fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

T.C. Boyle

"Terwijl mensen zich afvragen of er leven op andere planeten is, vergeten ze dat de echte aliens zich hier bevinden. Als het erop aankomt weten we amper iets over het bewustzijn van andere diersoorten." Gesprek door Silke Currinckx Foto: Jamieson Fry

In Santa Barbara, een tot de verbeelding sprekende stad in Californië, woont T.C. Boyle (1948) met zijn vrouw midden in de natuur. Omringd door prachtige berglandschappen en onaangeroerde vegetatie is het niet verwonderlijk dat Boyle de natuur als belangrijkste personage in zijn romans ziet. Verwacht je in zijn werk echter niet aan idyllische, dromerige landschapsbeschrijvingen. Integendeel: ons ecosysteem is meer dan ooit in gevaar door het toedoen van mensen, en dat wil Boyle zijn lezers ook tonen. In zijn romans vertrekt hij steeds uit een verhit debat of een prangend vraagstuk, die hij vervolgens bewerkt tot een spannend en meeslepend verhaal. Dat is niet anders bij zijn nieuwste roman Praat met mij.

Het onderwerp dat centraal staat in Praat met mij, zijn taalexperimenten met apen, die in de jaren zeventig en tachtig populair waren in de biologie. Tijdens een van deze experimenten wordt een mensaap opgevoed tussen mensen in de hoop hem onze taal te leren. In Praat met mij borduurt Boyle daarop verder en speelt de aap Sam de hoofdrol, een jonge chimpansee die de harten van zijn onderzoekers steelt. De professor Guy en zijn assistente Aimee nemen Sam op in hun huishouden en beschouwen Sam steeds meer als hun kind. Maar Sam wordt steeds groter en nieuw onderzoek betwijfelt de validiteit van hun experimenten.

T.C. Boyle oftewel Thomas Caraghessan Boyle is een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van zijn generatie. Tijdens zijn studies komt hij in aanraking met de literatuur van onder anderen John Updike, Jean-Paul Sartre en Albert Camus, waarna hij besluit om cursussen creatief schrijven te volgen om in hun voetsporen te kunnen treden. In 1977 verwerft Boyle een doctorstitel in Engelse literatuur en is zijn mentor John Irving. Uiteindelijk debuteert Boyle in 1982 waarna de ene na de andere roman van zijn hand verschijnt, die ook telkens regelrechte bestsellers worden.

Karakters: Praat met mij gaat over een wetenschappelijk experiment met Sam, een chimpansee. Ook in je andere boeken gebruik je vaak exacte wetenschappen als inspiratie.

T.C. Boyle: Absoluut. Praat met mij is alweer mijn negenentwintigste boek, en je zou het thema van de exacte wetenschappen kunnen traceren in al mijn boeken. Ik ben dan ook altijd gefascineerd geweest door de natuurlijke wereld en in het bijzonder door biologie. Als ik wat meer talent had voor wiskunde en fysica, had ik graag als veldbioloog gewerkt.

Al mijn romans gaan eigenlijk over ons bestaan op deze mysterieuze aarde en meer bepaald hoe wij als dieren in relatie staan met andere dieren. Hoe kunnen we onszelf bijvoorbeeld onderscheiden van deze andere diersoorten en tegelijk zelf geleid worden door onze dierlijke instincten? Want we domineren vrijwel alle diersoorten, we gebruiken hen voor ons eigen plezier en hebben in dat proces de wereld kapotgemaakt. Met die vragen hou ik me al bezig sinds de jaren zeventig, de periode dat ik als student begon met schrijven. Rond diezelfde periode deed Jane Gooddall ook haar experimenten met primaten en deed men voor het eerst ook pogingen om apen talen aan te leren. Ik vond dat toen zo interessant dat ik er een kortverhaal over schreef, dat ook de basis vormde voor deze roman. Het verhaal heet ‘Descent of Man‘ en net als Praat met mij gaat het over een soort liefdesdriehoek tussen een assistente, een professor en een chimpansee. Dat verhaal was scherp en absurdistisch, terwijl Praat met mij echt een realistische roman is.

Naast de natuur heb ik trouwens ook altijd interesse gehad in de relatie tussen taal en identiteit. Op school leren we communiceren met taal en er wordt ons verteld dat dit ons gecultiveerd maakt; dat het ons onderscheidt van andere dieren. Maar dat klopt slechts deels. De experimenten met primaten leerden ons dat ze wel degelijk onze taal kunnen leren, maar vooral dat ze ook hun eigen taal hebben. Elke diersoort heeft zijn eigen taalsysteem, met zijn eigen regels en gebruiken. En trouwens: waarom hebben apen onze taal in godsnaam nodig? Als we hun habitat niet zouden verpesten kunnen zij perfect functioneren zonder onze interventie.

Door op te groeien tussen mensen beschouwt Sam zichzelf in Praat met mij ook als mens, en hij beschrijft andere apen als ‘zwarte kevers’.

Ik heb me voor dit boek gebaseerd op heel wat experimenten die plaatsvonden in de jaren zeventig en tachtig. De apen die voor deze experimenten gebruikt werden, waren echte sensaties. Vrijwel iedereen kent bijvoorbeeld nog Lucy of Nim Chimpsky. Het idee achter de experimenten was om deze chimpansees op te voeden als mensen, zonder dat ze contact hadden met andere apen. Met het uitvoeren van deze experimenten hoopten onderzoekers conclusies te kunnen trekken over hoe taalverwerving werkt, zowel bij apen als bij mensen. En wie weet konden deze apen ons wel een geheim over ons bestaan openbaren; waren ze een sleutel tot nieuwe kennis over ons universum. Ondertussen zijn de hoogtijdagen van deze experimenten wel gepasseerd. We leerden dat apen effectief taal kunnen leren, maar meer ook niet. Apen kunnen ons geen diepe waarheden over ons bestaan leren en dat maakt dat ons bestaan nog steeds het allergrootste mysterie is.

Op een bepaald moment in het boek twijfelt ook de lezer of Sam nog wel een aap genoemd kan worden. Hij draagt kleren, rookt sigaren, kijkt tv…

Dat klopt, maar als je erover nadenkt doen we dat toch ook met onze huisdieren? We nemen hen op in ons huishouden, ze worden deel van de familie. Ik woon zelf samen met een kat en een hond, en ik heb het gevoel alsof we best goed communiceren. Bij katten en honden is die tamheid natuurlijk het resultaat van generaties aan selectief fokken om de beste eigenschappen te selecteren. Dat leidt bijvoorbeeld tot hondenrassen die geen dag zouden overleven in het wild, zoals chihuahua’s of bulldogs. Bij chimpansees is dat echter niet zo: zij komen recht uit de jungle. Zelfs wanneer een chimpansee opgegroeid is in een fokkerij komen zijn voorouders nog steeds uit Afrika. Het zijn per definitie wilde dieren, die daarbij ook nog intelligent en erg dominant zijn. Daarom zijn het enkel jongen die meedoen aan deze experimenten. Vanaf een bepaalde leeftijd worden deze schattige chimpansees die je op tv ziet namelijk agressief en oncontroleerbaar, en kunnen ze hun verzorgers aanvallen. Ik heb met ‘Are we not men?’ ooit een kortverhaal geschreven over transgenetisch fokken. Zo bestaat er bijvoorbeeld een soort superzalm, die samengesteld is uit de genen van maar liefst vier andere vissen. We staan nog maar aan het begin van dit onderzoek, maar waar ligt de grens? Onze katten en honden zijn gefokt op de natuurlijke manier, maar dit transgenetische fokken roept nog veel meer ethische vragen op.

Het doet me wat denken aan Frankenstein van Mary Shelley. Het gecreëerde monster bestaat uit verschillende delen, maar uiteindelijk verliest Frankenstein de controle over zijn creatie.

Ik vraag me soms af of die eugenetische technologie niet het einde van de mens als diersoort zal betekenen. Want we gaan die technologie niet enkel gebruiken om genetische aandoeningen te voorkomen, we gaan ze ook gebruiken om te selecteren op voordelige genetische variaties. Alle wetenschappers beweren dat ze het niet zullen doen, maar dat geloof ik niet. In China hebben ze bijvoorbeeld al een tweeling gemaakt die vrij is van een bepaalde genetische aandoening. Dat lijkt op het eerste oog positief, maar als deze mensen kinderen krijgen, zitten die genetische wijzigingen voorgoed in onze bloedlijn. En wat doe je er dan mee? Rijke mensen betalen nu al miljoenen om hun kinderen op de beste scholen te kunnen laten studeren. Je gaat me dan niet vertellen dat als deze mensen de kans krijgen om het IQ van hun kinderen met veertig punten te verhogen, ze dat dan niet gaan doen.

Ik vind echt dat we daar waakzaam over moeten blijven. Mijn mening over deze zaken zit daarom natuurlijk ook verwerkt in mijn boeken, maar niet per se expliciet. Ik wil mijn lezers namelijk niet overtuigen van mijn standpunten; daar leent een roman zich niet voor. Romans en alle andere vormen van fictie dienen om te verleiden.

In Praat met mij stel ik me vooral vragen over de manier waarop we met dieren omgaan. Een varken is zo intelligent als een chimpansee, die dan weer zo intelligent is als een kind van drieënhalf jaar. Dus waarom belandt het varken dan op ons bord nadat het zijn hele leven gespendeerd heeft in een fabriek? We mogen dieren dan wel domineren, tegelijkertijd zijn ze essentieel voor ons bestaan. We hebben dieren nodig om mee samen te werken en omdat ze ons herinneren aan onze eigen dierlijkheid. Misschien vonden mensen die taalexperimenten met apen daarom net zo boeiend, omdat het de grens tussen mens en dier vervaagt. Terwijl mensen zich afvragen of er leven op andere planeten is, vergeten ze dat de echte aliens zich hier bevinden. Als het erop aankomt weten we amper iets over het bewustzijn van dieren, zelfs niet van onze huisdieren, die zich het dichtst bij ons bevinden.

In Praat met mij raakt Aimee te gehecht aan Sam en dat gaat in tegen het advies dat Guy haar heeft gegeven: word niet verliefd op je studieobject.

Bij experimenten zoals die met Sam is het essentieel om als wetenschapper zo objectief mogelijk te blijven. In de ogen van de wetenschapper heeft een aap geen ziel of morele identiteit; het is slechts een studieobject. Guy en Aimee zijn het hier vaak over oneens. Guy is veel killer dan Aimee en behandelt Sam niet als een gelijke. Aimee doet dat wel. Ze is verlegen, weet niet wat ze wil in het leven en heeft het moeilijk om met mensen te praten. Mede hierdoor raakt ze zo gehecht aan Sam: eerst als een moeder, maar nadien ook als een soort partner. Dat zie je trouwens vaak bij dit soort experimenten. De primaire verzorger van deze apen zijn vaak jonge vrouwen, ergens in de twintig, die een professor assisteren bij het onderzoek. In de beginjaren zijn die chimpansees ook echt nog baby’s, niet te vergeten! De verzorgers zijn vaak moederfiguren en moeten de chimpansees de fles geven en hun luiers verversen… Dan wordt het al heel moeilijk om je niet te hechten.

Jammer genoeg is niet elk personage even vriendelijk tegen Sam. Enkele van de gruwelijkste scènes in Praat met mij spelen zich af in een fokkerij. Heb je ooit zo’n fokkerij bezocht?

Nee, nooit. Ik heb maar een heel klein hartje en dat zou ik niet aankunnen. Voor een ander boek deed ik wel research naar dierenasielen. Toen ben ik in een van die asielen wel eens een kijkje gaan nemen met mijn vrouw. Stel het je even voor: je wandelt daar naar binnen en het eerste dat je ziet zijn katten. Ze zitten in hun kooien met hun naamplaatjes en hun speeltjes. Je weet ook dat je de katten eerst ziet omdat zij de eerste zijn om gedood te worden als niemand hen adopteert. Dan loop je door naar de honden. Ze kijken allemaal naar je met een blik die ‘neem me mee!’ schreeuwt en dat zou je maar al te graag willen maar natuurlijk gaat dat niet. Op het moment dat ik een luchtje ging scheppen omdat ik de blikken van al die dieren niet meer aankon, zag ik buiten de verbrandingsoven.

Natuurlijk heb ik wel voldoende research gedaan naar deze fokkerijen. In Next of Kin van hoogleraar psychologie Roger Fouts gaat het bijvoorbeeld over een aap, Booee. Booee werd door Fouts gebruikt voor experimenten, maar toen hij wat ouder werd, plaatsten ze hem in een kooi. Zestien jaar later bezoekt Roger Fouts hem opnieuw. Er staat een filmpje van op het internet, als je wil huilen vandaag. Na al die jaren herinnert Booee zijn verzorger nog en je ziet hen communiceren in gebarentaal. Maar het zien van die beelden doet me ook pijn als je weet hoe intelligent Booee is en hij al die jaren spendeerde in die kooi. Het misbruik dat we maken van dieren is hetgeen wat me het meest raakt van allemaal. Door ons toedoen zijn chimpansees een kwetsbare diersoort geworden. Maar ironisch genoeg tonen onder andere de klimaatrampen aan hoe ook de mens kwetsbaar is.

De pandemie waarin we nu leven is daar nog het beste voorbeeld van. Je denkt dat je een vrij persoon bent, en van de ene dag op de andere mag je je huis niet meer uit.

Wacht maar tot je oud bent! (lacht) Toen ik jong was leefde ik erop los en was ik nergens bang voor. Maar nu zie ik het einde naderen en dat maakt me nerveus. Dan heb ik het niet enkel over mijn eigen sterfelijkheid, maar ook over de toekomst van deze wereld. Ik leg al mijn hoop voor de toekomst in de jongere generatie, in het vertrouwen dat zij het beter zullen doen.

Ken je het concept van de shifting baseline? Dat betekent dat de basis van wie je bent ook afhankelijk is van hoe de wereld er op dat moment uitziet. Ik ben opgegroeid in de buitenwijken van New York, toen er nog maar half zo veel mensen op deze aarde woonden. We hadden nog geen idee van klimaatverandering, er waren nog veel meer diersoorten op aarde, sommige plaatsen op aarde waren nog steeds onaangeroerd door mensen. Dat was mijn baseline, dat was de wereld waarin ik leefde. Een kind dat nu geboren wordt zal een heel andere basis kennen. Het zal opgroeien met voedseltekorten, natuurrampen, pandemieën, de toestroom van vluchtelingen… maar voor dat kind zal dat de normale toestand zijn. Hopelijk zorgt dat bewustzijn ervoor dat de komende generaties de crisis die we voor onszelf gecreëerd hebben kunnen afremmen en van de wereld weer een betere plaats kunnen maken.

Weet je wat we zouden moeten doen? Als iedereen gedurende de komende honderd jaar zou afspreken om zich niet meer voort te planten! Voilà, overbevolking opgelost! (lacht) Dat is natuurlijk onmogelijk, want we zijn allemaal dieren en de natuur doet ook met ons zijn ding. Zelf heb ik mijn ecologische voetafdruk al enorm uitgebreid door bijvoorbeeld drie kinderen te krijgen. Ik heb de natuur zijn gang laten gaan, maar als iedereen dat doet hebben we een grotere planeet nodig. Sure, we zouden Mars kunnen koloniseren, maar misschien moeten we eerst zorgen voor de planeet die we al hebben. Daar heb ik met De terranauten ook ooit een roman over geschreven. De terranauten gaat over een experiment in de woestijn van Arizona. Ze plaatsten vier mannen en vier vrouwen onder een grote koepel met als doel om hen zichzelf te laten onderhouden, een beetje zoals in de oertijd. Elke twee jaar kwamen er dan acht nieuwe mensen bij, enzovoort. Natuurlijk faalde het experiment na nog geen twee jaar. De bewoners verhongerden omdat ze zo veel energie nodig hadden voor productie. Dus nee, ik denk niet dat Mars zou werken. Maar we moeten optimistisch blijven en blijven geloven in deze wereld. En als dat niet lukt, is er gelukkig nog altijd alcohol! (lacht)

Meer weten en lezen over T.C. Boyle?

T.C. Boyle publiceerde met Praat met mij – zoals hij zelf al aanhaalt in het interview – zijn negentwintigste boek. Een groot deel van die boeken, met name zijn romans, zijn doorheen de jaren naar het Nederlands vertaald. Zo verschenen bij Atlas Contact enkele jaren geleden nog De terranauten en Wie storm zaait. Bij Anthos verschenen daarvoor onder anderen Talk talk, De weg naar Wellville en De vrouwen.

In Amerika is T.C. Boyle een van de grootste schrijvers van zijn generatie. Bewijs daarvoor is dat Boyle sinds 2009 onder andere lid is van de Amerikaanse Academie van Kunsten en Literatuur; een hele eer voor een schrijver.

Een ander bewijs voor de staat van verdienste van T.C. Boyle, is de waslijst aan onderscheidingen die hij al mocht ontvangen. Zo won T.C. Boyle onder andere de Henry David Thoreau Award en eerder ook al de Prix Médicis Étranger en tweemaal de O. Henry Award.

T.C. Boyle is naast een productief schrijver, ook een productief lezer. Tot zijn lievelingsschrijvers behoren Jorge Luis Borges, Flannery O’Connor, Julio Cortázar, E.L. Doctorow, Gabriel García Márquez en Thomas Pynchon.

Hoe beeldend zijn romans veelal ook zijn, toch zijn er maar weinig romans van T.C. Boyle verfilmd. Een van de enige romans van Boyle die werd verfilmd, is De weg naar Wellville uit 1994 met in de hoofdrollen onder anderen Anthony Hopkins, Bridget Fonda en John Cusack.