht in een tropisch paradijs, de Galapagoseilanden verbleken erbij. Ze ontdekken honderden nieuwe vissoorten, en voordat ze naar huis gaan zijn de meeste uitgestorven door menselijk ingrijpen. Het antropoceen ten top. Symbolisch voor wat er nu overal op aarde gebeurt. Het duurde enige tijd voordat ik bedacht dat ik behoorde tot een van de vier, vijf onderzoekers die uit de eerste hand kon beschrijven wat het uitzetten van de nijlbaars teweeg had gebracht. De anderen uit onze groep waren serieuze onderzoekers die niet snel de tijd zouden vrijmaken om zo’n boek te schrijven. Ook wilde ik schrijven over mijn verblijf in Tanzania, het leven en werken met mensen uit een heel andere cultuur dan de onze. Na een wetenschappelijke studie kan zo’n verblijf in de tropen verruimend werken. Tenslotte kon je in de wetenschappelijke artikelen die wij publiceerden nooit iets persoonlijks, grappigs, of pijnlijks kwijt. Daarvoor was geen ruimte. Onderzoekers gebruiken taal uitsluitend als een efficiënt transportmiddel om informatie over te dragen. Het speelt nauwelijks een rol hoe iets wordt gezegd; klank, ritme, muzikaliteit. Dat stoorde me. Het was bevrijdend om niet gebonden te zijn aan gortdroge, strikt logische wetenschappelijke formuleringen.

Nu is er dit brievenboek, Onvoldoende liefdesbrieven. Experimenteert u bewust met literaire vormen, of volgt de vorm op de boodschap die u wilt overbrengen?

Ik publiceer voornamelijk in de hoop dat ik iets te vertellen heb. Dat dit brievenboek er nu is, heeft veel te maken met het grijpen van een kans die zich voordeed. Ik vond het verrassend dat Menno Hartman en Mark Pieters (redacteur en uitgever bij Uitgeverij Van Oorschot, red.) geïnteresseerd waren in het uitgeven van mijn brieven en zelfs emails. Ik dacht dat je daarvoor een gevierd romanschrijver of dichter moest zijn en bij voorkeur dood. Dat blijkt dus reuze mee te vallen, al had de boekpresentatie wel iets van een uitvaart. Zo openhartig, eerlijk en ook kritisch had ik de sprekers nog niet over mij gehoord. Het voelde, hoe amusant ook, wat gênant erbij aanwezig te zijn.

Daarover gesproken: schaamte en neerslachtigheid zijn belangrijke thema’s in uw werk. Kostte het moeite uw persoonlijk leven – inclusief ruzies, onenigheden en depressieve gevoelens – bloot te geven in Onvoldoende liefdesbrieven?

Het kostte me zeker enige moeite. Je denkt steeds, wat moet iemand anders hiermee? Vind ik mezelf zo belangrijk dat ik anderen hiermee wil lastigvallen? Het antwoord is, vrees ik, ja. Je bent eigenlijk bezig met het maken van een zelfportret in brieven, maar daarvan werd ik me pas heel laat bewust. Het omslag van het boek, met een selfie van een kuifmakaak was toen al gekozen door Frederike Doppenberg (redacteur bij Uitgeverij Van Oorschot, red.). Zij zag kennelijk veel eerder dan ikzelf waar ik al die tijd mee bezig was geweest. Ik hoopte wel te voorkomen dat ik een beklagenswaardige indruk zou maken, of dat ik gestereotypeerd kon worden als een typisch ‘tweede generatie’-geval. Dat er enkele boze brieven in staan is, denk ik, goed. Maar ik heb er wel lang over geaarzeld.

U schrijft aan verschillende bekende personen uit het Nederlandse cultuur- en wetenschapsveld. Soms zijn uw berichten heel persoonlijk, soms meer aan werk gerelateerd. Heeft u reacties gekregen op het feit dat zij nu onderdeel uitmaken van uw literaire oeuvre?

Ik weet niet of geadresseerden zo denken. Ik zelf in elk geval niet. De meesten reageerden positief toen ik ze vroeg of ze geen bezwaar hadden als ik aan hen gerichte brieven zou publiceren. Een enkeling maakte een ontstemde indruk. En er was ook een wijze vriendin die vond dat ik door een brief aan haar te publiceren de intimiteit die er tussen ons bestond te grabbel gooide. Het ging er haar niet eens om wat er in die bewuste brief werd besproken, met andere woorden om briefgeheim of zoiets, maar om het principe. Het bijzondere van brieven schrijven is volgens haar dat je iets met elkaar deelt dat alleen de briefschrijvers aangaat. Dat moet je niet willen publiceren. Ook al omdat je daarna elkaar niet meer zult kunnen schrijven zonder aan anderen dan de geadresseerde lezer te denken. Zouden brieven daarom vaak pas worden gepubliceerd als de correspondenten dood zijn? Daar heb ik niet bij stilgestaan.

U legt verbanden tussen de bèta- en alfawetenschappen, en signaleert overeenkomsten tussen biologie en kunst. Is het uw doel om bij te dragen aan het dichten van de veronderstelde ‘kloof’ tussen verschillende velden?

Nee, dit is voor mij geen doel op zich, maar ik heb er af en toe wel plezier in om alfa’s en ook gamma’s iets te vertellen over bèta-onderwerpen. Of om bèta’s iets te vertellen over beeldende kunst of literatuur. Maar dat gaat eigenlijk vanzelf doordat ik een hybride ben die graag heen en weer springt van het ene domein naar het andere.

‘Dieren spreken tot de verbeelding, juist als ze vermenselijkt worden.’

In Onvoldoende liefdesbrieven heeft u het over de menselijke neiging dieren en dierlijk gedrag te antropomorfiseren. Dat gebeurt in de literatuur volop: van de fabels van Aesopus tot de hedendaagse vertellingen van Toon Tellegen. Waarom is die neiging er, volgens u?

Ik ben streng opgeleid in de gedragsbiologie door leerlingen van Niko Tinbergen, die in 1973 een gedeelde Nobelprijs ontving met Konrad Lorenz en Karl von Frisch. Een zogenaamde Tinbergenetholoog mocht niet ongefundeerd menselijke gevoelens, emoties, eigenschappen projecteren op dieren. Dat was een reactie op de dierpsychologen die in de jaren dertig van de vorige eeuw de neiging hadden dat juist wel te doen. Maar het werd weleens wat overdreven en dankzij het werk van primatologen als Frans de Waal wordt daarmee nu wat minder krampachtig omgesprongen. Dieren spreken tot de verbeelding, juist als ze vermenselijkt worden. In de literatuur is daar natuurlijk niets op tegen.

En wat vindt u de mooiste literaire representatie van een dier of biologisch verschijnsel?

Ik houd van Jorge Luis Borges, Het boek van de denkbeeldige wezens. Ik beschouw mezelf als een inktaap. De literaire inktaap, beschreven door Wang Ta-Hai (1791) is ‘dol op Chinese inkt en als de mensen schrijven gaat het met zijn handen op elkaar en met gekruiste benen zitten wachten tot ze klaar zijn en dan drinkt het de inkt die overblijft op’.