fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Stefan Brijs

“Ik wilde het altijd al eens over de liefde hebben. Welke schrijver wil dat nu niet?” Gesprek door Stijn Demarbaix

‘Dit zijn de belangrijkste vragen.’ Met deze zin opent de roman Verzen van het leven en de dood (2007) van de Israëlische schrijver Amos Oz. Daarna volgt er een hele waslijst aan vragen die hoofdzakelijk over het schrijverschap gaan. Geïnspireerd door Oz laten we in deze serie interviews verschillende bekende en minder bekende auteurs antwoord geven op een selectie van deze vragen. Nadat we eerder in gesprek gingen met onder anderen Saskia De Coster en Richard Powers, is het nu de beurt aan Stefan Brijs (Genk, 1969).

Toch moet Oz nog heel even wachten. Brijs is namelijk, naast begenadigd auteur van onder meer De engelenmaker (2005) en Post voor mevrouw Bromley (2011), amateur ornitholoog. Onze eerste vraag peilt dan ook naar het welzijn van de boerenzwaluwen die jaarlijks hun nest bouwen onder het dak van Brijs’ woonplaats in Andalusië. In 2014 verkaste de schrijver naar het zuiden van Spanje en sindsdien geniet hij met volle teugen van het gekwetter van de praatgrage vogeltjes. “Ze maken het goed”, stelt hij ons gerust. “Er waren elf jongen dit jaar, die hun vleugels al hebben uitgeslagen en pas terugkeren in februari. Het is altijd uitkijken naar dat moment.” Dat zijn nieuwste roman Zonder liefde (2019) het verhaal vertelt van twee tortelduifjes in de figuratieve zin, is louter toeval. Zonder liefde brengt een jaar uit het leven van Paul en Ava, twee late twintigers die hun vorige relaties op de klippen zagen lopen en bij elkaar op zoek gaan naar vriendschap en geborgenheid. Laat ons dan nu in naam van Oz enkele prangende, niet aan vogels gerelateerde vragen te stellen.

Karakters: Waarom schrijf je?

Stefan Brijs: Omdat wanneer ik niet schrijf, ik heel onrustig word. En dat wil ik mijn vrouw niet aandoen (lacht). Vanuit een zekere dwang dus, maar uiteraard ook vanuit goesting. Ik schrijf graag. Op mijn zeventiende begon ik ermee en op mijn zevenentwintigste publiceerde ik mijn eerste boek. De drang en de zin zijn sindsdien nooit meer weggegaan.

Wat trok je op je zeventiende tot het schrijverschap aan?

Herman Brusselmans en Tom Lanoye kwamen rond die tijd met respectievelijk De man die werk vond (1985) en Kartonnen dozen (1991). Voor een scholier als ik, iemand die graag las, maar die nog niet rijp genoeg was voor het werk van Elsschot, Boon en Daisne, was dat een openbaring. Ik dacht: ‘Wauw, dit kan ook literatuur zijn’. Ik startte toen aan mijn eerste boek, een kloon van Brusselmans, maar die heeft het levenslicht nooit gezien.

Op je zeventwintig kwam die eerste roman er wel.

Jazeker, De verwording. Verschrikkelijk. Dat boek mag niet herdrukt worden.

Waarom niet?

Het is een en al aanstellerij. Net als veel jonge schrijvers op dat moment werd ik geïnspireerd door het werk van Jeroen Brouwers, bij uitstek door De zondvloed (1988) en zijn brievenboeken. De verwording is helemaal geënt op de stijl van Brouwers. Maar dat ben ik niet. Het is pas met Arend (2000) dat ik schrijver geworden ben.

Maar je kijkt toch wel uit naar de nieuwe roman van Brouwers dit jaar?

Ja, absoluut, hij blijft een van de grootste schrijvers die we hebben. Ik kende hem persoonlijk ook goed. Ik kwam vaak bij hem thuis, waar het vol met boeken stond, en dan zei hij wat ik allemaal moest lezen. Hij was een mentor voor mij. Tot ik bewust afstand van hem nam, want je moet op een bepaald moment je eigen weg volgen. We zijn nog een tijd vrienden gebleven, maar ondertussen zijn we uit elkaar gegroeid.

Waarom schrijf je in deze vorm?

Omdat je in een romanvorm verhalen kwijt kan die niet voor de hand liggen. Zo kan je lezers in contact brengen met personages die ze niet kennen en waar ze in het echte leven omheen zouden lopen. Ook breng je ze in milieus waar ze vanop een afstand naar kijken en in periodes die ze niet kennen. Dat staat deze vorm allemaal toe.

‘Romans dienen ervoor om op een speelse manier iets aan de lezer bij te brengen.’

Je wil dus met je boeken je lezers in zekere zin beïnvloeden?

Romans dienen ervoor om op een speelse manier iets aan de lezer bij te brengen. Neem bijvoorbeeld Post voor mevrouw Bromley, dat zich afspeelt tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tegenwoordig zijn er niet veel mensen die essays of non-fictie over de Eerste Wereldoorlog tot zich nemen, maar door dat boek hebben toch heel wat lezers opnieuw met die wereldgebeurtenis kennisgemaakt. De onderwijzer in mij vindt dat geweldig.

Wat wil je met Zonder liefde vertellen?

Zonder liefde is een buitenbeentje in mijn oeuvre, in die zin dat het geen door plot gedreven roman is met een duidelijk begin, midden en einde. Ik vertel over een jaar uit het leven van de twee jonge hoofdpersonages en focus me op hun vriendschap en de moeilijkheden die ze ondervinden in hun zoektocht naar liefde. Ik wijs op het ideaalbeeld dat je op jonge leeftijd koestert. Je bent dan nog erg kritisch, met een duidelijk beeld van hoe je toekomstige partner eruit moet zien. Je bent onervaren ook. Schrijvende met de wijsheid die ik proefondervindelijk als bijna 50-jarige heb bereikt, wil ik dat idee overbrengen.

Waarom wil je dit verhaal nu vertellen?

Een boek dringt zich op een bepaald moment bij mij op. Bovendien wilde ik het altijd al eens over de liefde hebben, welke schrijver wil dat nu niet? Over de liefde en erotiek schrijven is evenwel niet zo gemakkelijk. In De verwording had ik me daar al eens aan gewaagd. Het resultaat was belachelijk. Ik was veel te jong en stelde me te veel aan. Nu voelde ik me als schrijver rijp genoeg om met de juiste woorden de emoties uit te drukken van deze zoekende personages.

Ik benoem de tijd en de plaats waar het zich afspeelt niet, omdat het verhaal over de liefde en het zoeken daarnaar tijdloos is. Alleen de manier waarop men zoekt, verandert. Vroeger plaatste men contactadvertenties, tegenwoordig log je in op Tinder. Ik weet niet hoe Tinder werkt, dus dat kon ik moeilijk in de roman implementeren. Daarom put ik uit mijn eigen ervaring. Maar of je nu contact zoekt via Tinder, contactadvertenties of elkaar tegenkomt in een discotheek, het resultaat blijft hetzelfde: op een dag zit je tegenover elkaar en moet je voor het eerste een gesprek aanknopen. En het eerste wat je dan denkt is: ‘Zal het tussen ons iets worden?’, en: ‘Ben ik fysiek tot hem of haar aangetrokken?’ Die vragen zijn van alle tijden en ook Paul is er tegen wil en dank mee bezig.

Hoe bereid je jezelf voor op het vertellen van een liefdesverhaal?

Ik doe altijd hetzelfde: ik ga zitten en ik begin eraan. Ik heb op voorhand geen plan, geen plot en al zeker geen einde in mijn hoofd. Ook voor De engelenmaker en Post voor mevrouw Bromley had ik op voorhand geen plot in gedachten. Ik had alleen een hele dunne lijn, een vaag idee waarover de boeken ongeveer zouden kunnen gaan. Al schrijvende ontwikkelen zich dan scènes in mijn hoofd die zich over vijftig pagina’s zullen afspelen, en dan probeer ik daar naartoe te schrijven. Tegen die tijd kan het hele aanzicht van het verhaal natuurlijk al veranderd zijn.

Nu is het wel zo dat ik voor Zonder liefde op een gegeven moment vier mogelijke eindes in gedachten had, maar geen enkele heeft het gehaald.

Wil je er eentje delen?

Ik heb gespeeld met het idee van een moord of zelfmoord. Tien jaar geleden had ik dat er waarschijnlijk ingestopt, al was het maar om ‘de oude Brijs’ tevoorschijn te halen. Maar ik wilde dit verhaal zo realistisch mogelijk brengen. Dan mocht het geen thriller worden.

We mogen wel stellen dat je rechtstreeks vanuit je inspiratie schrijft. Herschrijf en schrap je ook nauwelijks?

Herschrijven doe ik vooral op stilistisch niveau. Tot in de drukproef blijf ik veranderen. Maar het gebeurt ook wel dat ik met mijn personages een weg insla die uiteindelijk doodloopt. Na een twintigtal pagina’s kom ik er dan achter dat ik vast zit en dan ben ik genoodzaakt enkele weken werk zomaar weg te gooien. Vervolgens ga ik op zoek naar het punt waar het is misgelopen en neem ik daar de draad weer op. Dat is het gevolg van mijn manier van schrijven. Ik verras mezelf voortdurend.

‘In al mijn personages zitten stukjes Stefan Brijs. En stukjes van anderen die ik ken. Het is zoals Gustave Flaubert zegt: “Madame Bovary, c’est moi.”’

Als het op gevoelens en liefde aankomt is Paul meer een bedachtzaam en terughoudend type, terwijl Ava impulsiever handelt en een onweerstaanbaar verlangen nastreeft. In welke mate zit er Paul in jou en in welke mate Ava?

In al mijn personages zitten stukjes Stefan Brijs. En stukjes van anderen die ik ken. Het is zoals Gustave Flaubert zegt: “Madame Bovary, c’est moi.” Ik ben al mijn boeken, ik ben al mijn personages. Anderzijds: Paul zegt op een bepaald ogenblik dat passie niet bestaat, of dat je dat alleszins niet kan volhouden. Ik ben ondertussen twintig jaar getrouwd en nog steeds met passie, dus je kan ons zeker niet één op één vertalen (lacht).

Hij is inderdaad wel een beetje een pessimist, die Paul. Op pagina 141 zegt hij: ‘In onze verliefdheid streven we naar de grootste gemene deler, maar eindigen doen we bij het kleinste gemene veelvoud.’

Paul zit op dat ogenblik in een dieptepunt van zijn leven. Hij heeft net een mislukt huwelijk achter de rug. Nu is het zo dat ik rond die leeftijd ook een mislukt huwelijk achter de rug had, dus je weet waar ik mijn mosterd ben gaan halen. Op zo’n moment kan je even niet meer positief over de liefde denken. Paul ziet de liefde dan ook als een slagveld, maar tegelijk wil hij de zaken forceren door contactadvertenties in de krant te zetten. Hij is ongeduldig. Dat is wat ik ook rondom mij zie: 25-jarigen die zich haasten om een relatie aan te gaan en torenhoge verwachtingen koesteren. Als 50’er denk ik dan: doe maar rustig aan. Je leert meer relativeren en kweekt meer geduld. Ik begin als een oude man te klinken, niet? (lacht).

Dan wel als een oude man met wijze raad. Je woont in Andalusië, hoe zit het eigenlijk met de Spaanse liefdesbeleving?

(wordt serieus) Daar zit je vooral met de don juan en een machocultuur. Bijna elke dag staat in de krant te lezen dat er een vrouw door haar eigen man is mishandeld. In dorpen komen vrouwen op straat om te protesteren tegen het wangedrag van mannen. Dat heb je wel op meerdere plaatsen, maar in Spanje toch wel in veelvoud, hoor.

Nog een laatste vraag van Oz: heeft u vaste uren om te schrijven?

Ik schrijf elke dag van halftien tot halftwee. Dat lijkt weinig, maar ik kwijt me dan geconcentreerd aan mijn taak. Ik trek me terug in mijn schrijfhut, waar geen internetverbinding is. Toen ik nog in België woonde schreef ik van negen tot vier, maar de helft van de tijd zat ik me op internet te amuseren. Nu gaat dat veel efficiënter. En na halftwee ontspan ik mij met lezen, koken, Netflix kijken, wandelen en vogels spotten, uiteraard.

Vanzelfsprekend! Dient ons bij wijze van afsluiter te vragen: wat is uw favoriete vogelsoort?

(lacht) Ik heb voor mezelf een top vier opgesteld. Daarin zitten de bijeneter, de ijsvogel, de scharrelaar en de hop. Wat blijkt: al die vogels behoren tot dezelfde soort. Gek, vind je niet? Dat ze tot mijn favorieten behoren omdat het kleurrijke vogels zijn, speelt natuurlijk ook mee. Verder vind ik het puttertje geweldig. En dan heb je nog de boerenzwaluwen op het terras…

We begrijpen het, er valt niet te kiezen. Bedankt Stefan!