Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Saskia De Coster

"Literatuur is het reservaat van het schijnbaar nutteloze." Gesprek door Jochen De Vos Foto's: Wouter Vellekoop

‘Dit zijn de belangrijkste vragen.’ Met deze zin begint de roman Verzen van het leven en de dood (2007) van de Israëlische schrijver Amos Oz. Daarna volgt er een hele waslijst aan vragen die hoofdzakelijk over het schrijverschap gaan. Geïnspireerd door Oz laten we in deze nieuwe serie interviews verschillende bekende en minder bekende auteurs antwoord geven op een selectie van deze vragen.

Saskia De Coster (Leuven, 1976) schrijft al bijna haar hele leven en begin volgend jaar verschijnt bij Das Mag haar tiende roman, Nachtouders. Naast het schrijven van romans, houdt De Coster zich bezig met verschillende vormen van beeldende kunst en ging ze ook samenwerkingen aan met verschillende muzikanten zoals Amatorski en Deze Mona. Na haar optreden op Crossing Border, waar ze samen optrad met Oyinkan Braithwaite, legden we haar als eerste de Oz-vragen voor. Maar uiteraard voegden we ook een aantal van onze eigen vragen toe.

Karakters: Waarom schrijf je?

Saskia De Coster: Ik ging net zeggen: de eerste vraag zal wel die simpele, moeilijke vraag zijn van het waarom. Ik vind dat zelf nogal een taboevraag omdat het voor mij gelijkstaat met de vraag: waarom leef je.

Er zijn natuurlijk verschillende redenen die je kan aanhalen om de vraag toch te beantwoorden. Je zou kunnen zeggen dat ik schrijf om mijn gedachten te kunnen ordenen, om op mezelf te kunnen zijn, om dingen te kunnen onderzoeken – en dat zijn allemaal geldige antwoorden, maar toch is dat niet de echte reden waarom ik schrijf. Het grote waarom is voor mij het zwarte gat waar ik rond cirkel en waarop ik dus geen alomvattend antwoord op heb.

Waarom schrijf je in deze vorm?

Ik kan niet anders. Je hebt daar geen keuze in. Ik geloof graag in de eigen wil, maar er zijn ook bepaalde zaken die vastliggen, waaronder dus de vorm waarin ik schrijf. Ergens heb ik in mijn hoofd natuurlijk wel een beeld van hoe mijn stijl zou moeten zijn, en daar werk ik naartoe, maar het gebeurt allemaal binnen het kader van mijn eigen beperkingen. Op slechte dagen denk ik dan ook soms: ik zit vast in mijn eigen stijl.

Wil je met je boeken je lezers beïnvloeden, en zo ja, in welke richting? 

Ik wil mijn lezers niet beïnvloeden omdat ik daar niet in geloof. Ik geloof wel in een bepaalde verwantschap tussen een schrijver en een lezer, omdat het lezen van een boek zo’n indirecte manier van communiceren is.

Welke functie vervullen je boeken en verhalen?

In West-Europa pretenderen we nog altijd dat literatuur invloed heeft. Ik denk niet dat dat zo is. Hoewel literatuur in veel andere landen misschien nog invloed heeft, vervult literatuur in het Westen volgens mij de functie van het reflecteren. Het reflecteren van tijd of actuele thema’s of de reactie daar weer op.

De functie van de literatuur is ook dat ze een soort nutteloosheid moet hebben, en dat ook moet willen claimen. Literatuur is het reservaat van het schijnbaar nutteloze. En dat is een belangrijke functie, want als je dat opgeeft gaat er veel verloren.

Schrap en verbeter je voortdurend of schrijf je rechtstreeks vanuit je inspiratie?

Ik zou willen dat het niet nodig was, maar ja, ik verbeter mijn teksten voortdurend. Ik moet mijn teksten kunnen modelleren en herwerken en opnieuw kunnen kneden.

Nu zit ik bijvoorbeeld in de laatste fase van het schrijven van mijn volgende roman Nachtouders en de versies volgen zich op dit moment in hoog tempo op. Iedere paar dagen is er wel een nieuwe versie.

Wat vind je van andere schrijvers? Door wie word je beïnvloed en welke liggen je helemaal niet? 

Ik hou niet van schrijvers die een heel vlakke stijl hebben en een bepaalde vorm van objectiviteit in hun romans proberen leggen. Een stijl is voor mij iets wezenlijks; het is een bepaalde manier van kijken. Daarom vind ik schrijvers die een heel expliciete toon of uitgesproken standpunt hebben veel interessanter. Schrijvers die een risico durven nemen.

Tommy Wieringa is een zeer mannelijk, monumentaal schrijver, maar zijn stijl is wel ijzersterk. Of bijvoorbeeld Claire-Louise Bennett. Puur op basis van de achterflaptekst van haar roman Pond zou ik dat boek nooit willen lezen. In het verhaal gebeurt helemaal niets en het speelt zich af op het Engelse platteland – twee dingen die ik haat. Het hoofdpersonage is in haar hoofd bezig met of er nog afwas op het aanrecht staat en andere dingen die helemaal niet interessant zijn, maar Bennett verbindt daar vervolgens van alles aan wat het net heel interessant maakt. Haar stijl zorgt ervoor dat het een beleving wordt. Daar heb ik bewondering voor.

Heb je vaste uren om te schrijven?

Neen, maar ik ben wel verslaafd aan schrijven. Ik voel mij ook niet zo goed wanneer ik niet schrijf. Voor mij vergt het dus weinig discipline om me aan het schrijven te zetten. Nu schrijf ik wel meer dan gewoonlijk omdat ik in de laatste fase van Nachtouders zit, en daardoor ook slechter slaap omdat ik er de hele tijd mee bezig moet en wil zijn. Ik vermoed dat iedere schrijver zich hierin wel zal herkennen.

Wanneer weet je wanneer je iets goeds geschreven hebt?

Als je voelt dat de veranderingen die je begint aan te brengen, verslechteringen zijn. Halverwege het schrijfproces is dat meer qua verhaal, op het einde meer qua taal.

Luister je tijdens het schrijven en lezen ook regelmatig naar muziek?

Ik luister heel veel naar muziek. Tijdens het schrijven luister ik regelmatig naar elektronische muziek of naar hedendaagse klassieke muziek. Daarbij moet je denken aan muzikanten als Nils Frahm, Tim Hecker en Jóhann Jóhannsson. Voor het schrijven van Nachtouders heb ik veel geluisterd naar Boards Of Canada en nog meer naar Jon Hopkins.

Voor de rest luister ik ook veel naar hiphop, urban en als guilty pleasure naar hypercommerciële brol. De enige die niet in dat lijstje thuishoort is Bob Dylan van wie ik al een enorme fan ben sinds mijn kindertijd.

En zou je ons in het kort en in je eigen woorden willen vertellen waar je volgende roman, Nachtouders, over gaat?

Nachtouders gaat over een nieuwe vorm van ouderschap, het niet-biologische daarvan en in welke zin dat een actief en procesmatig iets is. Vroeger was het zo’n gegeven dat je vader of moeder was, maar nu is het ouderschap iets waar we veel bewuster en actiever mee bezig zijn. In mijn geval als niet-biologische moeder was die gebruikelijke denkwijze confronterend en daarover wilde ik schrijven.

Zullen we daar begin volgend jaar dieper op ingaan en ons gesprek hervatten?

Graag!